Ictus

Ooit van een ictus amnésique gehoord? Vast niet. Letterlijk betekent het een amnesische slag of stoot. Van een TGA dan? Ook niet hè? Dat is goed Nederlands voor een transient global amnesia. Een tijdelijk algemeen geheugenverlies. Dat klinkt toch tamelijk normaal. Zoiets kan je toch overkomen? Dat hebben we allemaal toch wel eens, dat we even niet meer weten wat we ook alweer op gingen halen? Ja, maar dat is dus geen ictus of TGA. Een TGA is een uiterst zeldzaam fenomeen. Je weet korte tijd – dat kan een uur zijn, maar ook een halve dag – helemaal niet meer waarom je op een bepaalde plek bent en hoe je daar gekomen bent, wat je daar aan het doen bent en waarom. Als er iemand in je nabijheid is, stel je die ook voortdurend die vragen: waarom ben ik hier, wat doe ik hier, hoe ben ik hier gekomen? Voor de rest gedraag je je helemaal normaal. Er is niets bijzonders aan je te zien, je bent niet duizelig, je valt niet om, alleen je bent er wel, maar ook weer niet. Je hersens zijn gewoon even helemaal leeg. Je hebt een staat bereikt die sommige mensen na vele jaren oefenen in mediteren misschien ooit bereiken zullen. Een soort zalige onnozelheid die alleen maar prettig zou zijn als je er zeggenschap over hebt. Maar dat is het nou net, het gebeurt totaal onverwachts en je kunt het ook niet stoppen. Wie je er erg blij mee maakt is je arts. Want: a) hij/zij heeft het waarschijnlijk nog nooit eerder bij de hand gehad, b) hij/zij zal je na raadpleging van de vakliteratuur kunnen vertellen dat het absoluut goedaardig is en dat je er ook niets aan over kunt houden, c) hij/zij kan je vertellen dat je niet bang hoeft te zijn dat het je nog eens overkomt want recidive is uiterst zeldzaam. Tenslotte zal de arts je desgevraagd kunnen meedelen dat je niet hoeft te zoeken naar oorzaken, want die zijn niet bekend. We hebben hier te maken met een zogeheten idiopatische aandoening. Met andere woorden: het verschijnsel is bekend maar we weten niet wat de oorzaak kan zijn. Ik vind dat een fantastisch woord, idiopatisch. Een quasi wetenschappelijke term voor we-weten-het-niet-en-eigenlijk-is-dat-niet-erg. Heel geruststellend. Nee joh, niks aan de hand, het is gewoon idiopatisch.

Tot zover mijn populair wetenschappelijke resumé van de TGA. Dat ik niet opgeschreven zou hebben als ik niet hoogst persoonlijk daar een nieuwe vorm van had uitgevonden: de RTGA, de recurrente transient global amnesia. Dat zeg ik niet als medische wetenschapper – want dat ben ik niet – maar als ervaringsdeskundige. En wat voor een! Ik heb in mijn eentje meer TGA’s gehad dan een huisarts naar alle waarschijnlijkheid ooit in zijn/haar praktijk zal zien. De eerste keer gebeurde het me met twee glazen wijn in mijn handen. Ik kwam daarmee de eetkamer binnen en vroeg aan mijn vrouw, Jacqueline, waarom ik daarmee liep en trouwens, vroeg ik, wat doet hij hier, ik weet wel wie dat is maar waarom is hij hier? Niet erg beleefd om zo over een gast te spreken. Na enig heen-en-weer bellen heeft Jacqueline mij naar het ziekenhuis twintig kilometer verderop gereden. Ik heb die afstand nog nooit in zo’n korte tijd afgelegd. We waren nog maar nauwelijks vertrokken of we waren al aangekomen. Mijn tijdsbesef was even helemaal weg. In het ziekenhuis vroeg de dienstdoende arts mij wat er aan de hand was. Ik zei daar geen idee van te hebben en dat ik juist daarom bij hem was. Voor de rest heeft Jacqueline het woord gedaan terwijl ik mij al die aandacht als een klein kind liet welgevallen.
De tweede TGA was een heel kortstondige. Ik stond in ons huisje in Zuid-Frankrijk in een rots te hakken toen ik mij weer de vraag stelde wat ben ik aan het doen en waarom? Behoorlijk existentiële vragen waarvan het normaal gesproken geen kwaad kan als mensen zich die wat vaker stellen, maar in dit geval ging het wel over erg concrete zaken als bijtel, hamer en rots.
De derde keer was het goed raak. Ik was op een feest in een uitspanning ergens in de bossen bij Hilversum toen ik aan de vrouw met wie ik aan het praten was vertelde dat er iets raars in mijn hoofd gebeurde en haar vroeg of ze mij kon vertellen waar ik was en waarom en hoe ik daar gekomen was. Ik zag wel een paar bekende gezichten maar was niet in staat die in een zinvol verband te zien. Chaos kortom. Een dag later was alles weer min of meer op zijn plaats. Wat mij wel duidelijk werd van zo’n TGA, was dat sommige gaten in het geheugen niet meer opgevuld worden. Je zou bij wijze van spreken rond het moment van de amnesische stoot een moord kunnen plegen zonder je daar iets van te herinneren. Maar je zou ook minder ingrijpende dingen kunnen doen, maar waar je je achteraf toch erg voor zou schamen. Dat is een akelige gedachte. Niemand heeft me daar nog iets over verteld, dus misschien is het meegevallen.
De vierde en vooralsnog laatste keer vond plaats in Amsterdam. Achteraf wist ik nauwelijks meer hoe ik daar gekomen was (per trein vanuit Zutphen). Van de dag zelf die ik met vrienden heb doorgebracht en de terugreis had ik niet meer dan vage herinneringen.
Uiteraard ben ik later al of niet met de neurologe alle mogelijke triggers voor zulke aanvallen van geheugenverlies nagegaan. En als je maar lang genoeg graaft vind je altijd wel ergens een emotionele schok of iets dergelijks. Maar nee, het heeft er allemaal niets mee te maken. Ik ben gewoon een zeldzaam geval. Nog veel zeldzamer dan genieën van welke soort ook. Dat heeft wel iets.

Een scheet in de ruimte

Het woord futiliteit zeurt door mijn hoofd als een jankende grammofoonplaat met een barst. Het woord hecht zich vast aan een gevoel dat mij de laatste tijd regelmatig bekruipt: dat wat ik ook doe, het allemaal niet meer voorstelt dan een scheet in de ruimte. Wat maakt dat nou uit, zou je kunnen zeggen. Als je er maar gelukkig mee bent. Maar op het moment dat je het gevoel hebt dat niets wat je doet ertoe doet, dat je alleen maar bezig bent jezelf bezig te houden … Het minst futiel zijn bezigheden als boodschappen doen, huis schoonmaken en onderhoud aan het huis plegen. Dat zijn dingen die gewoon moeten en waarbij je je niet hoeft af te vragen welk groter doel je ermee dient. Het proberen de tuin in stand te houden is al dubieuzer. Want waarom eigenlijk? Laat het ongedierte zijn gang gaan en zie wat erover blijft. Een soort microdarwinisme. Maar met foto’s uitzoeken, een boek of columns schrijven, vinyl digitaliseren wordt het pas echt ingewikkeld. Wie zit daar op te wachten? Op de hoogte blijven van wat er in de wereld gebeurt? Word ik daar blij van? Dient dat enig doel? Je moet je geest scherp houden om op een goede manier oud te worden. Dat is tenminste iets: het risico verkleinen dat ik een mezelf herhalende demente zeurkous word, waarmee ik voorkom dat ik anderen tot last ben.
Ik wil al een tijdje een column schrijven over mijn ambities van weleer. Ik herinner me een gesprek van zo’n dertig jaar geleden. Ik had toen de leeftijd waarop je normaal gesproken aan de tweede helft van je leven begint. Een mooi moment voor bezinning. Ik zat in een fauteuil voor een open haardvuur in Harare. De vrouw des huizes vroeg mij wat ik met mijn leven wilde. Wat wilde ik bereiken? Ik antwoordde haar dat ik mij voorstelde van mijn leven een kunstwerk te maken. Ik had niet zoiets als een alles overheersend doel voor ogen, nee, ieder beleefd moment zou de uitdrukking zijn van het grotere geheel: het kunstwerk mijn leven.
Wat een tomeloze arrogantie. Andere mensen vechten om groter, meer, beter, hoger, om beroemd te worden, of om gewoon te overleven. Niet ik, ik werkte dagelijks aan mijn enige, unieke kunstwerk, namelijk mijzelf. Die ene regel van Neruda – Ik beken ik heb geleefd – kende ik toen al. In hoeverre die bijgedragen heeft tot deze pedanterie weet ik niet. Wat hierbij hoort is de door mij lang gekoesterde idee dat ik ieder moment op mijn leven zou moeten kunnen terugkijken met de constatering dat ik het goede gedaan heb. Wat een lariekoek! Alsof je na tien jaar op dezelfde manier terugkijkt als na twee dagen. Al met al moet ik zoveel jaren later vaststellen dat mijn persoonlijke levensfilosofietje in duigen is gevallen en dat ik nauwelijks meer een toetssteen heb om te kijken of iets nuttig of futiel is. Of om te weten of ik er gelukkig van ga worden. Maar dat is weer een ander verhaal.

“The Day …”

Don McLean zong ooit “The Day The Music Died”. Gisteren – 6 januari 2021 – hadden we bijna “The Day That The American Democracy Died”. Door de Vietnam-oorlog en veel dat sindsdien gebeurde was het morele tegoed van de VS al niet zo groot meer, hoewel presidenten als Carter en Obama het weer een beetje opgevijzeld hebben. Maar door dit slotstuk op vier jaar Trumpisme gelooft niemand meer in de hoogstaande morele waarden van de grootste democratie. Dat hakt er wel in. Ik bedoel: we leven in een in veel opzichten onveiliger wereld dan pakweg vijftig jaar geleden. In ieder geval realiseren we ons meer hoe onveilig die wereld is. Richard Nixon kon destijds de rit niet uitzitten, maar vijftig jaar later kan een aanzienlijk gevaarlijker gek ongestoord vier jaar de hoofdbewoner van het Witte Huis blijven. Dat doet iets met me. Vijftig jaar geleden geloofde ik stellig in een betere wereld. Dat vertrouwen is inmiddels verdwenen. Ik denk dat ik door dat vertrouwen het soort keuzes in mijn loopbaan kon maken die ik gemaakt heb. Ik vermoed dat, als ik destijds de wereld als fundamenteel onveilig en zelfs vijandig had ervaren, ik veel egoïstischer in mijn keuzes zou zijn geweest. Of veel radicaler. Als er niets te verliezen valt ga je waarschijnlijk eerder voor het grote geld óf de revolutie. Wie gaat er nou in zijn eentje zijn vinger in die dijk houden? Als ik me niet vergis, is dat wat je bij de millenials ziet gebeuren: radicaliseren ter rechterzijde en aan het eigen hachje denken. Solidariteit kunnen we wel aan de ouderen overlaten.
Persoonlijk vind ik dit een angstaanjagende wereld waaruit ik me het liefst zou terugtrekken door een eigen wereldje te creëren. Maar omdat ik twee generaties na mij heb kan ik me er niet helemaal aan onttrekken en maak ik mij ongerust.

Tussen acceptatie en berusting

Op 4 augustus heb ik mijn vorige stukje op mijn blog gezet. Ik voel mij bijna verplicht om me voor dit interval van ruim drie maanden te verantwoorden. Bijna. En ik doe het niet. Ik zou trouwens ook niet goed weten waarom ik lange tijd geen zin had om een stukje te schrijven. En ik heb nog minder zin me daarin te verdiepen. Blijkbaar vond ik dat ik iets beters, leukers, dringenders, belangrijkers te doen had. En diegenen die denken dat ik misschien wel in een tomeloos diepe covid-gegenereerde depressie was terechtgekomen kan ik geruststellen. De helft van de tijd zat ik in onze eigen tuin van Eden gelegen in een paradijs dat zich uitstrekt van de Pyreneeën tot de Middellandse Zee. Inmiddels is dat paradijs niet meer zo toegankelijk en kunnen wij ons Eden niet meer bereiken, maar gelukkig komt dat niet door de zondeval en is een terugkeer naar het paradijs op termijn nog mogelijk.
Maar waar ik het eigenlijk over hebben wilde is een droom. Ik droom best vaak, misschien zelfs wel iedere nacht, maar me mijn dromen herinneren, ho maar. Ja, behalve die ene repeterende droom dan, maar daar ga ik niet over vertellen want dan zult gij lezer mij onmiddellijk psychiatrische hulp adviseren. Overigens heb ik die droom niet meer. Nee, het gaat over een heel andere droom. Eigenlijk herinner ik me van die droom niets meer, maar werd ik midden in de nacht wakker met een zin uit die droom waarvan ik dacht: zóó, dat is diepzinnig. Meestal ben ik zo’n fragment de volgende ochtend vergeten en weet ik alleen nog dat ik iets wilde onthouden. Maar deze keer wist ik ’s ochtends nog steeds wat ik wilde onthouden.

Ik bevind mij in het schemergebied tussen acceptatie en berusting.

Zo hé, dat is écht diepzinnig. Ik weet niet wie die zin tegen wie uitsprak. Misschien was hij in de tweede of derde persoon, maar dat maakt allemaal niet uit: dit was de boodschap. Welke boodschap? Sindsdien pijnig ik mijn hersens wat die zin betekent. Betekent hij eigenlijk iets? Misschien is het wel lariekoek. Uiteindelijk ben ik geneigd tot het laatste. Ik geloof niet zo in diepere wijsheden of waarheden die in dromen verborgen zitten. Natuurlijk, als je vaak angstdromen hebt, zegt dat iets over je psychische toestand, maar dat wist je waarschijnlijk zonder die dromen ook wel. Maar toch. Kan het zijn dat ik iets met de woorden berusting en acceptatie heb? Gaat het over het huidig tijdsgewricht? Covid-19, Trump? Is er eigenlijk wel een gebied tussen acceptatie en berusting? Of is dat zo vliesdun dat er niet eens licht tussendoor kan schijnen?
Vannacht droomde ik dat ik een Zwitsers zakmes op straat vond. Nu heb ik een hele geschiedenis met Zwitserse zakmessen. Ik ben ze altijd kwijt als ik ze nodig heb en dan koop of krijg ik weer een nieuwe. Ik heb er nu drie in omloop, maar vraag me niet waar ik ze heb. Dus zo’n droom over een Zwitsers zakmes dat zegt wel wat. Of eigenlijk, is dat wel zo? En wat dan? Moet ik toch nog eens over nadenken.

Ergernissen

Eind jaren tachtig. Ik woon in Brussel een vergadering bij van een Europese NGO. Voertaal Engels. De deelnemers worden toegesproken door de Nederlandse directeur van die NGO. Hij vertelt over een bijeenkomst die hij heeft bezocht en over de informatie die hij daar heeft opgedaan. En dan: “I want to share this information with you”. Tja, denk ik dan, hoe doe je dat, informatie delen. In stukjes hakken en iedereen een of twee woorden geven? Ik kon toen nog niet bevroeden dat dit gruwelijke amerikanisme jaren later gemeengoed zou worden in onze al te receptieve taal.¹ Volgens de Van Dale betekent delen: 1. in delen splitsen 2. verdelen, elk zijn zijn aandeel geven 3. erven (maar dat komt niet in heel Nederland in die betekenis voor) 4. uit een getal en een gegeven factor de andere factor vinden (zes gedeeld door drie is twee) 5. instemmen met (een gevoelen, een mening delen). Die laatste betekenis komt een beetje in de richting van het delen van informatie, maar gedeelde smart is halve smart is toch wel heel iets anders dan met iemand een paper delen (nietje eruit en hier heb jij de andere helft?) en een mening met iemand delen, betekent helemaal niet dat je die iemand jouw mening geeft, maar dat je dezelfde mening bent toegedaan. Soms benijd ik de Fransen, die een instituut hebben dat over de zuiverheid van de taal waakt (de Académie Française) maar meestal kan die de agressieve Amerikaanse import toch niet tegenhouden. Langzamerhand wordt numérique ingehaald door digital, is de courriel vrijwel volledig vervangen door mail of mèl, maar de octet houdt stand tegen de byte. Dat laatste komt waarschijnlijk doordat, wanneer je byte op zijn Frans uitspreekt, dat zoveel wil zeggen als lul.

Toen ik voor het eerst iemand hoorde zeggen dat iets dierbaar was, dacht ik dat het een verspreking was. Iets is me/je/hem dierbaar, toch? Dierbaar is toch geen eigenschap? Dit is een dierbare auto, wauw! Dat kan toch niet? Een auto kan je dierbaar zijn, maar dat is omdat jij er een bepaalde waarde aan hecht, niet omdat het een objectieve kwaliteit van die auto is. Als het woord dierbaar in die mijns inziens verkeerde betekenis wordt gebruikt is dat vaak samen met woordje zo: Zó dierbaar. Ook vanuit het angelsaksische spraakgebruik binnengeslopen. Soort van hinderlijk.

En zo kan ik nog wel even doorgaan met wat in modern Nederlands jeukwoorden heet. Het probleem met neologismen als jeukwoord is dat, als je ze maar vaak genoeg hoort, ze zelf ook weer jeukwoorden worden. Het Drosteblikeffect. Trouwens ook vaak genoeg misbruikt om als jeukwoord aangeduid te kunnen worden.

Als ik anderen deelgenoot maak² van dit soort ergernissen, krijg ik doorgaans te horen
a) dat ik niet zo moet zeuren,
b) dat een taal een levend iets is, dat in de loop van de geschiedenis ingrijpend is veranderd en dat ook altijd zal blijven doen.
Dat laatste argument trek ik me wel aan. Ik voel weinig voor herinvoering van het Latijn als lingua franca. Dat lijkt me meer iets voor het partijprogramma van Thierry Baudet. Het Engels staat stijf van de Franse leenwoorden, het Nederlands heeft er ook niet weinig. Alleen al in dit stukje staan er vermoedelijk enige tientallen. Ik vind ook helemaal niet dat de Nederlandse Taalunie allemaal woorden had moeten uitvinden voor nieuwe verschijnselen of zaken. Computer, digitaal? Mij best. Zelfs met de laptop en de smartphone kan ik uit de voeten. Daar nieuwe termen voor bedenken heeft al gauw iets potsierlijks. Maar als het overnemen van woorden en uitdrukkingen het gevolg is van luiheid om te bedenken wat het Nederlandse equivalent is of van duurdoenerij (sale, impact, audit, stakeholder, adresseren van issues), dan gaan mijn haren overeind staan. Met zulke woorden in de mond zou ik nog niet dood gezien willen worden. Dat is dan wel een behoorlijk anglicisme, maar het blijft een leuke uitdrukking.

P.S.: Ik heb dit verhaaltje gedeeld met mijn echtgenote. Haar reactie was: Zit niet zo te zeuren.

¹ In de NRC van vandaag 16/07/2020 lees ik: “COA en politie delen privacygevoelige data van asielzoekers” en dat wil zeggen dat de COA persoonlijke gegevens aan de politie doorgeeft.
² Bruikbaar alternatief voor het verkeerde gebruik van het werkwoord delen.

Ben ik wel een goede lezer?

Er zijn van die adviezen aan beginnende auteurs die je – althans mij – bijna de lust ontnemen om nog een letter op papier te zetten. De eerste is ‘Kill your darlings’. Hij schijnt van William Faulkner te zijn. Ik heb altijd begrepen dat daarmee bedoeld wordt dat je alles uit je manuscript moet schrappen wat je verhaallijn vertroebelt, terwijl je het zelf nou juist zo’n leuke vondst vindt. Ik denk dan altijd: als je met die instelling en een rode pen Homerus of Dostojevsky te lijf gaat, dan zal het ongetwijfeld een stuk bondiger worden, maar is het dan nog net zo leuk om te lezen?
Een andere is meer een waarschuwing voor de aanstormende auteur: ‘Easy reading is damned hard writing’. Sebes en Bisseling noemen het in Alweer een bestseller (Querido, 2016) “ … de quote die aan vele schrijvers wordt toegeschreven, maar het vaakst aan Ernest Hemingway.” Nu wordt dit citaat zo ongeveer aan de helft van de Angelsaksische auteurs toegeschreven – Byron, Sheridan, Thackeray, Hawthorne – maar het is zeker niet van Hemingway afkomstig. Maar goed, als zoveel literaire meesters iets over hun vak vinden, zal het wel waar zijn, toch? Om het je lezers gemakkelijk te maken, moet je vreselijk je best doen. Als een musicus heel goed speelt, lijkt het toch ook kinderspel? Dat komt voor, ja. Maar andersom? Iets lijkt met het grootste gemak gespeeld te worden of geschreven te zijn, ligt daar dan een gigantische artistieke inspanning aan ten grondslag? Niet altijd. Neem nou de meest gevierde Nederlandse violist, André Rieu. Easy listening? Zeker. Gegarandeerd zonder enige muzikale verrassing. Alles vijftig keer doorgekauwd en tot pap vermalen, glijdt moeiteloos naar binnen. En zijn page turners – easy reading bij uitstek – boeken waar de auteur vreselijk op gezwoegd heeft, ieder woord heeft afgewogen met als resultaat een boek dat voor eeuwig in je geheugen gegrift is? Ik dacht van niet. Erger, een aantal van de grootste meesterwerken van de moderne literatuur zijn in hoge mate ontoegankelijk. Daar kan ik van meepraten. Ik ben zowel in Ulysses van James Joyce en A la recherche du temps perdu van Marcel Proust blijven steken op respectievelijk pagina 210 en 517. Indachtig een stelregel van Rudy Kousbroek – probeer niet het origineel te lezen als er een goede vertaling is – heb ik het bij allebei met een Nederlandse versie geprobeerd, maar dat maakte de onderneming alleen maar hopelozer: ik ging me zitten ergeren aan de vertaling.
Ik vertel dit allemaal omdat ik onlangs opnieuw tegen het fenomeen Joël Dicker aanliep. In 2012 werd van deze toen nog heel jonge Zwitserse auteur De waarheid over de zaak Harry Quebert uitgebracht. Ik had kort nadat het boek verschenen was een radio-interview met hem gehoord. Het leek me wel een sympathieke jongen dus ik dat boek lezen. Niet uitgelezen. Maar deze keer niet om het soort redenen waarom ik met Proust en Joyce worstel. Echt geen zinnen van een kilometer. Allemaal heel toegankelijk. Een echte – ja hoor – page turner. Waarvoor hij ook nog de Grand Prix du Roman van de Académie Française en de Prix Goncourt des Lycéens kreeg. We moeten hier dus wel te maken hebben met een echte – gruwel, gruwel – literaire thriller. De Académie Française klinkt natuurlijk bijzonder prestigieus, want in dat instituut zijn de erkende grootheden van de Franse literatuur verenigd. Deze eerbiedwaardige instelling houdt zich onder meer bezig met het samenstellen van hét woordenboek van de Franse taal. Het eerste deel van de huidige editie verscheen in 1992. Nu, achtentwintig jaar en twee delen verder, is men met de S bezig. Op 7 mei van dit jaar kwam de Académie met de onthutsende mededeling dat in het algemene taalgebruik Covid-19 een verkeerd geslacht had gekregen. Covid is immers een afkorting van corona virus disease. En aangezien disease in het Frans maladie betekent, moet het la covid zijn en niet le covid want maladie is vrouwelijk. Van de Académie kunnen we dan ook niet anders verwachten dan dat hun beoordelingsvermogen op het gebied van de Franse schone letteren boven iedere twijfel verheven is. De prijs werd in het verleden toegekend aan auteurs als François Mauriac, Joseph Kessel, Antoine de Saint-Exupéry en meer recentelijk aan o.a. Patrick Modiano en Amélie Nothomb. De Goncourt des Lycéens is dan wel het kleine broertje van de grote Goncourt, maar in een adem genoemd te worden met Philippe Claudel, André Makeïne en Nancy Huston is toch niet voor iedereen weggelegd. Ondanks dat alles heb ik het boek van Dicker nooit uitgelezen en wel omdat ik al vrij snel ontdekte dat de schrijver regelrecht plagiaat had gepleegd op de door mij zeer bewonderde Philip Roth. De plot van het verhaal is uit de Human Stain van Roth gehaald. Niet zo maar een beetje. De overeenkomsten liggen zo gênant aan de oppervlakte dat het mij niet meer lukte verder te lezen. Easy reading en easy reading zijn blijkbaar twee verschillende zaken. Wat voor de miljoenen lezers van Dicker naar binnen glijdt als een glas caipirinha bij een Braziliaan, is voor mij qua inhoud en stijl volstrekt onverteerbaar. En het moge misschien zo zijn dat easy reading hard writing is – en dat nog zeker niet altijd –, good writing is weer heel iets anders. Zou er trouwens zoiets als good reading bestaan?

Roepend in de Sahel

Voor Burkina Faso geldt code rood, alleen voor de hoofdstad Ouagadougou geldt code oranje. De stad verlaten kan alleen met gewapende escorte. Dat hoorde ik een paar dagen geleden op de Franse radio. Wat is er gebeurd met het land waar ik in de jaren tachtig met plezier twee jaar gewerkt heb en in de jaren negentig nog twee keer ben teruggekeerd voor reportagereizen? En dat terugkeren was als het weerzien van een goede vriend. Gek genoeg eigenlijk want mijn vertrek na twee jaar verblijf in Burkina viel samen met de staatsgreep waarmee op bloedige wijze een eind werd gemaakt aan het regiem van de toenmalige president Thomas Sankara, de belichaming van de hoop van een generatie jonge Afrikanen. Ik vertrok met de eerste vlucht nadat de luchthaven weer geopend werd met het akelige gevoel dat Burkina zojuist een kans had gemist. En toen ik, respectievelijk zes en negen jaar later, terugkwam in het land, trof ik een stationaire situatie aan. Behalve het verdwijnen van het revolutionaire elan leek er weinig wezenlijk veranderd. Alleen, zo’n soort stilstand kon het land – evenals de andere Sahellanden – zich niet permitteren.

Het kan geen kwaad je eigen werk nog eens na te lezen. Zo blijk ik drieëntwintig jaar geleden geschreven hebben:
De Sahel is een gestaag wegtikkende tijdbom die na verloop van tijd bij onge­wijzigd beleid explodeert. Met aanzienlijk dramatischer gevol­gen dan vijfentwintig jaar geleden.
Als hoofdschuldige wees ik de westerse ontwikkelingshulp aan die het precaire evenwicht tussen veehouders en akkerbouwers verstoord heeft ten gunste van de laatsten, maar uiteindelijk ten nadele van iedereen. Ja maar, hoor ik de oplettende lezer tegenwerpen, je hebt het nu over de jaren negentig. Er is nu toch iets heel anders aan de hand? Al Qaida, IS, djihadisme, daar zit toch het probleem? Dat is deels waar, maar door de westerse ontwikkelingsconcepten zijn de veehouders het kind van de rekening geworden. Door uitbreiding van het landbouwareaal en veranderde landbouwmethoden is hun het leven onmogelijk gemaakt. Daardoor namen de conflicten tussen veehouders en landbouwers toe en waar conflicten zijn is er een vruchtbare bodem voor revolutionaire bewegingen. Kortom, de djihadisten hebben handig gebruik gemaakt van het feit dat de nomadische veehouders steeds meer in het verdomhoekje kwamen. Ik citeerde in mijn verhaal van bijna een kwarteeuw geleden een Burkinabé-consultant, die onder meer het volgende zei: De veehouders raken … daardoor gemarginaliseerd, waardoor zowel de veeteelt als de sociale rust bedreigd worden. Dat leidt soms tot ernstige conflicten. Sommige situaties worden politiek uitgebuit, hetgeen de conflicten nog verergert. … Door interventies van (westerse; TN) Ngo’s, meestal ten behoeve van de akkerbouwers, zijn latente conflicten vaak aangewakkerd.

Er is al die jaren een heel legertje roependen in de woestijn geweest dat al deze ellende zag aankomen, dat waarschuwde dat bij ongewijzigd beleid alle crises in de Sahel tot nu toe nog maar kinderspel zouden zijn vergeleken bij de ramp die het gebied onvermijdelijk zal gaan treffen. Het is niet moeilijk in te zien dat de migratie vanuit Afrika naar Europa proporties zal gaan aannemen die de huidige aantallen zullen doen verbleken. En inderdaad, daar hebben we dan een belangrijke bijdrage aan geleverd. Het djihadisme in de Sahel had een voedingsbodem nodig. Dat heeft het gevonden in de marginalisering van de nomadische veehouders door gemakzuchtige ontwikkelingspolitiek.

Rue des Halles

De afgelopen week zat ik op mijn boot in Sète. Eigenlijk een bootje, maar hoewel klein, is hij groot genoeg om erin te kunnen overnachten. Ik heb er alles in om een kort verblijf aangenaam te maken. Zo ook een espressokannetje voor zes kopjes koffie. Zo’n aluminium geval van Bialetti. Deze heb ik al meer dan 35 jaar. Onverslijtbaar die dingen. Op één onderdeel na en dat is de rubber ring die tussen de boven- en de onderkant zit. Die verteren na verloop van tijd en dan komt de koffie er opzij uitspuiten in plaats van aan de bovenkant. Dat lot trof mij deze keer en aangezien ik mij een week op de boot zonder koffie slecht kon voorstellen, ging ik in de stad op zoek naar nieuwe rubber ringen. Mijn eerste zoekactie leverde niets op. Ik vond geen winkels voor huishoudelijke artikelen behalve de Monoprix en die heeft van alles wat maar voor het meer specialistische werk kun je daar niet terecht. Ik kwam wel allerlei winkels tegen waarvan ik dacht dat moet ik onthouden, dat komt me vast nog wel eens van pas. Inmiddels weer vergeten natuurlijk. Dus terug naar de boot en op de laptop  de winkels voor huishoudelijke artikelen in Sète opgezocht. Dat waren er twee, op ruime afstand van elkaar gesitueerd.  De ene lag vlakbij de terminal voor de ferry’s naar Marokko en zou dus wel een Marokkaanse bazaar zijn. Die probeerde ik het eerst. Het was inderdaad het soort winkel dat ik verwachtte maar helaas met een schrijnend gebrek aan onderdelen van welk soort dan ook. De winkelier blafte me in basaal Frans naar de serviceafdeling van een grote supermarkt. Dat leek me een slecht idee, dus ging ik naar mijn tweede en laatste adres :  La Coutellerie (zoiets als : alles wat met messen te maken heeft)  in de Rue des Halles. Dat moest noodzakelijkerwijs in de buurt van de lokale markthallen zijn, alleen ik kon geen Rue des Halles vinden en de Sètois aan wie ik het vroeg wisten het niet of wezen me de dichtstbijzijnde weg richting markthallen, maar dat bleek dan de Rue Gambetta of de Rue Jean-Jaurès te zijn. Iemand verwees me naar de stadsplattegrond op een van die grote affichageborden van JCDecaux en daar vond ik inderdaad de Rue des Halles vlak achter de hallen, maar daar aangekomen leek hij opgelost, vervluchtigd te zijn. Bij een laatste rondgang zag ik in de buurt van de markthallen een koffiewinkel. Daar zouden ze toch in ieder geval moeten weten waar ik zo’n ding kan kopen, hield ik mijzelf voor. Nee, zei de mevrouw, ik verkoop dat niet en ik weet ook niet waar ze dat wél zouden kunnen hebben. In een winkel voor huishoudelijke artikelen, opperde ik. Die is hier niet, meende de mevrouw. Ik heb er een in de Gele Gids gevonden in de Rue des Halles, zei ik. Nooit van gehoord, zei de mevrouw. Ik speelde mijn laatste kaart uit: hij heet La Coutellerie. Het gezicht van de mevrouw klaarde op. O die, die is hier vlak om de hoek. U loopt de straat uit, slaat rechtsaf en dan loopt u er zo tegenop. Ik keek de mevrouw onbegrijpend aan. U bedoelt hier om de hoek en dan … ? Ja, precies. Ik bedankte haar hartelijk en liep boordevol ongeloof de aangegeven richting op. Ik was daar wel tien keer langsgekomen, dat kon toch helemaal niet ? En warempel, wat zag  ik toen  ik de hoek omsloeg ? Met koeienletters La Coutellerie boven een etalageruit.  Maar een straat kon je het niet noemen, meer een achteromgang van de markthal. Tien minuten eerder was ik letterlijk over het  winkeltje  heen gelopen. Sète is namelijk tegen een berg op gebouwd en de straat die hogerop ligt, loopt op dit punt over de huizen van de eronder liggende straat heen. Ik kan mij nu prijzen met de gedachte dat ik een straat ken die naar schatting bij 95 % van de Sètois onbekend is. Helaas was het winkeltje gesloten. Maar de volgende dag trok de eigenaresse van La Coutellerie in de Rue des Halles zonder aarzeling de juiste rubber ringen tevoorschijn.

Nieuwe schoenen

Van alle nieuwe schoenen die ik in de loop van mijn leven heb gekocht kan ik me van heel weinig paren het moment van aanschaf herinneren. Ik weet nog wel dat we die in Amersfoort, waar ik tot mijn achttiende gewoond heb, altijd bij de Bata* kochten. Ik herinner mij wél die keer dat mijn broer twee paar mocht uitzoeken: een paar voor netjes en een paar voor gewoon. Dat leek me toen iets onbereikbaars en ik geloof ook niet dat ik tot pakweg mijn zestiende meer dan een paar schoenen had. Hoe dat dan moest als die bij de schoenmaker waren om verzoold te worden of omdat de hond een stuk uit de hiel had gebeten, kan ik me niet meer herinneren. Waarschijnlijk droeg ik dan sandalen of rubber laarzen.
Met een kunstgreep maakte ik van dat ene paar twee paar. Als ik naar een feestje of naar de wekelijkse dansles ging, poetste ik ze vooraf mooi op, om ze de volgende ochtend met een handvol aarde bij de voordeur in te smeren. Daar slaagde ik zó goed in dat ik op een foto met een paar klasgenoten tijdens een schoolreis overtuigend grijze schoenen draag, terwijl ik nooit grijze schoenen gehad heb.
De aankoop waar ik nog het meest trots op ben geweest, waren mijn eerste suède schoenen. Het waren lage veterschoenen – molières dus – van een onbestemde kleur. Grijsbruin met een puntje paars zou ik zeggen. Suède schoenen waren voor mij zoiets als het afscheid van het ouderlijk gezag: ik koop nu lekker wat ík mooi vind. Mijn moeder, die tot die tijd mijn aankopen van kleren en schoenen begeleidde, was altijd voor wat zij “klassiek” noemde en ik had mijn buik vol van klassiek, ik wilde een “bopper” zijn (hipsters hadden we in die tijd nog niet) en boppers droegen suède schoenen, broeken met nauwe pijpen en smalle stropdassen. Zoiets als George Chakiris in de West Side Story maar dan zonder die kuif, eerder een voor de ogen hangende lok die je met een verveeld gebaar opzij veegde. Ik denk dat het de eerste keer was dat ik het leuk vond om nieuwe schoenen te hebben. Voordien vond ik nieuwe schoenen een slecht surrogaat van hun voorgangers: die zaten lekker, het leer was mooi verfrommeld geraakt, die hadden geschiedenis, terwijl die glanzende nieuwe dingen het net niet waren en bovendien altijd wel ergens knelden.
Nog steeds kan ik oude schoenen maar moeilijk weggooien. Ik blijf ze laten verzolen totdat ze uit elkaar vallen. Dat maakt primo dat ik altijd een imposante verzameling schoenen heb, secundo dat de sportschoenenmode grotendeels aan mij voorbij gaat, want behalve dat ze lelijk zijn, kun je ze meestal niet laten verzolen. Het grote verschil met vroeger is dat ik nu graag nieuwe schoenen koop maar wel onder de voorwaarde dat ze er net zo uitzien als schoenen die ik al eerder heb gehad.

 

*Vreemd eigenlijk : iedereen zei de Bata, terwijl Bata toch echt een eigennaam is.

 

Mongolië

Voor het eerst in de nu bijna twintig jaar dat ik inmiddels in Frankrijk woon, krijg ik de laatste tijd het onaangename gevoel dat ik dit land niet zo goed meer begrijp. Met het land bedoel ik natuurlijk de mensen in het land en het soort atmosfeer dat ze met zijn allen genereren. In mijn beginjaren hier was ik vooral bezig mijn best te doen om erachter te komen hoe de dingen hier in elkaar steken. Ik had het gevoel dat het me redelijk lukte.  En het feit dat ik nooit gezien werd als een gelijkwaardige dorpsgenoot, maar eerder als een curieus soort indringer, tastte mijn geloof in mijn geleidelijke integratie in de Franse samenleving niet aan. Werd er niet net zo vreemd tegen Parijzenaars aangekeken? Nou dan.
Elf jaar geleden kwam de eerste barst in mijn overtuiging dat ik inmiddels het Franse volk aardig begon te begrijpen. Dat was op het moment dat de enig mogelijke toekomstige president van Frankrijk werd uitgeschakeld voor de tweede ronde van de presidentsverkiezingen. De socialist Jospin werd verslagen door de zittende president Chirac (bijgenaamd superleugenaar) en de extreem rechtse LePen.  Ik had die dag mijn eerste zeiltochtje met mijn nieuwe boot erop zitten en zat glimmend van trots op mijn navigatiekwaliteiten in de haven van La Rochelle na te genieten toen ik het bericht op de radio hoorde. Dat was zo’n moment dat je het gevoel hebt door een reuzenvuist tegen de grond geslagen te worden. Zo’n moment dat je helemaal groggy voor je uit zit te staren met het gevoel: dit kan niet, dit kan gewoonweg niet, er is ergens een verschrikkelijke fout gemaakt maar die zal straks rechtgezet worden. Nee dus. Veel linkse kiezers waren gaan pretstemmen op doorgaans trotskistische pretkandidaten met het resultaat dat iedereen van tevoren had kunnen uitrekenen maar niemand bedacht had.
Nu is er weer zo’n moment. We hebben inmiddels dan wel die socialistische president. Het is geen Lionel  Jospin, hij heeft er ook in de verste verten niets van weg, maar toch. En die socialistische president doet een aantal dingen die van een linkse president verwacht mogen worden, waaronder het mogelijk maken van het homohuwelijk. En opeens ontdekt een kleine helft van de Fransen dat ze katholiek zijn en, erger nog, dat ze vinden dat de leerstellingen van het Vaticaan geëerbiedigd moeten worden. De hypocrisie is zo enorm dat ik dit in het geheel niet zag aankomen. Vergeleken met de Fransen zijn de Nederlanders trouwe kerkgangers. Er zijn hier drie gelegenheden waarvoor mensen nog naar de kerk gaan en dat zijn geboorte, huwelijk en dood. Voor de rest zijn de huizen Gods leeg en zijn er zelfs niet eens autochtonen meer om er leiding aan te geven. Die worden geïmporteerd uit Afrika. Ik heb deze lippendienst aan het geloof altijd een beetje vreemd gevonden en het als folklore afgedaan. En als zodanig een onschuldig tijdverdrijf. Nou nee dus. Onlangs bracht ik een week in Parijs door om mij onder te dompelen in het grootsteedse culturele leven. Ik had mijn neus nog maar nauwelijks buiten de deur gestoken of ik liep een grote demonstratie van onderwijzend personeel in. Die stonden op de Boulevard du Montparnasse boos te zijn  op de minister die nou juist allemaal dingen doet waar ze al jarenlang om gevraagd hebben. Dus helemaal begrijpen doe ik ze niet die docenten en onderwijzers. Even later loop ik nietsvermoedend in de Rue Notre Dame des Champs tegen een processie op. Heel even dacht ik, niet op de hoogte van de kerkelijke kalender, dat er iets rondom de maagd gevierd werd. Maar nee, onder leiding van zwartrokken en witjurken werd er gedemonstreerd tegen het homohuwelijk. En niet zomaar gedemonstreerd: iedere vijf minuten zakte de demonstratie door de knieën en ging in gebed. Om dan de weg weer te vervolgen ‘heilige Maria vol van genade’ galmend. Het was een bizar en tamelijk angstaanjagend schouwspel. Als om te onderstrepen dat het hen niet alleen maar om het homohuwelijk maar wel degelijk om homofilie in het algemeen ging, liep een groot gedeelte met borden waarop ‘Non à la homofolie’(weg met de homogekte) te lezen stond. Een beetje ontdaan ben ik naar het nabijgelegen Zadkine-museum gelopen. Daar stond in de tuin een voorstudie van de Verwoeste Stad. Ik vond dat in dit verband wel een toepasselijk beeld.
De mate van hysterie die er hier rond het homohuwelijk is ontstaan, doet mij beseffen dat ik uiteindelijk na die twintig jaar bitter weinig van dit land begrijp. Maar van Nederland ook niet meer. Vreemd is dat: twee landen waarin ik me thuis voel, maar als het aankomt op dat fingerspitzengefühl, dat kunnen opsnuiven van wat er leeft, dan kun je me waarschijnlijk net zo goed in Mongolië neerzetten.