Dave en ik

Schreef ik vorige week niet dat ik een enigszins getroebleerde relatie heb met Nederland en zijn bewoners? Ik ben zeker zo’n immigrant die nog Franser is dan … de president? Dat is niet zo erg moeilijk gezien de honderd procent niet-Franse afkomst van Nicolas Sarkozy. Maar ik zie ze wel eens, die neo-Fransen die met een grote béret basque op het hoofd vreselijk Frans lopen te zijn. Onze Rob is er zo een. Ik zeg ‘onze’ omdat hij aanvankelijk deel uitmaakte van onze vrienden- en kennissenkring. Hij is van oorsprong Australiër, getrouwd met een vrouw uit de Elzas (eigenlijk niet echt Frankrijk natuurlijk), werkt als toeristengids in een archeologisch centrum en weet in die hoedanigheid meer van de streek dan wie dan ook die hier geboren en getogen is. Maar dat is nog niet genoeg. Een tijd geleden, toen we elkaar nog wel eens spraken, vertrouwde hij mij toe dat hij in het Frans droomt. Op dat moment verwachtte hij van mij dat ik met open mond van verbazing een bewonderend ‘wow!’ zou laten horen (het Franse equivalent verwachtte hij van mij – inculte Hollander – natuurlijk niet). Ik liet het bij een mager tiens, tiens. Om vervolgens aan hem te vragen of hij in het vervolg ons huis niet zou willen passeren alsof hij in een Ferrari op het lange rechte eind zit. Sindsdien spreken wij elkaar niet meer. Dat wil zeggen, hij wil me niet meer zien. Dit was te veel voor zijn breekbare verfranste ziel. Ik zie sindsdien nog wel regelmatig zijn (Franse) autootje bij de garagehouder staan. Onveranderlijk met nieuwe forse deuken.
Nee, dan Dave. Misschien moet ik hem introduceren. Lang geleden was hij ook in Nederland een begrip. Dave is een Franse zanger, tenminste iemand die in Frankrijk in het Frans Franse liedjes zingt. Behoorlijk Frans dus. En wat meer is: iedereen in Frankrijk kent Dave. Dave is de grote publiekstrekker in feestzalen in middelgrote Franse provinciestadjes. Hij maakt ook wel cd’s en heeft ook wel eens een televisieoptreden, maar de grote verdienste van Dave is, dat hij met nog een heleboel andere Franse zangers en zangeressen de provincie van typisch Frans vertier voorziet. Met dit verschil dat Dave helemaal geen Fransman is, maar een heuse blonde Nederlander. Hij kwam in de jaren zestig met een gitaar en een rugzak in Parijs aan en heeft bij wijze van spreken sindsdien het land nooit meer verlaten. En wat hoorde ik Dave ooit in een interview vertellen? Dat hij er lang over had gedacht zich te laten naturaliseren tot Fransman, maar toen hij op het punt stond de stap te nemen bedacht dat het eigenlijk onzin was. Hij was gewoon een Nederlander, vond hij. Daar stoorde niemand zich aan en hijzelf wel het minst, dus waarom in hemelsnaam van nationaliteit veranderen? En zo komt het dus dat zowel Dave als ik nog steeds Nederlander zijn. En werkelijk, ik mag dan wel een beetje raar tegen Nederland en de Nederlanders aankijken, maar met Frankrijk en de Fransen is het wat mij betreft niet echt beter gesteld. Ik had mij voorgenomen het deze en volgende weken niet over voetballen te hebben, maar een land waar de afgang van het nationale team tot affaire d’état wordt uitgeroepen, neem me niet kwalijk. En of dat niet genoeg was werden de afgelopen week de twee meest kritische columnisten bij de Franse nationale omroep ontslagen. Van interventie vanuit de entourage van de president was natuurlijk geen sprake. Nog even en we zijn hier weer terug bij de staatsomroep en het Ministerie voor Informatie. Dat was onder De Gaulle al geel lolletje, maar onder Sarkozy? De koude rillingen lopen me over de rug. Gelukkig kunnen Dave en ik altijd nog terug naar Nederland. Die Rob zal moeten zuchten onder de Jacobijnse terreur.

Thuis voelen

Het zal de vaste lezers van mijn verhaaltjes wel opgevallen zijn dat ik een wat getroebleerde relatie met Nederland en zijn bewoners heb. Ik weet niet precies wanneer dat begonnen is, maar ik vermoed dat mijn eerste langere verblijf in het buitenland gaandeweg mijn blik veranderd heeft op alles wat voordien zo vanzelfsprekend was. Na mijn eerste drie jaar in Afrika wilde ik het liefst zo gauw mogelijk weer terug naar dat continent. In ieder geval was het mij duidelijk dat ik niet de rest van mijn leven in Nederland ging slijten. Ondanks vijftien jaar van kortere en langere verblijven in Afrika, werd dat gevoel niet minder. Het leidde er uiteindelijk toe dat wij zestien jaar geleden met have en goed naar Frankrijk vertrokken. De afgelopen twee jaar heb ik uitgebreid de gelegenheid gehad om te toetsen hoe het met dat gevoel zit. We verbleven twee winters grotendeels in Nederland en ik kon weer eens voelen hoe het is om Nederlander onder de Nederlanders te zijn. Dat resulteerde erin dat ik bij iedere voorkomende gelegenheid meldde dat ik niet meer zoveel met Nederland heb. Meestal een beetje grappend, soms wat plagend. Maar waarom doe ik dat eigenlijk? Wat wil ik daarmee duidelijk maken? De meest recente politieke ontwikkelingen met grote stemmenwinst voor populistisch racistisch rechts lijken me gelijk te geven. En toch. Heb ik echt zo weinig met Nederland? Waarom wind ik me dan zo op over wat er nu gebeurt? Blijkbaar omdat het me raakt. Ik maak me veel meer zorgen over wat er in Nederland gebeurt dan over soortgelijke ontwikkelingen in andere Europese landen. Objectief gezien is daar weinig reden voor: ik woon er niet en getalsmatig is Nederland toch maar gewoon een dreumes. Nee, ik kan toch vooral op Nederland afgeven omdat het een stukje van mezelf is. Om dezelfde reden dat joden jodenmoppen mogen maken en goj dat niet mogen, mag ik, ben ik het aan Nederland verplicht me te ergeren aan de stupiditeit van de Nederlanders en dat niet aan buitenlanders over te laten.
Als ik in Nederland ben, ervaar ik dat als erg eigen. Gek genoeg ben ik dat sterker gaan ervaren naarmate ik langer weg ben. Dat komt natuurlijk omdat het een groot deel van mijn verleden is, maar ook omdat ik vermoed dat ik tamelijk moeiteloos weer in de Nederlandse samenleving zou kunnen schuiven. Of ik dat nou leuk vind of niet, ik ken de codes van die samenleving, ik weet hoe ik me erin moet gedragen. Er mag in zestien jaar veel veranderd zijn, maar alle Fortuynen en Wildersen van deze wereld krijgen het niet voor elkaar om Nederland zodanig te veranderen dat ik er de weg niet meer weet.
Toen we een paar jaar geleden op een mooie zondagmiddag door Noord-Groningen reden en ik struise vrouwen op statige rijwielen met fietstassen langs de vaart zag rijden, wist ik: dit is mijn land. Dat riep ik dan ook uit. Daar waren mijn reisgenoten, bepaald niet gewend aan patriottische uitbarstingen van mijn kant, een tijdje beduusd van. Ton had een klap van een Groningse molen gekregen. Het zou wel weer overgaan. Niet helemaal. Het begon tot mij door te dringen dat ik nergens dan in Nederland het gevoel kan hebben ergens bij te horen. Dat is een prettig gevoel. En toch. Toch moet ik steeds weer die reserves uitdrukken. Waarom?
Nederlanders die hier in ‘mijn’ stukje Frankrijk wonen of hier een tweede huis hebben, bevestigen mij in het gevoel van afstand: daar hoor ik niet bij, blij dat ik niet meer in dat land woon. Maar misschien klopt dat niet. Ik zou me aan dezelfde mensen in Nederland vast niet ergeren. Alleen, hier hebben ze iets misplaatst. Ze vloeken met de omgeving. Je kunt die vrouwen in die degelijke rokken op die degelijke fietsen ook niet hier in Frankrijk neerzetten. Dat staat potsierlijk. Net zo potsierlijk als de veelkeurige Tibetaanse tempel tien kilometer verderop in het weelderige groen van de Morvan.
Dan is er de schaamte voor de eigen soort. Ik herinner me dat een vriendin in Harare me eens zei dat ze die blanke boeren zo vreselijk ordinair vond. Ik kon niet anders dan dat beamen. Maar zoiets zou ik nooit gezegd hebben van opzichtig en smakeloos geklede zwarten. Wij identificeerden ons met de blanken en ergerden ons er vervolgens aan dat ze zo anders waren dan wijzelf. Hier doe ik net zoiets: Ik weet dat ik door de Fransen altijd als Nederlander zal worden gezien, maar willen ze me alsjeblieft niet op een hoop gooien met die andere Nederlanders.
In mijn afzetten tegen Nederland zit ook een element van zelfrechtvaardiging. Ik ben tenslotte niet voor niets zestien jaar geleden uit Nederland vertrokken. De winst- en verliesrekening moet natuurlijk wel ruim ten gunste van ons verblijf in Frankrijk uitvallen. Maar daar knaagt het. Het is ons niet gelukt om ons hier voor 100% thuis te voelen. Moet dat dan? Eigenlijk is dat nooit de opzet geweest. Het was juist zo leuk om in een ander en vreemd land te wonen waar nog alles te ontdekken viel. Zou ik me daar volledig thuis voelen, dan zou de lol er weer een beetje af zijn. In Nederland zou ik me met enige moeite wel weer helemaal thuis kunnen voelen. Maar dat wil ik juist helemaal niet! Nederland voelde voor mij de afgelopen tijd als een dorpsplein dat doet of ‘t het middelpunt van de wereld is. Terwijl het in Frankrijk wonen voor mij voelt of al mijn poriën naar de buitenwereld openstaan, voelt het in Nederland of er een onzichtbaar hek om het landje staat waarbinnen een groot spektakel wordt opgevoerd waarin de acteurs zich allemaal heel belangrijk voelen en niet in de gaten hebben dat het maar spel is; dat zomaar op een willekeurig moment de theaterverlichting uit kan gaan en iedereen elkaar in het zaallicht wezenloos zit aan te kijken. Dus gek genoeg voel ik me op het Franse platteland een deeltje van een groot geheel, terwijl ik me in Nederland een deeltje van een piepklein geheel voel. Dat is niet helemaal te vertalen in prettig of onprettig. Het kan op zo’n dorpsplein best aangenaam toeven zijn. Maar niet de hele tijd. Aan de andere kant, voelen dat de wereld veel groter is dan dat dorpsplein is een beetje griezelig. Het voelt onbeschut, maar tegelijk of je on top of the world zit.

Sla de kat met Goudse kaas

Een paar dagen geleden dacht ik een reëel probleem te hebben. Naast mijn bed ligt de eerste Wallander van Henning Mankell. Zoals alle andere boeken van Mankell die ik gelezen heb, is het geen grootse literatuur maar het is prima lectuur voor lange winteravonden, luie zomerdagen en gewoon voor het slapengaan. Ter nadere precisering: ik ben nog niet halverwege en na vijf bladzijden vallen mijn ogen dicht, dus het kan nog even duren.
Een tijdje daarvoor las ik dat Mankell meevoer op de humanitaire vloot naar Gaza. Dat vond ik een te respecteren actie. Niet dat ik daardoor zijn boeken meer zou gaan waarderen, maar ik vind het goed dat beroemdheden hun naam gebruiken voor goede doelen. Zolang ze er maar geen geld voor vangen natuurlijk. En aangezien ik de totale blokkade van Gaza absurd vind (voor een partiële blokkade is natuurlijk alles te zeggen), vond ik het lovenswaardig dat Mankell aan die actie meedeed.
En toen las ik afgelopen vrijdag in Le Monde de volgende woorden overgenomen uit het dagboek van Mankell en gepubliceerd in de Libération: “Ik denk erover om ervoor te zorgen dat ik nooit meer in het Hebreeuws vertaald word.” Met de columnist van Le Monde ontsteek ik in woede. De eerste en enige die die storm over zich heen krijgt is J. “Nou, zo gek is dat toch niet?”, probeert zij mij te sussen. “Niet gek? Het is waanzinnig, het is dement”, raas ik. “Wie komt er nou op het krankzinnige idee om een taal te boycotten? Moesten wij ten tijde van de Vietnam-oorlog misschien het Amerikaans boycotten, geen Amerikaanse auteurs meer lezen? Dat is toch te dol om los te lopen?” Om kort te gaan, ik besloot tot een éénmans Mankell-boycot en zou ook zeker op deze plaats hebben opgeroepen om daar aan mee te doen. Dat zou een moedig besluit zijn want het zou van mij een heuse opoffering vragen: namelijk niet te weten komen wie dat oudere echtpaar heeft vermoord.
Maar gelukkig ben ik nog genoeg journalist om de reflex te hebben bronnen te checken, zelfs als het om een column in een zo’n respectabele krant als Le Monde gaat. Dus ik op zoek naar de Gaza Flotila Diary van Henning Mankell. Daarin staat inderdaad het gewraakte zinnetje. Maar er staat ook iets achter dat door de columnist van Le Monde zorgvuldig achterwege is gelaten: It is a thought that still has greater depths to plumb. 
Met andere woorden, Mankell is er op het moment dat hij dat in zijn Moleskine krabbelt nog niet uit of het wel echt zo’n goede gedachte is. Als hij terug in Zweden is herhaalt hij het idee tegen een journalist van Dages Nyheter, maar voegt er deze keer aan toe: “Ik wil daarmee niet de verkeerden treffen, dus ik moet er nog over nadenken.” Al met al niet echt voer om Mankell over de hekel te halen. Niet genoeg om een kat mee te slaan, zoals de Fransen dat zo aardig noemen. Met een opgelucht gemoed kan ik van mijn boycot afzien. Gisteravond heb ik weer vijf pagina’s gelezen. Alleen zie ik het volgende probleem al opdoemen. Wat te doen als straks Wilders in de regering zit? Ga ik Nederland boycotten? En hoe zou dat moeten? Ik ben erg gesteld op Goudse kaas. Als ik die nou laat liggen, is dat dan genoeg opoffering om aan de wereld kond te doen dat deze kaaskop geen Goudse meer eet?

 

Gelukzalige onnozelheid

Van de week was er zo’n dag dat het niet wilde zomeren. Niet gewoon slecht weer, maar van dat weer dat je vertelt dat het eigenlijk beter had moeten zijn. Meer dan mooie dagen, doen zulke dagen mij aan vroeger denken. Alsof het vroeger vaak niet wilde zomeren. En in zekere zin is dat ook zo. Ik herinner me van mijn middelbare schooltijd zo’n gevoel tegen iets aan te hangen dat niet wilde doorbreken. Wat dat ‘iets’ precies was? Het eerste dat nu, vele jaren later bij me opkomt: het gevoel serieus genomen te worden. Ik wilde geen kind meer zijn maar werd door de wereld van de volwassenen, de ouders in de eerste plaats, wel zo behandeld. Nu heb ik inmiddels zelf de ervaring gehad om langzamerhand verantwoordelijkheden aan mijn eigen kind over te dragen. Ik vond dat eigenlijk niet zo ingewikkeld. Hoe zou het dan komen dat het voor de generatie van mijn ouders dan wel zo lastig was? Omdat zij een oorlog meegemaakt hebben die hen het gevoel gaf ons zo lang mogelijk tegen het kwaad van de wereld te moeten beschermen? Zou kunnen. Maar wij van de geboortegolf kregen vooral de indruk dat zij het morele gelijk aan hun kant waanden omdat zij de oorlog hadden meegemaakt. Aan de ene kant werd ons verteld dat we ons gelukkig mochten prijzen dat we al die ellende niet hadden meegemaakt, maar daar moesten we tegelijk voor boeten, want ‘wat weet jij nou van het leven? Je hebt de oorlog niet meegemaakt.’ Zo werden wij tot een soort gelukzalige onnozelheid veroordeeld. Misschien was dat het wel waar we in de jaren zestig tegen in verzet kwamen. Als verklaring voor het studentenprotest van toen werd altijd gegeven dat wij de ‘generatie-Spock’ waren, die in de eerste levensjaren anders werd opgevoed dan alle voorgaande generaties (buiten de VS lijkt me die verklaring niet deugen) en dat we ons verzetten tegen het materialisme van onze ouders die na crisis en oorlog eindelijk welvaart zagen. Ik heb zo mijn twijfels over dat verhaal. Ik moest daarbij aan Kousbroek denken die de ongekende wreedheid van de Japanse bezetters in de oorlog vooral verklaart uit de behoefte eindelijk eens serieus genomen te worden en niet langer gezien te worden als rare gele krombenige mannetjes. Zoiets was het bij ons misschien ook. We waren woedend omdat we niet mee mochten doen. Pas meerderjarig en stemgerechtigd op je 21e, maar tot je 28e had je toestemming van je ouders nodig  om te kunnen trouwen. Als je het ongeluk trof dat je ouders redelijk in de slappe was zaten, was je goed de sigaar want dan werden ze geacht je studie volledig te betalen en was je dus tot in lengte van dagen financieel van ze afhankelijk. Dat voelde als een vernedering. We vonden ook dat we zeggenschap moesten hebben over de inhoud van onze studie. Tenslotte was het ons leven, onze toekomst. Waarom zouden we dan niet mogen bepalen wat we studeerden?
Behalve het feit dat wij de eerste naoorlogse generatie waren, was er denk ik nog iets waarom wij het gebaande pad, het gespreide bedje niet zomaar accepteerden. Dat heeft te maken met de massaliteit van het verder leren. Dat was voorheen aan de elite voorbehouden geweest. Nu waren het de kinderen uit de middengroepen die de kans kregen om hogerop te komen, maar daarbij wel te horen kregen dat ze zich netjes moesten gedragen. Het waren onze ouders die ons dat inpeperden: we moesten dankbaar zijn voor de kansen die ons geboden werden en het paste niet om het gezag – dat ons die kansen gaf – te bekritiseren. Achteraf kan ik me daar iets bij voorstellen en vind ik het jammer dat de verschillende ideeën niet over de generatiekloof heen bespreekbaar waren. Maar met dat soort praatjes had je bij mij in mei ’69 toen ik het Maagdenhuis stond te bezetten niet aan moeten komen.