Afgelopen week zijn we een dag naar de grote stad geweest. We hebben de keuze uit drie steden van behoorlijke omvang. In de eerste plaats Parijs. Dat ligt op 1 uur 20 minuten met de TGV en dan nog wat reistijd naar het station, dus in totaal op twee uur en een kwartier van ons huis vandaan. Dat doen we niet vaker dan een of twee keer per jaar. Lyon ligt op ongeveer gelijke reistijd, maar dan per auto. Daar gaan we ook niet vaker dan twee keer per jaar heen. En dan is er tenslotte Dijon. Een stuk dichterbij, een heel stuk kleiner – zelfs Utrecht wint het er nog van – maar voor ons plattelanders is het een echte stad. Ik schrijf dat zomaar ‘plattelander’, maar ik merk bij ieder bezoek aan de grote stad dat het nog waar is ook: ik ben echt een plattelander geworden, een neo-rural noemen ze zo’n gewezen stedeling hier. En dat is misschien ook wel de betere aanduiding, want in alles ademen wij iets stads uit en toch roepen we dat het zo prettig is om buiten in de natuur te wonen.
Wij waren een dagje naar Dijon. We hadden een niet erg vastomlijnd programma. Het was vrijdag, dus eerst even de markt bezoeken. Dan, al bijna uitgeput van het geslenter langs de marktkraampjes, eten op een terras met uitzicht op diezelfde markt. En dan? Een museum. We moeten absoluut een museum doen. Nee, niet het Musée des beaux-arts want dat is een aanfluiting voor de soort. Vanaf de impressionisten is de collectie ondergebracht op slecht verlichte zolders en in rare spaanplaten hokken. Je moet minimaal een zaklantaarn meebrengen om de doeken te kunnen bekijken. We komen uiteindelijk uit bij het Musée d’art sacré. De conclusie kan niet anders luiden dan dat er iets mis is met het kunstbudget van de gemeente Dijon. Ook hier spaanplaat en een zodanige opstelling dat dit een tijdelijke expositie tijdens de verbouwing lijkt.
Zittend op een terras op een leuk plein vragen we ons af wat er met ons mis is. Het lijkt wel of we opeens niet meer weten wat te doen in een stad. Alsof we zo vergroeid zijn geraakt met de groene heuvels om ons heen, dat we daar alleen maar zo snel mogelijk naar terug willen. Toch is dat het niet. Het valt ons op dat het zijn in een stad omdat je er woont of omdat je er iets te doen hebt, heel anders is dan het bezoeken van een stad. Als je een stad bezoekt, moet je opeens van alles. Ik herinner me dat ik om die reden vroeger tijdens vakanties grote steden meed als de pest. Toch lukte dat niet altijd. Tenslotte kun je niet door Portugal toeren zonder Lissabon aan te doen. Dat dacht ik, toen ik in 1974 op de motor door Portugal reisde. Bovendien was er een revolutie gaande en wilde ik daar iets van meepikken dan moest ik toch wel in de hoofdstad zijn. Dus welgemoed reed ik op een zaterdagochtend in september Lissabon binnen. Op een brede invalsweg dacht ik de drie rijen dik te passeren die voor het stoplicht stonden te wachten. Dat was even geen rekening houdend met de mogelijkheid dat iemand wel eens midden op die weg op de gedachte zou kunnen komen om uit te stappen. Ik maakte een prachtige pirouette op het midden van die brede boulevard. Ik had geen schram, maar mijn voetsteunen stonden opeens heel raar, mijn uitlaat was gescheurd en mijn clignoteurs hingen er een beetje zielig bij. En meteen vormde zich een oploopje midden op de weg van mensen die precies gezien hadden dat het toch zeker de schuld van die domme autopassagier was (wat niet zo was) en dat als het nodig was dat nog wel onder ede wilde verklaren ook. Onder deze druk kon mijn gehaaste, maar nu hopeloos vertraagde, medeweggebruiker niet anders doen dan de gegevens van zijn verzekering opgeven. Even later bevond ik mij in een weinig vertrouwen inboezemende reparatiewerkplaats. De monteur zou dat allemaal dik in orde maken, maar dan wel maandag want over tien minuten ging de deur op slot. Ik mocht van geluk spreken dat ik hem nog had getroffen. Ik wist nu zeker dat ik een onvergeeflijke fout had begaan om geheel tegen mijn principes in toch tijdens mijn vakantie een grote stad te bezoeken. Want daar stond ik op zaterdag in Lissabon, zonder vervoermiddel, zonder enig idee wat ik in die stad zou moeten doen. Om kort te gaan, terwijl ik die middag de wijk Alfama ontdekte en van de ene verbazing in de andere viel, voltrok zich tegelijkertijd de tweede fase van de Anjerrevolutie. Ik dacht dat de agitatie om mij heen wel iets te maken zou hebben met Benfica dat een wedstrijd had gewonnen. Van mijn buurman op de camping hoorde ik achteraf de ware toedracht. Stond ik eens midden in een revolutie, had ik het niet eens in de gaten. Maar dat vertelde ik natuurlijk niet toen ik terug in Nederland aan mijn revolutionaire vrienden verslag deed van mijn reis. In nog geen vierentwintig uur tijd was mijn kijk op het bezoeken van grote steden tijdens de vakantie natuurlijk wel 180 graden omgedraaid. Hoewel. Een paar jaar later was ik op reis in Italië. Ik logeerde aanvankelijk in Florence bij de Italiaanse vriend van een vriendin. Ook daar duurde mijn verblijf in de grote stad door een onverwachte omstandigheid langer dan mijn bedoeling was. Ik had namelijk onderweg in de trein een gruwelijke spitaanval gekregen. Ik bewoog me strompelend voort en dat was niet de ideale conditie om het hele land rond te reizen. Bovendien namen vriendinnen van die Italiaanse vriend van die vriendin mij liefdevol onder hun hoede, dus het leek mij van grote ondankbaarheid getuigen om zo snel mogelijk de benen te nemen. Maar toen ik eenmaal weer redelijk kwiek ter been was en dat getest had met het bestijgen van de trappen van de Dom, besloot ik meteen zo ver mogelijk weg te gaan: ik nam de trein naar Syracusa op Sicilië. Veel zuidelijker kon ik niet en ik vond Syracusa zo’n mooie naam. Maar heel erg interessant bleek het er niet te zijn, heel erg mooi ook niet. Na een tussenstop in Napels en Sorrento wasik een dag of tien later weer terug in Florence, dat mij leek te ontvangen alsof ik er sinds altijd thuishoorde. En zo ontdekte ik ook daar dat je eerst ergens moet zijn voordat je het kunt ontdekken. Wat mij dat leert voor het volgende bezoek aan Dijon? Dat ik een goed boek moet meenemen, zodat ik op willekeurig welke aangename plek gewoon kan zijn.