“een natte boel”

‘Heb je thuis in ieder geval een verhaal te vertellen’, zei de havenmeester. Ik vond het maar een zuinige reactie op het relaas van mijn halsbrekende zeiltocht. Bij de secretaresse van het havenkantoor en een collega-zeiler vond ik gelukkig wat meer medeleven. Iedereen had het wel gemerkt dat het die middag erg hard was gaan waaien, maar ik was de enige die op dat moment op zee zat.
Zoals altijd als ik overweeg te gaan varen had ik die ochtend uitgebreid het weerbericht bestudeerd. Dat zag er goed uit. Aanvankelijk nog wel een krachtige wind, maar die zou al snel gaan afnemen tot matig. Ik gokte het erop en legde geen rif in mijn grootzeil (voor de niet-zeilers onder de lezers: reven of een rif leggen betekent het zeiloppervlak verkleinen). Ik meende dat ik het met een maar ten dele uitgerolde fok wel zou redden. Dat leek ook inderdaad het geval. Met halve wind liep ik voor mijn doen met een bloedgang (6 knopen) weg van de haven van Sète. Zo af en toe was het in vlagen een beetje heftig, maar met wind die binnen een paar uur zou gaan afnemen, leek het een plezierig dagje zeilen te gaan worden. En na het middaguur werd het inderdaad iets rustiger, maar niet veel en die matige wind kwam maar niet. Tot om vier uur ’s middags plotseling de wind dertig graden in noordelijke richting draaide. Ik had mij net voorgenomen richting Sète terug te koersen, want als de wind echt minder zou worden, zou het nog minstens twee uur terugvaren worden. Nu zul je het hebben, dacht ik. Nu gaat de wind afnemen. Dat deed hij drie minuten om daarna met verdubbelde kracht terug te komen. In plaats van de verwachte windkracht 3 à 4 was het nu windkracht 6 à 7 geworden met vlagen van windkracht 8 (stormachtig). Wat dat precies betekent zal ik citeren uit wat ooit de bijbel van de Nederlandse zeilers was, De zeilsport van ir. J. Loeff: “Met windkracht 4 kan bij de wind zeilende door elk welgemanierd jacht, ook zelfs de kleinere, nog van top (d.w.z. met vol tuig; TN) gezeild worden. Bij windkracht 5 zullen verreweg de meeste jachten reven, terwijl het bij windkracht 6 voor het merendeel der vaartuigen van onze Nederlandse jachtvloot al slecht weer begint te worden of is. Men kan nog wel zeilen, moet echter de zeilen goed vol houden om vaart te lopen, daar men anders te veel op en in de zee hakt … Aan boord van vele jachten wordt het dan een natte boel.” En daar zat ik dan in de kuip van mijn 6.20 meter lange jachtje een kolkende zee te trotseren. Mijn anders zo keurig opgeruimde kajuit zag eruit of er net een bominslag had plaatsgevonden. Alles lag in volstrekte wanorde over en onder elkaar. Mijn zeilpak lag in het vooronder, maar ik durfde de kuip geen moment te verlaten uit angst dat de boot onbestuurbaar op de golven terecht zou komen, dus zat ik daar in mijn zomerse tenue de ene hap zout water na de andere over me heen te krijgen. Ik overzag de situatie. Kwart over vier ’s middags. Onder gewone omstandigheden zou ik vanaf het punt waar ik nu lag twee à drie uur nodig hebben om de haven van Sète te bereiken. Maar de omstandigheden waren niet gewoon. En bovendien lag Sète recht in de wind. Terwijl ik, zoals ir. Loeff ook al wist, moest zorgen de zeilen goed vol te houden en dat betekent dus niet scherp aan de wind zeilen, want dan zou ik alleen nog maar op de golven liggen te stampen en niet meer vooruit komen. Dus koos ik een wat ruimere koers met als gevolg dat ik het idee had dat ik zes mijl uit de kust alleen maar aan het heen en weer varen was. Dat verdomde Sète leek geen meter dichterbij te komen. En mijn comfortabele 6 knopen per uur waren ineengeschrompeld tot 2, hooguit soms 2,5 knoop. Het klinkt misschien paradoxaal voor de niet-zeiler maar harde wind betekent niet dat je ook hard vaart. Niet alleen de golven werken tegen, maar ook je boot die door schuin te hangen een ernstig verslechterde stroomlijn heeft gekregen. En de tijd begon te dringen. Om acht uur zou het donker zijn, maar eigenlijk was half acht toch wel het uiterste tijdstip om binnen te varen. Mijn oncomfortabele situatie werd nog vergroot doordat het installatietje waarmee ik mijn roer kan vastzetten, afbrak. Dus moest ik ook nog de hele tijd aan de helmstok hangen. Ik kon me niet herinneren het in mijn zeilend bestaan ooit zo bar te hebben meegemaakt. Behalve dan die ene keer op het Sneekermeer. Okay, het Sneekermeer is niet de Middellandse Zee, maar als je zes jaar bent, is dat toch wel een hele grote plas water. Het was vrijdagmiddag en wij bevonden ons met onze huurboot aan de ene kant van het Sneekermeer, terwijl die boot diezelfde avond aan de andere kant van het meer afgeleverd moest worden. Mijn vader vond het te hard waaien om het meer over te zeilen, dus besloot hij dat we op de motor zouden gaan. Er hing een Seagull-buitenboordmoter aan het scheepje en blijkbaar had mijn vader een groot vertrouwen in de techniek want ik zou met zo’n ding met harde wind nooit het Sneekermeer hebben durven oversteken. Maar alles leek goed te gaan totdat prut-prut-prut, benzine op. Daar wist mijn vader wel raad op: al stampend op de golven vulde hij balancerend op het achterdek het benzinetankje bij dat zich zoals bij een Solex op de motor zelf bevond. Een tamelijk acrobatische bezigheid dus. Ik denk dat ik op dat moment samen met mijn hond de kajuit in ben gedoken om samen bibberend van angst in innige omstrengeling in het vooronder het noodlot te ondergaan. Dat bleef niet uit. De motor wilde niet meer starten. Oorzaak: hij had in de haast de verkeerde jerrycan gepakt en het tankje gevuld met water. In plaats van roemloos aan lager wal terecht te komen, nam hij het heldhaftige besluit om het zeil te hijsen. Daar zat dus geen rif in, want we zouden toch met de motor oversteken? Dus stoven wij met harde wind met vol tuig als enigen over het Sneekermeer. Maar met een belangrijk voordeel boven mijn benarde positie op zee: er hoefde niet aan de wind gezeild te worden. Ik herinner mij nog goed het verlossende moment dat wij eenmaal weg uit de golfslag van het Sneekermeer met halve wind over het gladde water van de Houkesloot scheerden. Pas toen durfde ik mijn hoofd weer boven het dek uit te steken. 
De enige moed die ik uit die ervaring kon putten was, dat het toen goed was afgelopen. Maar intussen zat ik mij eerder te bedenken wat er nu allemaal fout kon gaan. Er kon een stag breken. Dat zou betekenen dat mijn mast overboord zou gaan en ik stuurloos op de golven zou liggen rollen. Ik hoefde er niet aan te denken dat ik met mijn buitenboordmotor de haven zou kunnen bereiken want met deze golven zou de schroef van de motor meer boven dan in het water slaan. Een van mijn zeilen zou aan flarden kunnen scheuren. Minder dramatisch dan mijn mast te verspelen, maar ook dan zou ik gezien mijn geografische positie Sète niet op eigen kracht kunnen bereiken. Ik zou dan wel kunnen uitwijken naar een haven die ik met een iets ruimere wind zou kunnen bereiken. Maar dan zou ik in het donker moeten varen. Terwijl de doemscenario’s langsflitsten, leek Sète toch iets dichterbij te komen. En als ik nou zou kiezen voor de oostelijke haveningang, zou ik iets eerder in rustig water terecht komen. Op dat moment zag ik uit die oostelijke haveningang een grote cargo recht op me afkomen. Dan maar een extra slag maken om hem te ontwijken. Overstag gaan met dit weer is echter geen lolletje omdat je daar vaart voor nodig hebt en de golven er alles aan doen om die vaart eruit te halen. Maar goed het lukte. Ik keek achterom. Gelukkig, daar was ik van af. Ik keek een minuut later weer achterom. Verdomme, hij kwam opnieuw recht op me af varen en wat ging dat klere ding hard. Ik dacht aan al die akelige ongelukken waarover ik gelezen had van zeilschepen die door van die grote vrachtboten overvaren waren. Ik gokte erop dat ik door overstag te gaan en mijn oude koers te hervatten uit zijn vaarwater zou raken en verdomd dat lukte. Met de thuiskomende vissersboten ging het een stuk gemakkelijker: die voeren uit consideratie met mijn hachelijke situatie met een grote boog om mij heen.
Toen ik uiteindelijk voor de oostelijke haveningang raakte zag ik opnieuw een vrachtschip aankomen. Die zou mij bereiken als ik net bezig zou zijn om het zeil te strijken en het dus te druk zou hebben om hem goed te ontwijken. Ik moet daarbij vertellen dat ik die oostelijke haveningang nooit gebruik omdat hij gebruikt wordt door de grote beroepsvaart zoals cargoschepen, ferry’s en cruiseschepen. Je kunt er daardoor niet zeilen en bent verplicht om een kilometer op de motor te tuffen. Ik maakte een langere slag en voer vervolgens met een extra slag – inmiddels met de motor erbij – de ingang binnen. Het zeil strijken ging bijna vlekkeloos voorzover dat bij zo’n wind mogelijk is en eindelijk opgelucht pruttelde ik op de motor naar de haven toe. Er kon mij nog maar een ding gebeuren, dacht ik, en dat was dat de motor ermee op zou houden. Aan benzinegebrek zou het niet kunnen liggen want ik had de tank die ochtend nog bijgevuld. Maar ik voelde me toch wel akelig afhankelijk van dit stukje techniek dat me weliswaar nog nooit in de steek had gelaten, maar dat was geen garantie dat hij dat deze keer zou blijven doen. En in dat geval zou ik door de wind op de dijk geblazen worden en het zou me veel moeite gaan kosten om mijn bootje daarbij schadevrij te houden. Maar mijn motortje bleef lustig doorpruttelen, zelfs toen ik …
Een nieuwe complicatie die ik niet voorzien had, was dat net om dat uur het blijkbaar tijd was voor de grote ferry naar Tanger om uit te varen. Opeens zie ik zo’n immens gevaarte de hoek om komen. Die kon maar één kant op en dat was recht naar mij toe. We bevonden ons aan de uiteinden van een kanaal waarvan de ene oever gevormd wordt door een dijk die de haven afschermt van de zee en de andere oever door haveninstallaties. Heel breed is dat kanaal niet en ik kon van die afstand niet goed inschatten hoeveel ruimte er voor mij naast die ferry overbleef. Dus ging ik zo dicht mogelijk tegen de dijk aan varen, laten we zeggen op zo’n tien meter van de kant. De ferry en ik naderden elkaar en ik zag tot mijn opluchting dat hij waarschijnlijk op veilige afstand van me zou blijven. En dan opeens een doffe dreun. Het motortje pruttelde nog prima, maar ik kwam geen centimeter meer vooruit. Ik zette hem gauw op vol gas achteruit, maar helaas ik zat muurvast en die boot kwam maar dichterbij. Godzijdank heb ik een lange peddel aan boord. Tot voor kort was het in Frankrijk verplicht om zo’n ding op je boot te hebben als hulproer voor het geval je je roer zou verspelen. Maar nu kwam het ding me fantastisch van pas als vaarboom. Met het loeiende motortje en mijn spierkracht kwam ik weer los. Ik maakte een draai van 90 graden en stoof zo hard ik kon voor de boeg van de ferry langs naar de andere kant van het kanaal. Dat kwam me op een waarschuwende vinger vanuit het loodsbootje te staan, maar dat kon me niets meer schelen. Ik was veilig en wel in diepe wateren beland. Een kwartiertje later was ik bij mijn ligplaats aangekomen. Ik geloof niet dat ik de boot ooit zo netjes en beheerst op zijn plaats heb gelegd. Alsof ik terugkwam van een paar uur dobberen bij windkracht 1. Als stille getuige van mijn benarde uren bleef het grootzeil die nacht in wanordelijke toestand om de giek geknoopt.

Een gedachte over ““een natte boel”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s