Ware het niet dat …

We zijn alweer drie weken in São Paulo, Brazilië. De afgelopen acht jaar zijn we zo’n keer of tien in Brazilië geweest. Eerst in Brasilia, daarna in Rio de Janeiro en nu voor het eerst in São Paulo. Familiebezoek, vulde ik in op de gezondheidsverklaring die ik vanwege de COVID-19 pandemie moest uploaden naar de Braziliaanse immigratie-autoriteiten. En zo is het maar net. Als onze zoon niet in Brazilië had gewoond was de kans heel klein geweest dat ik dit land in de laatste twintig jaar ooit bezocht zou hebben.
Eerder in mijn leven – zo eind jaren ‘60, begin‘70 – lag Brazilië een stuk dichterbij dan het nu gelegen zou hebben als niet … Dat was de tijd dat veel linkse intellectuelen – waaronder ik mijzelf gemakshalve maar reken – de grote maatschappelijke veranderingen vanuit Latijns-Amerika zagen komen. Zeker nadat de studentenrevoltes in Europa op niets waren uitgelopen, de culturele revolutie in China alleen voor een handjevol maoïsten aantrekkelijk was, bood het Zuid-Amerikaanse continent een wenkend perspectief. Régis Debray volgde het spoor van Che Guevara in de Boliviaanse jungle. Hoewel ook dat avontuur met de gevangenneming van de eerste en de liquidatie van de tweede op niets uitliep, leek het continent genoeg revolutionair potentieel te bieden om de harten van links Europa sneller te doen kloppen. De Tupamaros in Uruguay, de linkse peronisten in Argentinië en natuurlijk vooral de Unidad Popular in Chili. In dat land was vanaf 1970 de Volksfront-regering onder leiding van Salvador Allende aan de macht. In de tussentijd had ik mij voorbereid op mijn eigen rol in de verbreiding van de socialistische revolutie. Ik ging op Spaanse les en volgde colleges Latijns-Amerikakunde. Nadat op 11 september (wat is er met die datum?) 1973 het Chileense experiment door het leger met hulp van de VS in bloed was gesmoord, verbleekte het rooskleurige socialistische perspectief. En precies daar begon mijn meer actieve betrokkenheid bij Latijns-Amerika in het algemeen en Chili in het bijzonder. Het Chili-komitee, een solidariteitsclub gevormd door journalisten en andere intellectuelen, zocht een secretaris voor een wat professionelere aanpak van het comité precies op het moment dat mijn baantje bij de afdeling Onderwijs van de Gemeente Amsterdam afliep. Een van mijn collega’s daar was lid van het comité en zo rolde ik op zijn voordracht het actiewezen binnen. Ik ontmoette daar een avontuurlijke vrijwilligster die net terug was van een grote soloreis door Zuid-Amerika en vooral Brazilië en met wie ik bevriend raakte. Een van de leden van het comité maakte in die tijd een reportagereis door Brazilië voor het blad NieuweRevu. En een goede vriendin had een Braziliaanse vriend met wie zij door dat land reisde en van wie ik een echte Braziliaanse hangmat kreeg. Met andere woorden, Brazilië, tot dan toe voor mij terra incognita, kwam opeens op de kaart te staan. Maar gek genoeg gebeurde dat niet in het linkse wereldje. Om de een of andere reden werd het revolutionaire potentieel van dat land niet erg hoog ingeschat. Misschien had de overtuiging postgevat dat de revolutie Spaanstalig diende te zijn. Hoe dan ook, het land zuchtte even zo goed in die periode wel onder een rechtse militaire dictatuur waarin het martelen en vermoorden van politieke tegenstanders door het leger deel uitmaakte van de dagelijkse realiteit (een realiteit die door de huidige president verheerlijkt wordt).
Daarna braken er voor mij andere tijden aan. Mijn blik richtte zich op Afrika. Ik wilde namelijk in ontwikkelingshulp en dan moest je toch vooral in Afrika zijn. De analyse was ruwweg dat er in Zuid-Amerika voldoende goed opgeleiden rondliepen dus dat, als het dan met de economische ontwikkeling niet wilde vlotten, de latino’s dat aan zichzelf te danken hadden. Politiek orde op zaken stellen behoorde niet tot de doelstellingen van de officiële ontwikkelingshulp. Ook al dachten de Derdewereldbeweging en het Amerikaanse State Department daar vanuit tegengestelde ideologische gezichtspunten anders over. Zo zwierf ik twintig en nog wat jaren feitelijk of virtueel over het Afrikaanse continent. Zuid-Amerika en revolutionaire romantiek waren ver achter mijn horizon verdwenen. En dat zou zo gebleven zijn, ware het niet dat …
Dus nu, twintig jaar nadat ik Afrika en de ontwikkelingshulp vaarwel zegde, zit ik alweer tijden regelmatig op het Zuid-Amerikaanse continent. Geen Pinochets of Videla’s meer te bekennen. Maar echt goed gaat het ook niet. Hier in Brazilië zit een president die de loftrompet afsteekt over folteraars en die niets liever zou willen dan een uitzonderingstoestand afroepen waarbij het leger alle macht aan zich trekt. Goed, zijn halfzachte poging tot een staatsgreep twee weken geleden is als een lekke voetbal in een zandbak geploft, maar dat is niets om je vrolijk over te maken. Dat deze man in zijn functie van president van het grootste land van Zuid-Amerika zijn abjecte ideeën kan rondstrooien is angstaanjagend. Maar ik vrees dat we door het vorige presidentschap in de VS zo afgestompt zijn geraakt, dat we er niet echt meer warm of koud van kunnen worden.
Ik vraag me regelmatig af wat ik veertig jaar geleden gedaan zou hebben als ik door min of meer toevallige omstandigheden in Brazilië zou zijn terechtgekomen, of beter wat zou ik doen als ik veertig jaar jonger was? Ik weet het wel en ik schaam me dat ik dat niet nu alsnog doe. Ik zou onderzoek gaan doen naar de banden van het Nederlandse bedrijfsleven met corrupte politici en ondernemers in dit land en de betrokkenheid, al of niet actief, van de Nederlandse overheid daarbij. Helaas botst dit op het ogenblik met de verzorgende taken die ik in het gezin van mijn zoon verricht, maar als ik daar een jong aanstormend journalistiek talent voor zou kunnen interesseren … Ik weet het, mijn smoes is niet briljant maar ik heb even geen betere.

Over Lamborghini’s en Ferrari’s

Mijn zoon had me verteld over een straatje in zijn buurt dat vol staat met Porsches, Lamborghini’s, Ferrari’s en nog zo wat. Ik nam aan dat het hier om een dichterlijke overdrijving ging. Totdat ik gisteren met hem van uit een van die gigantische shopping malls waarin ze in dit land lijken te grossieren via de kortste weg naar huis reed. We kwamen op twee straten van zijn appartement door een straat met aan weerszijden goedgevulde terrassen. Het zag er heel gezellig uit. Tot mijn blik viel op de geparkeerd staande auto’s. Daar stonden ze, de Porsches, Lamborghini’s, Ferrari’s en MacLarens. Ik riep zoiets als ‘Dit kan niet waar zijn!’. ‘Heb ik je toch verteld’, was het antwoord. Alsof zoiets de gewoonste zaak van de wereld is. Vijftig meter verderop, maar wel uit het zicht van de bezitters van al deze ostentatieve rijkdom, staan straatschoffies bij de stoplichten te bedelen. Als je vanaf dat punt de straat oversteekt, een drukke boulevard, kom je in de Jardims terecht, een oase van rust in het voor het overige zo drukke en lawaaiige São Paulo. O ja, sorry, ik was even vergeten te vermelden dat we na twee jaar voor het eerst weer op familiebezoek in Brazilië zijn. De Jardims dus. Niet alleen een oase van rust, maar ook van groen, en van rijkdom. Ook hier. Alleen hier geen opzichtige felgekleurde bolides. Behalve in een paar doorgaande wegen rijdt hier nauwelijks een auto en de auto’s die achter de meestal zwaar omheinde huizen zichtbaar zijn, behoren vooral tot de categorie dure SUV. Naar verluidt zijn ze allemaal kogelvrij gemaakt. Ik las onlangs in de krant dat het kogelvrij maken van auto’s een van de meest lucratieve businesses in het land is. Natuurlijk wil ik iets begrijpen van wat ik zie. Volgens de GINI-coëfficiënt die inkomensongelijkheid meet staat Brazilië op nummer 151 van 159 landen. Van de rijkere ontwikkelingslanden doet alleen Zuid-Afrika het slechter. Dat land staat op een schaal van 0 tot 100 met 63 punten op de laatste plaats. Brazilië heeft 53.9 punten en, ter vergelijking, Nederland staat met 28.5 op de 15e plaats. Ja maar, zegt mijn zoon die niet alleen in Brazilië woont maar ook nog macro-econoom is, die GINI-cijfers geven een vertekend beeld. Daarin zit bijvoorbeeld niet verwerkt het niveau en de toegankelijkheid van de gezondheidszorg voor de armere delen van de bevolking. Er gaat mij nu een lichtje branden, een waakvlammetje uit de tijd dat ik me bezighield met ontwikkelingshulp en armoedebestrijding. Was voor die lacune niet de Human Development Index (HDI) ontwikkeld? Die corrigeert namelijk het nationaal inkomen voor stand van de gezondheidszorg (levensverwachting) en opleidingsniveau (aantal jaren scholing). Dan scoort Brazilië opeens een stuk hoger dan Zuid-Afrika. Alleen, die inkomensongelijkheid (Lamborghini versus teenslippers) zit er dan weer niet in. Het blijft tobben. Op de World Happiness Index staat Brazilië op de 32e plaats, twee plaatsen onder Italië. Hoe moet ik dat dan weer duiden? Dat een Ferrari of een Lamborghini niet alleen zaligmakend is? Laat ik dat nou altijd al gedacht hebben.

Tuindorp Europa

Gisteren liepen wij met onze zoon in de Jardim Europa in São Paulo. Hij is een paar maanden geleden met zijn gezin van Rio de Janeiro naar São Paulo verhuisd en vindt het leuk om aan het eind van de ochtend wandelend zijn buurt te verkennen. Hijzelf woont niet in de Jardim maar in het aangrenzende Itaim Bibi, een wijk met hoge woontorens en veel kleinschalige bedrijvigheid. De Jardim Europa is andere koek: lommerrijke lanen met villa’s. Dat verklaart de jardim (tuin). Europa, omdat al die lanen de namen van Europese landen hebben. Het is er rustig op straat. Je hoort de vogels kwetteren en fluiten, en er komt slechts af en toe een auto langs. Maar wat deden wij daar? Zoals bekend is Brazilië een van de landen waar, door falend overheidsbeleid, het coronavirus het hardst heeft toegeslagen. Daar wil je toch niet zijn. Zelfs niet als ouder en grootouder. Wees gerust, wij waren ook niet lijfelijk aanwezig (niet presentieel, zoals dat in corona nieuwspraak heet). Onze zoon had zijn oortjes in en maakte ons mondeling deelgenoot van zijn ervaringen, terwijl wij op Google streetview naarstig ons best deden om hem bij te houden. Dat leidde tot dit soort dialogen:
– Ik kom nu bij een rotonde.
– Ja dat klopt. Daar sta ik nu.
– Moet ik nu Bucarest of Oostenrijk in?
– Even kijken. Ja, ik ben nu in Bucarest.
Op een gegeven moment werd het vogelgekwinkeleer verstoord door iets dat nog het meest op een verkouden kikker leek.
– Wat was dat?
– Een Porsche.
Even later.
– Hoe duur zijn de huizen hier?
Voor alle duidelijkheid: we hebben het hier over kolossale villa’s met tuinen zo groot als een klein park.
– Even duur als een tussenwoning in Utrecht-Tuindorp.
– Nee!
– Ja hoor, voor zes ton Euro koop je hier een kapitale villa.
Die zes ton hebben we niet omdat we zevenentwintig jaar geleden ons huis in Tuindorp, een standaard jaren dertig rijtjeswoning, verkocht hebben en vervolgens door onvoordelige onroerend goed transacties in een weliswaar mooier maar goedkoper huis wonen.
– Is er voor vier ton niet iets bescheideners te koop?
– Als je het maar uit je hoofd laat!
Ongeruste ouders die we zijn, informeren we naar de veiligheid op straat.
– Zie je die donkere hokjes?
Ik had inderdaad opgemerkt dat er om de zoveel honderd meter een hokje langs de kant van de weg stond. Ik was ervan uit gegaan dat dat hetzelfde soort kioskjes waren die ik uit Rio ken en waarin meestal een sleutelmaker huist.
– Je bedoelt die kioskjes?
– Niks kioskjes. Dat is security. Dus ja, het is redelijk veilig op straat. Bovendien is dit niet de wijk voor gewapende roofovervallen op straat. Hier wordt vooral ingebroken. Binnenshuis is er meer te halen dan buitenshuis.
Als goede vaderlanders informeren wij of er ook een Rua Paìses Baixos is.
– Ja maar die heet hier Rua Holanda. Ik ben er nog niet geweest.
Dat laatste stelt ons enigszins teleur. Zou hij het oude continent nu helemaal vergeten zijn? Ik ben even een kijkje gaan nemen in de Rua Holanda. Het blijkt een zijstraat van de Rua França te zijn. Eindelijk gerechtigheid: hoef je van Nederland naar Frankrijk niet eerst door België. Maar wat doet dat Mexicaanse consulaat in onze straat?

Coronagedachtes-3

Weer een paar stukjes uit mijn dagboekaantekeningen.

Ik weet niet eens hoeveel weken we al in afzondering leven. Drie, vier? Het is al zo normaal geworden. Ik ben geneigd te denken dat het me niet veel doet, maar als ik er wat langer over nadenk, geloof ik dat eigenlijk niet. Het gevoel opgesloten te zitten kruipt langzamerhand al m’n vezels binnen. In het begin was het wijsheid, verantwoordelijk gedrag uit eigen keuze. Inmiddels kun je nauwelijks anders. In Nederland niet op straffe van jezelf een enorme hufter te vinden. En Frankrijk kunnen we niet eens meer in. Al zouden we het nog zo graag willen, we kunnen niet meer naar ons huisje in de Languedoc. Dat begint nu als een amputatie te voelen. Wat op macroniveau wijs is, voelt op het persoonlijke vlak als een moeilijk te verdragen inperking. (6/4)

Opeens denk ik: “Het leven staat stil”. Het gevoel opgehangen te zijn in tijd en ruimte. De mechaniek van het raderwerk maakt even pas op de plaats. Straks gaat het weer lopen en heb ik weer een toekomst. Nu niet. Er is alleen het heden. Zo is het natuurlijk niet, maar zo voelt het. Het werken in de tuin is alleen maar het heden onderhouden, zorgen dat alles binnen de door ons gedefinieerde grenzen verder kan groeien. Dat stelt gerust. Je kunt in het klein doen wat in de mensenwereld juist niet zo goed meer lukt: de zaken onder controle houden. Blijkbaar is dat een diep gekoesterd verlangen. Ik herinner me dat vroeger, toen ik als begin twintiger een verdiepinkje in Amsterdam Oud-West bewoonde, bezoekers vaak verrast waren over de ordelijkheid en de esthetiek van mijn interieur. Ik antwoordde dan dat ik daarmee mijn innerlijke chaos compenseerde. Dat was een grapje maar misschien wel met een kern van waarheid. Zo merk ik nu dat er in mijn omgeving veel wordt opgeruimd, opgeknapt, gesorteerd en in de tuin gewerkt. Werkzaamheden die je de illusie geven dat je de zaken onder controle hebt. (8/4)

Ik las vanochtend in een krant dat mensen op twee manieren op het nieuws reageren: obsessief alles willen weten of juist je ervan af keren. Als het om het virus gaat hoor ik tot de laatste categorie. Ik heb het helemaal gehad met de Covid-19, Corona, SARS-CoV-2 en wat dies meer zij. De positief getesten, ziekenhuisopnames, IC-gevallen en gestorvenen zullen mij worst wezen. Flattening of crushing the curve, weg ermee. Het is heel erg allemaal en wij (in ruime zin) moeten het niet krijgen. En verder: Punt. Uit. Als het over Brazilië gaat daarentegen, behoor ik tot de eerste categorie. Ik wil alles weten over de naderende val van Bolsonaro, ongetwijfeld in de verwachting dat, hoe meer ik ervan weet, hoe dichterbij die val is. Ik zou eenzelfde soort obsessie met Trump kunnen hebben, maar
a) één krankzinnig staatshoofd is qua portie ellende wel genoeg;
b) onze zoon woont niet in de VS maar wél in Brazilië;
c) het lezen van Braziliaanse kranten helpt mij mijn Portugees te verbeteren wat handig is als ik weer op bezoek kan in dat land. (28/4)

Terug

Twee dagen na onze terugkeer in Nederland werd Lula vrijgelaten. Er waren mensen die daar een causaal verband in zagen, maar dat moet ik ontkennen: zo ver strekt mijn invloed niet. Ik wil dan ook maar meteen duidelijk maken dat ik geen fervent aanhanger van ex-president Lula ben. Uit betrouwbare bron weet ik hoezeer de man uit oogpunt van electoraal gewin de Braziliaanse economie aan de rand van de afgrond heeft gebracht. Daar staat tegenover dat onder zijn bewind de armen een beetje minder arm zijn geworden en wat meer kansen hebben gekregen, de branden in Amazonië enigszins werden teruggedrongen en de misdaadcijfers naar beneden gingen. De huidige president daarentegen is bezig het land in ecologisch opzicht te verruïneren, de ongelijkheid te vergroten en gewapende milities ruim baan te geven. Een optelsommetje maakt het niet moeilijk uit te maken wie van de twee het minst erg is. Dat Lula een misdadiger als de Venezolaanse president Maduro de hand boven het hoofd houdt, maakt die keuze niet leuker, maar zolang hij hem nog niet met wapens wil steunen is dat altijd nog minder erg dan een president die de inheemse bewoners van Brazilië feitelijk ter dood veroordeelt omdat ze niet modern genoeg zijn.
Wat ik hier eigenlijk mee wil zeggen is dat ik er de pest in heb dat, nu er vermoedelijk belangrijke dingen in Brazilië staan te gebeuren, ik weer terug ben in Nederland. Had dit niet één of meer maanden eerder kunnen gebeuren? Want zeg nou zelf, onze eigen grote studentenrevolte van 1969, daar was ik bij, de oorlog tussen Mali en Burkina Faso, daar was ik ook bij, maar verder gebeurde er nooit niets, waar ik ook was. En het aantal landen dat ik heb bezocht en waar alle reden was voor een spontane volksopstand, een staatsgreep of iets anders ingrijpends is legio. Zelfs in de RDC wachtten ze met het vermoorden van Kabila (vader) tot ik weer verdwenen was. Ik heb er wel eens aan gedacht om me met deze staat van dienst te verhuren aan dictators: Vreest u staatsgreep of burgeroorlog? Nodig mij uit voor een verblijf in uw land. Tarief: ministersalaris inclusief premie ter hoogte van het gemiddelde bedrag verkregen door onwettige verrijking.
Terug in Nederland dus. Raar eigenlijk, want sinds een paar jaar verdelen wij onze tijd over drie landen en in alledrie heb ik bij aankomst het gevoel terug te zijn. Ja maar, hoor ik de lezer denken, er is er maar één waar je je thuisvoelt, toch?
O ja? Ik ben daar niet zo van overtuigd. Negen jaar geleden schreef ik: ‘In Nederland zou ik me met een beetje moeite wel weer helemaal thuis kunnen voelen.’ Dat was zeven jaar voordat we naar Nederland verhuisden. Nou kan het zijn dat ik die moeite niet doe, maar het feit is wel dat ik me in Nederland helemaal niet zo thuis voel. Ik schreef toen ook dat leven in Nederland voelde als leven op een dorpsplein, terwijl ik me in Frankrijk veel meer deel van een groter geheel voelde. En dat laatste gevoel heb ik in Brazilië ook: wat daar gebeurt, heeft in allerlei opzichten consequenties voor de rest van de wereld. Terwijl Nederland … als wij hier met zijn allen met de voeten in het water staan met longen vol stikstof, darmen vol PFAS en een hoofd vol XTC, dan kraait daar nauwelijks een haan naar. Jammer van die bollenvelden, klompen, windmolens en wiet, maar voor de rest? In vroeger tijden staken Nederlandse boeren ook al de oceaan over om aan de overkant te gaan boeren, dus dat komt wel goed. Terwijl, als het daar misgaat, dan zitten we allemaal met de gebakken peren. Misschien is een land ook niet iets om je in thuis te voelen. Misschien je buurt, je straat, je gehucht. Misschien is het thuisgevoel niet zo belangrijk. Als er maar een paar mensen zijn die het leuk vinden dat je terug bent.

Een glas caipirinha

Dit is het honderdste stukje op mijn blog. Dat ontdek ik nu pas en dat lijkt me een goed excuus om een glas capirinha op te drinken. Voorlopig mijn laatste, want …
drie maanden Rio. Ze zitten er bijna op. Over een paar dagen vertrekken vovó Joepie en Opaton naar winters Nederland. Oppas opa en oma op 17 uur reizen. Onze namen hebben we te danken aan onze ontvangst drie maanden geleden. Die gaf onze kleindochter ons spontaan. Vovó betekent oma en Joepie, tja dat is wel duidelijk lijkt me.

Eerder schreef ik dat we hier viereneenhalve maand zouden blijven, maar gelukkig realiseerden we ons tijdig dat ook dit land immigratiebepalingen kent en die staan voor Nederlanders geen verblijf langer dan drie maanden per half jaar toe. Een bereidwillige immigratiebeambte wist daar nog wel een mouw aan te passen: we konden op basis van gezinshereniging een permanente verblijfsvergunning krijgen. Dat zou zeker gaan lukken, ware het niet dat we daarvoor een gelegaliseerde verklaring van de beroemde VOG nodig hadden. De berichten over de benodigde termijn om dat voor elkaar te krijgen waren zo droevig stemmend dat we er maar van afgezien hebben. En tenslotte: drie maanden is toch ook een hele tijd. Gelukkig hebben we in die periode onze kleindochter van een kwetsbaar meisje tot een opgewekte gezonde dreumes zien worden. En daar ging het eigenlijk allemaal om.

We hebben in die drie maanden de politieke gekte in dit land zien toenemen. Als we het even niet over de president hebben, de minister van Milieu kan er ook wat van. Eerst beweerde hij dat de branden in Amazonië wel eens door de NGO’s zouden kunnen zijn aangestoken en vervolgens beschuldigde hij Greenpeace van het veroorzaken van de olieramp die de Braziliaanse kusten teistert. En hij is echt niet de enige minister hier die zo gek als een tor is. Maar inmiddels hebben we een hysterische Bolsonaro op een door hemzelf geposte video tekeer horen gaan tegen de Globo, het grootste mediaconcern van Brazilië, zijn zoon Eduardo – fractievoorzitter van de inmiddels in tweeën gescheurde presidentiële partij – horen beweren dat bij radicalisering van links wel eens teruggegrepen zou moeten worden naar de meest repressieve middelen waarvan de militaire dictatuur zich hier bediend heeft, is de relatie tussen de Bolsonaro-clan en de moord op het linkse lesbische raadslid Marielle Franco opnieuw in de schijnwerpers gekomen en heeft de president de aanval geopend op die andere grote Braziliaanse krant, de Folha de Sao Paulo. Twee maanden geleden zei ik te hopen het begin van de impeachment van Bolsonaro hier in Rio te mogen meemaken. Het zit er niet meer in, maar de president en zijn drie zoons (ze lijken in stupiditeit heel erg op de gebroeders Dalton) hebben er alles aan gedaan om dat waarheid te doen worden en ik reken erop dat zij dat na ons vertrek zullen blijven doen. Als het zover is, zal ik daar in Nederland een glas caipirinha op drinken.

Musicerende bejaarden

Vanochtend moest ik even naar de houthandel. Die zit op 20 minuten lopen van onze verblijfplaats. Voor de goede orde, het fenomeen bouwmarkt of doe-het-zelf winkel kent Rio niet en ik denk zelfs dat het in heel Brazilië niet bestaat. Je zult dus tevergeefs zoeken naar een Gamma, Karwei of Hubo. Je moet je weg zien te vinden tussen ijzerhandels, winkels voor elektrisch installatiemateriaal, voor loodgieterswaren en ga zo maar door. Dat lukt doorgaans heel aardig, maar hout is een ander verhaal. In tegenstelling tot al die andere winkels die je in de winkelstraten in de woonwijken bij bosjes vindt. Maar goed ik vond dus een houthandel op 20 minuten lopen langs de brede asfaltstrook die de scheiding vormt tussen de zee (eigenlijk een baai, Rio ligt voor het grootste deel aan de baai van Guanabara) en wonen, werken en winkelen. Dat is dus kenmerkend voor Rio: die drie functies plus de horeca vind je in de middenklasse-wijken dwars door elkaar heen. Wat Rio, behalve dat het een mooie stad is, ook tot een buitengewoon gezellige stad maakt.

In die houthandel, eigenlijk meer wat ze in Frankrijk een menuiserie noemen, dus waar ze ramen en deuren maken, vind ik het latje dat ik nodig heb. Op de terugweg hoor ik vrolijke klanken. Het blijkt een orkestje van vier heren te zijn die de opening van alweer een drogisterij luister bij zetten. Dit behoeft enige uitleg. Ik krijg namelijk de indruk dat ieder winkelpand dat hier vrijkomt ingenomen wordt door een nieuwe drogisterij en dan meestal niet zo’n kleintje ook. Meer een paramedische supermarkt. En bovendien: er zijn er al zo veel. Het is niet moeilijk een plek op straat te vinden vanwaar je met een draai van 360° vier drogisterijen in het vizier krijgt. Wat mankeert de Brazilianen dat ze zoveel medicijnen nodig hebben (zoals in Frankrijk de pharmacie zijn de drogisten hier tegelijk apotheken)? Ik heb daar voorlopig nog geen antwoord op. Dat is het aardige van het vertoeven in verre streken: hoe langer je ergens woont, hoe groter het aantal vragen waarop je geen antwoord hebt. Met andere woorden: de vanzelfsprekendheden van het dagelijks leven worden onderuitgehaald.

Maar goed, die vier musicerende mannen voor de nieuwe drogisterij dus. Een trombonist, een trompettist en twee slagwerkers. Allevier de zestig gepasseerd. Het deed me denken aan de ‘krasse knarren’ verhalen die ik uit Nederland hoor. Hofjes voor 65+-ers. “Daar wil ik nog niet dood gezien worden”, riep ik in een vlaag van opperste arrogantie uit. Een slimmerik zou kunnen antwoorden “Maar dat is ook juist de bedoeling”. Ik denk dat voor deze vier mannen zo’n discussie tamelijk steriel is. Ik denk niet dat er zelfs maar een van hen zal zeggen: “Dat ik werk terwijl ik al in de AOW zit, wil niet zeggen dat ik zielig ben”. Weliswaar is er een prachtige pensioenregeling in dit land, maar die geldt alleen voor ambtenaren. Een té mooie regeling – op je vijftigste met pensioen met behoud van het laatstverdiende salaris – die door mensen zoals deze musicerende bejaarden betaald moet worden. Niettemin denk ik niet dat ze zelfs maar aan het woord zielig zouden denken bij het beschrijven van hun toestand. Ook niet aan krasse knar vermoed ik. En de muziek swingde de pan uit. Lang leve de musicerende bejaarden.

Wij wonen hier tegenover een kantoorgebouw van 19 verdiepingen waarin zo’n twee- à drieduizend mensen werken. Ik sta wel eens uit het raam te kijken naar de bewegingen van al die werkenden als ze aankomen en vertrekken. Vooral rond lunchtijd is dat interessant. De meesten gaan, hun badge met lintje om de nek alsof het een bijzondere onderscheiding betreft, eten in een van de naburige restaurants, sommigen worden groepsgewijs opgehaald per bustaxi. Maar op de terugweg van mijn houthandel ontdekte ik nog een andere categorie, die door gebladerte aan mijn oog onttrokken wordt als ik vanuit onze woonkamer naar beneden kijk. Zij lopen naar een tafeltje aan de rand van het trottoir dat gevuld is met bruinpapieren zakken voorzien van een etiket met een naam erop. De lunchservice voor diegenen die blijkbaar minder riante secundaire arbeidsvoorwaarden hebben.

Rondingen

‘Brazilië is bij uitstek een “billenland” ’, schreef August Willemsen in zijn nawoord  van de gedichtenbundel ‘De liefde, natuurlijk’ van de grote Braziliaanse dichter Carlos Drummond de Andrade. Voor de duidelijkheid: hij had het over vrouwenbillen, niet over mannenkontjes die tegenwoordig in ons cultuurgebied zo populair zijn. De implicatie is, lijkt mij, dat Nederland en andere Europese landen ‘borstenlanden’ zijn. Helaas kan ik daar niet meer met Willemsen over in discussie want hij is al meer dan tien jaar niet meer onder ons. Ik ben het met zijn bewering namelijk niet eens. Niet helemaal. Het is ongetwijfeld waar dat billen in Brazilië in hoger aanzien staan dan bij ons. Tenminste als je ervan uitgaat dat er een rechtstreekse correlatie bestaat tussen het ontbloten van billen en de waardering die men ervoor heeft. In dat geval levert een wandeling langs een Braziliaans strand voldoende materiaal om de adelstand van de Braziliaanse billen te erkennen. Of ze smal of breed, mager of dik, groot of klein, wit, beige of bruin zijn, billen moeten gezien worden. Maar betekent dat dat borsten lager gewaardeerd worden? Ik dacht het niet. Als we weer naar de graad van ontbloting kijken, dan levert diezelfde wandeling het onomstotelijke bewijs dat Brazilianen minstens even veel van borsten als van billen houden. Daar komt nog bij dat, waar het borsten betreft, men niet zonder meer genoegen neemt met de gaven van de natuur. Ik heb hier een onwaarschijnlijke hoeveelheid borstvergrotingen zien rondlopen. Mijn conclusie is dus dat Brazilianen van rondingen houden, of die nu boven of beneden zitten.

Ik hoor nu de lezer denken: ‘Zeg Nijzink, nou zit jij alweer meer dan twee maanden in Brazilië, wij horen en lezen hier de meest afschuwelijke verhalen over dat land en jij schrijft alleen maar over frivole zaken.’ Helemaal mee eens. Ik lees de Nederlandse kranten en weekbladen en lees daar over de rampen die zich in Amazonië voltrekken (overigens niets over de catastrofes die de Cerrado treffen, dat een veel kwetsbaarder milieu heeft met een veel grotere biodiversiteit, maar er wonen geen indianen dus dat maakt het een stuk minder sexy), over de goedkeuringen voor weer honderden levensgevaarlijke pesticiden, over de politie die sinds het aantreden van Bolsonaro tweemaal zoveel mensen neergeknald heeft als in dezelfde periode vorig jaar en dat terwijl het aantal moorden in dit land al jaren een gestaag dalende lijn vertoont. Dat soort dingen lees ik hier en ook in Nederlandse bladen, dus dat hoef ik niet nog eens over te doen. Dat van de Cerrado niet zoals ik al zei, en dat is erg, heel erg. Milieuorganisaties hier verbazen zich erover dat Europese landen bereid zijn vele miljoenen aan de bescherming van Amazonië te besteden, maar dat organisaties die zich met de Cerrado bezighouden op een houtje kunnen bijten. Misschien iets om bij Greepeace in te brengen?

In het zwart, wit of bloot: altijd op de foto

Een oudere man zit op zijn mondharmonica te spelen. Ne me quitte pas. De plek is een ontmoetingsplaats van straatjochies in Ineke Holtwijks Engelen van het asfalt. Maar de straatjochies zijn er niet. Vermoedelijk komen die pas ’s avonds, op een tijdstip waarop eerzame burgers deze plek maar beter kunnen mijden. En de harmonica spelende man is verre van een dakloze. Ik loop op zondagochtend door het stadspark van Flamengo. Een park aangelegd tussen de snelweg die langs Rio’s kusten loopt en de baai van Guanabara, die de Portugezen destijds op een eerste januari ten onrechte voor de monding van de Januaririvier hielden. Die rivier bleek niet te bestaan, maar de naam van de plek zou nooit meer veranderen. In het begin van mijn zondagse wandeling stuitte ik op honderden in zwarte toga’s geklede meisjes die in groepjes voor fotografen samenklonterden. Ze hebben hun diploma gehaald en dat moet op de foto vastgelegd worden. Meestal worden ze op voor de gelegenheid aangesleepte ereschavotjes neergezet en ieder apart moeten ze poseren in een grote zetel met kunstig houtsnijwerk. Natuurlijk met het bijbehorende platte hoofddeksel met kwastje. Waarom er geen jongens bijzitten? Die zullen toch ook wel eens een diploma halen? Mijn vermoeden is dat het alleen gaat om afgestudeerden van schoonheidsacademies en secretaresse-opleidingen. Tussen al deze bedrijvigheid door zitten gezinnen op de grond te picknicken. Vlakbij is en deel van de snelweg afgezet voor een wielerwedstrijd. Het geluid van de knetterende luidsprekers lokte mij naar buiten.

Een groepje jonge vrouwen in witte jurkjes staat op het strand met de voeten in het water. Op commando moeten ze tegelijk opspringen om dat mooie plaatje met al die onderbenen in de lucht te krijgen. Dat moet vele malen herhaald worden. Maar voor carioca is dat geen probleem. Die zijn er dol op om gefotografeerd te worden en om selfie’s te maken. Een vrouwelijke carioca die een cameralens op zich gericht ziet, schiet meteen in een bevallige pose. Zelfs de ongeboren carioca moet het ontgelden. De mooiste parken – de botanische tuin en een paleistuin – zijn de meest geliefde plekken voor het fotograferen van de ongeborene. Ongegeneerd worden de blote zwangere buiken tentoongesteld om door de meegebrachte fotograaf vastgelegd te worden. Hoe groter en bloter de buik hoe beter. Daarbij moet regelmatig van decor en kostuum veranderd worden. Zo zie je ze met groepjes – zwangere vrouw, regisseur, kleedster, cameraman – door het park trekken op zoek naar de mooiste locatie. Datzelfde gebeurt ook met de aanstaande bruid. Die moet zich een paar dagen voor het huwelijk eindeloos in haar bruidsjapon laten fotograferen, al of niet met bruidegom. Ne me quitte pas, speelt de man op de mondharmonica.

De echte carioca

Op reclamezuilen in Rio is onlangs een campagne gestart die ons wil vertellen wat een echte carioca doet, leuk of mooi vindt. Voor alle duidelijkheid: carioca betekent inwoner van Rio (mannelijke en vrouwelijke en in het meervoud) en was de benaming die de Tupi-indianen gaven aan de eerste blanken die zich op het grondgebied van het huidige Rio vestigden.
Wat doet nou een echte carioca als ik die campagne mag geloven? Hij/zij geeft twee kussen als hij/zij iemand begroet en hij/zij applaudisseert als hij/zij vanaf Arpoador (een landtong tussen Ipanema en Copacabana) de zon ziet ondergaan. Dit leert mij nog niet veel over de echte carioca. Twee kussen doen ze in het grootste gedeelte van Frankrijk ook. De enige uitzonderingen die ik daar ken zijn Sète (drie) en Parijs (soms vier). Wie bedacht heeft dat wij er in Nederland drie moeten geven, wil ik persoonlijk nog wel eens de waarheid vertellen. Die heeft er voor gezorgd dat ik in Frankrijk regelmatig een derde kus in de lucht geef en dat in Nederland de door mij gekuste met vragende blik op de derde staat te wachten. En voor de zonsondergang klappen? Akkoord, dat heeft wel wat. Dat heb ik elders nog niet meegemaakt. Maar zo’n mooie zonsondergang zal je ook niet gauw ergens anders zien. Daar moet een theatermaker van het kaliber Svoboda aan te pas zijn gekomen.
Wat weet ik verder van de echte carioca? Over hun hondjes heb ik het al eens eerder gehad. Minuscule gedrochtjes die iedere week naar de kapsalon gebracht worden, die met een strikje op hun minuscule kopjes lopen, die soms schoentjes en jurkjes aan hebben en die minuscule keuteltjes produceren die door de carioca meestal in een plastic zakje opgeraapt worden, behalve als de carioca het te druk heeft met het op zijn of haar mobieltje te kijken en dus niet ziet dat het mormeltje een drol heeft gedraaid.

Ik heb een boekje getiteld Rau tchu bi a carioca wat min of meer fonetisch geschreven is hoe een Braziliaan How to be a carioca zou uitspreken. Daar staan allemaal nuttige aanwijzingen in over hoe je moet praten, hoe je je moet kleden, wat je moet eten en drinken om een echte carioca te zijn. Veel draait om het strand. Een echte carioca gaat voor, na of in plaats van het  werk naar het strand. De mannelijke variant – ik kan dat uit eigen waarneming bevestigen – gaat gekleed in een felgekleurd shirt, idem bermuda en rubber teenslippers. Persoonlijk vind ik het wel tof als je dan een fiets hebt met speciale beugels waar je surfplank in hangt. Vrouwelijke carioca, weet ik eveneens uit eigen waarneming, gaan bij voorkeur gekleed in een topje met erg veel blote buik en een hyperstrakke glimmende sportbroek. Helaas is overgewicht ook in Rio een veelvoorkomend fenomeen en dan wordt die outfit al gauw een stuk minder smakelijk.
Na vijven gaan de carioca inderdaad, zoals het boekje vermeldt, in grote getale naar het strand. Daar ligt dan al het materiaal voor een uurtje lichamelijke oefening voor ze uitgestald door heuse sportleraren. En als je niet bezig bent je af te trainen voor een strakke buik, ben je aan het beachvolleyen of beachvoetballen. Het onderhouden en tonen van een goed getraind lichaam is voor de carioca van beiderlei kunne van het grootste belang.
Wat ik gelukkig nog niet persoonlijk heb meegemaakt maar wat volgens het boekje van wezensbelang is voor het goed begrijpen van de carioca is dat het niet de bedoeling is de hartelijke uitnodiging om toch gauw eens bij hem langs te komen serieus te nemen. Net zo min als de mededeling dat hij je spoedig zal bellen. Dat zal hij namelijk beslist niet doen. Al heel lang geleden had ik al eens van een vriendin begrepen dat de carioca een wezenlijk andere relatie tot taal hebben dan wij nuchtere noord-Europeanen (een cliché, maar in dit verband misschien niet helemaal onzin). Taal, zo vertelde zij mij, is voor de carioca in de eerste plaats en vooral een bezigheid, een doel op zich. Praten doe je om te praten en het is niet zozeer een middel om praktische informatie te geven, afspraken te maken, meningen ten beste te geven.
Carioca hebben ook een heel bijzondere verhouding tot hun  auto. Als ze er eenmaal als bestuurder in zitten worden het opeens heel andere mensen. Geen vrolijke levensgenieters meer maar verscheurende roofdieren, die in de kortst mogelijke tijd van het ene stoplicht naar het volgende willen sprinten en daarbij vooral niet gehinderd willen worden door overstekend wild. Als voetganger ben je zelfs nooit helemaal zeker of ze bij het stoplicht wel écht zullen gaan stoppen. De spanning moet er tot het laatste moment in gehouden worden. Stopt ‘ie wel of stopt ‘ie niet? Groen voetgangerslicht of niet, pas als de automobilist zijn voertuig met gillende banden tot stilstaan heeft gebracht, kun je veilig oversteken.
Wat als medeweggebruiker niet aan te raden is, is om hun rijgedrag te becommentariëren. Wij staken laatst met peuter in de buggy voor een kruispunt de weg over, toen er zonder knippertje opeens een auto de hoek om kwam zeilen. Met enige armgebaren probeerden wij de bestuurder duidelijk te maken dat hij zojuist drie mensenlevens in gevaar had gebracht door een verplichte handeling over het hoofd te zien. Sorry? Nee hoor. Boze kreten en geheven middelvinger. En naar verluidt, is dat symptomatisch.
Een paar weken geleden ontdekte ik een eigenaardigheid van de echte carioca die ik nog niet eerder had opgemerkt: op zondag ga je massaal naar de shopping. Shopping malls zijn mateloos populair in Brazilië, maar dat ze gebruikt worden als evenknie van het park, het aquarium of het strand was me nog niet eerder opgevallen. Winkelen is daarbij ondergeschikt, eten in een van de vele restaurants of – voor de smallere beurs – eetpleinen is daarentegen dé favoriete bezigheid.
Wat de carioca-campagne (#cariocadagema, voor diegenen die het even willen opzoeken) beoogt, weet ik nog niet. Hij is zo slim van opzet dat je je er alles en niets bij kunt voorstellen. Het resultaat is wel dat ik nu naarstig alle reclamezuilen bekijk om te zien of er al een nieuwe is. Zou dat de bedoeling kunnen zijn?