Leven voor twee

Het was gisteren precies een half jaar geleden dat Jacqueline overleed. Toen voorjaar, nu herfst. Het contrast kan niet groter. Toen een explosie van groen, nu dwarrelen de gele bladeren naar beneden. Toen draaide alles om Jacqueline. Iedere handeling, iedere gedachte, ieder woord had op de een of andere manier met haar te maken. Nu gaat het er om goed te leven zonder Jacqueline. Als ik dit opschrijf realiseer ik me onmiddellijk dat het niet klopt wat ik zeg. Het gaat om leven zonder de fysieke aanwezigheid van Jacqueline.
Ik hoorde zojuist iemand op de radio vertellen dat mensen haar na een traumatische ervaring begripvol zeiden dat ze ‘het’ een plaats moest geven. Met andere woorden: archiveren en afsluiten. Maar zo zit het niet, zei ze. Zoiets draag je voor altijd bij je. En zo is het met het overlijden van de geliefde ook. Het is niet te benoemen. Verlies, gemis, leegte? Ja, maar ook de herinnering aan ontelbaar veel momenten en de daaraan gekoppelde gevoelens. Waardoor datgene dat ogenschijnlijk hetzelfde is gebleven, een andere lading krijgt. De tuin waar ik dagelijks naar kijk, ziet er ongeveer hetzelfde uit als een jaar geleden, maar hij voelt niet meer hetzelfde. Gisteravond was ik in de Walburgiskerk in Zutphen. Jacqueline heeft mij, atheïst in hart en nieren, geleerd van kerken te houden. Dus loop ik aan de hand van Jacqueline door die kerk. Toen ik een paar maanden geleden aan mijn fietsrondjes in de omgeving begon om mijn fysieke conditie op peil te houden, moest ik regelmatig slikken als ik langs plekken kwam waar we nog maar kort tevoren gewandeld of gefietst hadden. Inmiddels kan ik er glimlachend langs rijden, maar het blijft wel iets met me doen. Wat ik probeer te zeggen, is dat ik ondanks haar afwezigheid wel degelijk mét Jacqueline leef.
Toch is het zo dat ik nu een veel grotere behoefte heb aan echte vriendschap dan voordien. Het koesteren van vriendschappen liet ik goeddeels over aan Jacqueline. Enkele uitzonderingen daargelaten lifte ik op haar bagagedrager mee. Ik ging altijd door voor een loner, een einzelgänger. Eigenlijk was ik dat niet, maar ik vond het zo wel gemakkelijk. En ik ging er zelf een beetje in geloven. Zo wist ik zeker dat ik op termijn mijn huidige woonplaats zou gaan verlaten en me weer in Frankrijk zou gaan vestigen. Zelfs Jacqueline dacht dat. Ze wilde al samen met mij een huis in Zuid-Frankrijk gaan kopen zodat ze zou weten waar ik zou wonen als ze er niet meer zou zijn. Daar moet ik nu niet meer aan denken. Ik zou dan een paar mensen die me heel dierbaar zijn en me in de afgelopen tijd alleen maar dierbaarder zijn gaan worden, moeten missen. Wat ik nooit had kunnen bedenken is dat ik anders in het leven ben komen te staan. Misschien leef ik wel voor twee! Het resultaat is dat mijn (begonnen als onze) agenda voller is dan ik mij kan herinneren. Dat is heel troostrijk: het gevoel een eigen plaats te hebben in wat ons wereldje was.
Maar er zijn ook van die momenten dat. Vorige keer schreef ik hoe ik Jacquelines verjaardag zou gaan vieren zodra ik weer terug zou zijn in ons huisje in de Languedoc. Zoals we een jaar geleden hebben gedaan, zou ik naar het Musée Paul Valéry in Sète gaan om een expositie te bezoeken en daarna in de museumtuin gaan lunchen. Eerste teleurstelling: het museumrestaurant was definitief gesloten. Tweede teleurstelling: de expositie was een dikke tegenvaller. Misschien een les? Misschien niet zo’n goed idee om te willen herhalen wat niet herhaald kan worden?
Een week later ging ik naar Montpellier om bij IKEA een matras te kopen en om een expositie van het werk van Pierre Soulages te zien. Jacqueline en ik waren beiden grote bewonderaars van Soulages. Wat gebeurt er? Ik heb de hele expositie met natte ogen gelopen. Ik liep daar met Jacqueline, die ik voortdurend aanstootte. Heb je dit gezien? En dat? Ik was daar zo van door elkaar geschud dat ik in de parkeergarage mijn auto niet kon vinden. Na twee keer helemaal rondlopen, bedacht ik me dat hij misschien toch op een andere verdieping stond. En ik wist toch hartstikke zeker dat … Waardoor ik aan Jacqueline moest denken. Die zei heel vaak: “ Die eigenwijsheid van jou wordt nog eens je dood.”

Wij redden ons wel

Nog een paar dagen en dan is het Jacquelines verjaardag en precies vijf maanden geleden dat ze is overleden. Ik had bedacht dan hetzelfde te gaan doen wat ik een jaar geleden met haar samen heb gedaan: naar een expositie in het Musée Paul Valéry in Sète en dan lunchen in de tuin van het museum met uitzicht op de Middellandse Zee. Dat zou helemaal gaan lukken ware het niet dat ik al dagen zit te wachten op de levering van een generator die mee moet naar ons huisje in het zuiden. Bovendien zal het op die dag slecht weer zijn in Sète, dus niets lunchen in de museumtuin, maar een dag later zal Jacqueline ook wel goed vinden.
Met dat teruggaan naar hoe het precies een jaar geleden was, is er wel iets aan de hand. Joan Didion beschrijft in Het jaar van magisch denken dat ze een jaarlang na het overlijden van haar man iedere dag terugkijkt naar wat ze een jaar geleden op die dag samen deden. Dat lijkt willekeurig, maar is dat natuurlijk helemaal niet. Een jaar is een volle omwenteling om de zon en daar is niets toevalligs of willekeurigs aan. Toen ik dat bij Joan Didion las, merkte ik dat ik hetzelfde deed. Misschien niet iedere dag maar wel regelmatig. Het is denk ik een vorm van bezwering: ik herbeleef het moment van een jaar geleden en ben daardoor weer even samen. Wat er gebeurde toen het eerste jaar na de dood van haar man om was, beschrijft Didion niet, maar ze schrijft wel wat ze denkt dat dat zal gaan betekenen, wat het betekent als je herinneringen hebt van een jaar geleden waarin je geliefde niet meer voorkomt. Zo ver ben ik nog niet. Ik kan nog voluit in het verleden leven.
Hoe ver ik wel ben weet ik niet goed. Het is alsof ik zonder kompas of andere hulpmiddelen midden op de oceaan zit maar dat zelf nog niet weet. Dit is een onbekende situatie waarop niemand voorbereid kan zijn ook al zou je alle zelfhulpgidsen gelezen hebben (wat ik niet gedaan heb), om de simpele reden dat je jezelf niet kent en zeker niet in zo’n unieke situatie.
Waar ik echt helemaal niet op zat te wachten is het volgende (ik weet niet of zoiets vaker voorkomt, ik hoop van niet) : Een oude vriend (oud in de betekenis van sinds vele jaren) wilde nog even wat zeggen over de viering van Jacqueline haar leven (de herdenkingsdienst noemde hij het). Wat daar verteld werd was allemaal wel erg lovend, terwijl er aan de betreurde toch ook wel een paar minder aardige kantjes kleefden, vond hij. Op dat moment kon ik niet reageren. Het drong niet tot me door en ik praatte er totaal overheen. Thuis gekomen drong het tot mij door wat er door deze oude vriend gezegd was, die – dit terzijde – wel de minst aangewezene op deze aarde is om een dergelijke opmerking te maken. Behalve een late afrekening met iemand die daar niet meer op kon reageren, was het een klap in mijn gezicht want het moet alle aanwezigen opgevallen zijn dat ik mijn ziel en zaligheid in die viering had gelegd. Ik moest denken aan de rede van Marcus Antonius aan het graf van Cesar in Shakespeares Julius Caesar. Brutus vond dat Cesar ambitieus was – wat blijkbaar een grove fout was – maar Brutus is an honourable man.
Wat me enorm geholpen heeft is de steun van een vriendin die acht jaar geleden haar man is verloren. Als ik haar schreef over bepaalde heftige gemoedstoestanden, kon zij bijvoorbeeld terugschrijven: Ja, dat ken ik. Dat zal nog erger worden. Of als ik vertelde over mijn plannen voor de komende tijd: Goed dat je dat gaat doen. Dan zul je pas echt ervaren dat ze er niet meer is.
Het klinkt misschien hard, maar dat is wel de steun die de rouwende en stuurloos ronddobberende mens nodig heeft. Aan goedbedoelde pogingen om je een beetje afleiding te bezorgen heb je alleen op dat moment wat. Daarna is het weer 360° rondploeteren. Behalve als mensen echt willen weten hoe het met me gaat en er ook niet bang voor zijn dat aan te horen. Daar is wel wat voor nodig want wij rouwenden willen wel lijden, maar liefst in stilte want we zijn doodsbang om over te komen als klagende zielenpoten. Nee, wij redden ons wel. En dat is natuurlijk precies wat de buitenwereld wil horen. Ziehier de perfecte valkuil.

Et sic in infinitum

Mijn vorige stukjes in dit blog dateren van iets meer en iets minder dan een jaar geleden. Wat er sindsdien gebeurd is, laat zich raden: mijn geliefde is gestorven. En de ziekte had in de laatste fase ook een naam: Acute Myeloïde Leukemie. En nee, dat maakte de acceptatie ervan niet gemakkelijker. Dat dacht ik destijds: zodra de ziekte een naam heeft, kun je het gemakkelijker accepteren. Dat geldt misschien in het geval dat er dan een meer specifieke medicatie toegepast kan worden die de levensduur op zijn minst kan verlengen. Maar wij hadden te maken met een categorie beenmergziektes waarbij de diagnostiek steeds verfijnder wordt, maar de medici vervolgens met lege handen staan. Een chemotherapie? Valt te proberen, maar de kans dat die aanslaat is klein. De kans dat je je dan pas doodziek gaat voelen is daarentegen groot. We hebben het allemaal mee mogen maken, inclusief complicaties zoals jicht. Jicht heb ik altijd gezien als iets hinderlijks, maar niet onoverkomelijks. Nou dat is het voor de patiënt dus wel. In die zin kan ik ook niet van ´”we” spreken. Ik heb het vanaf de zijlijn mee ervaren, maar dat is niet hetzelfde als wat het slachtoffer lichamelijk ondergaat.
Ik moet een beetje terugkomen op wat ik eerder schreef. Dat ik niet begreep dat een overlevende kon zeggen dat de laatste maanden de mooiste van zijn leven waren. Want het was wel zo dat, vanaf het moment dat duidelijk was dat Jacqueline met bloedplaatjes transfusies en Epo-injecties nog een eind mee zou kunnen gaan, het leven weer wat kleur kreeg. We konden zonder gevaar in de laatste tien maanden nog twee keer naar Brazilië en nog een keer naar ons paradijsje in Zuid-Frankrijk. Afscheid nemen werd in die tijd iets relatiefs, want je weet maar nooit, hier had ook niemand meer op gerekend.
Maar na een afgebroken chemokuur rekenden we nergens meer op. De prognose “enkele dagen tot hooguit enkele weken” werd uitgesproken. En we zagen vervolgens het tegenovergestelde gebeuren. Jacqueline knapte op, voelde zich beter dan voor de chemo, kreeg weer energie om te wandelen, met vriendinnen en familie te praten, onze zoon kwam een paar keer over uit Brazilië. Er geschiedde met andere woorden een klein wondertje. Jacqueline genoot met volle teugen van het leven. De specialist kon er niets verstandigs over zeggen, behalve dat het bloedbeeld bijna normaal was, dat ze buitengewoon goed op de Epo-injecties reageerde (ze had een normaal hemoglobinegehalte) en dat zolang de bloedplaatjestransfusies werkten … Tja en daar ging het mis. Nagenoeg van de ene dag op de andere was het effect van de transfusies tot bijna niets gereduceerd. Terwijl ik stiekem was gaan hopen dat er echt een wonder gebeurde (Jacqueline niet trouwens), dat ze dat ene geval in de zoveel duizend was dat op onverklaarbare wijze aan de statistiek ontsnapte, was het sprookje toch opeens afgelopen. Zij leefden niet nog lang en gelukkig.

De laatste fase duurde een week. Daar kan ik niets over zeggen. Het is alsof er een stoomwals over me heen gedenderd is. Ik was erbij, ik deed wat moest gebeuren en deed dat met alle liefde die ik in mij had, maar de concrete herinneringen daaraan doen zoveel pijn dat ik er niet over kan schrijven.
De periode tussen het overlijden en de viering van Jacquelines leven heeft zes weken geduurd maar gevoelsmatig niet langer dan één. Toch gebeurde er veel. Een paar citaten uit wat ik mijn gevoelsdagboek ben gaan noemen en wat ik ooit samen met Jacqueline begonnen ben als gespreksstof tussen ons.

“Wat ik vooral niet wil deze dagen zijn mensen die niet begrijpen (kunnen, willen?) wat het is om je geliefde te verliezen.
(…)
… mensen die denken dat het … fijn zal zijn voor de rouwende om hem uit zijn eigen omgeving te halen en hem afleiding, gezelligheid te bieden. En dat terwijl de rouwende (ik in dit geval) niets liever wil dan nog bij zijn geliefde te blijven, daar waar ze nog in ieder voorwerp aanwezig is.
(…)
Zeg nooit tegen iemand die rouwt om zijn of haar geliefde: dat begrijp ik. Want dit is niet te begrijpen tenzij je het zelf hebt doorgemaakt. Ik begrijp mezelf niet eens, deze mengeling van mezelf diep ongelukkig en gelukkig voelen. Constateren dat je het geluk hebt gehad al die jaren met de geweldigste vrouw ter wereld geleefd te hebben en tegelijk beseffen dat zij er echt niet meer is. Te merken dat je niets liever doet dan over haar praten en tegelijk ervaren dat dat je uitput. Je wilt dichtbij haar zijn en tegelijk doet dat zo’n pijn. Daar wil je allemaal met haar over praten, maar dat kan niet meer, nooit meer. Dat doet zo’n pijn. Je wilt dat dat altijd pijn blijft doen, dat mag niet slijten.
(…)

Wat ik speciaal onverdraaglijk vind, is dat het met iedere volgende dag weer wat langer geleden is dat Jacq nog leefde. Het moet voor altijd gisteren blijven dat ze overleed.
(…)
Ik ben voortdurend bezig om dingen voor het eerst zonder te doen. … “Daar moet je doorheen” zeg ik dan tegen mezelf. Het doet pijn maar het moet.
(…)
Dit is een situatie waarover misschien wel niemand iets verstandigs kan zeggen, gewoon omdat verstand hier niets vermag.
(…)
Ik leef in een nieuwe wereld waarvan ik niet wist dat ‘ie bestond en waarvan ik de wetten niet ken.”

Hier kan ik Et sic in infinitum achter zetten. En omdat dat een mooie titel voor dit stukje is, doe ik dat dus ook.

Niet met violen

Ik schreef laatst aan iemand dat de toestand waarin wij ons bevinden nog het meest lijkt op een mokerslag in slow motion. En hoe langer ik daar over nadenk hoe adequater me die omschrijving lijkt. Je ziet het botte geweld langzaam maar zeker naar beneden komen – hoewel langzaam? het gaat nog altijd een factor 100 te snel – niets of niemand kan het tegenhouden, maar intussen probeer je te leven. Leven? Een voor een worden dingen die belangrijk voor je zijn van de kaart geschrapt of tot steeds kleinere proporties teruggebracht. De wandelingen worden steeds korter, fietsen is er al nauwelijks meer bij, bij vrienden op bezoek? een uurtje, langer lukt niet meer, in de tuin werken? een half uur vraagt maximale energie. Laatst vertelde iemand mij over vrienden in een soortgelijke situatie dat de laatste maanden voor de overlevende de mooiste van zijn leven waren geweest. Dat had die overlevende verteld. En ik heb dat vaker gehoord. Vroeger zou ik dat als zoete koek geslikt hebben. Liefst met violen op de achtergrond. Nu denk ik: Wat? Hoe is dat mogelijk? Hoe was het leven daarvoor dan? Als ik terugkijk op mijn eigen leven, dan vind ik, vanaf het moment dat ik zelf de teugels in handen nam, dat een leven dat ik gedroomd zou kunnen hebben en voor een deel ook inderdaad gedroomd heb. Maar ik heb nooit gedroomd van mijn levenseinde en nog minder van dat van mijn levensgezellin en geliefde. Wel zitten de woorden van het Chanson de Tessa van Jean Giraudoux in mijn hoofd gegrift:
Si tu meurs, les oiseaux se tairont pour toujours
Si tu es froid, aucun soleil ne brûlera
Enzovoort. Nee, niet met violen, maar met klaaglijke tonen uit een accordeon.
Ik heb zeker niet het gevoel dat ik de mooiste maanden van mijn leven meemaak. De meest dramatische, dat wel. Wat nu overheerst is dat alles wat ik zie, hoor gerelateerd is aan iets uit de tijd dat alles nog goed was. Soms via de meest kronkelige gedachtenassociaties. Alle voorwerpen in huis dateren van die tijd. De herinneringen die eraan vastzitten dateren ook van die tijd. Dat leidt tot het gevoel dat er iets niet klopt. De huidige situatie vloeit niet uit de voorafgaande voort, breekt daarmee. Dus kan het niet kloppen. Het kan niet waar zijn. En dat gevoel wordt nog versterkt doordat niemand weet wat de ziekte precies is. Hoe moet je in vredesnaam een ziekte accepteren die niemand kent? Een bekend fenomeen: mensen kunnen zich pas schikken in hun lot als hun ziekte een naam heeft.
Aan de overkant van de straat wordt gewerkt in een huis dat onlangs gekocht is door een jong stel met een kind. Hoe vertrouwd is mij niet het holle geluid van werkzaamheden in een nog lege woning. En hoe triest is het om te weten dat je dat niet samen nog eens gaat meemaken.

Horror vacui

Ik schrijf zeer onregelmatig in een soort dagboek. Tot voor kort begon ik vaak te schrijven over het weer of een gebeurtenis in het dagelijks leven. Dan kwam er vanzelf wel iets achteraan dat belangrijker was. Die omweg is niet meer nodig. De urgentie in ons dagelijks bestaan is zo groot geworden dat ik eerder over mijn woorden struikel dan dat ik naar ze moet zoeken. Ik probeer de huidige situatie te beschrijven: bungelend tussen verleden en toekomst. Nee, dat is het niet helemaal. Zwevend tussen een verleden waar ik zowel blij als melancholiek van word en en een toekomst die eigenlijk niet bestaat omdat hij aan mijn greep ontsnapt, geen vorm meer heeft.

Tot voor kort kon ik de toekomst redelijk in kaart brengen. Of het klopte is iets anders, maar ik kon zeggen: over vijf jaar zijn we daar en over tien jaar misschien daar. Dat kan ik niet meer zeggen, zelfs niet met een heleboel misschiens. Dat is de horror vacui. Die heb ik nooit zo gevoeld als nu. Ik heb altijd ideeën over de toekomst gehad. Soms waren dat romantische dromerijen, soms waren dat realiseerbare toekomstplannen, soms kwam van het eerste het tweede. Veel daarvan heb ik samen of alleen gerealiseerd. En daar ben ik blij om. Het hebben van toekomstplannen is altijd een van mijn redenen van bestaan geweest. De onmogelijkheid van toekomstplannen, iedere dag je leven opnieuw moeten uitvinden, je moeten laten bepalen door wat er op je bord komt, is mij tot nog toe bespaard gebleven en is mij feitelijk wezensvreemd. Terwijl ik toch ook altijd het beeld van de tevreden bejaarde op mijn netvlies heb gehad. Iemand die de wereld om hem heen met mildheid beziet, die veel leest en naar mooie muziek luistert, maar op afstand staat van het wereldse rumoer. Dat leek me een mooie toestand om tegen het eind van het leven in te verkeren. Inmiddels weet ik beter. Die toestand bestaat niet als je betrokken bent bij je naasten. Dat kinderen en kleinkinderen dat serene gevoel in de war kunnen sturen, had ik mij niet bedacht. De mogelijkheid dat er iets met je geliefde zou kunnen gebeuren waardoor je hele leven op zijn kop wordt gezet bestond gewoon niet in mijn brein. Eigenlijk ben ik voor het eerst van mijn leven in een situatie terecht gekomen waar ik geen antwoord op heb, die altijd buiten mijn denkkaders heeft gelegen want het terrein van melodramatische tearjerkers. Terwijl, als er iets in het leven is dat je kunt voorzien, is dit het wel.

Taal

Het leren en gebruiken van een vreemde taal is volgens mij een ingewikkeld proces, ook al suggereren allerlei taleninstituten en auteurs van boeken die vertellen dat je zeven talen in zeven dagen kunt leren anders. Ik heb twee uitersten van het spectrum in mijn naaste omgeving. De een sprak na twee à drie jaar in Brazilië gewoond te hebben een Portugees dat niet van dat van een echte Braziliaan te onderscheiden was. De ander komt na af en aan ruim een jaar in dat land verbleven te hebben niet veel verder dan goedendag en dank je wel. Ikzelf zit daar tussenin maar op een schaal van 1 tot 10 geef ik mezelf niet meer dan een 2. Duidelijk is uit dit voorbeeld dat motivatie, omstandigheden en noodzaak belangrijke factoren zijn. Nummer 1 in het voorbeeld moest wel Portugees spreken (noodzaak, motivatie) omdat hij had besloten in Brazilië te gaan wonen en werken. Bovendien (omstandigheid) is hij getrouwd met een Braziliaanse wat waarschijnlijk beter werkt dan de beste taaldocent. Nummer 2 komt alleen in Brazilië voor familiebezoek. Daarvoor gelden Nederlands en Frans als voertaal. Het contact met niet Engelssprekende Brazilianen (en dat is de overgrote meerderheid) blijft daardoor beperkt, maar dat zal nummer 2 een zorg zijn. Hier ontbreken dus noodzaak en stimulerende omstandigheden. Die heeft nummer 3 (ikzelf) ook niet, maar die heeft een onbedwingbare behoefte om wat meer te begrijpen van zijn omgeving (motivatie). Hij wil daarom de krant, reclameteksten en die op verkeersborden kunnen lezen en zich in de winkel een beetje verstaanbaar kunnen maken. Daarvoor heeft hij zich meermalen op een doe-het-zelf talencursus gestort waarin hij keer op keer niet verder dan les vijftig van de honderd is gekomen. Dat geeft hem een basiskennis van het Portugees maar niet meer dan dat.
Maar nu de praktijk. Niet van het lezen, maar van het spreken. Ook daar is sprake van een breed spectrum. Ik ken er die op het niveau van les 5 (van de 100) gekomen, vinden dat hun linguïstische bagage groot genoeg is om zich met aplomb tot de lokale bevolking te richten. Lacunes in grammaticale kennis en woordenschat worden ingevuld door weidse gebaren en woorden van eigen makelij. Dan krijg je zoiets als: ‘Pardone mi, la routa à XYZ’ aangevuld met een gebaar van twee uitgestoken armen met de handpalmen naar boven en twee opgetrokken wenkbrauwen. Het mooie is dat zulke mensen altijd bevestigd worden in de voortreffelijkheid van hun talenkennis doordat de bedoeling van hun gebrabbel zelfs in Mongolië wel zal worden begrepen. Aan de andere kant heb je van die mensen die geen woord in welke vreemde taal zullen uitspreken voordat ze zich uit kunnen drukken in vlekkeloze volzinnen. Ikzelf behoorde ooit tot die laatste categorie. Als je geen talenwonder bent, maak je dan je leven wel erg moeilijk. Tenzij je uit pure frustratie het reizen opgeeft. Want zelfs als je denkt dat je het hoogst haalbare niveau van vloeiendheid denkt bereikt te hebben, loopt het nog gegarandeerd mis. Zoals die keer dat ik in Parijs de weg naar Les Halles vroeg. Ik deed dat helemaal correct, alleen ik kende niet het verschil tussen een stomme en een aangeblazen h. Dus vroeg ik de weg naar Lèzalle en daar had die meneer nog nooit van gehoord. Ook dacht ik lange tijd dat de letters z in het woordje riz en de letter x in het woordje flux er niet voor niets zouden staan. Ook dat leidde tot onbegrip. Fransen zijn gelukkig over het algemeen niet te beroerd om je op je taalkundige fouten te wijzen, om daar dan vervolgens aan toe te voegen: “Maar u spreekt natuurlijk wel veel beter Frans dan ik Nederlands”.
Onze kleindochter heeft bij het leren van een tweede taal in het geheel geen last van dit soort dingen. Voor haar is het Portugees de moedertaal, hoewel haar vader wel altijd Nederlands tegen haar spreekt. Dat zij dan in het Portugees beantwoordt. Geruime tijd dacht ik daarom dat ze tot de categorie van de perfectionisten behoorde: eerst een solide grammaticale kennis en een ruime woordenschat opbouwen voordat ik mijn mond in die taal van mijn vader opendoe. Maar zo was het niet. Tijdens ons vorige bezoek aan Brazilië, een jaar geleden, sprak ze nog geen woord Nederlands. Ze verstond ons prima, maar ze antwoordde consequent in het Portugees. Ook als wij zeiden dat we haar niet begrepen, bleef ze in het Portugees praten, wat bij beide partijen tot grote frustratie leidde. Toen ze vier maanden geleden voor het eerst naar Nederland kwam, begon ze haar eerste Nederlandse woorden te spreken. Ja, nee, alsjeblieft, dank je wel. Dat soort werk. Op een gegeven moment zij ze zoiets als ‘Ajôsjietop’ tegen me. Ze zei het met zo’n inzet dat het wel belangrijk moest zijn. Dus vroeg ik aan mijn zoon wat dat betekende. Die schoot in de lach. Het bleek ‘Ah joh, schiet op’ te zijn.
We zijn nu alweer twee maanden in Sâo Paulo en haar taalbeheersing is in die tijd enorm toegenomen. We hebben alle stadia met haar doorlopen. Eerst antwoorden met een woord (kijk), dan twee (niet leuk, wel goed, heel lekker), dan zinnetjes, in het begin nog met infinitieven (pop slapen) en dan opeens in de vtt (kikker is gevallen), het lidwoord komt erbij (alleen de tot nu toe). En haar woordenschat blijkt verrassend groot te zijn.
Hoe snel dat aanleren van nieuwe woorden gaat, merkte ik onlangs toen ik iets uit mijn handen liet vallen in haar nabijheid en er mij een hartgrondig ‘godverdomme’ ontsnapte. Ik zei haar dat ze dat maar gauw moest vergeten omdat dat een heel lelijk woord is. In dat opzicht heb ik mijn taalgebruik de afgelopen maanden behoorlijk gekuist. Drieletterwoorden komen nauwelijks mijn mond meer uit en de Franse en Engelse versie van fecaliën die ik anders ruimhartig rondstrooi heb ik ook geschrapt. Dus wat een schrik toen ik de volgende dag Ana, toen haar iets niet lukte, luid en duidelijk god-ver-dom-me hoorde zeggen.

Overbelast

Vanaf het begin van de COVID-pandemie heb ik me afgevraagd hoe het zou zijn om in gezinsverband te leven wanneer een gezinslid met het virus besmet is geraakt. Hoe organiseer je je om ervoor te zorgen dat niet binnen de kortste keren iedereen besmet raakt? Dankzij ons verblijf in het gezin van onze zoon in São Paulo weet ik dat nu. Zes dagen geleden kwam onze schoondochter ´s avonds ziek terug van een projectbezoek in Amazonië. Uit voorzorg verhuisde onze zoon zijn slaapplek naar de bank in de woonkamer. De volgende ochtend wordt het vermoeden bevestigd: ze test positief op het Corona-virus. We stellen een streng regiem van isolement in. Eten en drinken worden voor de slaapkamerdeur neergezet. Gecommuniceerd wordt er door de gesloten deur en via Whatsapp. Ik heb het tot mijn taak gemaakt het vaatwerk van de patiënt te beheren. Vuile borden, glazen en bestek worden door mij bij de slaapkamerdeur opgehaald en afzonderlijk met kokend heet water afgewassen en afgedroogd met een theedoek die alleen daarvoor gebruikt wordt. Vervolgens berg ik het vaatwerk zo op dat er geen gevaar van gebruik door het nog gezonde deel van het gezin bestaat. Het doet mij denken aan de verhalen die ik vroeger van mijn moeder hoorde over haar werk als dienstmeisje bij een streng-Joodse familie: hoe het vaatwerk gescheiden moest worden afgewassen en afgedroogd afhankelijk van de voedingsmiddelen die ermee genuttigd waren. Als ik het me goed herinner was het een doodzonde als een mes dat had gediend om de kaas mee te snijden in hetzelfde sopje werd afgewassen waarin een vleesmes had gelegen. Ze heeft de baan maar een paar weken uitgehouden. Ze werd er knettergek van. Wat dat betreft is deze gescheiden afwas een makkie. Onze voornaamste zorg was hoe onze kleindochter deze situatie zou opvatten. Maar geen probleem: ze blijft keurig aan deze kant van de slaapkamerdeur en communiceert met mamãe via Whatsapp.

Ingevolge de Braziliaanse quarantaineregels zit nu niet alleen onze schoondochter noodgedwongen thuis maar ook onze zoon. Zij werkt alweer een paar dagen op afstand omdat haar vervangster als laatste van het achtkoppige team dat in Amazonië op pad was, nu ook ziek geworden is. Als ik in het halletje tussen de slaapkamers ga staan hoor ik tegelijkertijd twee vergaderingen.

En wij, de grootouders, in dit alles? Wij kwamen hier om een overbelast ouderpaar te ondersteunen in de zorg voor hun qua gezondheid nogal fragiele dochtertje. Inmiddels hebben we iemand nodig om een overbelast grootouderpaar te ondersteunen in de zorg voor een overbelast ouderpaar.

Goede vakantie

Alweer drie weken in São Paulo. Wat heb ik er in deze tijd bijgeleerd over deze stad en over Brazilië in het algemeen? Ik ben geneigd te zeggen: niet veel. Laat ik vooropstellen dat ik hier ook niet gekomen ben om over deze stad, dit land van alles op te steken. Wij, de grootouders van Ana, zijn hier in de eerste plaats om voor haar te zorgen en haar ouders bij te staan in het organiseren van een min of meer gestructureerd gezinsleven. Met twee meer dan fulltime banen en een klein meisje dat regelmatig gezondheidsproblemen heeft, valt dat niet mee. Natuurlijk niet een situatie die specifiek is voor Brazilië en zelfs in Nederland kan het voorkomen dat grootouders niet om de hoek wonen. Maar in dit geval wonen de grootouders op duizend respectievelijk tienduizend kilometer afstand. Feitelijk maakt het dan niet meer uit op welke grootouders een beroep wordt gedaan. Of je nu ver of heel ver weg woont, in beide gevallen zul je voor langere tijd huis en haard moeten verlaten. Om kort te gaan, we zijn hier dus met een opdracht en die is niet om zoveel mogelijk over São Paulo c.q. Brazilië te weten te komen. In zekere zin is dat niet nieuw voor me. Ik heb in het verleden heel wat reizen naar allerlei bestemmingen in Afrika gemaakt met een specifiek doel en dat doel had dan meestal met ontwikkelingshulp te maken. Met dat soort opdrachten kom je in korte tijd vrij veel te weten over een land, een streek. Dat is nodig voor het goed vervullen van zo’n opdracht en tegelijk leuk. Vind ik tenminste. Zo heb ik nooit naar enige plek in Afrika op vakantie willen gaan. Van vliegveld naar wildpark naar witte zandstranden naar folkloristische dansgroep naar vliegveld, dat leek me helemaal niets. Af en toe een paar dagen ertussenuit knijpen om wat moois of interessants te zien, ja dat wel, maar voor vakantie ging ik toch liever wandelen op Corsica of fietsen in Zuid-Engeland. Zelfs aan een vakantie in een aantal Balkanlanden aan het eind van de jaren zeventig hield ik het frustrerende gevoel over dat ik weliswaar van alles gezien had maar dat ik het in geen enkele context kon plaatsen. Meer kennis dan een eerstejaars tentamen moderne geschiedenis en wat de reisgidsjes me boden, had ik niet in mijn bagage. Ik zou dus ook nooit op het idee gekomen zijn om naar Brazilië op vakantie te gaan. Toen ik voor vertrek hierheen nog wat kaas insloeg bij mijn vaste kaasboer en ik hem uitlegde dat de grote hoeveelheid te maken had met het aanstaande vertrek naar Brazilië, wenste hij me een goede vakantie. ‘Nee, geen vakantie’, zei ik, ‘meer een soort reddingsoperatie.’ Hij kreeg een gelaatsuitdrukking die erop leek of hij zich in een te groot stuk van zijn eigen kaas verslikte. Ik kon niet weten dat een paar dagen later de verdwijning van twee verdedigers van de oorspronkelijke bevolking in Amazonië voorpaginanieuws zou worden. Ik hoop maar dat hij me daar niet mee in verband heeft gebracht.

Ooit heb ik een jaar lang Latijns-Amerikakunde gestudeerd maar het college dat ik volgde ging over de Mexicaanse revolutie dus ik kan niet zeggen dat ik een gedegen kennis van het continent heb, laat staan van Brazilië. Natuurlijk was ik, zoals iedere linkse student in de jaren zestig en zeventig geïnteresseerd in wat er in Zuid-Amerika gebeurde. Ik schopte het zelfs nog tot bezoldigd medewerker van het Chili-komitee. Maar van een reis die kant op is het nooit gekomen. Inmiddels ben ik de afgelopen acht jaar elf keer naar Brazilië gereisd voor periodes van een tot twee maanden. Vermoedelijk heb ik hier in totaal al gauw zo´n drie jaar doorgebracht. Dus zou ik toch eigenlijk wel een beetje Brazilië-expert moeten zijn. Na drie jaar Tanzania durfde ik me zo wel te noemen. Maar van Brazilië weet ik bijna niets en de afgelopen drie weken hebben daar weinig aan toegevoegd. Nou ja, toch wel iets. We verblijven hier in een typische middenklasse buurt, en dat betekent in steden als Rio en São Paulo hoge woontorens. Hoge woontorens hebben een zichtbare invloed op de keuze van huisdieren: ik zie hier uitsluitend snoezige Pekineesjes en aanverwant klein grut. Steek ik een paar honderd meter van hier een drukke verkeersweg over, dan kom ik in een upper class wijk. Grote villa´s met ommuurde tuinen. Hier zie je de honden niet, je hoort ze alleen en aan het blaffen hoor je: dit zijn herdershonden, labradors, uit de kluiten gewassen dieren die weten hoe je een indringer van het erf moet jagen. Als je ze al ziet dan is dat groepsgewijs onder begeleiding van een professionele hondenuitlater. Wat je daar ook niet ziet zijn de poenige Ferrari´s, Lotussen en Lamborghini´s die hier door de wijk komen loeien. Daar, aan de andere kant, zijn de straten stil en is er niemand die jaloers naar ze om kan kijken. Trouwens, waarom zouden ze. De bewoners van die buurt draaien hun hand niet om voor een Rolls. Gepantserd natuurlijk.

Het leukste nieuws van de afgelopen week kwam van de Portugese president die een officieel bezoek aan Brazilië brengt. President Bolsonaro zegde een geplande afspraak met hem af omdat de Portugese president ook een afspraak had met Lula evenals met andere ex-presidenten. De reactie van de Portugees was: ’Daar zal niemand aan doodgaan.’ Laten we hopen dat dat ook geldt voor de verkiezingsnederlaag van Bolsonaro straks in november.

Zodoende

Mocht iemand onder mijn trouwe lezers zich afvragen waar die ondertitel van mijn blog toch op slaat, dan zal ik dat even kort illustreren. Mijn vorige stukje, over de Franse verkiezingen, schreef ik, Nederlands staatsburger, vanuit São Paulo (Brazilië). Of ik daarmee ook ontheemd ben? Goede vraag. Ik vertelde laatst iemand dat, zodra ik ergens in Afrika aankwam, ik onmiddellijk het gevoel had ‘Ha, ik ben er weer’, het prettige gevoel voet aan wal te zetten in een vertrouwde omgeving. Dat gevoel is in de eerste plaats aan Afrika voorbehouden, gewoon omdat het er anders ruikt. Op andere plekken kan het vertrouwd voor oog of oor voelen. Zo word ik er altijd blij van als ik na langere tijd weer Frans om me heen hoor. Dat kan je trouwens ook overkomen in de sneltram in Amstelveen, merkte ik laatst. Eigenlijk zijn er een heleboel plaatsen waar ik mij juist niet ontheemd voel. Maar al die plaatsen zijn niet ‘thuis’. Bij het echte thuisgevoel horen plekken die er niet meer zijn. Ze bestaan in mijn herinnering en gelukkig kan ik ze daar nog gemakkelijk opzoeken. Thuis is met andere woorden een plek waar ik per definitie niet ben en dat bedoel ik zo ongeveer met ontheemd.

Een andere vraag die trouwe lezers misschien gesteld hebben is waarom ik tussen oktober vorig jaar en nu niets meer op mijn blog heb geschreven. Dat zit zo. Na een aantal weken verblijf in São Paulo, besloten we dat het tijd werd om het historisch centrum van de stad te bezoeken. We zaten op dat moment nog midden in de corona-pandemie waardoor wij het openbaar vervoer tot no go area hadden verklaard. Dus een taxi. We lieten ons afzetten achter de grote kathedraal. Mijn gidsje vertelde immers dat het Praça da Sé het ideale uitgangspunt voor een wandeling door het centrum is en dat plein bevindt zich juist voor de kathedraal. Het plein werd beschreven als wijds en beschaduwd door tropische bomen. Dat klopte min of meer, al scheen de zon niet en heb ik dat van die schaduw dus niet kunnen controleren. Wat ik wel onder de immens hoge palmen kon constateren was niet zozeer schaduw als wel allerlei soorten plastic beschutting met daarin en omheen mensen en honden. Het hele plein werd in beslag genomen door daklozen, veelal in gezinsverband. Op een uitloper van het plein bevond zich een enorme samenscholing. We zijn er niet achtergekomen wat daar plaatsvond. Uitdeling van eten, van methadon? Het leek ons wijs dat niet van nabij te gaan onderzoeken. Aan de andere kant van het plein ligt het voetgangersgebied. Dat bereikten we na met schroom het plein overgestoken te hebben. De hoofdwinkelstraten zagen er min of meer normaal uit, maar de winkels in de zijstraatjes waren allemaal gesloten. Voor de neergelaten rolluiken meer geïmproviseerde onderkomens van daklozen, inclusief vuurtjes. Dit is Gotham City riep ik uit en borg mijn fototoestel op. De tegenstelling tussen samenklonteringen van rillende dakloze drugsverslaafden en de schitterende voorgevel van de effectenbeurs was me te veel. We draafden langs bezienswaardige gebouwen maar het mocht allemaal niet baten. Bij het Teatro Municipal was de maat vol. Hetzelfde beeld van daklozen die tegen de muren van het gebouw beschutting zochten en een enorme aankondiging van Peter en de wolf. Niets maakt armoede zo schrijnend als wanneer het in contrast staat tot rijkdom en luxe. Ik dacht gepokt en gemazeld door mijn Afrika-ervaring wel wat aan te kunnen. Maar in de context van gegeneraliseerde armoede valt vooral rijkdom uit de toon. Armoede in een omgeving van rijkdom en overdaad ziet er veel lelijker uit. En als bovenop die armoede ook nog de ellende van de drugsverslaving komt, dan komen we dichtbij het absolute dieptepunt van ontmenselijking. In ieder geval reden genoeg voor mij om mijn fototoestel achter de rits te houden. En erover schrijven kon ik ook niet. En dan waren er nog een paar dingen die maakten dat ik op dat moment niet zo vrolijk in het leven stond. Dat leidde tot een authentieke writer’s block, voor zover ik mezelf een writer mag noemen natuurlijk. Twee gelukzalige maanden in ons eigen paradijsje in Zuid-Frankrijk hadden daar een eind aan moeten maken, ware het niet dat aan het eind van die periode de oorlog in Oekraïne uitbrak. En aangezien ik met niets anders bezig kon zijn dan met die oorlog en vond dat ik aan alle zin en onzin die over die oorlog geschreven werd niets had toe te voegen, bleef het stil aan deze kant.
Maar nu ben ik na negen maanden weer terug in São Paulo en dat leek me een mooie gelegenheid de draad weer op te pakken. Zodoende.

Het ware Frankrijkgevoel

Gebiologeerd volg ik het nieuws rond de Franse parlementsverkiezingen. Vijf jaar woon ik al niet meer in Frankrijk, maar de politiek in dat land boeit me oneindig veel meer dan de Nederlandse. Dat heeft niets met het democratische gehalte van die politiek te maken, noch met de kwaliteit van het politieke debat. Het is vooral het theatrale, de dramatiek. Alsof je naar een Griekse tragedie aan het kijken bent. Dat alles dik onderstreept door de politieke commentatoren die er niet genoeg van lijken te krijgen om de sinds afgelopen zondag ontstane situatie als nog nooit vertoond, ongehoord en als een nachtmerrie voor de president te karakteriseren. Er zal sprake zijn van een totale verlamming van het parlement. En dan gaat het over een situatie die binnen het Nederlandse systeem als comfortabel zou gelden. Ga maar na: een regeringspartij die 42% van de zetels in de kamer heeft en die te maken krijgt met een oppositie van klassiek rechts (11% van de zetels), een links samenwerkingsverband (24%) en extreem rechts (15%). Een coalitie is zo goed als uitgesloten, maar per onderwerp zouden er onderhandelingen gevoerd moeten worden met minstens een van de oppositiepartijen om een meerderheid te krijgen. Een van de politieke commentatoren merkte na het bekend worden van de uitslagen droogjes op dat Frankrijk van een presidentiële naar een parlementaire democratie zal opschuiven. Dat lijkt logisch, maar is dat iets minder voor de Franse politici. Wie wel eens een zitting van de Franse Assemblée (de Tweede Kamer) heeft gezien zal vermoedelijk net zo als ik ontsteld zijn geraakt van het niveau van het politieke debat aldaar. De minister houdt zijn betoog en probeert boven het geschreeuw en gejoel van de oppositie uit te komen. Een aanfluiting voor de democratie denk je dan, maar voor de Fransen een vertrouwd schouwspel. Dan is het niet zo vreemd dat slechts 46% van de stemgerechtigden de dringende behoefte heeft gevoeld om naar het stemhokje te komen, waarvan nog eens 5,5% blanco heeft gestemd. Misschien een beetje kort door de bocht, maar je zou dus kunnen zeggen dat het huidige politieke systeem maar door 40% van de bevolking onderschreven wordt. Maar eigenlijk zelfs die niet, want die hebben er afgelopen zondag voor gezorgd dat de Franse politiek op de schop zal moeten. In het oude normaal kende Frankrijk feitelijk een tweepartijenstelsel. Je had de Parti Socialiste (PS) en klassiek rechts waarvan de partij voortdurend van naam veranderde. En het was bijna altijd een van deze twee partijen die een absolute meerderheid in het parlement had. Het kwam wel eens voor dat de parlementaire meerderheid niet dezelfde kleur als de president had. Dan brak er een periode van ‘cohabitation’ aan met bijvoorbeeld een rechtse president en een linkse regering. Een nachtmerrie voor de president die opeens niet meer over een regering en parlement van ja-knikkers beschikt, maar vaak een weldaad voor het land. Het verging Frankrijk zelden zo goed als onder de regering Jospin (PS) tijdens het presidentschap van Jacques Chirac (RPR, rechts).
Bezien vanuit een land als Nederland dat uitsluitend coalitieregeringen kent en zelfs een proces van tien maanden om een werkbare parlementaire meerderheid te krijgen, zou je je kunnen afvragen ‘Où est le problème?’ Maar dat is buiten de politieke traditie van het land gerekend. En vooral buiten de hartstochten waarmee die politiek bedreven wordt. Frankrijk gaat spannende tijden tegemoet met ongetwijfeld heel wat broeder-, zuster- en vadermoorden. Zo heeft oud-president Sarkozy als een ware Brutus zijn eigen politieke bakermat verraden voor de huidige president Macron. Shakespeare is in de Franse politiek nooit ver weg.