Weski for Minister

Laat ik vooropstellen dat ik weinig op heb met de Franse president Emmanuel Macron, noch met zijn voorgangers François Hollande, Nicolas Sarkozy en Jacques Chirac trouwens. François Mitterand is een ander verhaal. Dat was een zo gecompliceerde persoonlijkheid dat je, als je het over hem hebt je altijd moet afvragen over welke Mitterand het eigenlijk gaat. Maar Macron dus. De president die een nieuwe weg wilde inslaan, noch links, noch rechts, maar ook geen centrum. En de president van het ‘en même temps’, het ene doen maar het andere niet laten. Het netto resultaat is een beleid waar Sarkozy zich niet voor zou hebben geschaamd. Toch heb ik nog wel een klein zwakje voor Macron. Dat realiseerde ik mij zondagavond toen ik naar zomergaste Inez Weski zat te kijken. Tussen twee haakjes: eindelijk eens een bekende Nederlander die geen behoefte had haar innerlijke drijfveren tentoon te spreiden of om te vertellen door welke gebeurtenissen in haar jeugd ze getekend was, maar die een zaak te bepleiten had en een verhaal te illustreren. Kuddegedrag en uitholling van de rechtsstaat. Bij dat laatste stond ik wel even paf. Opnieuw wreekte zich mijn vijfentwintig jaar afwezigheid uit Nederland: kijk je even de andere kant op en dan breken ze achter je rug de rechtsstaat af. Ik dacht ook: hoe kan dat nou? Gedurende een groot deel van mijn afwezigheid waren Hirsch Ballin en Donner minister van Justitie en dat waren toch geen lichtgewichten, noch politiek, noch juridisch. Datzelfde zou ik niet durven zeggen van de huidige minister. Misschien is hij een kundig arbeidsjurist, hij heeft zelfs een werkje getiteld ‘Rafels aan de rechtsstaat’ geschreven, maar zijn politieke gestuntel maakt dat je ieder publiek optreden van de man tenenkrullend volgt. Nee, niet iemand aan wie je blindelings een van onze belangrijkste verworvenheden toevertrouwt. Zulke dingen gingen door mij heen door het optreden van Inez Weski. Je kon uit haar woorden opmaken dat de staat van het strafrecht de lakmoesproef is voor toestand van de rechtsstaat. En dan is er in Nederland alle reden voor bezorgdheid. Nu kom ik weer op Macron. Want wie heeft hij aangesteld als minister van Justitie in zijn (exclusief staatssecretarissen) 31-koppige regering? Eric Dupond-Moretti, zeg maar de Inez Weski van Frankrijk. Hij is een van de belangrijkste strafpleiters van Frankrijk en heeft, zoals Weski, de verdediging op zich genomen van misdadigers voor wie ik liever een straatje om loop. Door de benoeming van Dupond-Moretti heeft Macron zich de woede op de hals gehaald van de voltallige rechtelijke macht. Dat lijkt me in het kader van de door Weski gesignaleerde minachting van het Openbaar Ministerie voor de verdediging van verdachten – blijkbaar een verschijnsel dat zich niet aan landsgrenzen houdt – een goed teken. Kunnen we in Nederland ook niet zo’n swap maken? Weski for Minister!

Ergernissen

Eind jaren tachtig. Ik woon in Brussel een vergadering bij van een Europese NGO. Voertaal Engels. De deelnemers worden toegesproken door de Nederlandse directeur van die NGO. Hij vertelt over een bijeenkomst die hij heeft bezocht en over de informatie die hij daar heeft opgedaan. En dan: “I want to share this information with you”. Tja, denk ik dan, hoe doe je dat, informatie delen. In stukjes hakken en iedereen een of twee woorden geven? Ik kon toen nog niet bevroeden dat dit gruwelijke amerikanisme jaren later gemeengoed zou worden in onze al te receptieve taal.¹ Volgens de Van Dale betekent delen: 1. in delen splitsen 2. verdelen, elk zijn zijn aandeel geven 3. erven (maar dat komt niet in heel Nederland in die betekenis voor) 4. uit een getal en een gegeven factor de andere factor vinden (zes gedeeld door drie is twee) 5. instemmen met (een gevoelen, een mening delen). Die laatste betekenis komt een beetje in de richting van het delen van informatie, maar gedeelde smart is halve smart is toch wel heel iets anders dan met iemand een paper delen (nietje eruit en hier heb jij de andere helft?) en een mening met iemand delen, betekent helemaal niet dat je die iemand jouw mening geeft, maar dat je dezelfde mening bent toegedaan. Soms benijd ik de Fransen, die een instituut hebben dat over de zuiverheid van de taal waakt (de Académie Française) maar meestal kan die de agressieve Amerikaanse import toch niet tegenhouden. Langzamerhand wordt numérique ingehaald door digital, is de courriel vrijwel volledig vervangen door mail of mèl, maar de octet houdt stand tegen de byte. Dat laatste komt waarschijnlijk doordat, wanneer je byte op zijn Frans uitspreekt, dat zoveel wil zeggen als lul.

Toen ik voor het eerst iemand hoorde zeggen dat iets dierbaar was, dacht ik dat het een verspreking was. Iets is me/je/hem dierbaar, toch? Dierbaar is toch geen eigenschap? Dit is een dierbare auto, wauw! Dat kan toch niet? Een auto kan je dierbaar zijn, maar dat is omdat jij er een bepaalde waarde aan hecht, niet omdat het een objectieve kwaliteit van die auto is. Als het woord dierbaar in die mijns inziens verkeerde betekenis wordt gebruikt is dat vaak samen met woordje zo: Zó dierbaar. Ook vanuit het angelsaksische spraakgebruik binnengeslopen. Soort van hinderlijk.

En zo kan ik nog wel even doorgaan met wat in modern Nederlands jeukwoorden heet. Het probleem met neologismen als jeukwoord is dat, als je ze maar vaak genoeg hoort, ze zelf ook weer jeukwoorden worden. Het Drosteblikeffect. Trouwens ook vaak genoeg misbruikt om als jeukwoord aangeduid te kunnen worden.

Als ik anderen deelgenoot maak² van dit soort ergernissen, krijg ik doorgaans te horen
a) dat ik niet zo moet zeuren,
b) dat een taal een levend iets is, dat in de loop van de geschiedenis ingrijpend is veranderd en dat ook altijd zal blijven doen.
Dat laatste argument trek ik me wel aan. Ik voel weinig voor herinvoering van het Latijn als lingua franca. Dat lijkt me meer iets voor het partijprogramma van Thierry Baudet. Het Engels staat stijf van de Franse leenwoorden, het Nederlands heeft er ook niet weinig. Alleen al in dit stukje staan er vermoedelijk enige tientallen. Ik vind ook helemaal niet dat de Nederlandse Taalunie allemaal woorden had moeten uitvinden voor nieuwe verschijnselen of zaken. Computer, digitaal? Mij best. Zelfs met de laptop en de smartphone kan ik uit de voeten. Daar nieuwe termen voor bedenken heeft al gauw iets potsierlijks. Maar als het overnemen van woorden en uitdrukkingen het gevolg is van luiheid om te bedenken wat het Nederlandse equivalent is of van duurdoenerij (sale, impact, audit, stakeholder, adresseren van issues), dan gaan mijn haren overeind staan. Met zulke woorden in de mond zou ik nog niet dood gezien willen worden. Dat is dan wel een behoorlijk anglicisme, maar het blijft een leuke uitdrukking.

P.S.: Ik heb dit verhaaltje gedeeld met mijn echtgenote. Haar reactie was: Zit niet zo te zeuren.

¹ In de NRC van vandaag 16/07/2020 lees ik: “COA en politie delen privacygevoelige data van asielzoekers” en dat wil zeggen dat de COA persoonlijke gegevens aan de politie doorgeeft.
² Bruikbaar alternatief voor het verkeerde gebruik van het werkwoord delen.

Serial killer

Het duurt nooit lang. Je spreekt iemand en binnen een minuut gaat het over het Coronavirus. Tenzij je een afspraak bij je garage wilt maken of iets dergelijks. In het begin van de pandemie wilden we nog graag weten hoe serieus de ander de bedreiging nam, maar drie-en-een-halve maand later zijn we allemaal min of meer volleerde epidemiologen geworden en kunnen we haarfijn de vinger leggen op de inconsistenties in de al of niet dwingende regels van de overheid. We zijn gewapend met een intellectueel instrumentarium dat ons inzicht geeft in de Covid-19. We begrijpen zo’n beetje waar het allemaal om draait bij deze infectieziekte en dat geeft een gevoel van veiligheid. We zijn als het ware in een paar maanden tijd van de duisternis van de Middeleeuwen in de Verlichting terecht gekomen. Maar veel meer dan een gevoel is het niet. Een prettig gevoel, dat wel, en ik wil ook best aannemen dat een goed humeur en een positieve kijk op het leven in sommige gevallen kunnen helpen bij het lichamelijk gezond blijven of worden, maar ik weet niet of dat ook geldt in het specifieke geval van de Covid-19. Als profylaxe lijkt het me in ieder geval even ongeschikt als een rot humeur en pessimisme, of als hydroxychloroquine. Sterker nog, ik vermoed dat begrip en het daaruit voortkomende gevoel van veiligheid eerder onze weerstand verslappen dan versterken. We denken over het algemeen dat het begrijpen van een probleem al zo’n beetje het oplossen ervan is. Was het maar waar! Als dat zo zou zijn, weet ik minstens één beroepsgroep die dan aanzienlijk kleiner zou zijn dan nu het geval is: psychotherapeuten. Hun werk begint pas als het probleem onderkend en begrepen is. Doorgaans duurt het oplossen dan nog wel even. Maar met het Coronavirus is het allemaal nog een paar graden erger. Virologen kunnen perfect de werking van het virus begrijpen zonder daar meteen een remedie voor de infectie uit te kunnen distilleren. Het virus is door al het begrip dat we hebben opgedaan geen steek minder gevaarlijk geworden. Het lijkt er zelfs op dat het virus een stuk slimmer is dan ons, zijn slachtoffers. Door voortdurend te muteren is zijn gedrag minder voorspelbaar dan wij zouden wensen. In dat opzicht lijkt hij wel op een hyperintelligente serial killer, een Netflix serie van zes seizoenen waardig.