Hond in de stad

Eens in de zoveel tijd doe ik een donatie aan Amnesty. Niet automatisch want daar houd ik niet van, maar gewoon als ik denk: het wordt weer eens tijd. Het gevolg daarvan is wel dat ik daardoor voortdurend bedelbrieven plus cadeautjes krijg. Door het hele huis zwerven de nagenoeg onbruikbare balpennetjes van Amnesty International. Maar de laatste keer kreeg ik zo’n zwart tasje van ze waar je eigenlijk niets mee kunt doen behalve folders instoppen die je vergaart op een vakantiebeurs of op de HISWA. Ik heb er vele van, afkomstig van een Nigerijnse mensenrechtenorganisatie tot een spijkerbroekenwinkel. Voor mijn Amnesty-tasje heb ik nu een goede aanwending gevonden. Wij waren namelijk een paar dagen naar Parijs. Dat betekende dat we onze hond mee moesten nemen omdat pogingen hem ergens te laten logeren tot fiasco’s van verschillende aard hebben geleid, variërend van weglopen tot het doorknagen van een antieke houten deur.
Wij laten Mapenzi, zo heet onze hond, normaliter drie keer per dag uit, zelfs als hij de hele dag buiten is, want we hebben liever niet dat onze grasmat ontsierd wordt door hondendrollen. Dat weet hij, dus hij wacht met het naar de wc gaan tot we ons woonerf verlaten hebben. Dan zijn we ook meteen in zeg maar de vrije natuur, dus zijn er geen beperkingen in de keuze van de plek waar hij zich door zijn achterpoten laat zakken. Maar in de stad ligt dat anders wisten wij. Daar bestaan hoge boetes voor wildpoepen en bovendien vind ik het zelf niet prettig om op het trottoir tussen de hondendrollen te moeten slalommen. Nu zijn er altijd nog de straatgoten die in Parijs dagelijks worden schoongespoeld dus dacht ik dat die wel een goed alternatief zouden bieden, maar nee hoor die vallen ook onder het categorische verbod op hondendrollen. Dus zou ik mij voor het eerst in mijn leven van hondenbezitter bij het uitlaten moeten wapenen met plastic zakken en een schepje. Daarbij kwam het Amnesty-zakje zeer van pas: de juiste afmetingen en tegelijk maakte ik reclame voor de goede zaak.
In onze eerste grote wandeling was het Parc Georges Brassens inbegrepen. Dat leek ons handig want onze Mapenzi houdt er niet van om op steen of asfalt te defeceren. Op de hondenpagina van de website van de Ville de Paris had ik gevonden dat honden daar op de paden waren toegestaan. Maar dat was buiten een paar overijverige dienders gerekend die ons onverbiddelijk naar de uitgang verwezen. Mapenzi sloeg zich manmoedig door deze tegenslag heen, maar toen hij op de terugweg ergens een paar vierkante meter ongeplaveide grond zag werd het hem te machtig. Het resultaat mocht er wezen. Toen ik met schepje en plastic zak uit mijn Amnesty-tasje in de weer was, kwam een dakloze belangstellend staan kijken naar mijn bezigheden. Hij becommentarieerde ze ook. Het was maar goed dat ik mij aan de gemeentelijke verordening terzake hield want anders kon mij dat op een boete van wel 84 € komen te staan. Ik was er op dat moment niet helemaal van overtuigd of ik niet liever die boete zou betalen dan dat ik voor publiek bezig was Mapenzi’s uitwerpselen op te rapen. Bovendien loop je vanaf dat moment niet alleen met dat Amnesty-tasje, maar ook met een plastic zak met stinkende bruine smurrie en juist dan is er natuurlijk geen vuilnisbak in zicht. Na het oversteken van verscheidene kruispunten was hij er dan eindelijk: de transparante plastic zak opgehangen onder een groene deksel. En hij was nog helemaal maagdelijk ook. Ik liet er met een zucht van verlichting mijn handbagage in ploffen. Toen wij tien meter verder waren, zei mijn vrouw ‘kijk eens achterom’. Ik zag dat mijn plastic zak dwars door de bodem van de vuilniszak was heengeschoten en op het trottoir te pletter was gevallen.

Seydou

‘Ja, ja, zo hebben we allemaal wel ergens onze sentimentele erfenis’, zei ooit een collega tegen mij. Bij zo’n uitspraak kun je je natuurlijk van alles voorstellen, maar vast niet waar het in ons gesprek over ging. Ik zat op dat moment tussen twee contracten in. Ik was alweer een tijdje terug van een verblijf van drie jaar in Tanzania en zou binnenkort uitgezonden worden naar Burkina Faso. Degene wiens plek ik zou gaan overnemen in Burkina had mij gevraagd of ik zijn – ja hoe zal ik dat nou eens zeggen? in Engelstalige landen werd dat nog wel naar goed koloniaal gebruik de boy genoemd, in Franstalige landen was het eerder een cuisinier, een kok dus – laat ik maar zeggen bediende wilde overnemen en of hij dan aan zijn tante mijn bankrekening mocht doorgegeven zodat zij periodiek een bedragje voor Seydou kon overmaken. Hij vroeg het mij met een zekere gêne. Daar waren twee redenen voor. In de eerste plaats was Seydou helemaal geen cuisinier. Hij kon nog geen aardappel koken, nog geen eitje bakken. Dus ja, behalve voor het schoonmaken zou ik eigenlijk niet zoveel aan hem hebben, dus had mijn voorganger er alle begrip voor als ik ‘nou nee, bedankt’ zou zeggen. Maar hij was eigenlijk vooral gegeneerd door zijn eigen medeleven met Seydou. Wij geharde tropengangers hadden toch geen last van zulk soort sentimenten? Mooi wel dus. En ik ook, want ik nam Seydou over in de wetenschap dat er goede koks bij bosjes voor het oprapen lagen, gewoon omdat ik hem niet brodeloos wilde maken. En daarmee werd Seydou tegelijk mijn sentimentele erfenis. Spijt heb ik daar nooit van gehad. Hij bleek een ontzettend aardige jongen van een jaar of twintig te zijn. En hij was prima geschikt voor alle voorkomende huishoudelijke klussen die hij uitvoerde alsof er niets leukers op de wereld was, maar koken, nee, daar wist hij echt helemaal niets van. Om niet zelf straks te blijven zitten met een sentimentele erfenis die mij nog lange tijd zwaar op de maag zou liggen, besloot ik te doen wat zijn vorige werkgever natuurlijk ook had moeten doen, namelijk om hem op kookles te sturen. Daarmee, zo was mijn gedachte, zou zijn marktpositie aanzienlijk versterkt worden en zou hij niet brodeloos raken als mijn opvolger onverhoopt zou besluiten hem niet in dienst te nemen. Dat was niet slecht bedacht want mijn opvolger nam zijn eigen kok mee. Hij kwam van driehonderd kilometer verderop waardoor die arme man zijn familie zelden meer zag. Ik denk dat je dat nog net geen slavernij mag noemen. Dus Seydou ging op stage. Drie keer per week mocht hij meelopen met een door de wol geverfde kok in een bevriend huishouden. En de andere drie keer kon ik als een echte koloniaal ervan genieten dat bij thuiskomst de maaltijd voor mij klaarstond. En verder had ik dezelfde gêne als mijn voorganger, want vertellen deed ik dit verhaal niet. Want wij zaten dan wel in ontwikkelingshulp, maar goed doen, gewoon van mens tot mens, nee, dat was toch eigenlijk not done.