Onze onderwijzeres

Afgelopen nacht logeerde de onderwijzeres van onze zoon bij ons. Wij verwijzen naar haar als ‘de’ onderwijzeres omdat de leerkracht die hij daarna kreeg die naam eigenlijk niet verdiende. Dat was – hoewel zij erg jong was – een kinderkweller van de soort zoals je ze in boeken wel eens tegenkomt. De onderwijzeres van onze zoon gaf les aan de eerste twee klassen van de lagere school in een naburig dorp. Zij was de ideale persoon om je kind aan toe te vertrouwen, zeker onder het soort lastige omstandigheden als van een emigratie. Nog voordat wij in Frankrijk kwamen wonen, mocht Serge – onze zoon – iedere keer dat wij op onze aanstaande woonplaats waren zoveel tijd bij haar in de klas doorbrengen als wij wilden. Op die manier kon hij alvast een beetje warm lopen en omdat ze twee jaar onder haar hoede had, zou hij dan alvast een aantal van zijn toekomstige klasgenoten kennen. Aangezien zijn woordenschat zich beperkte tot Bonjour en Au revoir zou de communicatie noodgedwongen wat beperkt blijven, maar voor het achter een bal aanrennen, met verf kliederen en legostukjes in elkaar zetten, heb je geen grote taalvaardigheid nodig, dus dat verliep allemaal voorbeeldig. Ik bleef gedurende zijn eerste Franse schooluren in de buurt zodat hij zich veilig zou voelen en ik als tolk kon fungeren. De vraag ‘Wat zegt ‘ie nou?’ zit zodoende bijna fysiek voelbaar in mij gekrast. Gedurende zijn eerste maand dat hij echt op school zat, bleef een van ons een uur lang in de klas, totdat Serge aangaf dat hij het verder wel alleen afkon. Een mooiere integratie in het Franse onderwijs was nauwelijks denkbaar. Maar wat wij al die tijd niet wisten, was dat onze onderwijzeres in flagrante strijd met de regels handelde. Als onze Serge het nodig had gevonden gedurende die eerste periode van kennismaking een van de kinderen in elkaar te timmeren, had dat een voortijdig einde van haar loopbaan kunnen betekenen. Er heerst namelijk op dit deel van het Franse platteland – en als ik over de Tweede wereldoorlog in andere delen van Frankrijk lees, vrees ik dat het niet alleen voor deze streek geldt – een klikcultuur. Als iets je niet aanstaat, dan stap je niet op de betrokkene af om dat te zeggen, maar ga je achter diens rug om smoezen. De centrale figuur in dit soort roddelcampagnes op dorpsniveau is doorgaans de burgemeester. Als die daar geen korte metten mee maakt, kan het een soort etterend gezwel worden. Zo weten wij van een naburig dorp dat geen enkele onderwijzeres het daar langer dan een jaar uithield, gewoon omdat de burgemeester het woord van ouders altijd zwaarder liet wegen dan dat van de maîtresse. Zelfs met steun van de inspecteur van het onderwijs, resulteerde dat steeds weer in onhoudbare situaties, zoals de gemeenteraad die het schoolbudget tot nihil reduceerde. Voor diegenen die destijds de film  Être et avoir hebben gezien: dat was ongetwijfeld ook een realiteit, maar niet de gangbare. Vaak genoeg wordt goedwillende onderwijskrachten het werken onmogelijk gemaakt omdat ouders vinden dat al die nieuwlichterij niet nodig is, tenslotte hebben zij fatsoenlijk leren lezen en schrijven zonder al dat moderne gedoe. Trouwens, in de tijd van hun  ouders was het eigenlijk stukken beter. Tegen dit soort redeneringen kom je met geavanceerde pedagogische inzichten niet erg ver. En als het ministerie van Onderwijs dit soort primitieve opvattingen sanctioneert door de hele pedagogische opleiding van onderwijzers te schrappen, dan kun je je er iets bij voorstellen dat hier het totale onderwijsveld te hoop loopt tegen de regering.
Gelukkig gaat onze onderwijzeres nog steeds door zich niets van de regels aan te trekken als zij die schadelijk vindt voor het kind. Als een kind openlijk agressief gedrag vertoont, is zij verplicht dat bij de onderwijsinspectie te melden. Dat doet ze dus niet, omdat ze weet dat daarmee iedere kans op een normale schoolloopbaan voor zo’n kind verkeken is. Als een kind in vervuilde staat op school aankomt, is zij verplicht dat aan de inspectie te melden. Zij geeft er de voorkeur aan het kind mee naar huis te nemen en daar in bad te stoppen en het probleem met de – invalide – moeder te bespreken, in plaats van het kind in de armen van de Sociale Dienst te drijven.
Te weten dat er mensen als onze onderwijzeres bestaan, doet me altijd weer goed. Mensen die de moed hebben om hun eigen gevoel voor rechtvaardigheid en menselijkheid zwaarder te laten wegen dan de regels, daar kunnen we er niet genoeg van hebben. Patricia, zo heet onze onderwijzeres, is inmiddels alweer meer dan tien jaar terug in haar geboortestreek. Zij kon hier in de Morvan uiteindelijk moeilijker integreren dan wij. Hier ging ze er aan onderdoor, aan het wantrouwen en de tegenwerking van de ouders, het altijd als vreemdeling te worden beschouwd. Daar is zij Provençaalse onder de Provençalen en kan ze als zelfstandig denkend mens haar gevoel voor goed en slecht volgen zonder zich afgewezen te voelen. Helaas is er in Frankrijk geen gevoel zo goed ontwikkeld als het wij-gevoel. En ‘wij’ houden er blijkbaar van ‘zij’ uit te sluiten, onschadelijk te maken.

Oorlog

Ik voer oorlog. Ik durf daar met een gerust geweten voor uit te komen, want oorlog voeren is dezer dagen een respectabele bezigheid. Het land waarin ik woon is in verschillende oorlogen betrokken en is daar trots op. Dat was wel eens anders. Kort geleden nog was oorlog gewoon ‘not done’. Je deed het niet en als je er toch op een of andere manier in terechtgekomen was, dan schaamde je je er voor. Dat kwam natuurlijk door Irak. Maar tegenwoordig staat het voeren van oorlog weer hoog in de peilingen. Hele volken roepen om het ingrijpen van legers van vreemde mogendheden. En omdat die nou juist weer schoon gewassen willen worden van de Irakese ellende die aan hen kleeft, doen die niets liever dan her en der op deze aardkloot de burgerbevolking beschermen, de democratie veiligstellen en zelfs potentaten verjagen. Dus aan deze oorlogseuforie wilde ik ook mijn steentje bijdragen. Nu ik aan de winnende hand ben, durf ik dat wel te zeggen. Ik was namelijk al vijftien jaar verwikkeld in een nietsontziende strijd met een onzichtbare vijand. Er werd tegen mij een soort guerrillaoorlog gevoerd die ik niet anders dan met conventionele middelen wist te beantwoorden: mijnenvelden, chemische oorlogsvoering, bombardementen. Alles wat de wapenindustrie op de markt bracht heb ik in de strijd geworpen. Maar de vijand was mij steeds te slim af. Erger nog: hij leek zijn posities alleen maar te versterken. Mijn artillerievuur was nog slechts een ritueel nummer. Feitelijk had ik de hoop al opgegeven de strijd nog te kunnen winnen. Maar door een radicale wijziging in mijn oorlogsvoering heb ik de situatie in een paar weken tijd in mijn voordeel weten te veranderen. Ik heb de vijandelijke troepen gedecimeerd. Van enige activiteit van gene zijde is nauwelijks meer iets te merken. Misschien dat de leider met enige getrouwen in een onderaardse bunker psalmen zit te zingen, maar militair gezien heb ik ze uitgeschakeld.
Hoe dat zo is gekomen? Door het bestuderen van het werk van Clausewitz? Nee hoor. Door internet. Toen het water mij voor de zoveelste maal aan de lippen stond, ben ik gaan kijken of er ergens op deze wereld iemand een oplossing voor mijn probleem had. En ja hoor! ‘Heeft u ook al kapitalen aan ineffectief en vervuilend wapentuig uitgegeven? Dan is hier de succesformule.’ Of woorden van gelijke strekking. Volgde een beschrijving van de klassieke maar o zo doelmatige wijze van oorlogvoering tegen mijn vijand. Ik bestelde het wapentuig en een bijbehorend soort Handboek soldaat. Ik verdiepte mij in de tactiek van de vijand en installeerde mijn offensieve wapens midden in de vijandelijke linies. Het resultaat was verbluffend. In drie weken tijd bracht ik de tegenpartij  meer verliezen toe dan in alle vijftien voorafgaande jaren bij elkaar.
Ik weet het, ik heb mij nu vele vijanden gemaakt. Maarten ’t Hart voorop. En het zal ook wel ontzettend truttig zijn om, als je net je gazon gemaaid hebt, je op te winden over weer vijf verse molshopen. Maar toch, na vijftien jaar frustratie was de maat vol. Ik heb het geprobeerd met gelatenheid, maar het is me uiteindelijk niet gelukt. Zelfs de buurman vond de molleninvasie de afgelopen jaren wel erg gortig worden. En dat zegt wat. Normaliter neemt hij iedere calamiteit ‘met filosofie’, zoals de Fransen zeggen. Maar nu vond hij het wel erg bar. Niet dat hij er iets tegen doet. Hij maait ze gewoon plat met zijn grasmaaier, dat wil zeggen de molshopen, niet de mollen.
Het heeft aan de andere kant wel iets treurigs, de strijd tegen de mollen te winnen. Want wie wil er nu eigenlijk kwaad doen aan zulke leuke, vertederende beestjes? Ooit al eens mol van dichtbij gezien? Je zou er zo een als huisdier willen hebben. Dat prachtige zwarte vachtje. Die vier poezelige babyhandjes. De overwinningsroes valt dus wat tegen. Het ware beter geweest als het een soort onderaardse trollen waren. Aan de andere kant, als ik ’s ochtends opsta, uit het raam kijk en zie dat er alweer geen molshoop in de tuin is, dan is mijn geluk compleet. En, ter geruststelling, denk niet dat ik iets tegen mollen heb: in de omringende velden en weides wens ik ze een lang en vruchtbaar leven toe.

Twee mannen

‘Ach, dit is helemáál niet mijn plek’, zegt een van de twee mannen bij het uitstappen.
‘Is dat niet wat snel?’, vraagt de vrouw die uit een andere auto is gestapt. ‘Heeft u het uitzicht over het meer al gezien?’ Ze maakt een wijds gebaar over het voor hen liggende water.
‘Het trilt niet goed hier’, mompelt de man.
De vrouw vertelt iets over het pand waar zij voor staan en stelt de twee mannen voor naar binnen te gaan.
‘Dit is helemaal niet wat ik verwachtte’, zegt dezelfde man misprijzend om zich heen kijkend. ‘Ik dacht dat het om een geheel gerenoveerd gebouw ging.’
‘Met behoud van het oorspronkelijke karakter’, zegt de vrouw alsof zij een zin uit een brochure opleest.
‘Ik durf hier niet eens te lopen. Ik zou wel zo door de vloer kunnen zakken.’
De andere man loop met de handen op de rug achter hem aan, volgt met zijn ogen de blik van de ander en knikt instemmend. De vrouw doet haar best de aandacht van de mannen te krijgen door alle bijzonderheden van het gebouw op te noemen, maar dat brengt geen enkel enthousiasme bij hen te weeg.
‘Al die trappen’, verzucht de man. ‘Komt daar nooit een eind aan? Ik zoek ongescheidenheid. Ruimte waarin de universele energie zich vrijelijk kan bewegen.’
De andere man probeert met een verlegen glimlach aan de vrouw duidelijk te maken dat ze maar niet zo op zijn woorden moet letten.
‘En dan is hier het kantoor’, zegt de vrouw een deur openzwaaiend. In het vertrek dat zich voor het drietal ontsluit, zit een vriendelijk soort vogelverschrikker achter een bureau te werken. Hij draait zich in zijn stoel om en legt uit dat dit de enige ruimte is waar niets aan opgeknapt is omdat hij altijd teveel bureauwerk had te doen om het een weeklang te ontruimen. ‘Anders zou u hier net zo’n mooi authentiek Frans plafond zien als hiernaast.’ De hoofdman kijkt naar boven met een belangstelling die verraadt dat dat wel ongeveer het laatste is dat hem op aarde interesseert. Zijn acoliet volgt zijn blik.
De vrouw heeft de hoop opgegeven dat zij de mannen nog tot enige geestdrift kan brengen. In de tuin aangekomen, wijst zij naar achteren en vertelt dat zich daar een soort stiltehofje bevindt. ‘Dat zal u vast wel interesseren. Ik wacht hier wel even op u.’
‘Wat een vreselijk mens’, sist de eerste man tegen de tweede.
‘Maar René, ik dacht dat wij geen oordelen hadden?’
‘Natuurlijk niet, maar de dualiteit druipt van die vrouw af. Van deze hele plek trouwens. Ik raak hier mijn bronenergie helemaal kwijt.’
‘Ik vind het wel mee vallen, maar we kunnen dit toch helemaal niet betalen.’
René kijkt alsof hij door een horzel gestoken wordt. ‘Hoezo kunnen wij dit niet betalen? Wij krijgen wat bij ons past, ongeacht de prijs, knoop dat in je oren. Het ligt in de is-heid der dingen besloten dat wij ons eigen unieke centrum krijgen, Johan. Maar dat is niet hier.’
‘Maar waar dan wel, René? En hoe? We zijn nu al vier jaar aan het zoeken.’
‘Wat is nou vier jaar? Jij moet leren de dingen …’
‘Groot te zien?’, probeert Johan.
‘Klein te zien. Je moet steeds weer terug naar die kern, naar die stralende bron. In het nu komt de oplossing. In het oneindige nu. Dat weet ik. Heb vertrouwen in onze gemeenschap.’
‘Ja maar we zijn met zijn vijven en niemand heeft geld.’
‘Geld, geld, alsof het daarom gaat.’
‘Deze mensen verkopen hun gebouw niet voor niets.’
‘Deze mensen niet, nee. Zag je die man? Met zijn haren in de war en zijn snor. Denkt zeker dat ‘ie Einstein is. Ook zo’n duale denker.’ René strijkt met zijn hand over zijn kaalgeschoren schedel en stoot een dorre kakelende lach uit. ‘Maar er komt een ontmoeting, daar ben ik zeker van. Met mensen die zich als in een bliksemflits bewust worden dat ze hun bezit aan ons moeten overdragen. Ze weten dat nu nog niet. Vragen een kapitaal voor hun pand. Maar dan plotseling, in een ontmoeting met ons zullen ze het goddelijk licht zien. Dat wordt het begin van de nieuwe tijd, Johan.’
‘Die vrouw staat op ons te wachten. Wat gaan we haar zeggen?’
‘Dat dit niet onze plek is. Dat had ik toch al gezegd? Mijn intuïtie bedriegt mij nooit.’