De hoofdonderwijzer en de neuroloog

Ruim drie weken ben ik alweer terug op ons domein in Frankrijk. Letterlijk een domein want ooit groeiden er wijnranken op het terrein. We hadden er drie dagen voor uitgetrokken om er heen te reizen. Na een afwezigheid van negen maanden opnieuw het Franse land proeven. Dat proeven moet niet al te letterlijk genomen worden. In het stadje waar we voor de eerste nacht ons tentje hadden opgezet (op een camping met uitsluitend Nederlanders) waren twee restaurants. Het beste was gesloten en in het andere waren alle terrasplaatsen gereserveerd (binnen eten mocht nog niet). We hebben onze toevlucht moeten nemen tot een kebab. In het tweede dorp waar we overnachtten was het enige restaurant gesloten. We moesten twintig kilometer rijden naar een stadje dat we kenden als tamelijk levendig. Nu was er één restaurant open. Deze keer was er wel plek voor ons. Eigenlijk gaf de hele tocht van noord naar zuid door de Franse binnenlanden dit beeld: we zijn wel weer open, maar wel héél voorzichtig. Het contrasteerde nogal met het Nederland dat we zojuist verlaten hadden en dat al in een feeststemming verkeerde vanwege de herwonnen vrijheid. Ik weet dat ik met dat soort observaties voorzichtig moet zijn, al was het maar dat ik noch tegenover Nederland, noch tegenover Frankrijk erg neutraal sta. In Nederland ben ik geboren getogen, maar ik kan niet zeggen dat ik van het land hou. Bij tijd en wijle heb ik er zelfs een grondige hekel aan en vraag me af wat ik er in godsnaam doe. In Frankrijk heb ik vijfentwintig jaar gewoond en gewerkt. Genoeg om heel wat gebreken en negatieve kanten van de Franse samenleving te leren kennen. Maar anders dan bij Nederland kan ik daar met een zekere vertedering naar kijken. Ik noem maar wat, het formalisme in dit land. Zodra ik er niet meer dagelijks in mijn werk mee te maken had, vond ik het wel amusant. Het had me in ieder geval een aantal sappige anekdotes voor aan de borreltafel opgeleverd. Maar zodra andere Nederlanders klagen over “die Fransen die…” spring ik onmiddellijk uit mijn vel over zoveel onbenul, onwetendheid en gebrek aan aanpassingsvermogen. Want laten we eerlijk zijn, wij Nederlanders vinden diep in ons hart dat, als iedereen maar zo zou doen als wij, we in een heel wat betere wereld zouden leven. Wij zijn het toppunt van normaliteit, rationaliteit én – het allerergste – openhartigheid. Het is mij in al die jaren in Frankrijk opgevallen dat het zelfbeeld van de Fransen aanzienlijk bescheidener is. Zelfgenoegzaamheid lijkt hier een doodzonde. Zet de twee verantwoordelijke ministers voor het Coronabeleid naast elkaar en je ziet meteen het verschil. Hugo de Jonge en Olivier Véran, je kunt je geen groter tegenstelling voorstellen. En dan bedoel ik niet zozeer het verschil tussen de hoofdonderwijzer en de neuroloog. Nee, ik zie de een blakend van zelfvertrouwen in een vakgebied waar hij van huis uit de ballen verstand van heeft, de ander als een uiterst deskundig vakman die precies weet waar hij het over heeft en dat met de nodige bescheidenheid over het voetlicht brengt. Een Hugo de Jonge zou, met andere woorden, in Frankrijk door gebrek aan dossierkennis geen schijn van kans hebben en een Olivier Véran zou in Nederland binnen de kortste keren op opportunistische gronden beentje gelicht worden.
Gelukkig hoef ik mij niet af te vragen in welk van de landen ik mij het meest thuis voel. Niemand kan mij verbieden in het ene of het andere land te zijn. Hoewel dat met de pandemie wel akelig dichtbij kwam. En gesteld dat ik zou moeten kiezen. Vermoedelijk zal ik dan ongelukkig zijn in het land van mijn keuze.

Een gedenkwaardige dag

Vanochtend werd ik om kwart voor acht wakker. Een heel normale tijd voor mijn doen. Dat zag ik op het digitale schermpje van de radio. Ik vond het stil buiten en vroeg me af of dat kwam door de alarmerende berichten over de Britse virusvariant. Zouden mensen besloten hebben om toch maar weer thuis te gaan werken? Mijn echt- en bedgenote vroeg zich af wat deze dag ons zou gaan brengen. Dat sloeg natuurlijk op de inauguratie van de Amerikaanse president onder bizarre omstandigheden. Ik ging naar beneden en deed zoals gebruikelijk meteen de radio aan. Die staat meestal afgestemd op France Inter omdat we weliswaar drie jaar geleden zijn verhuisd van Frankrijk naar Nederland, maar ik dat weiger voor de volle honderd procent onder ogen te zien. Ik heb hier in Zutphen een soort Franse enclave om mij heen gecreëerd. France Inter bracht muziek. Dat vond ik vreemd, want het is een echte nieuws- en informatiezender met weinig muziek en zeker niet om tien voor acht. Tenzij er weer een staking van het omroeppersoneel is en dat komt nogal eens voor. Maar staken op deze gedenkwaardige dag? Vreemd. Dus switchte ik naar NPO1, een zender waarmee ik minder vertrouwd ben, maar dat ze om tien voor acht een herhaling van het zondagochtendprogramma Vroege Vogels uitzenden, kwam mij voor als minstens ongebruikelijk. Dus wierp ik voor alle zekerheid een blik op de klok. Tien voor vier. Verdomme, vergeten op tijd op te winden, maar ach nee de secondewijzer loopt. Nu begon er in mijn brein de gedachte door te dringen dat het misschien mogelijk was dat ik vier uur te vroeg wakker was geworden. Nee toch. En inderdaad, een blik op het klokje van de magnetron leerde mij dat het negen voor vier was. Maar omdat ik toch al in de keuken stond, ben ik gewoon koffie gaan zetten. Even later kon ik mijn totaal slaapdronken echtgenote verblijden met een dampende bak en nog vier uur zalige sluimer. Duidelijk dat dit een gedenkwaardige dag ging worden.

De smalle basis van de beschaving

Als ik het goed heb begrepen is de strijd tussen de Trumpisten en de anti-Trumpisten er een tussen laagopgeleide plattelanders versus beter opgeleide stedelingen. Nu vind ik mezelf als typische stedeling die vijfentwintig jaar op het Franse platteland gewoond heeft een deskundige op dit gebied. Want laten we wel wezen, De VS hebben niet het monopolie op deze problematiek. Zo kan de Farmers Defense Force niet rekenen op groot begrip onder de stedelijke bevolking en zeker niet bij het hoogopgeleide deel daarvan, en zo waren de gele hesjes niet uitzonderlijk populair bij de Franse stedelingen. En in Engeland zong John Lennon al in de jaren ’70 in zijn Working Class Heroe: “You’re all fuckin’ peasants as far as I can see”, wat ook niet van grote liefde voor de boerenstand getuigde.
In Frankrijk is de haat van de plattelandsbevolking tegen de Parijzenaars spreekwoordelijk. Wij kregen na onze vestiging in Frankrijk al snel door hoe de hiërarchie van ongewenstheid op het platteland in elkaar zat. Eerst de Duitsers, dan de Parijzenaars en dan de rest van de wereld. Dus wij mochten ons nog gelukkig prijzen. Maar dat wij als neoruralen ooit op gelijke voet zouden kunnen leven met de plattelanders was uitgesloten. Dus namen wij al snel de terminologie van de Franse stedelingen over door wie iedereen die op het platteland leeft als “plouc” bestempeld wordt. Maar denk nu niet dat dat komt doordat beide bevolkingsgroepen geen contact met elkaar hebben, het idee van onbekend maakt onbemind dus. Nee, zo zit dat niet. Franse stedelingen gaan er prat op hun oorsprong op het platteland te hebben. Ze komen niet uit Parijs of Lyon, maar uit Bretagne of de Haute-Savoie. Vaak hebben ze daar nog een familiehuis waar de vakanties doorgebracht worden. Normaal geeft dat geen problemen. Gedurende die paar maanden per jaar leven beide bevolkingsgroepen vreedzaam naast elkaar. Zolang de stedelingen zich niet gedragen als hun adellijke voorouders of anderszins feodaal is er niets aan de hand. Toen ik een tijdje geleden een Maserati voor onze bescheiden dorpsherberg zag staan en aan de baas vroeg of hij een nieuwe auto had, wees hij naar drie dames in bontjassen. Alsof het de normaalste zaak was, vertelde hij dat ze daar-en-daar een huis hadden en ieder jaar om deze tijd kwamen. Maar toen de corona-crisis uitbrak en de Franse bevolking door een strenge lockdown werd getroffen, haastten de inwoners van de grote steden zich net op tijd naar hun familiehuizen, landhuizen en kastelen om daar “le confinement” in relatieve vrijheid te ondergaan. En toen waren de plattelanders opeens een stuk minder onverschillig over hun tijdelijke dorpsgenoten. “Ze eten onze voorraden op en als dank brengen ze het virus hierheen”, klonk het. Om maar te zeggen dat de vreedzame coëxistentie tussen beide groepen een nogal smalle basis heeft die zomaar weg kan smelten als de omstandigheden veranderen. En als een populistische beweging of leider daar gebruik van weet te maken, kan zoiets als nationale eenheid zomaar uiteen splijten. Nu wil ik niet meteen de gele hesjes en de Farmers Defense Force gelijkstellen met QAanon en geloof ik niet dat Thierry Baudet en Marine Le Pen een even grote bedreiging vormen voor onze toekomst als Donald Trump, maar een feit is wel dat als de ene helft van de samenleving de ander niet meer ziet er griezelige dingen kunnen gebeuren. De Franse revolutie lijkt wel ver weg, maar ik vrees dat de mensheid intussen niet veel wijzer is geworden. En het vijandbeeld dat door de aanhangers van QAnon wordt geschetst doet schrikbarend veel denken aan de krankzinnige verzinsels waarmee moest aangetoond worden dat de joden van levensgevaar waren voor onze beschaving. En we hebben nog maar net de 75e verjaardag van de bevrijding van deze waanzin gevierd. Als je het wilt weten, beste lezer, dan is volgens mij de bedreiging van het Coronavirus voor de wereldbevolking futiel vergeleken met wat ik gemakshalve maar het Trumpisme noem. En ik neem Covid-19 bloedserieus.

Weski for Minister

Laat ik vooropstellen dat ik weinig op heb met de Franse president Emmanuel Macron, noch met zijn voorgangers François Hollande, Nicolas Sarkozy en Jacques Chirac trouwens. François Mitterand is een ander verhaal. Dat was een zo gecompliceerde persoonlijkheid dat je, als je het over hem hebt je altijd moet afvragen over welke Mitterand het eigenlijk gaat. Maar Macron dus. De president die een nieuwe weg wilde inslaan, noch links, noch rechts, maar ook geen centrum. En de president van het ‘en même temps’, het ene doen maar het andere niet laten. Het netto resultaat is een beleid waar Sarkozy zich niet voor zou hebben geschaamd. Toch heb ik nog wel een klein zwakje voor Macron. Dat realiseerde ik mij zondagavond toen ik naar zomergaste Inez Weski zat te kijken. Tussen twee haakjes: eindelijk eens een bekende Nederlander die geen behoefte had haar innerlijke drijfveren tentoon te spreiden of om te vertellen door welke gebeurtenissen in haar jeugd ze getekend was, maar die een zaak te bepleiten had en een verhaal te illustreren. Kuddegedrag en uitholling van de rechtsstaat. Bij dat laatste stond ik wel even paf. Opnieuw wreekte zich mijn vijfentwintig jaar afwezigheid uit Nederland: kijk je even de andere kant op en dan breken ze achter je rug de rechtsstaat af. Ik dacht ook: hoe kan dat nou? Gedurende een groot deel van mijn afwezigheid waren Hirsch Ballin en Donner minister van Justitie en dat waren toch geen lichtgewichten, noch politiek, noch juridisch. Datzelfde zou ik niet durven zeggen van de huidige minister. Misschien is hij een kundig arbeidsjurist, hij heeft zelfs een werkje getiteld ‘Rafels aan de rechtsstaat’ geschreven, maar zijn politieke gestuntel maakt dat je ieder publiek optreden van de man tenenkrullend volgt. Nee, niet iemand aan wie je blindelings een van onze belangrijkste verworvenheden toevertrouwt. Zulke dingen gingen door mij heen door het optreden van Inez Weski. Je kon uit haar woorden opmaken dat de staat van het strafrecht de lakmoesproef is voor toestand van de rechtsstaat. En dan is er in Nederland alle reden voor bezorgdheid. Nu kom ik weer op Macron. Want wie heeft hij aangesteld als minister van Justitie in zijn (exclusief staatssecretarissen) 31-koppige regering? Eric Dupond-Moretti, zeg maar de Inez Weski van Frankrijk. Hij is een van de belangrijkste strafpleiters van Frankrijk en heeft, zoals Weski, de verdediging op zich genomen van misdadigers voor wie ik liever een straatje om loop. Door de benoeming van Dupond-Moretti heeft Macron zich de woede op de hals gehaald van de voltallige rechtelijke macht. Dat lijkt me in het kader van de door Weski gesignaleerde minachting van het Openbaar Ministerie voor de verdediging van verdachten – blijkbaar een verschijnsel dat zich niet aan landsgrenzen houdt – een goed teken. Kunnen we in Nederland ook niet zo’n swap maken? Weski for Minister!

Lèzzalluh sè oe?

Er was iets aan Frankrijk dat mij onweerstaanbaar aantrok. Ik moest daar wel gaan wonen. Op het moment dat de uiteindelijke beslissing werd genomen, liep dat al heel lang. Moeilijk te zeggen wat het nu precies was. Vanaf mijn twaalfde verslond ik de avonturen van commissaris Maigret. Met een bij het Frans Verkeersbureau verkregen plattegrond van Parijs erbij creëerde ik daar een hele wereld omheen. De boekjes van Jan Brusse gaven me de aanvullende informatie om een omvattender beeld van de stad te krijgen. Het resultaat was dat, toen ik in Amsterdam ging wonen, ik dat maar een dorp vond in vergelijking met ‘mijn’ Parijs. Het gevolg was ook dat, toen ik op mijn twintigste voor het eerst in de gematerialiseerde versie van mijn gedroomde stad kwam, ik vooral bezig was het Parijs te herkennen dat ik uit de boekjes en later de films kende. Het allerbelangrijkste was het gevoel van ontheemding dat ik voelde. Alles was zo fantastisch on-Nederlands. Die allereerste verrassing alleen maar Frans om je heen te horen (zelfs de kinderen!), koffie te drinken uit die grote groene koppen met een gouden randje, je 15% bedieningsgeld te moeten uitrekenen (wat jammer toch dat dat er bij ons gewoon in zit), het onbegrijpelijke tariefsysteem voor de stadsbussen (faire signe au machiniste), de wc turque waarboven het licht pas gaat branden als je het schuifje van de deur dicht gedaan hebt, ieder ongemak had zijn charme. Zelfs de teleurstelling dat een andouillette stinkend vleesafval met een velletje eromheen bleek te zijn en een boudin noir doodgewone bloedworst, werd later omgezet in een leuk verhaal. Iets minder leuk was het dat ik die Fransen lang niet altijd verstond en zij mij soms ook niet. Bijvoorbeeld als ik de weg naar Les Halles vroeg. Dat sprak je toch zeker uit als lèzzalluh? Nee dus. In de jaren daarna bleef ik regelmatig in Frankrijk komen, ontdekte ook het Franse platteland, maar ontdekte ook dat er buiten Frankrijk ook een heleboel te ontdekken viel. Ik heb zelfs overwogen om een tijdje in Griekenland of Portugal te gaan wonen, maar dat strandde vooral op de vraag: zou ik me hier ooit thuis kunnen gaan voelen. Vijf jaar in Afrika leverde ook geen langduriger relatie op. Maar Frankrijk bleef aanwezig. In Dar es Salaam ging ik naar de Alliance Française om boeken en platen te lenen en naar de film te gaan. In Ouagadougou ging ik naar het Centre culturel français om wat Franse cultuur op te snuiven en weer eens echt Frans te horen.

Toen we jaren later in Frankrijk gingen wonen, merkte ik dat ik een beeld van het land met me meedroeg dat nauwelijks meer correspondeerde met het land waarvan ik nu inwoner was geworden. Brassens, Brel, Barbara, Gréco, Ferré, Prévert, Sartre, De Beauvoir, voorzover ze nog leefden behoorden ze tot een voorbije periode. Mei 68? Vergeet het maar, met die erfenis heeft de Franse politiek afgerekend. Dat kreeg ik te horen. We kwamen het land in toen François Mitterrand nog president was, maar intussen behoorde hij al tot de verleden tijd. Van de hypergecultiveerde Mitterrand stapten we over naar de op koeienkonten slaande Chirac. Maar ik stapte vooral over naar een nieuwe generatie van schrijvers en musici van wie wij in Nederland nog nooit gehoord hadden. Francis Cabrel, Alain Bashung, Niagara, Indochine, wist ik veel? Dat was opeens heel iets anders, verrassend en soms regelrecht ongelooflijk goed. Dat er in het post-Simenon tijdperk in Frankrijk nog goede misdaadromans geschreven werden was volledig aan me voorbij gegaan. Jean-Claude Izzo, J.-P. Manchette, Didier Daeninkcx, nooit van gehoord, maar ik las ze met rode oren. In veel opzichten bleek ik in een ander land terecht te zijn gekomen dan ik dacht. Dat had een teleurstelling kunnen zijn, maar was het niet. Er bleek nog zoveel meer te ontdekken dan ik dacht. En nog steeds. Wie had de ‘giletjaunisation’ (de vergelehesjesiging, echt waar, het woord bestaat intussen) nu verwacht? Achteraf is het niet echt moeilijk om er een verklaring voor te vinden. De scheiding tussen het verpauperende platteland en de grote steden was ons ook wel opgevallen. De ‘méfiance’ (wantrouwen) van de Fransen tegenover alles dat boven hen staat – vooral waar het gekozen leiders betreft – maar ook dat van buiten komt, is spreekwoordelijk. Maar dat het zo’n omvang zou krijgen en zo lang zou duren, dat had niemand verwacht. En verrassingen zullen er blijven komen, ook al zijn ze niet altijd aangenaam. Hier in Nederland daarentegen …

De lof der twijfel

We zouden al weken geleden afgereisd zijn naar ons idyllische plekje in Zuid-Frankrijk. We waren daar door ons onverwacht lange verblijf in Brazilië afgelopen najaar al lang niet meer geweest, dus het was de hoogste tijd. Vanaf begin januari zijn we bezig geweest het vertrek uit te stellen. Er was altijd wel iets. Niet nu, maar volgende week. Dan is het weer beter, heb ik hier mijn klusjes gedaan. Maar wekenlang bleek het weer altijd wel beter te kunnen – slechter dan hier in Nederland kon het overigens niet – en bleek er altijd nog wel een klusje te zijn dat mijn onmiddellijke aandacht vereiste. Toen ik mijn belastingaangifte gedaan had, was er eigenlijk niets meer dat ons weerhield. Nou ja, nog een paar dagen wachten totdat een goede vriend de uitslag van medisch onderzoek heeft. Als dat goed uitpakt kunnen we echt met een gerust hart weg. Maar inmiddels werd ik toch een beetje ongerust over het Corona-virus. Stel je voor dat we daar ziek worden. Wel een beetje primitieve omstandigheden om met hoge koorts in bed te liggen. En als we allebei ziek worden, wie doet er dan boodschappen voor ons? Dat soort onheilsgedachten begonnen zich op te dringen. Aan de andere kant, het lijkt in de Languedoc niet erg te heersen. En het weer is er beter. En hoe groot is de kans helemaal? Maar is het wel verstandig dat onze goede vriendin ons daar op komt zoeken? Als het fout gaat, gaat het dan nog fouter. Gedeelde smart is dubbele smart in dit geval.
Dit alles bracht me in een staat van besluiteloosheid die ik absoluut verafschuw. Ik hou van ferme besluiten, zelfs als ik weet dat de basis waarop ze berusten twijfelachtig is. Beter een verkeerd besluit dan geen besluit. Zoiets. Geen besluit is voor watjes, doetjes, halfzachte eieren, slapjanussen. Met overtuiging het verkeerde besluit kunnen nemen, dat is pas mannenwerk! Wat voor besluiteloosheid geldt, geldt natuurlijk ook voor uitstellen. Procrastinatie! Mag niet! De realiteit helder onder ogen zien, de plussen en de minnen optellen en ziedaar de uitkomst. Zo gemakkelijk is dat. Nee dus. Nou moet ik wel zeggen dat ik met die houding in het verleden behoorlijk gescoord heb. Maar misschien had ik die keren gewoon geluk.
Deze keer lukte het me niet. Ik was ten prooi aan twijfel en wachtte op het moment dat de plusjes en de minnetjes mij de weg zouden wijzen. Tegelijk was ik ervan overtuigd dat dat nooit zou gebeuren.
Het is wel paradoxaal. Ik die ervan overtuigd is dat twijfel de bron van alle goeds is, die niet geloofd in ijzeren zekerheden, die vindt dat de waarheid altijd gecompliceerder is dan je in een paar regels kunt vatten, die stond als verlamd van twijfel in een situatie waarin iedere keuze zowel de goede als de slechte kan zijn of, waarschijnlijker nog, de goede én de slechte keuze is: een goede keuze met slechte kantjes of een slechte keuze met goede kantjes. De rest is nattevingerwerk.
En wat gebeurde er vervolgens? De van boven gedecreteerde restricties om de verspreiding van het corona-virus af te remmen volgen elkaar in zo’n tempo op dat ik vandaag niet weet of ik Frankrijk nog wel inkom en dat ik geen enkele zekerheid heb of ik er over een paar weken weer uit mag. Oef! Soms wordt besluiteloosheid beloond. Of is het zo dat als ik nu … en dat ik dan … en misschien is het ook zo dat … of zou het toch beter zijn om … ?

Ontheffing

Omdat ik een aantal weken elders ben waardoor ik niet kan zagen, timmeren, wandelen en fietsen, doe ik dingen waarvoor ik anders geen tijd heb. Zodoende vond ik een column van een paar jaar geleden die ik nooit op mijn blog had gezet. Blijkbaar vergeten.

‘En, zijn jullie helemaal geïntegreerd?’, werd mij gevraagd door iemand die een groot deel van zijn jeugd op het Franse platteland had gewoond. ‘O, helemaal’, riep ik uit. Hij begreep de ironie van mijn reactie. ‘Nou ja, geaccepteerd door de Fransen’, maakte hij er snel van. ‘Ja hoor, geaccepteerd als buitenlander’, antwoordde ik. Hij begreep wat ik bedoelde. ‘Je blijft altijd een buitenstaander, hè? Zelfs als Parijzenaar.’ De waarheid is dat je vooral als Parijzenaar een buitenstaander blijft, volgens het principe dat wat een beetje afwijkt heviger gewantrouwd moet worden dan wat heel anders is. Een principe dat vooral binnen beginselvaste stromingen gehanteerd wordt, of die nu religieus of politiek zijn. In die zin is het Franse platteland ook heel beginselvast: zoals het was, was het beter. En vroeger had je geen buitenlanders, dus dat is beter. Natuurlijk zijn er gradaties: wij zijn geen Roemenen. Maar toch horen we er eigenlijk niet thuis. We mogen best op het dorpsfeest komen, maar niemand zou ons missen als we weg bleven. Leuk hoor, dat die buitenlanders die oude huisjes opknappen, maar niemand zou het erg vinden als ze van ellende in elkaar stortten. Het duidelijkst merk je dat misschien op school. Ik moet het eerste buitenlandse kind nog tegenkomen dat een onbezorgde tijd op zijn Franse plattelandsschooltje heeft gehad. Als buitenlander word je daar per definitie gepest. Onze zoon koos er dan ook voor om na zijn negen jaren lagere school en collège (onderbouw middelbare school) naar een lycée (bovenbouw) te gaan dat in een stad lag. Niet het provinciestadje in de buurt, nee, een echte stad. Alleen, dat gaat in Frankrijk niet zomaar. Iedere openbare school heeft zijn eigen verzorgingsgebied. Is er in jouw dorp een dorpsschooltje, dan ben je gehouden je kind daarheen te sturen ook al vind je dat de onderwijzeres incompetent is. De enige uitweg is een particuliere – lees katholieke – school, maar die zijn er meestal niet in de dorpen, nog afgezien of je je kind daar wel heen wilt sturen. Of een dérogation (ontheffing). Het krijgen van dérogations is in Frankrijk voor ouders van schoolgaande kinderen een nationale sport. Die kun je bijvoorbeeld krijgen door je kind administratief bij zijn grootouders onder te brengen die misschien in een wijk wonen waar een betere school is. Voor ouders in het 16e arrondissement in Parijs doet zich dat probleem niet voor. Die kunnen hun kinderen gewoon naar het Lycée Henri IV sturen, één van de meest gerenommeerde lycées van het land. Je kunt er ook voor kiezen als ouders van een absoluut onmuzikaal kind en wonend in een mindere wijk je kind naar een school te sturen waar muziek een examenvak is en die toevallig niet in een achterstandswijk ligt. Zo zijn er nog een heleboel trucs om de vermaledijde carte scolaire te omzeilen. Wij waren van dat alles niet op de hoogte toen wij jaren geleden op goed geluk een afspraak maakten met de proviseur (rector) van een lycée in een middelgrote stad. Ze deden op die school veel aan beeldende kunst en dat trok ons wel. Tijdens het gesprek met de rector kwam de belangrijkste motivatie voor een school in de stad al gauw boven tafel. De rector bleek een en al begrip. ‘Ze pesten je omdat je buitenlander bent? Ik ken dat, ik ben dat ook ontvlucht. Ik kwam uit de Elzas en had een Duitsklinkende naam, dus ik was altijd de sale boche, de rotmof.’ Wij vertelden die ervaring aan Franse kennissen van wie de man een overduidelijk Duitse naam heeft. ‘Heb jij dat nooit gehad, dat ze je voor rotmof uitscholden?’ ‘Nee hoor’, luidde het opgewekte antwoord. ‘Ik was gewoon die klerejood.’
Maar onze zoon kreeg zijn dérogation en werd op zijn lycée niet gepest of uitgescholden.

Thuis

Sinds ik bezig ben in Nederland te gaan wonen en nog meer sinds ik dat ook feitelijk doe, ben ik gebiologeerd geraakt door de verschillen tussen Nederland en mijn vorige thuisland, Frankrijk. En niet alleen dat. Ik ben er vooral door geschokt geraakt dat die Nederlanders accepteren wat ze allemaal aangedaan wordt. Het is mij altijd opgevallen dat de gemiddelde Nederlander een zelfbeeld heeft van open, eerlijk, kritisch, eigenwijs en vooral ook van deze tijd te zijn. En natuurlijk argwanend tegenover ieder gezag. De Nederlander accepteert niets alleen om het feit dat het van hogerop komt. Alles wordt op zijn merites bekeken en pas als we het na jarenlang gepolder over de beste oplossing eens zijn wordt er iets besloten. Ja toch? Nou nee dus. Als ik zie wat er in de drieëntwintig jaar van mijn afwezigheid allemaal veranderd is, dan vraag ik mij af waar de massale protesten waren en op welke manier die de kop ingedrukt zijn. Voor een zodanige omvorming van de maatschappij zou in Frankrijk een vermoedelijk bloedige revolutie nodig zijn. Mijn eerlijke en kritische Nederlander zal daarop waarschijnlijk reageren met de opmerking dat het dus ook geen wonder is dat Frankrijk in de onweerstaanbare en glorieuze opmars van de neoliberale hyperconcurrentiële laatkapitalistische gedigitaliseerde samenleving hopeloos achteraan hobbelt. De Fransen daarentegen zijn gek op de uitdrukking ‘la fuite en avant’, het vooruit vluchten, en zullen het in Nederland ontwikkelde samenlevingsmodel enigszins meewarig als zodanig beschouwen. Het conservatisme van de Fransen wordt regelmatig door Franse politici aangevoerd als oorzaak van eigen falen. Maar een beetje waar is het wel en ik vraag me steeds vaker af of dat wel zo erg is.
Ik heb de afgelopen tijd veel te maken gehad met zowel Franse als de Nederlandse gezondheidszorg. De financiering van die gezondheidszorg in beide landen is totaal verschillend. De kern van het Franse systeem is een volksverzekering die voor iedereen geldt, rijk en arm, jong en oud, werkend en werkloos, het maakt niet uit, iedereen heeft een basisdekking waarvoor de premie inkomensafhankelijk is. Een van de aardige dingen van het systeem is (in tegenstelling tot de National Health Service in het Verenigd Koninkrijk) dat de maatschappelijke steun ervoor totaal is. De “Sécu” ter discussie stellen zou voor een politicus politieke zelfmoord zijn. En volgens mij komt dat voor een belangrijk deel doordat het systeem de individuele verantwoordelijkheid van de patiënt intact laat. Op straffe van een lagere teruggaaf ben je verplicht een huisarts te kiezen, maar in die keuze ben je volstrekt vrij. Net zo goed als in de keuze van specialist, kliniek of ziekenhuis. Als ik in Frankrijk bloed laat prikken, een echo of een scan laat maken, wordt mij bij de receptie gevraagd of ik de resultaten op kom halen, per post wil ontvangen of op internet wil raadplegen. Hier wordt mij bij de receptie niets gevraagd. Ik krijg een barcode uit een machine, die ik op een andere plek langs een venstertje moet halen om opgeroepen te worden. Als ik de laborante vraag hoe ik aan de uitslag kom, hoor ik dat ik die bij de huisarts moet opvragen. En als ik dat niet doe? Dan krijgt u niets. En als er iets niet goed is? Dan mag u er op rekenen dat de huisarts u waarschuwt en nu moet u weg want de volgende staat al op me te wachten. En dat terwijl ik in Frankrijk altijd leuke gesprekjes met de priksters had. Nee, hier zul je merken dat iedere minuut geld kost en dat dat belangrijker is dan wat basaal menselijk contact. Maar wat ik erger vind, is dat ik, de patiënt, niet voor vol wordt aangezien. Er worden medische gegevens over mij verzameld waarvan ik mijzelf als eerste rechthebbende zie. Het Nederlandse gezondheidswezen denkt daar anders over. De resultaten gaan naar mijn huisarts en het is aan hem/haar te beoordelen of ik daar wel of niet over ingelicht moet worden. Nu kan ik inderdaad geen echo’s, scans of röntgenfoto’s interpreteren, maar ik kan aan allerlei bloedwaarden verdomd goed zien of ze te hoog of te laag zijn. En ik vind het ook erg prettig dat ik die onder ogen krijg voordat ik een gesprek met een arts heb. Ik krijg tenslotte ook graag de agenda van een vergadering vooraf te zien. Twee reacties uit de Nederlandse medische stand: ‘Meneer, u weet niet wat voor ellende dat geeft, die mensen die vooraf alles al op internet hebben uitgezocht.’ En ‘Ja, ù bent verstandig, ù weet hoe u daarmee om moet gaan, maar er zijn ook mensen die dat helemaal niet kunnen.’ Was het niet een van de eerste lessen uit de pedagogie dat mensen zich pas mondig kunnen gedragen als ze daar de gelegenheid toe krijgen?
Er wordt ons regelmatig gevraagd of wij Frankrijk niet missen. Aanvankelijk haalde ik mijn schouders daarover op. Waarom zou ik Frankrijk missen? Sinds wij ons acht maanden geleden in Nederland vestigden, zijn we drie keer naar Frankrijk teruggeweest voor een totale tijdsduur van ruim vier maanden. Van de resterende kleine vier maanden waren we een maand in Brazilië, dus wat valt er nu helemaal te missen? Daarbij komt dat ik dankzij de zegeningen van de internetradio regelmatig naar mijn favoriete Franse radiostations kan luisteren, ik dankzij TV5 om half negen het acht uur journaal van France 2 kan bekijken en dat ik dankzij een vreemd tariefsysteem voor een prik Le Monde kan blijven lezen. En toch. Een paar weken geleden waren we weer even in ons Franse land terug. De opluchting om weer overal om je heen Frans te horen praten, tussen de middag een menu du jour te kunnen nemen in die typische roezemoes-ambiance van een Frans restaurant waaruit klokslag twee iedereen weer verdwenen is, in de supermarkt precies de weg te weten, wat me hier in Nederland nog steeds niet gelukt is, dat en nog veel meer dingen maakt dat ik me in Frankrijk thuis voel en hier nog steeds iets onwennigs heb. Niet onplezierig, maar anders en zeker niet thuis. Tenzij je thuis definieert, zoals ik laatst op een affiche zag, als daar waar mijn boeken zijn. Want dan ben ik godzijdank weer helemaal thuis.

De listen van Frankrijk

Dat ik een kwart eeuw in Frankrijk wonen op deze manier zou afsluiten, had ik nooit kunnen bedenken. Ik kan het niet anders uitleggen dan dat Frankrijk me niet los wil laten en dat het zegt, nou ja als je dan echt weg moet dan zal je hier een stuk van je lichaam moeten achterlaten, voor minder doe ik het niet. Helemaal onverwacht kwam dat niet. We hadden een listige afleidingsmanoeuvre bedacht. Voordat we ons definitief opnieuw in Nederland zouden gaan vestigen, gingen we eerst naar ons vakantiehuisje in Zuid-Frankrijk en deden we net alsof dat ons nieuwe huis was. Intussen zaten we stiekem op Funda.nl naar een aardige woning in Nederland te zoeken en gingen we er zelfs soms een paar bekijken. In het vroege voorjaar van dit jaar vonden we het huis waarin we wilden gaan wonen. Alles deugde: het stadje, de omgeving en natuurlijk vooral het huis zelf. Op het laatste moment kwam er nog bijna een kink in de kabel in de vorm van een andere bieder. Achteraf begrepen we dat hier Frankrijk aan het werk was. Want ga maar na, kort na de acceptatie van ons bod kreeg ik een aantal lichamelijke klachten die spoedige behandeling wenselijk maakten. En aangezien wij op dat moment nog officieel in Frankrijk woonden en daar dus ook verzekerd waren, moest ik daar een heel traject met artsen, fysiotherapeuten en reumatologen doorlopen. Zonder al te veel resultaat overigens, maar dat terzijde. Dit was gewoon een typisch geval van obstructie door de tegenpartij. Toen ik klaar was met dit medische traject en het er naar uitzag dat we onze aandacht nu geheel op onze nieuwe woonplek konden gaan richten, retteketet boemboem, zwaar geschut van de tegenpartij. Nadat er als routine wat bloedonderzoek was gedaan, bleken er een aantal waarden niet helemaal te kloppen. Dus nader onderzoek. Ach, zei ik tegen mezelf en mijn omgeving, niets aan de hand, heb ik wel eens vaker gehad. Dat komt wel weer goed. We waren inmiddels weer in Nederland en dachten daar zeker de komende maanden te blijven. De dag voordat wij de sleutel van ons nieuwe huis in ontvangst konden nemen, belde ik de chirurg voor de resultaten van het onderzoek. Hij klonk niet meteen alarmerend, maar ja, er zijn kankercellen gevonden en het is het beste dat u zo snel mogelijk terugkomt en zeker binnen twee weken. Nog steeds doorzag ik het ragfijne spel van de tegenstander niet, en bovendien wat had dat uitgemaakt? Ik moest gewoon weer terug naar Frankrijk en door een molen van echo’s, scans, MRI’s, bloedonderzoek en voorbereidende gesprekken. Dat Frankrijk de strijd om de résidence principale had verloren was haar wel duidelijk, maar ze gaf zich niet zomaar gewonnen. Dus moest ik een stuk van mezelf afstaan. Dat offer is inmiddels volbracht en het ziet er naar uit dat ik nu mag vertrekken. Maar ik blijf op mijn hoede. Doordat we geheel tegen alle plannen en verwachtingen in het grootste deel van de afgelopen twaalf maanden hier in Zuid-Frankrijk hebben doorgebracht, zijn we zo van ons plekje gaan houden dat we ons mooie nieuwe huis bijna vergeten zijn. De listen van Frankrijk zijn talrijk en geraffineerd. Vive la France! Vive la république!

Huis verkopen 6: Lang leve de inefficiënte bankemployees

Precies een week geleden tekenden wij de definitieve verkoopakte van onze molen. Dat was twee maanden nadat we verhuisd waren naar ons piepkleine huisje in de Languedoc voor een verblijf dat we toen op twee weken schatten. En vijf maanden na het tekenen van het voorlopig koopcontract. En na vele crises in de verstandhouding tussen ons en de kopers, tussen de makelaar en de kopers, tussen ons en de makelaar, tussen de bank en de kopers, de makelaar en de notaris. Want gelukkig was er een zwart schaap in deze geschiedenis: als het niet het bancaire systeem in het algemeen was, dan toch in ieder geval deze specifieke bank. En als het niet deze specifieke bank was, dan toch in ieder geval de bankemployee die dit specifieke dossier onder haar hoede had. Dat gaf wat lucht in de overige onderlinge relaties. Inmiddels zijn we weer allemaal de beste vrienden met elkaar geworden, behalve natuurlijk met die bankemployee. Normaal gesproken ben ik erg voor de rechten van werknemers, maar deze werknemer had wat mij betreft op staande voet ontslagen mogen worden, met als aanvullende bepaling dat zij nooit meer in een dienstverlenende functie werkzaam zou mogen zijn. Ooit is mij door een lerares Nederlands toegevoegd:   “Jij? Jij hoort achter de ploeg thuis, al vind ik dat zielig voor de paarden.” Zoiets dus.
Ik ga natuurlijk niet vertellen wat die laatste maanden voor de officiële overdracht voor ons betekend hebben. De kopers woonden al in ons (!) huis. Dat kwam voor die twee weken voor de ondertekening iedereen beter uit, dachten wij. Onze inboedel stond inmiddels in Weesp (we konden de verhuizer niet voor de zoveelste keer afzeggen) en wij waren wel aan een paar weken vakantie toe. Ik ga natuurlijk niet vertellen in welke emotionele toestand die emails ons brachten die steeds opnieuw aankondigden dat er nog steeds niet ondertekend kon gaan worden omdat de notaris niet over de benodigde documenten beschikte. En ik ga al helemaal niet vertellen dat wij erover dachten om de hele verkoop maar af te blazen en de kopers te vertellen dat we eraan kwamen om ons rechtmatig eigendom weer te betrekken. Paniekgedrag. Daar lijden wij natuurlijk niet aan. Wij houden onder alle omstandigheden het hoofd koel, laten ons niet kennen, noch in de kaart kijken en houden het kruit droog. Gewoon nuchtere Hollanders.
Het goede nieuws is dat ik twee nieuwe deuren in ons hobbithuisje in Zuid-Frankrijk heb gezet, dat ik er een sokkel voor een waterreservoir heb gemetseld, dat ik een terras heb gebetonneerd, dat ik gebruind ben van mijn kruin tot mijn tenen en dat we nu een gat in de grond hebben van 130 meter diep van waaruit we water kunnen oppompen. Lang leve de inefficiënte bankemployees.