Ware het niet dat …

We zijn alweer drie weken in São Paulo, Brazilië. De afgelopen acht jaar zijn we zo’n keer of tien in Brazilië geweest. Eerst in Brasilia, daarna in Rio de Janeiro en nu voor het eerst in São Paulo. Familiebezoek, vulde ik in op de gezondheidsverklaring die ik vanwege de COVID-19 pandemie moest uploaden naar de Braziliaanse immigratie-autoriteiten. En zo is het maar net. Als onze zoon niet in Brazilië had gewoond was de kans heel klein geweest dat ik dit land in de laatste twintig jaar ooit bezocht zou hebben.
Eerder in mijn leven – zo eind jaren ‘60, begin‘70 – lag Brazilië een stuk dichterbij dan het nu gelegen zou hebben als niet … Dat was de tijd dat veel linkse intellectuelen – waaronder ik mijzelf gemakshalve maar reken – de grote maatschappelijke veranderingen vanuit Latijns-Amerika zagen komen. Zeker nadat de studentenrevoltes in Europa op niets waren uitgelopen, de culturele revolutie in China alleen voor een handjevol maoïsten aantrekkelijk was, bood het Zuid-Amerikaanse continent een wenkend perspectief. Régis Debray volgde het spoor van Che Guevara in de Boliviaanse jungle. Hoewel ook dat avontuur met de gevangenneming van de eerste en de liquidatie van de tweede op niets uitliep, leek het continent genoeg revolutionair potentieel te bieden om de harten van links Europa sneller te doen kloppen. De Tupamaros in Uruguay, de linkse peronisten in Argentinië en natuurlijk vooral de Unidad Popular in Chili. In dat land was vanaf 1970 de Volksfront-regering onder leiding van Salvador Allende aan de macht. In de tussentijd had ik mij voorbereid op mijn eigen rol in de verbreiding van de socialistische revolutie. Ik ging op Spaanse les en volgde colleges Latijns-Amerikakunde. Nadat op 11 september (wat is er met die datum?) 1973 het Chileense experiment door het leger met hulp van de VS in bloed was gesmoord, verbleekte het rooskleurige socialistische perspectief. En precies daar begon mijn meer actieve betrokkenheid bij Latijns-Amerika in het algemeen en Chili in het bijzonder. Het Chili-komitee, een solidariteitsclub gevormd door journalisten en andere intellectuelen, zocht een secretaris voor een wat professionelere aanpak van het comité precies op het moment dat mijn baantje bij de afdeling Onderwijs van de Gemeente Amsterdam afliep. Een van mijn collega’s daar was lid van het comité en zo rolde ik op zijn voordracht het actiewezen binnen. Ik ontmoette daar een avontuurlijke vrijwilligster die net terug was van een grote soloreis door Zuid-Amerika en vooral Brazilië en met wie ik bevriend raakte. Een van de leden van het comité maakte in die tijd een reportagereis door Brazilië voor het blad NieuweRevu. En een goede vriendin had een Braziliaanse vriend met wie zij door dat land reisde en van wie ik een echte Braziliaanse hangmat kreeg. Met andere woorden, Brazilië, tot dan toe voor mij terra incognita, kwam opeens op de kaart te staan. Maar gek genoeg gebeurde dat niet in het linkse wereldje. Om de een of andere reden werd het revolutionaire potentieel van dat land niet erg hoog ingeschat. Misschien had de overtuiging postgevat dat de revolutie Spaanstalig diende te zijn. Hoe dan ook, het land zuchtte even zo goed in die periode wel onder een rechtse militaire dictatuur waarin het martelen en vermoorden van politieke tegenstanders door het leger deel uitmaakte van de dagelijkse realiteit (een realiteit die door de huidige president verheerlijkt wordt).
Daarna braken er voor mij andere tijden aan. Mijn blik richtte zich op Afrika. Ik wilde namelijk in ontwikkelingshulp en dan moest je toch vooral in Afrika zijn. De analyse was ruwweg dat er in Zuid-Amerika voldoende goed opgeleiden rondliepen dus dat, als het dan met de economische ontwikkeling niet wilde vlotten, de latino’s dat aan zichzelf te danken hadden. Politiek orde op zaken stellen behoorde niet tot de doelstellingen van de officiële ontwikkelingshulp. Ook al dachten de Derdewereldbeweging en het Amerikaanse State Department daar vanuit tegengestelde ideologische gezichtspunten anders over. Zo zwierf ik twintig en nog wat jaren feitelijk of virtueel over het Afrikaanse continent. Zuid-Amerika en revolutionaire romantiek waren ver achter mijn horizon verdwenen. En dat zou zo gebleven zijn, ware het niet dat …
Dus nu, twintig jaar nadat ik Afrika en de ontwikkelingshulp vaarwel zegde, zit ik alweer tijden regelmatig op het Zuid-Amerikaanse continent. Geen Pinochets of Videla’s meer te bekennen. Maar echt goed gaat het ook niet. Hier in Brazilië zit een president die de loftrompet afsteekt over folteraars en die niets liever zou willen dan een uitzonderingstoestand afroepen waarbij het leger alle macht aan zich trekt. Goed, zijn halfzachte poging tot een staatsgreep twee weken geleden is als een lekke voetbal in een zandbak geploft, maar dat is niets om je vrolijk over te maken. Dat deze man in zijn functie van president van het grootste land van Zuid-Amerika zijn abjecte ideeën kan rondstrooien is angstaanjagend. Maar ik vrees dat we door het vorige presidentschap in de VS zo afgestompt zijn geraakt, dat we er niet echt meer warm of koud van kunnen worden.
Ik vraag me regelmatig af wat ik veertig jaar geleden gedaan zou hebben als ik door min of meer toevallige omstandigheden in Brazilië zou zijn terechtgekomen, of beter wat zou ik doen als ik veertig jaar jonger was? Ik weet het wel en ik schaam me dat ik dat niet nu alsnog doe. Ik zou onderzoek gaan doen naar de banden van het Nederlandse bedrijfsleven met corrupte politici en ondernemers in dit land en de betrokkenheid, al of niet actief, van de Nederlandse overheid daarbij. Helaas botst dit op het ogenblik met de verzorgende taken die ik in het gezin van mijn zoon verricht, maar als ik daar een jong aanstormend journalistiek talent voor zou kunnen interesseren … Ik weet het, mijn smoes is niet briljant maar ik heb even geen betere.

Over Lamborghini’s en Ferrari’s

Mijn zoon had me verteld over een straatje in zijn buurt dat vol staat met Porsches, Lamborghini’s, Ferrari’s en nog zo wat. Ik nam aan dat het hier om een dichterlijke overdrijving ging. Totdat ik gisteren met hem van uit een van die gigantische shopping malls waarin ze in dit land lijken te grossieren via de kortste weg naar huis reed. We kwamen op twee straten van zijn appartement door een straat met aan weerszijden goedgevulde terrassen. Het zag er heel gezellig uit. Tot mijn blik viel op de geparkeerd staande auto’s. Daar stonden ze, de Porsches, Lamborghini’s, Ferrari’s en MacLarens. Ik riep zoiets als ‘Dit kan niet waar zijn!’. ‘Heb ik je toch verteld’, was het antwoord. Alsof zoiets de gewoonste zaak van de wereld is. Vijftig meter verderop, maar wel uit het zicht van de bezitters van al deze ostentatieve rijkdom, staan straatschoffies bij de stoplichten te bedelen. Als je vanaf dat punt de straat oversteekt, een drukke boulevard, kom je in de Jardims terecht, een oase van rust in het voor het overige zo drukke en lawaaiige São Paulo. O ja, sorry, ik was even vergeten te vermelden dat we na twee jaar voor het eerst weer op familiebezoek in Brazilië zijn. De Jardims dus. Niet alleen een oase van rust, maar ook van groen, en van rijkdom. Ook hier. Alleen hier geen opzichtige felgekleurde bolides. Behalve in een paar doorgaande wegen rijdt hier nauwelijks een auto en de auto’s die achter de meestal zwaar omheinde huizen zichtbaar zijn, behoren vooral tot de categorie dure SUV. Naar verluidt zijn ze allemaal kogelvrij gemaakt. Ik las onlangs in de krant dat het kogelvrij maken van auto’s een van de meest lucratieve businesses in het land is. Natuurlijk wil ik iets begrijpen van wat ik zie. Volgens de GINI-coëfficiënt die inkomensongelijkheid meet staat Brazilië op nummer 151 van 159 landen. Van de rijkere ontwikkelingslanden doet alleen Zuid-Afrika het slechter. Dat land staat op een schaal van 0 tot 100 met 63 punten op de laatste plaats. Brazilië heeft 53.9 punten en, ter vergelijking, Nederland staat met 28.5 op de 15e plaats. Ja maar, zegt mijn zoon die niet alleen in Brazilië woont maar ook nog macro-econoom is, die GINI-cijfers geven een vertekend beeld. Daarin zit bijvoorbeeld niet verwerkt het niveau en de toegankelijkheid van de gezondheidszorg voor de armere delen van de bevolking. Er gaat mij nu een lichtje branden, een waakvlammetje uit de tijd dat ik me bezighield met ontwikkelingshulp en armoedebestrijding. Was voor die lacune niet de Human Development Index (HDI) ontwikkeld? Die corrigeert namelijk het nationaal inkomen voor stand van de gezondheidszorg (levensverwachting) en opleidingsniveau (aantal jaren scholing). Dan scoort Brazilië opeens een stuk hoger dan Zuid-Afrika. Alleen, die inkomensongelijkheid (Lamborghini versus teenslippers) zit er dan weer niet in. Het blijft tobben. Op de World Happiness Index staat Brazilië op de 32e plaats, twee plaatsen onder Italië. Hoe moet ik dat dan weer duiden? Dat een Ferrari of een Lamborghini niet alleen zaligmakend is? Laat ik dat nou altijd al gedacht hebben.

De hoofdonderwijzer en de neuroloog

Ruim drie weken ben ik alweer terug op ons domein in Frankrijk. Letterlijk een domein want ooit groeiden er wijnranken op het terrein. We hadden er drie dagen voor uitgetrokken om er heen te reizen. Na een afwezigheid van negen maanden opnieuw het Franse land proeven. Dat proeven moet niet al te letterlijk genomen worden. In het stadje waar we voor de eerste nacht ons tentje hadden opgezet (op een camping met uitsluitend Nederlanders) waren twee restaurants. Het beste was gesloten en in het andere waren alle terrasplaatsen gereserveerd (binnen eten mocht nog niet). We hebben onze toevlucht moeten nemen tot een kebab. In het tweede dorp waar we overnachtten was het enige restaurant gesloten. We moesten twintig kilometer rijden naar een stadje dat we kenden als tamelijk levendig. Nu was er één restaurant open. Deze keer was er wel plek voor ons. Eigenlijk gaf de hele tocht van noord naar zuid door de Franse binnenlanden dit beeld: we zijn wel weer open, maar wel héél voorzichtig. Het contrasteerde nogal met het Nederland dat we zojuist verlaten hadden en dat al in een feeststemming verkeerde vanwege de herwonnen vrijheid. Ik weet dat ik met dat soort observaties voorzichtig moet zijn, al was het maar dat ik noch tegenover Nederland, noch tegenover Frankrijk erg neutraal sta. In Nederland ben ik geboren getogen, maar ik kan niet zeggen dat ik van het land hou. Bij tijd en wijle heb ik er zelfs een grondige hekel aan en vraag me af wat ik er in godsnaam doe. In Frankrijk heb ik vijfentwintig jaar gewoond en gewerkt. Genoeg om heel wat gebreken en negatieve kanten van de Franse samenleving te leren kennen. Maar anders dan bij Nederland kan ik daar met een zekere vertedering naar kijken. Ik noem maar wat, het formalisme in dit land. Zodra ik er niet meer dagelijks in mijn werk mee te maken had, vond ik het wel amusant. Het had me in ieder geval een aantal sappige anekdotes voor aan de borreltafel opgeleverd. Maar zodra andere Nederlanders klagen over “die Fransen die…” spring ik onmiddellijk uit mijn vel over zoveel onbenul, onwetendheid en gebrek aan aanpassingsvermogen. Want laten we eerlijk zijn, wij Nederlanders vinden diep in ons hart dat, als iedereen maar zo zou doen als wij, we in een heel wat betere wereld zouden leven. Wij zijn het toppunt van normaliteit, rationaliteit én – het allerergste – openhartigheid. Het is mij in al die jaren in Frankrijk opgevallen dat het zelfbeeld van de Fransen aanzienlijk bescheidener is. Zelfgenoegzaamheid lijkt hier een doodzonde. Zet de twee verantwoordelijke ministers voor het Coronabeleid naast elkaar en je ziet meteen het verschil. Hugo de Jonge en Olivier Véran, je kunt je geen groter tegenstelling voorstellen. En dan bedoel ik niet zozeer het verschil tussen de hoofdonderwijzer en de neuroloog. Nee, ik zie de een blakend van zelfvertrouwen in een vakgebied waar hij van huis uit de ballen verstand van heeft, de ander als een uiterst deskundig vakman die precies weet waar hij het over heeft en dat met de nodige bescheidenheid over het voetlicht brengt. Een Hugo de Jonge zou, met andere woorden, in Frankrijk door gebrek aan dossierkennis geen schijn van kans hebben en een Olivier Véran zou in Nederland binnen de kortste keren op opportunistische gronden beentje gelicht worden.
Gelukkig hoef ik mij niet af te vragen in welk van de landen ik mij het meest thuis voel. Niemand kan mij verbieden in het ene of het andere land te zijn. Hoewel dat met de pandemie wel akelig dichtbij kwam. En gesteld dat ik zou moeten kiezen. Vermoedelijk zal ik dan ongelukkig zijn in het land van mijn keuze.

Ictus

Ooit van een ictus amnésique gehoord? Vast niet. Letterlijk betekent het een amnesische slag of stoot. Van een TGA dan? Ook niet hè? Dat is goed Nederlands voor een transient global amnesia. Een tijdelijk algemeen geheugenverlies. Dat klinkt toch tamelijk normaal. Zoiets kan je toch overkomen? Dat hebben we allemaal toch wel eens, dat we even niet meer weten wat we ook alweer op gingen halen? Ja, maar dat is dus geen ictus of TGA. Een TGA is een uiterst zeldzaam fenomeen. Je weet korte tijd – dat kan een uur zijn, maar ook een halve dag – helemaal niet meer waarom je op een bepaalde plek bent en hoe je daar gekomen bent, wat je daar aan het doen bent en waarom. Als er iemand in je nabijheid is, stel je die ook voortdurend die vragen: waarom ben ik hier, wat doe ik hier, hoe ben ik hier gekomen? Voor de rest gedraag je je helemaal normaal. Er is niets bijzonders aan je te zien, je bent niet duizelig, je valt niet om, alleen je bent er wel, maar ook weer niet. Je hersens zijn gewoon even helemaal leeg. Je hebt een staat bereikt die sommige mensen na vele jaren oefenen in mediteren misschien ooit bereiken zullen. Een soort zalige onnozelheid die alleen maar prettig zou zijn als je er zeggenschap over hebt. Maar dat is het nou net, het gebeurt totaal onverwachts en je kunt het ook niet stoppen. Wie je er erg blij mee maakt is je arts. Want: a) hij/zij heeft het waarschijnlijk nog nooit eerder bij de hand gehad, b) hij/zij zal je na raadpleging van de vakliteratuur kunnen vertellen dat het absoluut goedaardig is en dat je er ook niets aan over kunt houden, c) hij/zij kan je vertellen dat je niet bang hoeft te zijn dat het je nog eens overkomt want recidive is uiterst zeldzaam. Tenslotte zal de arts je desgevraagd kunnen meedelen dat je niet hoeft te zoeken naar oorzaken, want die zijn niet bekend. We hebben hier te maken met een zogeheten idiopatische aandoening. Met andere woorden: het verschijnsel is bekend maar we weten niet wat de oorzaak kan zijn. Ik vind dat een fantastisch woord, idiopatisch. Een quasi wetenschappelijke term voor we-weten-het-niet-en-eigenlijk-is-dat-niet-erg. Heel geruststellend. Nee joh, niks aan de hand, het is gewoon idiopatisch.

Tot zover mijn populair wetenschappelijke resumé van de TGA. Dat ik niet opgeschreven zou hebben als ik niet hoogst persoonlijk daar een nieuwe vorm van had uitgevonden: de RTGA, de recurrente transient global amnesia. Dat zeg ik niet als medische wetenschapper – want dat ben ik niet – maar als ervaringsdeskundige. En wat voor een! Ik heb in mijn eentje meer TGA’s gehad dan een huisarts naar alle waarschijnlijkheid ooit in zijn/haar praktijk zal zien. De eerste keer gebeurde het me met twee glazen wijn in mijn handen. Ik kwam daarmee de eetkamer binnen en vroeg aan mijn vrouw, Jacqueline, waarom ik daarmee liep en trouwens, vroeg ik, wat doet hij hier, ik weet wel wie dat is maar waarom is hij hier? Niet erg beleefd om zo over een gast te spreken. Na enig heen-en-weer bellen heeft Jacqueline mij naar het ziekenhuis twintig kilometer verderop gereden. Ik heb die afstand nog nooit in zo’n korte tijd afgelegd. We waren nog maar nauwelijks vertrokken of we waren al aangekomen. Mijn tijdsbesef was even helemaal weg. In het ziekenhuis vroeg de dienstdoende arts mij wat er aan de hand was. Ik zei daar geen idee van te hebben en dat ik juist daarom bij hem was. Voor de rest heeft Jacqueline het woord gedaan terwijl ik mij al die aandacht als een klein kind liet welgevallen.
De tweede TGA was een heel kortstondige. Ik stond in ons huisje in Zuid-Frankrijk in een rots te hakken toen ik mij weer de vraag stelde wat ben ik aan het doen en waarom? Behoorlijk existentiële vragen waarvan het normaal gesproken geen kwaad kan als mensen zich die wat vaker stellen, maar in dit geval ging het wel over erg concrete zaken als bijtel, hamer en rots.
De derde keer was het goed raak. Ik was op een feest in een uitspanning ergens in de bossen bij Hilversum toen ik aan de vrouw met wie ik aan het praten was vertelde dat er iets raars in mijn hoofd gebeurde en haar vroeg of ze mij kon vertellen waar ik was en waarom en hoe ik daar gekomen was. Ik zag wel een paar bekende gezichten maar was niet in staat die in een zinvol verband te zien. Chaos kortom. Een dag later was alles weer min of meer op zijn plaats. Wat mij wel duidelijk werd van zo’n TGA, was dat sommige gaten in het geheugen niet meer opgevuld worden. Je zou bij wijze van spreken rond het moment van de amnesische stoot een moord kunnen plegen zonder je daar iets van te herinneren. Maar je zou ook minder ingrijpende dingen kunnen doen, maar waar je je achteraf toch erg voor zou schamen. Dat is een akelige gedachte. Niemand heeft me daar nog iets over verteld, dus misschien is het meegevallen.
De vierde en vooralsnog laatste keer vond plaats in Amsterdam. Achteraf wist ik nauwelijks meer hoe ik daar gekomen was (per trein vanuit Zutphen). Van de dag zelf die ik met vrienden heb doorgebracht en de terugreis had ik niet meer dan vage herinneringen.
Uiteraard ben ik later al of niet met de neurologe alle mogelijke triggers voor zulke aanvallen van geheugenverlies nagegaan. En als je maar lang genoeg graaft vind je altijd wel ergens een emotionele schok of iets dergelijks. Maar nee, het heeft er allemaal niets mee te maken. Ik ben gewoon een zeldzaam geval. Nog veel zeldzamer dan genieën van welke soort ook. Dat heeft wel iets.

Een scheet in de ruimte

Het woord futiliteit zeurt door mijn hoofd als een jankende grammofoonplaat met een barst. Het woord hecht zich vast aan een gevoel dat mij de laatste tijd regelmatig bekruipt: dat wat ik ook doe, het allemaal niet meer voorstelt dan een scheet in de ruimte. Wat maakt dat nou uit, zou je kunnen zeggen. Als je er maar gelukkig mee bent. Maar op het moment dat je het gevoel hebt dat niets wat je doet ertoe doet, dat je alleen maar bezig bent jezelf bezig te houden … Het minst futiel zijn bezigheden als boodschappen doen, huis schoonmaken en onderhoud aan het huis plegen. Dat zijn dingen die gewoon moeten en waarbij je je niet hoeft af te vragen welk groter doel je ermee dient. Het proberen de tuin in stand te houden is al dubieuzer. Want waarom eigenlijk? Laat het ongedierte zijn gang gaan en zie wat erover blijft. Een soort microdarwinisme. Maar met foto’s uitzoeken, een boek of columns schrijven, vinyl digitaliseren wordt het pas echt ingewikkeld. Wie zit daar op te wachten? Op de hoogte blijven van wat er in de wereld gebeurt? Word ik daar blij van? Dient dat enig doel? Je moet je geest scherp houden om op een goede manier oud te worden. Dat is tenminste iets: het risico verkleinen dat ik een mezelf herhalende demente zeurkous word, waarmee ik voorkom dat ik anderen tot last ben.
Ik wil al een tijdje een column schrijven over mijn ambities van weleer. Ik herinner me een gesprek van zo’n dertig jaar geleden. Ik had toen de leeftijd waarop je normaal gesproken aan de tweede helft van je leven begint. Een mooi moment voor bezinning. Ik zat in een fauteuil voor een open haardvuur in Harare. De vrouw des huizes vroeg mij wat ik met mijn leven wilde. Wat wilde ik bereiken? Ik antwoordde haar dat ik mij voorstelde van mijn leven een kunstwerk te maken. Ik had niet zoiets als een alles overheersend doel voor ogen, nee, ieder beleefd moment zou de uitdrukking zijn van het grotere geheel: het kunstwerk mijn leven.
Wat een tomeloze arrogantie. Andere mensen vechten om groter, meer, beter, hoger, om beroemd te worden, of om gewoon te overleven. Niet ik, ik werkte dagelijks aan mijn enige, unieke kunstwerk, namelijk mijzelf. Die ene regel van Neruda – Ik beken ik heb geleefd – kende ik toen al. In hoeverre die bijgedragen heeft tot deze pedanterie weet ik niet. Wat hierbij hoort is de door mij lang gekoesterde idee dat ik ieder moment op mijn leven zou moeten kunnen terugkijken met de constatering dat ik het goede gedaan heb. Wat een lariekoek! Alsof je na tien jaar op dezelfde manier terugkijkt als na twee dagen. Al met al moet ik zoveel jaren later vaststellen dat mijn persoonlijke levensfilosofietje in duigen is gevallen en dat ik nauwelijks meer een toetssteen heb om te kijken of iets nuttig of futiel is. Of om te weten of ik er gelukkig van ga worden. Maar dat is weer een ander verhaal.

Tuindorp Europa

Gisteren liepen wij met onze zoon in de Jardim Europa in São Paulo. Hij is een paar maanden geleden met zijn gezin van Rio de Janeiro naar São Paulo verhuisd en vindt het leuk om aan het eind van de ochtend wandelend zijn buurt te verkennen. Hijzelf woont niet in de Jardim maar in het aangrenzende Itaim Bibi, een wijk met hoge woontorens en veel kleinschalige bedrijvigheid. De Jardim Europa is andere koek: lommerrijke lanen met villa’s. Dat verklaart de jardim (tuin). Europa, omdat al die lanen de namen van Europese landen hebben. Het is er rustig op straat. Je hoort de vogels kwetteren en fluiten, en er komt slechts af en toe een auto langs. Maar wat deden wij daar? Zoals bekend is Brazilië een van de landen waar, door falend overheidsbeleid, het coronavirus het hardst heeft toegeslagen. Daar wil je toch niet zijn. Zelfs niet als ouder en grootouder. Wees gerust, wij waren ook niet lijfelijk aanwezig (niet presentieel, zoals dat in corona nieuwspraak heet). Onze zoon had zijn oortjes in en maakte ons mondeling deelgenoot van zijn ervaringen, terwijl wij op Google streetview naarstig ons best deden om hem bij te houden. Dat leidde tot dit soort dialogen:
– Ik kom nu bij een rotonde.
– Ja dat klopt. Daar sta ik nu.
– Moet ik nu Bucarest of Oostenrijk in?
– Even kijken. Ja, ik ben nu in Bucarest.
Op een gegeven moment werd het vogelgekwinkeleer verstoord door iets dat nog het meest op een verkouden kikker leek.
– Wat was dat?
– Een Porsche.
Even later.
– Hoe duur zijn de huizen hier?
Voor alle duidelijkheid: we hebben het hier over kolossale villa’s met tuinen zo groot als een klein park.
– Even duur als een tussenwoning in Utrecht-Tuindorp.
– Nee!
– Ja hoor, voor zes ton Euro koop je hier een kapitale villa.
Die zes ton hebben we niet omdat we zevenentwintig jaar geleden ons huis in Tuindorp, een standaard jaren dertig rijtjeswoning, verkocht hebben en vervolgens door onvoordelige onroerend goed transacties in een weliswaar mooier maar goedkoper huis wonen.
– Is er voor vier ton niet iets bescheideners te koop?
– Als je het maar uit je hoofd laat!
Ongeruste ouders die we zijn, informeren we naar de veiligheid op straat.
– Zie je die donkere hokjes?
Ik had inderdaad opgemerkt dat er om de zoveel honderd meter een hokje langs de kant van de weg stond. Ik was ervan uit gegaan dat dat hetzelfde soort kioskjes waren die ik uit Rio ken en waarin meestal een sleutelmaker huist.
– Je bedoelt die kioskjes?
– Niks kioskjes. Dat is security. Dus ja, het is redelijk veilig op straat. Bovendien is dit niet de wijk voor gewapende roofovervallen op straat. Hier wordt vooral ingebroken. Binnenshuis is er meer te halen dan buitenshuis.
Als goede vaderlanders informeren wij of er ook een Rua Paìses Baixos is.
– Ja maar die heet hier Rua Holanda. Ik ben er nog niet geweest.
Dat laatste stelt ons enigszins teleur. Zou hij het oude continent nu helemaal vergeten zijn? Ik ben even een kijkje gaan nemen in de Rua Holanda. Het blijkt een zijstraat van de Rua França te zijn. Eindelijk gerechtigheid: hoef je van Nederland naar Frankrijk niet eerst door België. Maar wat doet dat Mexicaanse consulaat in onze straat?

Nawal

Zoals zovelen zag ik gisteren dat Nawal El Saadawi was overleden. Die boodschap daalde langzaam in. We hebben het regelmatig over Nawal en Sherif, haar toenmalige man. Maar doordat de intense band die wij één, twee jaar lang met ze hadden langzaam maar zeker voltooid verleden tijd is geworden, kwam haar overlijden niet als een schok, maar meer als een bevestiging van iets noodzakelijks. Vervolgens kwam dat verleden weer snel naar boven, helaas met wat gaten, maar toch.

De eerste keer dat ik Nawal ontmoette, was in het najaar van 1984. Jacqueline had een novelle van haar – Ferdaoes, Woman at Point Zero – voor toneel bewerkt en haar volledige en onvoorwaardelijke toestemming om dat op te gaan voeren. Ze had ons geïnformeerd dat ze voor een seminar een paar dagen in Nederland was, zodat wij op een zondag afreisden naar Bergen N-H. Wij, dat waren Jacqueline, Frans de regisseur, ik en de maquette van het decor. Ik ben het nog niet zo tegengekomen in de In Memoriams, maar het eerste wat je van haar opmerkte was haar enthousiasme. ‘It’s like a dream’ riep ze uit, toen ze de uitleg van Jacqueline en de maquette gezien had. Wij vroegen ons af of ze niet een beetje overdreef, tenslotte betrof het niet een nieuwe Spielberg-film, maar een theatervoorstelling voor het circuit van de kleine zalen. Maar nee, zo leerden wij later, zij overdreef niet, zij wàs zo. Als je op een of andere manier kon bijdragen aan de zaak waaraan zij haar hele leven wijdde, dan kon je op haar totale steun rekenen. En haar enthousiasme.

Wij hebben Nawal en haar toenmalige echtgenoot Sherif Hetata twee weken bij ons in huis gehad. Als ik aan die tijd terug denk, heb ik nog altijd spijt dat ik toen geen dagboek heb bijgehouden. Never a dull moment met die twee. De meeste avonden waren gevuld met de voorstelling en hoewel ze er geen woord van verstond was ze iedere keer weer even enthousiast. De avonden na de voorstelling werd er thuis altijd nog uitgebreid nagepraat. Sherif wreef dan in zijn handen en verzocht mij om over te gaan tot ‘serious business’. De eerste keer begreep ik hem niet meteen, maar daarmee bedoelde hij dat de fles whisky op tafel moest komen. En dan moest er gepraat worden. De cultuurverschillen tussen de Arabische wereld en het Westen waren vaak het gespreksonderwerp. Dat was opmerkelijk omdat de boodschap van het stuk vooral was: dit verhaal gaat weliswaar over een Arabische vrouw, maar is in wezen de situatie van Europese vrouwen zo heel anders? Ook in de discussies met het publiek lag de nadruk eerder op de overeenkomsten – geweld tegen vrouwen, ongelijke beloning, ongelijke kansen, etc. – dan op de verschillen. In een van die gesprekken thuis heb ik Nawal niet uit kunnen leggen dat het feit dat ik niet met Jacqueline getrouwd was, niet betekende dat ik een ‘male chauvinist’ was die zijn verantwoordelijkheid niet nam. En dat Jacqueline volledig achter die ongehuwde staat stond, kon niet anders betekenen dan dat zij een vals bewustzijn had.
De dagen waren doorgaans gevuld met interviews die ik voor Nawal had georganiseerd. Ik heb ook nog enorm gesoebat om haar bij Adriaan van Dis in de uitzending te krijgen, maar om een reden die ik me niet meer herinner is dat mislukt. Waarvoor Adriaan zich nog steeds diep zou moeten schamen. Ikzelf had het bal mogen openen met een groot interview in NRC-Handelsblad waarvoor ik haar in Cairo had opgezocht.

Ook op meer praktisch gebied regelde ik afspraken voor haar. Ik voelde me die twee weken ongeveer de persoonlijk secretaris van Nawal. Niet altijd een benijdenswaardige baan. Ik herinner mij vooral die keer dat ze met haar toenmalige uitgever voor het Nederlands taalgebied – een wat armlastige Belgische uitgeverij – en een mogelijk nieuwe uitgever – Meulenhoff – wilde praten. Ze wilde ze allebei tegelijk aan tafel hebben. Dat leek me niet zo’n goed idee, maar als Nawal iets in haar hoofd had dan praatte je dat er niet zomaar uit. Maar dat was niet het ergste: ze stond er ook op dat ik erbij zou zitten. Aldus geschiedde. Eerst moest de Belg met de billen bloot, waarna ze constateerde dat ze onmogelijk genoegen kon nemen met zulke beperkte oplages. De arme man voor dovevrouwsoren uitleggen dat het natuurlijk wel een heel specifiek marktsegment is waar je geen megaverkopen kunt verwachten. Vervolgens wendde Nawal zich tot de meneer van Meulenhoff om te vragen wat hij voor haar nieuwe roman in petto had. De man vroeg wat zij zelf in gedachten had waarop zij de gewenste bedragen aan voorschot en royalty’s noemde. ‘Maar mevrouw’, riep de man uit, ‘dat kunnen we Garcia Marquez niet eens bieden!’ Het antwoord van Nawal? ‘Nou en?’ Nee, bescheidenheid was niet haar sterkste kant en dat is maar goed ook. Anders had zij niet al die jaren die strijd kunnen leveren.

Jacqueline de Valk en Nawal El Saadawi tijdens hun eerste ontmoeting in 1984

Verhuiscrisis

Het is druk in onze tuin. We zijn dagelijks getuige van een allerminst vlekkeloos lopende verhuizing. Eigenlijk twee verhuizingen. Hoewel het koppeltje koolmezen nog in de bezichtigingsfase lijkt te verkeren. Tig keer per dag komen ze een kijkje nemen bij het houten boomhutje dat speciaal voor hun is opgehangen. Meestal blijft het beperkt tot een vluchtige blik bij de voordeur, maar soms wordt ook het interieur bestudeerd. De verhuiswagen is nog niet langs geweest, dus ik weet niet of ze al beslist hebben. Voor de eksters ligt dat anders. Die hebben al een dag of tien geleden besloten onze prunus in te ruilen voor de berkenboom van de buren. Die keuze begrijpen we niet helemaal. In de prunus hadden ze al jarenlang een heel behoorlijke woning. Maar plotseling begonnen ze met bouwmaterialen naar een nogal precaire plek bij de buren te slepen. Het zou kunnen dat ze mij beu waren. Ik scheld ze namelijk regelmatig uit vanwege hun akelige gekrijs. Niet dat ik ooit een vinger naar ze uitsteek. Van mij mogen ze blijven, als ze maar een toontje lager zingen. Misschien is die boodschap overgekomen want hun nieuwe woonplaats ligt aanzienlijk hoger en bovendien buiten mijn jurisdictie. Dat kan ik allemaal begrijpen. Maar wat ik niet begrijp is de klungeligheid van het herhuisvestingsproces. Het is maar een wipje van hun oude woonplaats naar de nieuwe. Dus zouden ze gewoon hun oude huis kunnen demonteren en het materiaal hergebruiken voor de nieuwbouw. Maar nee hoor, ze doen vreselijk hun best om takjes en twijgjes van andere bomen te slopen voor het nieuwe huis. En dan presteren ze het soms ook nog om het constructiehout ergens onderweg te parkeren omdat ze blijkbaar net op dat moment iets dringenders te doen hebben. En ik ben niet de enige die dit alles verbaast. Zojuist zag ik een merel in het verlaten eksternest zitten. Ik hoorde haar denken: ‘Wat een tof nest. Het is dat ik geen ekster ben, maar anders zou ik hier toch lekker gaan zitten.’
Door die verhuizende eksters moest ik denken aan de verhuizing van onze zoon en gezin van Rio de Janeiro naar São Paulo. Wij hadden daar graag bij willen zijn om een handje te helpen maar onder de gegeven omstandigheden gaat dat niet. Dus volgden wij het proces op afstand. Zoals bij de eksters dus. Daags na het vertrek van de verhuiswagen uit Rio kregen wij een foto van de achterkant van een auto met twee fietsen die daar achteloos opgehangen leken te zijn. Het bijschrift luidde: ‘Fietsen vergeten’. Net zoals bij de eksters bezagen wij dit met verbazing want in deze opstelling leek de eerste de beste inhaalmanoeuvre al op een catastrofe uit te gaan lopen. Net toen wij ons ermee wilden gaan bemoeien, hoorden we dat de fietsen bij nader inzien vanwege de ondeugdelijkheid van de fietsendrager voorlopig nog maar even in Rio bleven. Daaruit put ik hoop voor onze eksters. Misschien gaan ze het redden zonder onze wijze raad.

Een gedenkwaardige dag

Vanochtend werd ik om kwart voor acht wakker. Een heel normale tijd voor mijn doen. Dat zag ik op het digitale schermpje van de radio. Ik vond het stil buiten en vroeg me af of dat kwam door de alarmerende berichten over de Britse virusvariant. Zouden mensen besloten hebben om toch maar weer thuis te gaan werken? Mijn echt- en bedgenote vroeg zich af wat deze dag ons zou gaan brengen. Dat sloeg natuurlijk op de inauguratie van de Amerikaanse president onder bizarre omstandigheden. Ik ging naar beneden en deed zoals gebruikelijk meteen de radio aan. Die staat meestal afgestemd op France Inter omdat we weliswaar drie jaar geleden zijn verhuisd van Frankrijk naar Nederland, maar ik dat weiger voor de volle honderd procent onder ogen te zien. Ik heb hier in Zutphen een soort Franse enclave om mij heen gecreëerd. France Inter bracht muziek. Dat vond ik vreemd, want het is een echte nieuws- en informatiezender met weinig muziek en zeker niet om tien voor acht. Tenzij er weer een staking van het omroeppersoneel is en dat komt nogal eens voor. Maar staken op deze gedenkwaardige dag? Vreemd. Dus switchte ik naar NPO1, een zender waarmee ik minder vertrouwd ben, maar dat ze om tien voor acht een herhaling van het zondagochtendprogramma Vroege Vogels uitzenden, kwam mij voor als minstens ongebruikelijk. Dus wierp ik voor alle zekerheid een blik op de klok. Tien voor vier. Verdomme, vergeten op tijd op te winden, maar ach nee de secondewijzer loopt. Nu begon er in mijn brein de gedachte door te dringen dat het misschien mogelijk was dat ik vier uur te vroeg wakker was geworden. Nee toch. En inderdaad, een blik op het klokje van de magnetron leerde mij dat het negen voor vier was. Maar omdat ik toch al in de keuken stond, ben ik gewoon koffie gaan zetten. Even later kon ik mijn totaal slaapdronken echtgenote verblijden met een dampende bak en nog vier uur zalige sluimer. Duidelijk dat dit een gedenkwaardige dag ging worden.

“The Day …”

Don McLean zong ooit “The Day The Music Died”. Gisteren – 6 januari 2021 – hadden we bijna “The Day That The American Democracy Died”. Door de Vietnam-oorlog en veel dat sindsdien gebeurde was het morele tegoed van de VS al niet zo groot meer, hoewel presidenten als Carter en Obama het weer een beetje opgevijzeld hebben. Maar door dit slotstuk op vier jaar Trumpisme gelooft niemand meer in de hoogstaande morele waarden van de grootste democratie. Dat hakt er wel in. Ik bedoel: we leven in een in veel opzichten onveiliger wereld dan pakweg vijftig jaar geleden. In ieder geval realiseren we ons meer hoe onveilig die wereld is. Richard Nixon kon destijds de rit niet uitzitten, maar vijftig jaar later kan een aanzienlijk gevaarlijker gek ongestoord vier jaar de hoofdbewoner van het Witte Huis blijven. Dat doet iets met me. Vijftig jaar geleden geloofde ik stellig in een betere wereld. Dat vertrouwen is inmiddels verdwenen. Ik denk dat ik door dat vertrouwen het soort keuzes in mijn loopbaan kon maken die ik gemaakt heb. Ik vermoed dat, als ik destijds de wereld als fundamenteel onveilig en zelfs vijandig had ervaren, ik veel egoïstischer in mijn keuzes zou zijn geweest. Of veel radicaler. Als er niets te verliezen valt ga je waarschijnlijk eerder voor het grote geld óf de revolutie. Wie gaat er nou in zijn eentje zijn vinger in die dijk houden? Als ik me niet vergis, is dat wat je bij de millenials ziet gebeuren: radicaliseren ter rechterzijde en aan het eigen hachje denken. Solidariteit kunnen we wel aan de ouderen overlaten.
Persoonlijk vind ik dit een angstaanjagende wereld waaruit ik me het liefst zou terugtrekken door een eigen wereldje te creëren. Maar omdat ik twee generaties na mij heb kan ik me er niet helemaal aan onttrekken en maak ik mij ongerust.