Lèzzalluh sè oe?

Er was iets aan Frankrijk dat mij onweerstaanbaar aantrok. Ik moest daar wel gaan wonen. Op het moment dat de uiteindelijke beslissing werd genomen, liep dat al heel lang. Moeilijk te zeggen wat het nu precies was. Vanaf mijn twaalfde verslond ik de avonturen van commissaris Maigret. Met een bij het Frans Verkeersbureau verkregen plattegrond van Parijs erbij creëerde ik daar een hele wereld omheen. De boekjes van Jan Brusse gaven me de aanvullende informatie om een omvattender beeld van de stad te krijgen. Het resultaat was dat, toen ik in Amsterdam ging wonen, ik dat maar een dorp vond in vergelijking met ‘mijn’ Parijs. Het gevolg was ook dat, toen ik op mijn twintigste voor het eerst in de gematerialiseerde versie van mijn gedroomde stad kwam, ik vooral bezig was het Parijs te herkennen dat ik uit de boekjes en later de films kende. Het allerbelangrijkste was het gevoel van ontheemding dat ik voelde. Alles was zo fantastisch on-Nederlands. Die allereerste verrassing alleen maar Frans om je heen te horen (zelfs de kinderen!), koffie te drinken uit die grote groene koppen met een gouden randje, je 15% bedieningsgeld te moeten uitrekenen (wat jammer toch dat dat er bij ons gewoon in zit), het onbegrijpelijke tariefsysteem voor de stadsbussen (faire signe au machiniste), de wc turque waarboven het licht pas gaat branden als je het schuifje van de deur dicht gedaan hebt, ieder ongemak had zijn charme. Zelfs de teleurstelling dat een andouillette stinkend vleesafval met een velletje eromheen bleek te zijn en een boudin noir doodgewone bloedworst, werd later omgezet in een leuk verhaal. Iets minder leuk was het dat ik die Fransen lang niet altijd verstond en zij mij soms ook niet. Bijvoorbeeld als ik de weg naar Les Halles vroeg. Dat sprak je toch zeker uit als lèzzalluh? Nee dus. In de jaren daarna bleef ik regelmatig in Frankrijk komen, ontdekte ook het Franse platteland, maar ontdekte ook dat er buiten Frankrijk ook een heleboel te ontdekken viel. Ik heb zelfs overwogen om een tijdje in Griekenland of Portugal te gaan wonen, maar dat strandde vooral op de vraag: zou ik me hier ooit thuis kunnen gaan voelen. Vijf jaar in Afrika leverde ook geen langduriger relatie op. Maar Frankrijk bleef aanwezig. In Dar es Salaam ging ik naar de Alliance Française om boeken en platen te lenen en naar de film te gaan. In Ouagadougou ging ik naar het Centre culturel français om wat Franse cultuur op te snuiven en weer eens echt Frans te horen.

Toen we jaren later in Frankrijk gingen wonen, merkte ik dat ik een beeld van het land met me meedroeg dat nauwelijks meer correspondeerde met het land waarvan ik nu inwoner was geworden. Brassens, Brel, Barbara, Gréco, Ferré, Prévert, Sartre, De Beauvoir, voorzover ze nog leefden behoorden ze tot een voorbije periode. Mei 68? Vergeet het maar, met die erfenis heeft de Franse politiek afgerekend. Dat kreeg ik te horen. We kwamen het land in toen François Mitterrand nog president was, maar intussen behoorde hij al tot de verleden tijd. Van de hypergecultiveerde Mitterrand stapten we over naar de op koeienkonten slaande Chirac. Maar ik stapte vooral over naar een nieuwe generatie van schrijvers en musici van wie wij in Nederland nog nooit gehoord hadden. Francis Cabrel, Alain Bashung, Niagara, Indochine, wist ik veel? Dat was opeens heel iets anders, verrassend en soms regelrecht ongelooflijk goed. Dat er in het post-Simenon tijdperk in Frankrijk nog goede misdaadromans geschreven werden was volledig aan me voorbij gegaan. Jean-Claude Izzo, J.-P. Manchette, Didier Daeninkcx, nooit van gehoord, maar ik las ze met rode oren. In veel opzichten bleek ik in een ander land terecht te zijn gekomen dan ik dacht. Dat had een teleurstelling kunnen zijn, maar was het niet. Er bleek nog zoveel meer te ontdekken dan ik dacht. En nog steeds. Wie had de ‘giletjaunisation’ (de vergelehesjesiging, echt waar, het woord bestaat intussen) nu verwacht? Achteraf is het niet echt moeilijk om er een verklaring voor te vinden. De scheiding tussen het verpauperende platteland en de grote steden was ons ook wel opgevallen. De ‘méfiance’ (wantrouwen) van de Fransen tegenover alles dat boven hen staat – vooral waar het gekozen leiders betreft – maar ook dat van buiten komt, is spreekwoordelijk. Maar dat het zo’n omvang zou krijgen en zo lang zou duren, dat had niemand verwacht. En verrassingen zullen er blijven komen, ook al zijn ze niet altijd aangenaam. Hier in Nederland daarentegen …

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s