Dijon

Afgelopen week zijn we een dag naar de grote stad geweest. We hebben de keuze uit drie steden van behoorlijke omvang. In de eerste plaats Parijs. Dat ligt op 1 uur 20 minuten met de TGV en dan nog wat reistijd naar het station, dus in totaal op twee uur en een kwartier van ons huis vandaan. Dat doen we niet vaker dan een of twee keer per jaar. Lyon ligt op ongeveer gelijke reistijd, maar dan per auto. Daar gaan we ook niet vaker dan twee keer per jaar heen. En dan is er tenslotte Dijon. Een stuk dichterbij, een heel stuk kleiner – zelfs Utrecht wint het er nog van – maar voor ons plattelanders is het een echte stad. Ik schrijf dat zomaar ‘plattelander’, maar ik merk bij ieder bezoek aan de grote stad dat het nog waar is ook: ik ben echt een plattelander geworden, een neo-rural noemen ze zo’n gewezen stedeling hier. En dat is misschien ook wel de betere aanduiding, want in alles ademen wij iets stads uit en toch roepen we dat het zo prettig is om buiten in de natuur te wonen.
Wij waren een dagje naar Dijon. We hadden een niet erg vastomlijnd programma. Het was vrijdag, dus eerst even de markt bezoeken. Dan, al bijna uitgeput van het geslenter langs de marktkraampjes, eten op een terras met uitzicht op diezelfde markt. En dan? Een museum. We moeten absoluut een museum doen. Nee, niet het Musée des beaux-arts want dat is een aanfluiting voor de soort. Vanaf de impressionisten is de collectie ondergebracht op slecht verlichte zolders en in rare spaanplaten hokken. Je moet minimaal een zaklantaarn meebrengen om de doeken te kunnen bekijken. We komen uiteindelijk uit bij het Musée d’art sacré. De conclusie kan niet anders luiden dan dat er iets mis is met het kunstbudget van de gemeente Dijon. Ook hier spaanplaat en een zodanige opstelling dat dit een tijdelijke expositie tijdens de verbouwing lijkt.
Zittend op een terras op een leuk plein vragen we ons af wat er met ons mis is. Het lijkt wel of we opeens niet meer weten wat te doen in een stad. Alsof we zo vergroeid zijn geraakt met de groene heuvels om ons heen, dat we daar alleen maar zo snel mogelijk naar terug willen. Toch is dat het niet. Het valt ons op dat het zijn in een stad omdat je er woont of omdat je er iets te doen hebt, heel anders is dan het bezoeken van een stad. Als je een stad bezoekt, moet je opeens van alles. Ik herinner me dat ik om die reden vroeger tijdens vakanties grote steden meed als de pest. Toch lukte dat niet altijd. Tenslotte kun je niet door Portugal toeren zonder Lissabon aan te doen. Dat dacht ik, toen ik in 1974 op de motor door Portugal reisde. Bovendien was er een revolutie gaande en wilde ik daar iets van meepikken dan moest ik toch wel in de hoofdstad zijn. Dus welgemoed reed ik op een zaterdagochtend in september Lissabon binnen.  Op een brede invalsweg dacht ik de drie rijen dik te passeren die voor het stoplicht stonden te wachten. Dat was even geen rekening houdend met de mogelijkheid dat iemand wel eens midden op die weg op de gedachte zou kunnen komen om uit te stappen. Ik maakte een prachtige pirouette op het midden van die brede boulevard. Ik had geen schram, maar mijn voetsteunen stonden opeens heel raar, mijn uitlaat was gescheurd en mijn clignoteurs hingen er een beetje zielig bij. En meteen vormde zich een oploopje midden op de weg van mensen die precies gezien hadden dat het toch zeker de schuld van die domme autopassagier was (wat niet zo was) en dat als het nodig was dat nog wel onder ede wilde verklaren ook. Onder deze druk kon mijn gehaaste, maar nu hopeloos vertraagde, medeweggebruiker niet anders doen dan de gegevens van zijn verzekering opgeven. Even later bevond ik mij in een weinig vertrouwen inboezemende reparatiewerkplaats. De monteur zou dat allemaal dik in orde maken, maar dan wel maandag want over tien minuten ging de deur op slot. Ik mocht van geluk spreken dat ik hem nog had getroffen. Ik wist nu zeker dat ik een onvergeeflijke fout had begaan om geheel tegen mijn principes in toch tijdens mijn vakantie een grote stad te bezoeken. Want daar stond ik op zaterdag in Lissabon, zonder vervoermiddel, zonder enig idee wat ik in die stad zou moeten doen. Om kort te gaan, terwijl ik die middag de wijk Alfama ontdekte en van de ene verbazing in de andere viel, voltrok zich tegelijkertijd de tweede fase van de Anjerrevolutie. Ik dacht dat de agitatie om mij heen wel iets te maken zou hebben met Benfica dat een wedstrijd had gewonnen. Van mijn buurman op de camping hoorde ik achteraf de ware toedracht. Stond ik eens midden in een revolutie, had ik het niet eens in de gaten. Maar dat vertelde ik natuurlijk niet toen ik terug in Nederland aan mijn revolutionaire vrienden verslag deed van mijn reis. In nog geen vierentwintig uur tijd was mijn kijk op het bezoeken van grote steden tijdens de vakantie natuurlijk wel 180 graden omgedraaid. Hoewel. Een paar jaar later was ik op reis in Italië. Ik logeerde aanvankelijk in Florence bij de Italiaanse vriend van een vriendin. Ook daar duurde mijn verblijf in de grote stad door een onverwachte omstandigheid langer dan mijn bedoeling was. Ik had namelijk onderweg in de trein een gruwelijke spitaanval gekregen. Ik bewoog me strompelend voort en dat was niet de ideale conditie om het hele land rond te reizen. Bovendien namen vriendinnen van die Italiaanse vriend van die vriendin mij liefdevol onder hun hoede, dus het leek mij van grote ondankbaarheid getuigen om zo snel mogelijk de benen te nemen. Maar toen ik eenmaal weer redelijk kwiek ter been was en dat getest had met het bestijgen van de trappen van de Dom, besloot ik meteen zo ver mogelijk weg te gaan: ik nam de trein naar Syracusa op Sicilië. Veel zuidelijker kon ik niet en ik vond Syracusa zo’n mooie naam. Maar heel erg interessant bleek het er niet te zijn, heel erg mooi ook niet. Na een tussenstop in Napels en Sorrento wasik een dag of tien later weer terug in Florence, dat mij leek te ontvangen alsof ik er sinds altijd thuishoorde. En zo ontdekte ik ook daar dat je eerst ergens moet zijn voordat je het kunt ontdekken. Wat mij dat leert voor het volgende bezoek aan Dijon? Dat ik een goed boek moet meenemen, zodat ik op willekeurig welke aangename plek gewoon kan zijn.

Straf

Ik word door groene, rode en gele schoonheid omringd terwijl ik achter in de tuin onder een ruisende den (ik ben geneigd ruischend te schrijven) achter mijn laptop zit. Maar om deze schoonheid genietbaar te maken, heb ik wel vijf dagen zitten en lopen maaien. Toen ik twintig jaar geleden begon om de wildernis achter ons huis te bedwingen, deed ik dat aanvankelijk met een motorzeis (ook wel bosmaaier genoemd, hoewel ze zelden in het bos gebruikt worden) en een maaimachine waar je achteraanloopt. Maar door de jaren heen nam het te maaien oppervlak toe zodat ik tot de aanschaf van een minitractor overging. Althans dat was de reden die ik mijzelf en anderen gaf : ik raakte licht uitgeput van het gesjouw achter de grasmaaier. Maar er was nog iets anders. Ik werd namelijk tijdens het maaien geplaagd door dwangmatige gedachtes. Ik kon nog geen vijf minuten achter de maaimachine lopen of ik werd door dezelfde hinderlijke denkbeelden overvallen. Het ging vooral over vriendschappen die verkeerd waren afgelopen zonder dat ik ooit begrepen had wat er nu mis was gegaan. Ik laat het aan de psychiaters en psychotherapeuten onder de lezers wat dat over mij zegt. Ik heb mij die vraag nooit gesteld. Ik wilde alleen maar van die gedachtes afkomen. Dat werd bijna een obsessie voor me. Met mijn minitractor dacht ik van het probleem verlost te zijn. Immers het maaien zou weliswaar nog steeds even stompzinnig werk zijn maar nu zou het veel sneller en gemakkelijker gaan, zodat mijn gedachten vanzelf in aangenamer regionen terecht zouden komen. Nou, vergeet het maar. Het ging een tijdje goed. Tot ik me bedacht dat ik inderdaad het gras al een paar weken had gemaaid zonder die dwangmatige gedachtes. En vanaf dat moment zijn ze voorgoed bij me. En ik schiet er nooit een steek mee op. En hoe wanhopiger ik probeer aan andere, leukere, interessantere dingen te denken, des te harder dringen ze zich aan mij op. En dat tijdens een bezigheid die iedere middelbare stadsbewoner van de mannelijke kunne doet likkebaarden. Want vraag me niet waarom, maar op de een of andere manier schijnen mannen die de veertig gepasseerd zijn te denken dat op een minitractortje over je gazon razen zo ongeveer het leukste is dat er in het leven bestaat. Ze denken echt dat ik dat voor mijn lol doe. Soms overwinnen ze hun schroom en vragen mij of ze ook even mogen. Ik heb dat in het begin een paar keer goedgevonden, maar daar ben ik al snel mee opgehouden omdat iedere keer dat er weer zo’n grote vent glunderend op mijn lachwekkend en buitenproportioneel kleine tractortje had rondgereden, daarvan een paar vitale onderdelen onherstelbaar beschadigd waren. Ze waren zo druk bezig met te laten zien ‘mama, kijk eens wat ik kan’ dat ze niet in de gaten hadden dat ze te dicht langs een boom of een paaltje reden. Zodoende blijf ik deze activiteit die mij het liefst gestolen zou kunnen worden tegen wil en dank voor mezelf opeisen. En als ik voor publiek rij, grijns ik daar gelukzalig bij alsof dit stupide baantjes trekken over de grasmat mijn innigste wens, mijn diepst gekoesterde verlangen, kortom zo ongeveer mijn reden van bestaan is. Intussen mijn hersens pijnigend met de vraag waarom x nooit meer van zich heeft laten horen, waarom y nooit op mijn brieven heeft gereageerd en z me schriftelijk meedeelde dat ze me nooit meer hoopte te zien. En zo wordt het rondjes rijden op mijn grasmaaier bijna een boetedoening voor het mij onbekende leed dat ik x, y en z heb aangedaan. Maar zou ik de maximale straf nog niet uitgezeten hebben?

P.S.: Wat mij later enigszins geholpen heeft, is het niet langer in rondjes te maaien, maar proberen een strak patroon van evenwijdige banen te trekken. In een tuin die in niets op een sportveld lijkt en allerlei grillige vormen heeft en obstakels als bomen en struiken, is dat een secuur werkje dat met grote aandacht dient te geschieden. Dat heeft veel tobberig gepieker voorkomen.

Klusjes

Afgelopen week zat ik op mijn boot in Sète. Dat doe ik graag. Ik heb hem in de eerste plaats om mee te zeilen, maar alleen al van het erop zitten raak ik tevreden. Ik neem aan dat de meeste andere zeilers direct begrijpen wat ik bedoel, maar aan niet-zeilers is het nauwelijks uit te leggen. In de eerste plaats zit ik in een ding dat schommelt in het water. Alleen dat al is een gevoel waar je van moet houden om het op een boot uit te houden. Ik ben er gek op. Je zou mogen verwachten dat het voor iedereen aangename sensaties oproept die te maken hebben met het rondklotsen in de baarmoeder, maar dat blijkt toch niet het geval te zijn. Er zijn mensen die alleen al van zo’n rustig schommelend bootje bijna zeeziek worden. Dan zijn er die speciale geuren die op een zeilboot thuishoren. Ik zou niet weten wat het precies is, maar je ruikt ze op iedere zeilboot. Vroeger associeerde ik dat met getaand touw, maar dat tref je nu alleen nog maar bij de liefhebbers van antieke jachten aan. Het heeft iets met water, althans vochtigheid, te maken en dan een vleugje brandstoflucht erdoor. En dan is er die sfeer van ambachtelijkheid die je op een boot omringt: touwen, kabels, zeilen, allerlei soorten sluitingen en katrollen (blokken heten die voor ons zeilers), ankers, zeilkleding en dan nog allerlei materiaal om ongeveer alles dat kapot gaat te repareren. In een kleine ruimte heb je alles bij de hand dat je in je zeilende bestaan nodig zou kunnen hebben. Weinig dingen zijn leuker dan om in de microkosmos van mijn kajuitje ’s avonds na gedane arbeid een boek te zitten lezen. Die gedane arbeid is dan meestal zeilen. Gek genoeg is een van de leukere dingen van zeilen dat het niet zomaar altijd kan. De weergoden moeten je goed gezind zijn (en liefst blijven), zo niet dan ben je veroordeeld je dag in de haven door te brengen met het doen van allerlei klusjes. Zo heb ik afgelopen week op zo’n dag (er stond geen wind) mijn kraanlijn door een langere vervangen, een haakje aan de grootzeilhoes genaaid en nog een paar van dat soort dingen die ik nu vergeten ben. In zijn verhaal Krabbels van het water geeft Joop Waasdorp een hilarische en nagenoeg uitputtende opsomming van dat soort klusjes. Als ik door mijn klusjes heen zou zijn, is er nog geen man overboord want Sète heeft een gevarieerd cultureel leven. Zo is er het Musée Paul Valéry voor moderne kunst, het Musée des Arts Modestes (absoluut enig in zijn soort, maar nog niet bezocht), de Espace Georges Brassens (een echte aanrader, als je van Georges Brassens houdt tenminste), het Centre régional d’art contemporain (mooie exposities), het Théâtre de la Mer (openluchttheater, vooral jazz- en popconcerten) en nog veel andere kleinere gelegenheden. Bovendien is het per trein een kwartier naar Montpellier en daar is zo ongeveer alles wat een mens zich cultureel kan wensen.
Maar meestal kan het wel, zeilen. Hoewel daar vaak een afwegingsproces aan vooraf gaat. Om met je boot  de zee op te gaan is namelijk toch niet hetzelfde dan de Loosdrechtse Plassen op te varen. De dingen die mis kunnen gaan zijn niet zo verschillend, maar de gevolgen wel. Als je daar moederziel alleen zo’n mijl of tien buiten de kust vaart, is er niemand die je te hulp schiet als je roer afbreekt, je stag afknapt en je motor het niet meer doet. Dan kun je dus beter van tevoren even controleren of je marifoon wel opgeladen is, zodat je contact met de haven of het alarmkanaal kunt maken. Wat ook handig is, in zo’n geval is dat je GPS werkt zodat je je positie kunt opgeven. En wat vooral heel verstandig is, is het bestuderen van het lokale weerbericht. Want het kan wel mooi onbewolkt zijn met een zwak windje, maar als ’s middags om twee uur het weer opeens radicaal omslaat en je zit twintig mijl verwijderd van de dichtstbijzijnde haven, dan kun je een probleem hebben. Dat alles om te zeggen dat een van de aardige dingen van zeilen is dat je de gewenste activiteit vaak moet bevechten door een taai onderhandelingsproces met jezelf. Wat is wijs? Wat is verantwoord? Ben ik niet al te voorzichtig? En bovendien moet je ook nog strategieën bewandelen. Waar ga ik heen, zodat ik niet aan het eind van de middag met nog een heel stuk te varen de wind tegen heb? Afgelopen week ging het helemaal goed. De eerste dag in Sète was bestemd voor het schoonmaken van het onderwaterschip. Daar zaten na een jaar alweer zoveel algen en schelpdieren aan geplakt dat ik daar zeker een à twee mijl per uur zachter door zou lopen. Normaal zet ik hem daarna meteen ook in een nieuwe laag anti-fouling (speciale verf voor het onderwaterschip die de aangroei moet afremmen, hoewel ik aan de effectiviteit ervan zo mijn twijfels heb), maar daar had ik deze keer geen zin in: ik wilde vooral zeilen. De dag daarna had ik geluk: zon en wind. Toen een dag geen wind: dat was de klusjesdag. En toen weer een dag met weinig zon en des te meer wind. Dat begon met matig maar uiteindelijk liep ik toen met harde wind de haven binnen. Dat zijn van die momenten dat je enig respect oogst van je buren op de steiger, die met een voorspelde windkracht 6 à 7 maar lekker in de haven waren gebleven. Klusjes doen.

Entre nous

Ik denk dat ons verblijf in Frankrijk vanaf het begin zeer bepaald werd door het feit dat we een kind van schoolgaande leeftijd hadden. Onze zoon, Serge, heeft van zijn  zesde tot zijn achttiende dat deel van het Franse onderwijssysteem doorlopen dat door 60% van de Franse jeugd doorlopen wordt. Dat maakte bijvoorbeeld dat allerlei situaties in films als Etre et avoir of Entre les murs, of in boeken als Pennac’s  Chagrin d’école voor ons volstrekt herkenbaar waren.
Op de lagere school zijn we – na twee mooie jaren met die juf die een vriendin van ons werd – in een gigantisch conflict verzeild geraakt met een nieuwe leerkracht. Dat resulteerde in gesprekken met de inspecteur en in onderhandelingen of wij onder de verplichting van de carte scolaire uit konden komen (in Frankrijk hebben scholen een ‘verzorgingsgebied’ met de verplichting om je kind binnen dat gebied op de bijbehorende school in te schrijven). Dat soort dingen hebben mij veel over het Franse schoolsysteem geleerd en daarmee over de Franse samenleving. Dat heeft ons niet altijd blij en gelukkig gemaakt. Als je ziet dat je kind zwaar lijdt onder een ernstig verkalkt onderwijssysteem en onder een entre nous mentaliteit van de plattelandsbevolking, dan vraag je je meer dan eens af of je wel de juiste keuze hebt gemaakt. Een voorbeeld. Daags na 11/9 was het mijn beurt om twee leeftijdgenoten van Serge op te halen en samen met hem bij de schoolbus af te leveren. Toen ze in de auto zaten, vroeg Serge aan hen of ze het gisteren gezien hadden op de tv. Ja, ze hadden het gezien die uitzending over die nieuwe tractor in het regionale nieuws. Serge keek mij toen aan met een blik van: zie je het nu? En ik voelde: tot deze ploucs (boerenpummels) hebben mijn ouders mij veroordeeld.
Om kort te gaan wat onze zoon betreft: toen hij naar lycée ging, verkoos hij het om meteen maar een eind weg en op internaat te gaan in plaats van het dichtstbijzijnde lycée waar hij opnieuw tegen een aantal van die boerenpummels zou oplopen. Hij verhuisde door de week naar Chalon sur Saône. Daar heeft hij het gelukkig drie jaar lang goed naar zijn zin gehad. Chalon is trouwens ook een leuke stad. Ik ben er een jaar lang lid geweest van de plaatselijke zeilvereniging. Dat is eigenlijk de enige keer dat ik echt aan het Franse verenigingsleven heb deelgenomen en dat is me zeer goed bevallen. Het zat zo. Ik had al een paar jaar een boot in La Rochelle liggen. Dat was wel een beetje ver weg (5 à 6 uur rijden) en bovendien is het klimaat aan de Atlantische kust zodanig dat, als ik een paar dagen de tijd had om te gaan zeilen, het vaak ofwel regende, ofwel te hard woei, ofwel allebei. Dus besloot ik dat ik mijn bootje beter aan de Middellandse Zeekust kon leggen. Ik was serieus van plan om hem via Bordeaux en het Canal du midi daarheen te varen. Daar waren alleen twee obstakels: de bijzonder verraderlijke stroming en golfslag in de monding van de Gironde en de lengte van het Canal du midi (en met name het aantal sluizen daarin: een paar honderd, leuk als je retraité bent). Dus: te veel risico en te veel tijd. Daarom besloot ik het anders te doen. Eerst mijn boot over de weg naar Chalon laten transporteren, daar een tijdje blijven en hem dan via de Saône en de Rhône naar het zuiden varen. Ik ging op zoek naar een leuke haven in Chalon, vond die bij de plaatselijke zeilvereniging waarvan ik vervolgens lid werd en die mij in het jaar dat mijn boot daar lag een geheel nieuwe blik op het sociale leven in Frankrijk bood. Ik voelde mij daar vanaf de eerste avond die ik met mijn medezeilers doorbracht volledig geaccepteerd. Ik had mij van deze yacht-club iets tamelijk kakkineus voorgesteld, maar het tegendeel was het geval. Ik kwam er naast een enkele gepensioneerde fabrieksdirecteur of middelbare schooldocent vooral mensen in beroepen als automonteur en fabrieksarbeider tegen. En de sfeer was van een ongelooflijke convivialité om dat onvertaalbare woord (gezelligheid komt enigszins in de buurt) maar even te gebruiken. Het enige probleem was dat ik op de Saône tien kilometer tussen twee vaste bruggen heen en weer kon zeilen en dat had ik na een paar keer wel gezien. Dus na een jaar heb ik mijn boot naar het zuiden gevaren. Ik had een ligplaats in Sète georganiseerd en daar lig ik nu al jaren naar volle tevredenheid. Vanmiddag pak ik de trein op veertig minuten hier vandaan en drie uur later sta ik dan op het station van Sète in de Middellandse zeebries.

Naar Frankrijk

De behoefte om naar Frankrijk te verhuizen was er vooral een om niet in Nederland te blijven. Ik had al ergens in de jaren ’70 besloten om via de ontwikkelingshulp mijn heil in Afrika te zoeken. Dat lukte prima en ik werd tot mijn grote voldoening  – niet die van mijn toenmalige geliefde en tegenwoordig mijn echtgenote – voor drie jaar uitgezonden naar Tanzania. Daar kan ik veel over vertellen, maar dat doe ik nu maar even niet. Het belangrijkste is dat ik een baan had waarin ik drie jaar lang onwaarschijnlijke afstanden in mijn Landrover aflegde, waarbij ik steeds weer diep onder de indruk was van de wijdsheid van de landschappen. Bovendien werd ik in dat land beroofd van veel van de vanzelfsprekendheden die het dagelijks leven tot dan regeerden en ik merkte dat ik dat, hoewel soms lastig, toch vooral ongelooflijk prettig vond. Misschien dat ik iets overdrijf als ik zeg dat daardoor iedere dag een spannend avontuur werd, maar niet heel veel. Terug in Nederland kreeg ik een baan waar mijn sociologenvrienden het water bij in de mond liep. Ik mocht vrijwel geheel op eigen houtje een onderzoek doen bij het Sociaal en Cultureel Planbureau op een terrein waarin ik daarvoor werkte: etnische minderheden. Ik heb toen een vreselijk jaar gehad. Ik merkte dat mijn hart in Afrika lag en niet de overstap wilde maken naar die kantoorflat in Rijswijk. Gelukkig kon ik aansluitend een freelance baan in de ontwikkelingshulp krijgen, maar dan wel in Den Haag. Mijn leven werd op slag een stuk aangenamer, vooral toen bleek dat ik, als ik dat wilde, binnen een, twee jaar wel weer uitgezonden zou kunnen worden. Uiteindelijk ben ik drie jaar later naar Burkina Faso vertrokken. Toen ik daarvan terugkeerde was ik voor Nederland voorgoed verloren. Ik werkte opnieuw drie jaar in Den Haag in de ontwikkelingshulp, maar het wilde niet echt meer vlotten. Pas vanaf het moment dat we in ’90 onze molen in de Morvan kochten, was de kommer en kwel voorbij. Ik nam even later ontslag, begon voor mezelf en opende daarmee de weg naar een woonplaats buiten de grenzen.
Toen wij twintig jaar geleden in de Morvan een beetje half zacht naar een – ik durf het bijna niet op te schrijven – vakantiehuisje liepen te zoeken, waren daar al jaren van het bekende soort gedroom aan vooraf gegaan. Of we nu op een Grieks eiland zaten, door Portugal fietsten of door de Pyreneeën wandelden, er was altijd wel een moment dat we elkaar bekenden: als we hier nou eens zouden kunnen wonen. Maar die keer in de Morvan was het serieuzer. Dat lag op een dag rijden van Nederland, dus daar zouden we regelmatig heen kunnen. En bovendien leek het ons fantastisch als ons zoontje van toen twee jaar deels in zo’n landelijke omgeving zou kunnen opgroeien. Wat er vervolgens gebeurde, zal waarschijnlijk in ieder boekje over ‘Hoe koop ik een huis in Frankrijk’ staan als voorbeeld van hoe het niet moet. We vielen doodgewoon voor het eerste het beste pand met een bordje à vendre erop. En toen bleek dat het ook nog betaalbaar was, hebben we nauwelijks een moment geaarzeld. Vervolgens hebben we er wel ruim drie jaar over gedaan om te besluiten om er te gaan wonen. We hadden toen – dachten we – een redelijk idee van de sociale omgeving waarin we terecht zouden komen. Het was voor ons vooral belangrijk te weten hoe het schooltje was. Onze zoon zou daar op zijn zesde jaar zijn lagere school beginnen. Dat leek ons een goed moment, maar hoe zat het met het onderwijs ter plaatse? We kregen alle medewerking om dat uit te zoeken. Ieder keer als we in Frankrijk waren mocht onze zoon meedraaien in het klasje waarin hij terecht zou komen. We waren verrukt. Het was een absoluut fantastische onderwijzeres, die later een goede vriendin van ons werd. Maar wij wisten toen nog niet dat zij al jaren haar best deed om uit dat vreselijke oord weg te komen. Toen we dat wél van haar hoorden, waren we al zo immuun geworden dat we dat als erg overdreven afdeden. Maar inmiddels weten we beter.
Om kort te gaan, eigenlijk gingen we naar Frankrijk omdat we de wijdsheid van Afrika misten, omdat het pand dat we gekocht hadden geweldige mogelijkheden had voor Jacqueline om haar vak uit te oefenen en omdat we dachten dat het voor onze zoon Serge veel leuker zou zijn om dicht bij de natuur op te groeien dan in een stad. Bovendien hadden we allebei werk dat we goed mee konden nemen naar Frankrijk. Jacqueline gaf theaterworkshops en ik was hoofdredacteur geworden van een kwartaalblad en deed zo af en toe een consultancy in Afrika. En zo vertrokken we op 30 juni 1994 met ons hele hebben en houwen, dezelfde dag dat we de overdracht van ons huis in Utrecht getekend hadden, naar Frankrijk. Zo ergens bij Arlon in de Belgische Ardennen waren we de schok te boven.