Over Black Archives, Gliphoeve en een drama op de Nieuwezijds

Ik werd een paar dagen geleden bezocht door een stukje van mijn verleden dat ik nog niet helemaal vergeten was, maar dat wel diep was weggezakt in mijn historisch bewustzijn. Mijn neef stuurde mij een berichtje waarin hij mij meldde dat hij mijn naam was tegengekomen in de Black Archives. Hij was daar op bezoek met een Zuid-Afrikaanse gast voor wie een aantal publicaties waren uitgestald over de geschiedenis van zwart in Nederland. Tot zover zou er bij mij nog geen lampje zijn gaan branden. Ik heb al eens in een eerdere column verteld over mijn onfortuinlijke visumaanvraag bij de Zuid-Afrikaanse ambassade, maar dat levert nog geen plek in de Black Archives op, zo leek mij. Nee, het ging om een artikel in De Groene zo’n veertig jaar geleden. Het artikel heette ‘Het Gliphoeve-trauma van de sociale huisbazen’, en wie zich de Bijlmer van midden jaren zeventig nog herinnert, weet dat de naam Gliphoeve gelijkstond met Surinamers en massale kraakacties. Voor de woningbouwverenigingen in Amsterdam was daardoor de concentratie van etnische minderheden in één buurt een zodanig trauma geworden dat ze limieten voor die minderheden zijn gaan stellen zodat bepaalde buurten feitelijk gesloten waren voor verdere instroom van bijvoorbeeld Turken en Marokkanen.
Ik werkte in die tijd bij de Stichting Welzijn Buitenlandse Werknemers in Amsterdam, een van de ik meen tien van zulke regionale stichtingen. Met mijn collega’s voor onderwijs en huisvesting vormden wij een soort bende van drie binnen die stichting. De rest had het druk ofwel met geld uitdelen voor folkloristische en anderszins gezellige activiteiten (wij subsidieerden per nationaliteit georganiseerde sociëteiten), of met het zich inleven in andere culturen. Vooral de collega’s met een sociale academie opleiding waren daar erg sterk in. Wij daarentegen vonden dat er gewerkt moest worden aan betere kansen voor met name de Marokkaanse en Turkse medemens in vooral onderwijs (dus vooral géén onderwijs in eigen taal en cultuur), en op de arbeids- en woningmarkt. Doordat de Nederlandse regering absoluut geen beleid had ten aanzien van de minderheden, werd dat nog een heel conflict waar bij de ‘eigen culturele identiteit’ het won van onze structurele aanpak.
In het kader van die structurele verbetering van de positie van de gastarbeider (zoals hij toen nog werd genoemd) schreef ik destijds een verhaal in De Groene. Mijn huisvestingscollega was een goede bekende van Geert Mak, toen nog Groene-redacteur, en Geert vond het prima om zo’n verhaal in De Groene te plaatsen. In die tijd schreef ik mijn artikelen nog geheel met de hand voordat ik ze op de schrijfmachine met carbondoorslag uittikte. Met dit handgeschreven verhaal was ik daags voor de deadline bij mijn huisvestingscollega langs geweest om er eventuele feitelijke onjuistheden uit te zuiveren. Daarna reden geliefde J. en ik in onze rode R4 naar de Nieuwezijds om daar bij de Marokkaan te gaan eten. Tas (met artikel) en jas van J. lieten we gewoon op de achterbank liggen. Die lagen er dus niet meer toen wij uit het restaurant kwamen. De Marokkaanse eigenaar van het restaurant te hulp geroepen. Die had wel een idee. Hij liep regelrecht naar een steeg aan de andere kant van de Nieuwezijds, deed daar een grote afvalcontainer open, en ja hoor daar lag de jas van J., maar geen tas. Hij klom nog op de container om op het lage dak daarachter te kijken, want hij wist dat daar ook regelmatig onbruikbare buit opgeflikkerd werd, maar helaas. ‘Dan ligt hij nu waarschijnlijk in de gracht’, verzuchtte hij. Hij kende zo ongeveer de route van de booswichten. Nog aangifte gedaan op bureau Warmoesstraat waar de dienstdoende agent, toen hij hoorde van de inhoud, mij meewarig aankeek. Zoiets van ‘moet je maar iets nuttigers met je leven doen’.
De deadline was de volgende ochtend om 12 uur. Ik begrijp niet hoe ik heb kunnen slapen die nacht. De volgende ochtend heb ik mij op mijn kamer in de stichting opgesloten en het verhaal uit het blote hoofd gereproduceerd. Ik denk dat er geen drie woorden anders in stonden dan in de oorspronkelijke versie. Waar het brein toe in staat is.
Na het verschijnen van het artikel was mijn naam op het gebied van huisvesting en minderheden gevestigd, dus toen ik een tijdje later met de twee collega’s ontslagen werd wegens dissidente ideeën (met volledige instemming van de vakbond), kon ik bij het Nederlands Centrum Buitenlanders terecht om een rapport te schrijven over discriminatie op de woningmarkt. Dat kreeg binnen beperkte kring enige bekendheid, waardoor ik op het bureau van Marjanne Sint terechtkwam (later PvdA-voorzitster, maar toen nog hoofdredacteur van Intermediair), die mij voorstelde om met haar samen een themanummer van Intermediair te maken over minderheden en ongelijkheid. Dat is ook nog als boekje (Tussen wal en schip) uitgegeven. Mijn naam kon niet meer stuk. Vervolgens verdween ik voor drie jaar naar Tanzania, maar al voor mijn terugkeer had ik een mooi contract op zak van het SCP waar ik een uitgebreide studie mocht doen naar de positie van minderheden op de woningmarkt. Om de een of andere voor mij onduidelijke reden is dat rapport nooit verschenen, hoewel ik niet uitsluit dat er stukken van in het Sociaal en cultureel rapport hebben gestaan. Dat heb ik nooit meer gecheckt. Mijn interesse lag inmiddels voorgoed bij de Derde Wereld.