Zij

Afgelopen week waren wij een paar dagen op ons ‘landje’ in de Languedoc. Waarom zou een mens als hij al op een idyllische plek op het Franse platteland woont, ook nog een stukje ‘campagne’ op zes uur rijden willen bezitten?
Dat zit zo. Ik ben een zeiler en Jacqueline niet. Ik heb alles geprobeerd om haar ervan te overtuigen dat er niets leuker is dan om door de wind voortbewogen op het water te zitten, maar het heeft niet mogen baten. Het is me misschien gelukt om haar duidelijk te maken dat het voor iemand leuk kan zijn om naar zeilen, windvaantjes en kompassen te turen en intussen in meerdere of mindere mate door de golfslag door elkaar geschud te worden, maar dat heeft haar alleen maar gesterkt in de overtuiging dat zij die iemand niet is. Probleem. Want ik heb wél een zeilboot waarvan ik had gedacht dat we daarop vele genoeglijke uren zouden doorbrengen. En het is tamelijk zuur om je schaarse vrije tijd gescheiden van elkaar te moeten leven omdat je onverenigbare interesses hebt. Dus besloot ik twee jaar geleden naar een stukje land met een bescheiden optrekje in de buurt van de ligplaats van mijn boot te zoeken. Dat vond ik in een handomdraai. Een verlaten wijngaard vol met de soorten struikgewas die je in de Franse middellandse zeestrook aantreft en bovendien nog een stenen schuurtje met achttien vierkante meter vloeroppervlak. En zo kan dan Jacqueline de dag in de geuren van de thijm, de wilde venkel en wat er zoal meer groeit in de garrigue doorbrengen, terwijl ik een eindje verderop op de zee rondklots. Een simpele doch geniale oplossing van ons vrijetijdsprobleem.
Maar het zou evengoed kunnen dat wij ons een nieuw probleem op de hals hebben gehaald. Want als je een ding niet moet onderschatten dat is dat wel de bijzondere aard van de intermenselijke relaties op het Franse platteland. Daar hebben wij in onze eerste jaren in de Bourgogne het nodige van meegekregen, dus in die zin waren we wel op het een of ander voorbereid. Maar de menselijke creativiteit in het dwarszitten van de medemens is groot. Wat wij in twee dagen meemaakten was dit.
Toen wij de eerste avond in een naburig dorp wilden gaan eten, reden wij langs het schuurtje van buurman Philippe, een bebaarde vijftiger die in zijn vrije tijd bezig is zijn optrekje tot een heuse woning om te bouwen. Zonder vergunning natuurlijk. ‘Daar doen ze hier niet moeilijk over’, had hij mij gezegd. Wij dachten langs zijn schuurtje te rijden totdat ons opviel dat wij slechts de resten ervan zagen. Het schuurtje was volledig uitgebrand en van het dak restten nog de onderste rijen pannen. In ietwat bedrukte stemming reden we toch maar verder, intussen proberend te bedenken wat er gebeurd zou kunnen zijn. De volgende ochtend meld ik mij bij de buren aan de andere kant, ex-Parijzenaars die daar al meer dan vijfentwintig jaar wonen op een schitterende plek in een huis dat ze vanaf de fundamenten zelf helemaal opnieuw hebben opgebouwd. Ik heb ze al zes maanden niet meer gezien dus er is alle reden om even naar hun wel en wee te informeren. Alles helemaal goed, weet Jean-Pierre mij te vertellen (later hoor ik dat hij deze winter met acute hartklachten in het ziekenhuis is opgenomen en daar een maand heeft gelegen). En het huisje van Philippe? Ja, dat is inderdaad een jammerlijke gebeurtenis. Dat is een week geleden gebeurd. In brand gestoken. In brand gestoken? Ja, nadat eerst alles wat bruikbaar was eruit is gesleept. En wie doet nou zoiets? Zij. Zij doen dat. En ‘zij’ staat dan voor jagers, wijnboeren en jaloerse dorpelingen. Françoise heeft zich inmiddels ook in het gesprek gemengd. Ze vertelt dat ze er helemaal overstuur van is en dat ze niet weet hoe lang ze ‘dit’ nog kan verdragen. En ‘dit’ staat dan voor vijfentwintig jaar lang getreiter en intimidaties. Daar hebben ze mij bij eerdere gelegenheden al wat staaltjes van verteld.
Ik wandel terug naar ons schuurtje. Om mij heen zie ik natuur van een verbluffende schoonheid en denk dat dit de mens toch niet anders dan tot mooie gedachtes kan inspireren. Niet noodzakelijk blijkt.
Ik zie wat rook omhoog stijgen uit een naburig dal. Ongetwijfeld een wijnboer die zijn snoeihout aan het opbranden is. Wel vreemd om dat met zulk droog weer en zo’n stevige wind te doen. In de loop van de middag zien wij de rookwolken over een lengte van zo’n honderd meter opstijgen. Dat lijkt ons niet erg normaal. Even later signaleert Jacqueline vlammen. En dan zien we plotseling het vuur in hoog tempo langs een berghelling op een kilometer afstand het groen wegvreten. We horen zelfs het geknetter. Nog honderd meter en het vuur heeft het huisje van Hélène bereikt. En dan horen we de brandweersirenes.
De volgende ochtend vraag ik aan buurman Jean-Pierre of hij weet wat er precies gebeurd is. Hij kijkt me meewarig aan. Dat begrijp ik toch zeker wel? Hoezo? Ik dacht een onvoorzichtige wijnboer.
Ja ja, maar dan wel opzettelijk onvoorzichtig. Een week geleden gebeurde hetzelfde in een ander dal vlak bij het huisje van Nederlanders. Ook toen is het net goed afgelopen.
Ja maar, waarom doet iemand zoiets?
Jean-Pierre haalt zijn schouders op. Het antwoord doet er voor hem al lang niet meer toe.

Goede voornemens

Deze week sta ik met een artikel in Vrij Nederland. Een jaar of vijf geleden nam ik mij op 1 januari omstreeks 00.15 uur voor om in het komend jaar door te breken in de landelijke pers en ik noemde geloof ik met name De Groene en Vrij Nederland. Het lijkt er dus op dat ik vijf jaar later toch nog mijn goede voornemen voor 2005 inlos. Maar nee, dit was helemaal niet de bedoeling. Ik had het idee van mijn landelijke doorbraak al lang laten varen en ingeruild voor het schrijven van een boek. Dus waarom dat artikel in Vrij Nederland? Omdat ik een verhaal had geschreven voor mijn oude blad Vice Versa, waarvan ik in de jaren negentig ik meen zes jaar hoofdredacteur was, en dat verhaal door de tegenwoordige hoofdredacteur werd geweigerd. Een tamelijk banaal gegeven, ware het niet dat ik diezelfde meneer destijds in mijn redactie had en hem eruit heb gezet vanwege zijn onverbeterlijke onprofessionaliteit. Marc, zo heet hij, leek in een spannend jongensboek te leven waarin hij de hoofdpersoon was. Dat was een tijdje vermakelijk, langzamerhand werd het hinderlijk en op den duur werd het stomvervelend. Dus heb ik hem uit de redactie gezet. Dat moet een kleine vijftien jaar geleden geweest zijn.
Maar waarom schreef ik in godsnaam een verhaal voor Vice Versa, vakblad over ontwikkelingshulp, terwijl ik die branche de afgelopen tien jaar nauwelijks meer gevolgd heb? Omdat ik iets te doen wilde hebben als ik in de winter maandenlang in Nederland zou zijn. Nu begint het verhaal ingewikkeld te worden. Ik moet weer even een kleine sprong terug in de tijd maken. Twee jaar geleden bedachten Jacqueline en ik dat het misschien wel een goed idee zou zijn om na onze lange afwezigheid uit Nederland eens te onderzoeken hoe wij het in ons land van herkomst zouden vinden. Niet voor een weekje, want deden we soms al. Nee, voor langere tijd. Voor maanden. Zo gingen we in het najaar van 2008 vol goede moed, kloppend hart, hond in mand en vogeltje in kooi naar Nederland. Jacqueline had een paar dagen per week werk en ik ging vlijtig verder schrijven aan mijn tweede roman. Maar na een maand in de Kempen vloog ik tegen alle mogelijke en onmogelijke muren op. Ik bedacht me dat ik iets anders moest gaan doen dan hele dagen achter mijn toetsenbord te zitten met als enige verpozing wandelingen met de hond in een landschap dat de concurrentiestrijd met onze woonomgeving in Frankrijk al in de proloog verloor. Het antwoord was: mensen zien. En wat is een legitieme manier om veel mensen te zien? Ze te gaan interviewen met het oog op een artikel. Ik kreeg het schitterende idee om de Nederlandse ontwikkelingshulp na tien jaar afwezigheid opnieuw te gaan ontdekken. Dat heeft me de eerste maanden van 2009 stad en land doen afreizen, oude bekenden laten ontmoeten, interessante gespreken laten hebben, kortom ik leefde op en had een goede reden om mij in Nederland in het algemeen en de ontwikkelingshulp in het bijzonder te verdiepen. Pas toen het verhaal zo ongeveer klaar was, begon ik mij af te vragen waar ik het kwijt zou kunnen. Het was een artikel van zo’n zevenduizend woorden geworden dat alleen maar over ontwikkelingshulp ging. Het duurde niet heel lang voordat ik mij realiseerde dat er nauwelijks een andere publicatiemogelijkheid zou zijn dan mijn oude blad. En warempel hoofdredacteur Evelijne vond het een geweldig idee en een paar maanden later stond het artikel in Vice Versa. Daarmee had de geschiedenis afgelopen kunnen zijn, ware het niet dat er nog een los eindje was. Ik was in het schrijven van het verhaal onder andere uitgegaan van mijn eigen ervaringen bij de twee ontwikkelingsorganisaties waarbij ik langere tijd heb gewerkt, SNV en Hivos. Bij Hivos heb ik zowel mijn oude directeur Jaap als de nieuwe directeur (en destijds mijn directe chef) Manuela geïnterviewd. Maar bij SNV … niemand. Het lukte domweg niet om een simpele afspraak te maken. Ik liet mij op een gegeven moment ontvallen dat ik de indruk begon te krijgen dat ik naar het best bewaarde geheim van de Nederlandse ontwikkelingshulp op zoek was. Homerisch gelach aan de andere kant van de lijn, maar nog steeds geen afspraak. En mijn nieuwsgierigheid raakte steeds meer geprikkeld. Het was goddomme gemakkelijker om een afspraak met een minister in een willekeurig land te krijgen dan om met de baas of zelfs maar een sub-baas van SNV te kunnen spreken. Maar goed deadline is deadline, dan maar een artikel zonder SNV. Het was mij inmiddels uit alle verzamelde materiaal duidelijk geworden dat er nog een verhaal in zat. Evelijne en ik hebben toen uitgebreid overlegd hoe deze koe bij de hoorns te vatten en we besloten om dan maar een afzonderlijk artikel in een volgend nummer aan SNV te wijden. En vervolgens kreeg ik die afspraak en dan meteen maar liefst met de voltallige directie.
Dat artikel is er gekomen. Alleen, toen ik het zo’n beetje klaar had, deelde Evelijne mij mee dat ze zo ongeveer met ingang van direct opstapte als hoofdredacteur, maar dat zou voor mij verder geen probleem opleveren want de gedoodverfde nieuwe hoofdredacteur zou zonder twijfel mijn verhaal over SNV willen hebben. De gedoodverfde hoofdredacteur had echter blijkbaar niet de zegen van de uitgever en zo hoorde ik dat Marc de nieuwe hoofdredacteur zou worden. Maar, zo verzekerde mij Evelijne, maak je niet ongerust, ik heb bedongen dat jouw verhaal geplaatst wordt. En zo kwam het dan uiteindelijk bij Vrij Nederland terecht. Terecht natuurlijk, want welke zichzelf respecterende hoofdredacteur van een vakblad gaat een artikel plaatsen waarin een van de grotere organisaties in het werkveld aan de schandpaal wordt genageld? Hoezo ontwikkelingsmaffia?
En dan nog deze. Op mijn speurtocht naar mogelijke onrechtmatigheden kwam ik bij iemand terecht die mij niet te woord wilde staan omdat ze geen zin had om mee te werken aan alweer negatieve publiciteit over ontwikkelingshulp. Ik weet het, de Sowjet-Unie is aan zijn eigen interne dynamiek ten gronde gegaan, maar moesten we daar stilletjes op zitten wachten met als excuus dat kritiek het socialisme maar in diskrediet zou brengen?

De wastafel van Anne

Sinds vijf dagen zijn we weer thuis, terug in Frankrijk. De dag na onze thuiskomst moesten we boodschappen doen. We hebben dan wel kilo’s Goudse kaas, potten met sandwich spread en mango chutney, pakken roggebrood, doosjes seroendeng en zes ontbijtkoeken mee uit Nederland genomen, maar dat vormt tesamen ongetwijfeld een origineel maar toch niet echt een afgewogen dieet. We konden opnieuw constateren dat de cliëntèle in de supermarkt van het naburige provinciestadje een stuk ontspannener  winkelt dan het equivalent in provinciestad Apeldoorn. Bovendien glimlachen de caissières hier veel liever. Kortom, een tevreden zie-je-wel gevoel, we zijn toch niet echt gek geweest toen we verkozen in Frankrijk te gaan wonen. Om de inspanningen van het boodschappen doen te boven te komen, hadden we onszelf een etentje bij de Vietnamees beloofd. We zijn daar min of meer kind aan huis. Tchau en Hiep, zo heet het echtpaar, wisten dat we de afgelopen maanden in Nederland hadden doorgebracht. Ze begroetten ons als waren wij verloren gewaande familieleden. Hun dochter, geboren en getogen in Frankrijk met een MBA op zak, was even op bezoek en volgde geamuseerd het weerzien. Dat we net terug waren uit Nederland en dat we onze zoon, die in Amsterdam woont, hadden helpen verhuizen, vond ze heel interessant. Ze was namelijk ook in Amsterdam geweest, had langs de grachten gefietst en daarmee boos commentaar aan Amsterdammers ontlokt – onbegrijpelijk: hoe kun je nou boos worden op een mooi Vietnamees meisje – en had het Anne Frankhuis bezocht. Dat had ze erg indrukwekkend gevonden. Ik vertelde haar dat ik jarenlang naast het Anne Frankhuis had gewoond, dat ik voor de Anne Frankstichting had gewerkt en sterker nog: dat de wastafel waaraan Anne zich gewassen heeft uit ons vroegere huis in Utrecht afkomstig is. Echt waar? Ja, echt waar. Dat zit namelijk zo. Toen ik eind jaren zeventig voor de Anne Frankstichting werkte, had de wastafel in het achterhuis het begeven. Die moest dus razendsnel vervangen worden want je kon niet dagenlang hordes buitenlandse toeristen langs een kapotte wastafel jagen. Tijdens de koffie werd er gevraagd of niet een van de medewerkers nog een wastafel over had die in het achterhuis gehangen had kunnen hebben. Nu had ik net in onze Utrechtse jaren dertig woning een slaapkamer omgevormd tot werkkamer en daarbij de wastafel tot overbodig verklaard. Hij stond in de tuin nutteloos te wezen in afwachting van een mooie bestemming. Mooier dan dit had ik nooit kunnen bedenken, dus de volgende ochtend laadde ik de wastafel in het zijspan en tufte triomfantelijk naar Amsterdam. De dochter vroeg of ik destijds geen percentage van de toegangskaartjes bedongen had (je haalt blijkbaar niet zomaar een MBA). Tijdens de maaltijd berekende ik dat ik met een dubbeltje per entree nu het huis om die wastafel heen had kunnen kopen. Maar ik heb dan ook geen MBA.