Eerlijk waar

‘Mais franchement’. Zodra die twee woorden worden uitgesproken, gaan al mijn haren recht overeind staan. Vooral als het een politicus is die het zegt. Letterlijk betekent het zoiets als ‘eerlijk gezegd’, maar de uitdrukking is verworden van ‘zonder flauwekul’ of ‘iedereen weet toch dat’ tot ‘je gaat me toch niet tegenspreken’ of  ‘als je iets anders beweert dan wat ik nu ga zeggen ben je wel de grootste onbenul die er op twee benen rondloopt’. Kortom, als de president van de republiek die woorden uitspreekt dan is er meer dan gewone aandacht nodig om te horen wat erop volgt. Des te vreemder dat er tot nog toe niemand gereageerd heeft op Sarkozy’s uitspraak dat er ‘franchement’ nu toch eens opgehouden moet worden om die anderhalf miljoen jagers in Frankrijk dwars te zitten. Die behoren toch al niet tot de beterbedeelden, zijn voor een deel zelfs werkloos, en dan gaan we toch niet die zielepoten van hun pleziertje afhouden om een massaslachting onder de trekvogels aan te richten? Hij zei het niet letterlijk zo, maar ik zweer het dat het daar precies op neer kwam. Ik begrijp natuurlijk ook wel dat die duizenden trekvogels helemaal niets beteken tegenover een BTW-verhoging met 1,6%.  Wat daar ging het eigenlijk over, die 80 minuten dat een viertal journalisten gisteren de president mochten interviewen, hetwelk over negen (!) kanalen werd uitgezonden. Sarkozy heeft daarmee zeven-en-een-half miljoen kijkers bereikt. Zijn uitdager voor het presidentschap François Hollande had een week eerder maar één kanaal tot zijn beschikking en haalde daarmee zes miljoen kijkers. Als we dat met negen vermenigvuldigen, hoeven we ons over de toekomst van Sarkozy geen zorgen te maken: die kan rustig trekvogels gaan schieten. Terwijl die BTW-verhoging niet doorgaat omdat hij de verkiezingen heeft verloren. Maar franchement,die trekvogels, is er nog iemand die zich daar om bekommert?

93 dagen

De komende drie maanden zijn voor mij puur geluk. Op 22 april vinden namelijk de Franse presidentsverkiezingen plaats. Dat lijkt op het eerste gezicht niet een reden om iemand in een staat van euforie te brengen. En sinds ik in Frankrijk woon, is dat om die reden ook nog nooit gebeurd. Ik heb de verkiezingscampagnes van 1995, 2002 en 2007 van nabij gevolgd. Nou ja, van nabij, vanuit Frakrijk. Ik heb in de buurt van mijn woonplaats nooit een presidentskandidaat zien langskomen, behalve Arlette Laguiller van Lutte Ouvrière, maar dat was geen echte kandidaat, dat was een Trotskiste die de arbeiders op hun historische opdracht wees. Het heeft niet geholpen. We zijn verder dan ooit verwijderd van de linkse revolutie.
In 1995 heb ik de strijd tussen Chirac en Jospin meegemaakt. Daarvan was alleen het voorspel interessant, namelijk de manier waarop Chirac het klaarspeelde om zijn partijgenoot Edouard Balladur uit te schakelen. Daarna was het een gelopen race. Jospin was in de strijd gekomen doordat ex-Europese Commissie baas Jacques Delors van zijn kandidatuur afzag. Voor mij was Jospin op dat moment een volslagen onbekende figuur. Hij scheen minister van Onderwijs geweest te zijn en was op dat moment eerste secretaris van de Parti Socialiste. In 2002 was het diezelfde Jospin die opnieuw in het strijdperk trad tegen diezelfde Jacques Chirac. Inmiddels was Jospin vijf jaar premier geweest onder de rechtse Chirac en had op zeer kundige wijze onder lastige omstandigheden een progressief beleid neergezet. Dat leek dus ook een gelopen race te gaan worden. Ware het niet dat alle linkse splinterpartijtjes zonodig met hun eigen presidentskandidaat moesten komen en op die manier Jospin beroofden van de nodige stemmen om in de tweede ronde te komen. In plaats van hem mocht Jean-Marie LePen het tegen Chirac opnemen. Dat is een zodanig traumatische ervaring geweest dat het welhaast onmogelijk is dat zo’n drama zich de komende tijd zal herhalen. In 2007 waren de socialisten zo dom om Ségolène Royale als hun kandidaat te kiezen. Als ze toen Dominique Strauss-Kahn hadden gekozen, had die de strijd van Sarkozy gewonnen en had hij bovendien niet in een New-Yorks hotel de strapatsen uit kunnen halen die hem later noodlottig zijn geworden. Een typische win-win situatie dus. Bovendien was zijn vrouw, Anne Sinclair, een veel leukere first lady geweest als die muis van een Bruni. Dit laatste heeft niets met sexisme te maken. Anne Sinclair heeft gewoon duizend keer meer te melden dan Carla Bruni.
Conclusie: er viel dus weinig te lachen, die afgelopen drie keer. Dat was in 1988 wel anders toen François Mitterand de vloer aanveegde met Chirac. Maar nu wordt het allemaal nog veel leuker. Na bijna vijf jaar ergernis over president Sarkozy, kan ik nu eindelijk om hem lachen. Waarom? Omdat hij vanaf mei geen president meer is, dat zelf ook heel goed weet, maar voortdurend de schijn ophoudt dat hij gelooft, nee weet, dat de Fransen hem opnieuw tot hun leider gaan uitverkiezen. Met die wetenschap wordt alles wat Sarko doet en zegt ontzettend komisch. Kon ik mij tot voor kort mateloos opwinden over de manier waarop hij ons toespreekt als een klasje debiele kleuters, nu lig ik dubbel van het lachen om deze fantastische persiflage van zichzelf. Hij is even leuk als Groucho Marx, op wie hij trouwens ook heel veel lijkt: een klein gewichtig doenerig mannetje dat veel te grote stappen neemt. Dit laatste mag ook in figuurlijke zin begrepen worden: hij loopt voortdurend een veel te grote broek op te houden. Nee, voor mij kunnen ze niet meer stuk, die komende 93 dagen, wetend dat Sarko zijn publieke optredens de komende tijd gaat verveelvoudigen. Dat wordt genieten. Dat is iedere avond Laurel en Hardy plus de Marx brothers. O, of het resultaat van die verkiezingen er voor mij nog toe doet? Ja jeetje, daar vraag je me wat. François Hollande, de kandidaat van de Parti Socialiste gaat het dus worden. Dat is iemand waar ik niet warm of koud van word. Hij heeft niet de daadkracht en de helderheid van een Lionel Jospin, maar het zal met hem ongetwijfeld een stuk beter gaan dan met Sarko. De grote vraag is alleen tegen wie hij het in de tweede ronde moet opnemen. Ik gooi er nu een gewaagde prognose tegenaan: dat wordt de zelfverklaarde centrum-kandidaat François Bayrou. Sarko blijft in de eerste ronde steken op ongeveer hetzelfde percentage als Marine LePen, die de extreem rechtse boodschap beter weet uit te dragen dan haar vader. Daar wordt ik daarentegen helemaal niet vrolijk van.

P.S.: Ik had het fout. Sarko kwam toch in de tweede ronde. En als die geen twee maar drie weken had geduurd, had hij waarschijnlijk nog gewonnen ook.

 

Parijs

Tien maanden geleden bracht ik mijn zoon naar een bejaardentehuis. Daar heb ik toen op mijn blog nog een verhaaltje over geschreven. Vorige week heb ik hem geholpen naar Parijs te verhuizen, een passender bestemming voor een twintiger. Hoewel hij het in zijn bejaardenflat in Amsterdam-noord prima naar zijn zin had en dat moet Parijs nog maar waarmaken. Wie zich met zekerheid uitstekend vermaakte in Parijs was zijn vader, ik dus. Zoals wel meer voorkwam in mijn generatie was ik al idolaat van Parijs zonder er ooit een voet gezet te hebben. Vanaf mijn twaalfde las ik alle Maigrets waar ik de hand op kon leggen en wapende me bij lezing met de plattegrond van Parijs om er toch maar vooral zeker van te zijn dat ik de plaatsen van handeling juist kon lokaliseren. Voor de bijbehorende beelden moest Simenon zelf zorgen, maar ik betwijfel of die, zoals ik ze voor me zag, veel relatie hadden met de Parijse realiteit: Amsterdam was de enige grote stad die ik wel eens van nabij had gezien. In latere jaren werd mijn beeld van Parijs langzamerhand ingevuld door de films die ik zag. Na het zien van A bout de souffle op mijn veertiende was ik een onvoorwaardelijke fan van Jean-Luc Godard, dus ik denk dat ik vooral het Parijs van Godard voor ogen had. Naar die stad moest ik toe, zoveel was wel zeker. Daar was het echte leven. Afgezien van het schooluitstapje naar Baarle-Hertog was ik nog nooit buiten de landsgrenzen geweest toen zich tijdens mijn derde studiejaar in Amsterdam de gelegenheid voordeed om met de vriend van een goede vriend naar Parijs mee te rijden. Voor onderkomen was ook gezorgd: het huis van de moeder van de vriendin van een vriend van deze twee vrienden. Mijn toenmalige geliefde en ik helemaal uitgelaten, want ook zij was behept met deze liefde voor alles wat met Frankrijk en in het bijzonder Parijs te maken had. Ondanks het feit dat wij tijdens dat Paasweekeind in Parijs ernstig ruzie kregen met onze chauffeur (dat was die vriend van die goede vriend) die dreigde zonder ons naar Nederland te vertrekken en dat de olietanker Torrey Canyon op de klippen was gelopen en zijn zwarte smurrie over de Bretonse kusten uitstortte, waren de drie dagen Parijs een groot succes. Ik had drie dagen lang het gevoel in mijn favoriete film rond te lopen. Sindsdien kan Parijs bij mij niet meer kapot. Wat ik er vooral aan heb overgehouden is de geur: sindsdien weet ik hoe Parijs ruikt. En dat maakt ook een film die zich in Parijs afspeelt tot een andere ervaring. Sindsdien had ik niet alleen de beelden en het geluid, maar ook de geur. En zo kon ik vorige week, toen ik met mijn zoon in zijn nieuwe onderkomen was aangekomen, constateren: ‘Je bent nu echt in Parijs’. Hij keek me verbaasd aan en ik legde hem uit dat het die specifieke geur in een Parijs’ appartement was die mij vijfenveertig jaar geleden was opgevallen en mij altijd is bijgebleven. En opeens had ik weer dezelfde behoefte als toen om Parijs te ontdekken en er niet alleen maar, zoals de afgelopen twintig jaar, op doorreis te zijn, of  voor die ene expositie. Nee, gewoon doelloos door Parijs dwalen. En zo ben ik drie dagen lang te voet, per bus, tram of, als het echt niet anders kon, per metro kris-kras door die stad gezworven. En echt, Parijs is daar nog steeds een ideale stad voor.