Het echte Frankrijk-gevoel

Ik leef in een land waarin het verleden nooit ver weg is. Iemand aanmerken als Jacobijn of Bonapartist is gemeengoed. Naar welke figuren of bewegingen of figuren rond 1800 grijpen wij Nederlanders nu terug? We hebben niet eens meer een Anti-Revolutionaire Partij! Dus nee, 1789 is voor ons prehistorie. Nu wil ik niet zeggen dat de Bastille hier nog dagelijks bestormd wordt, maar het Tahrir-plein werd hier al heel snel de Egyptische Bastille genoemd. Mooi is dat, een volk dat zijn eigen verleden kent. Rita Verdonk zouden er de tranen van in de ogen springen. Maar, aan de andere kant, zouden bij de jongeren in de Parijse randgemeenten dit soort vergelijkingen ook spontaan opborrelen? Ik denk van niet. En bovendien valt er op dat historisch bewustzijn ook wel wat af te dingen. Wat te denken van een Sarkozy die zich tijdens zijn verkiezingscampagne in 2007 op het gedachtengoed van de grote socialistische voorman Jean Jaurès beroept? Dat is zoiets als Marc Rutten die zich de ideologische nalatenschap van Pieter Jelles Troelstra toe-eigent. Maar weten we in Nederland überhaupt nog wel wie Troelstra was?
Aan de affaire Dreyfus worden we hier ook regelmatig herinnerd. Even ter opfrissing: in 1894 werd kapitein Dreyfus veroordeeld en verbannen naar Duivelseiland omdat hij geheime documenten aan de Duitsers zou hebben geleverd. Al gauw bleek dat de hele affaire door een collega legerofficier met vervalsingen in elkaar was geflanst en hoofdzakelijk dreef op de troebele wateren van antisemitisme. Emile Zola schreef in 1898 zijn vlammende pamflet J’accuse, dat de affaire een radicaal andere wending gaf en lange tijd Frankrijk verdeeld hield in Dreyfusards en anti-Dreyfusards. Je zou dan denken: daar zullen die Fransen wel wat van geleerd hebben. Maar nee, het lijkt wel of het antisemitisme in dit land is uitgevonden. In de jaren dertig kreeg het een bloed-en-bodem tintje, doordat in ranzige geschriften de liefde voor het land geplaatst werd tegenover het kosmopolitisme. Lees: de echte Fransen tegenover de onechte, dus Joden, zigeuners en andere profiteurs. Van dit abjecte gedachtengoed hebben Franse politici zich nooit weten te ontdoen. Er is het Frankrijk van de Fransen die modder aan hun laarzen hebben en er is het Frankrijk van die anderen, die niet geworteld zijn in de Franse bodem. De laatste ontsporing op dit gebied is afkomstig van de fractieleider van de de regeringspartij UMP, Christian Jacob. Over de mogelijke presidentskandidatuur van Dominique Strauss-Kahn wist hij te melden dat hij niet het beeld van het rurale Frankrijk belichaamt, het Frankrijk van de streken, het Frankrijk waarvan we houden. Lees: het Frankrijk waar mijn voorouders geboren zijn en niet die van Dominique Strauss-Kahn. Nee, nee, werd er vergoelijkend door zijn partijgenoten geroepen, hij bedoelt alleen maar dat Strauss-Kahn al zo’n tijd als directeur van het IMF in Washington zit dat hij niet meer weet wat de gewone Fransen beroert. Nou, beste mensen, ik zit hier tot mijn enkels in de Franse modder. Ik moet een paar keer per dag de kleibonken van mijn zolen afschrapen, maar ik pretendeer toch echt niet meer te weten over de gewone Fransen dan Strauss-Kahn. Want die gewone Fransen wonen helemaal niet op het platteland. Al die verheerlijking van het Frankrijk met alpinopet en baguette slaat helemaal nergens op. De boeren van Frankrijk vormen 2% van de beroepsbevolking en het platteland loopt nog steeds verder leeg. Tijdens een ongehoord klef  door de tv uitgezonden samenzijn van twee-en-een-half uur van onze president en een aantal gewone burgers, zong Sarkozy zijn verplichte ode aan de Franse boerenstand, waar hij zei zo trots op te zijn. Er was een jonge boer in het gezelschap. Die keek hem ironisch aan en zei: ‘Maar meneer Sarkozy, er zijn bijna geen boeren meer.’
Vandaag wordt in Parijs de Salon de l’agriculture geopend, de grote jaarlijkse landbouwtentoonstelling. De gelegenheid voor politici om hun verbondenheid met de Franse bodem te tonen, terwijl ze op koeienkonten kloppen. Oud-president Chirac was er een meester in. Voor Sarkozy is het een verplicht nummer. Maar zolang er geen politici durven op te staan om te roepen dat we de kleren van de keizer staan te bejubelen, garandeer ik dat we hier nog vele jaren in de naweeën van de affaire Dreyfus moeten leven.

Maria Schneider

Een kleine veertig jaar geleden was ik een blauwe maandag filmrecensent bij het toenmalige weekblad De Nieuwe Linie. Eens in de vier weken mocht ik een recensie schrijven in plaats van de vaste recensent. Het idee was om een plek te geven aan jong aanstormend talent en tegelijk om de vaste recensent langzaamaan de deur uit te werken omdat zijn kritieken een beetje roestig aan het raken waren. Ik vond het allang best. Ik ging graag naar de film en nu kreeg ik opeens de kans om geheel gratis met in de pauze een glas sherry en een broodje massa’s films te zien voordat gewone stervelingen die zagen. Bovendien kreeg ik eens in de maand betaald voor een artikel van 1500 woorden. Niet veel, maar voor de armlastige student die ik toen was toch mooi meegenomen. Het plezier was van korte duur. De vaste recensent had het opzetje wel begrepen. Hij besliste welke films ik zou bespreken en stuurde me met uitzondering van de eerste keer naar verrotte films waar geen eer aan te behalen viel. Toen ik me voor de zoveelste keer had zitten vervelen bij een minder dan middelmatige film (overigens wel  met een van mijn favoriete actrices: Stéphane Audran) zon ik op wraak. Vlak voordat ik mijn recensie moest inleveren ging op eigen zak naar Last Tango In Paris van Bernardo Bertolucci. Ik was verbijsterd. Het is een van die films die bij mij een blijvende indruk hebben achtergelaten. Niet zozeer door de gedurfdheid van het verhaal of door de schokkende beelden. Ik geloof niet dat ik het grenzenoverschrijdende karakter van de film in de gaten had. Ik was in mijn eigen leven bezig allerlei grenzen op te zoeken en wellicht te overschrijden. Misschien dat daardoor dat aspect niet meteen tot mij doordrong. Het was vooral het feit dat de film ging over dingen die ik voor mezelf bezig was uit te zoeken dat zo’n indruk maakte. Laat ik het hier maar aanduiden als de rol van seksualiteit in intermenselijke relaties. Dat je op zo’n expliciete manier over zulke dingen een film kon maken, was nog nooit bij me opgekomen. Ik besloot dus die keer een dubbelrecensie te schrijven. Halverwege mijn kritiek meldde ik dat ik ook nog een andere film had gezien met een Paul in de hoofdrol en dat dat wel volslagen andere koek was. De hoofdredacteur was not amused over deze pas de deux, ik werd aan de kant gezet en had mijn laatste tango bij De Nieuwe Linie gedanst.
Ik kom daarop omdat op 3 februari Maria Schneider is overleden. Zij was de tegenspeelster van Marlon Brando in Last Tango. Een jong meisje (ze was negentien) dat onder bizarre omstandigheden een relatie aangaat met een oudere kersverse weduwnaar. De schandalen die de film heeft teweeggebracht is ze eigenlijk nooit te boven gekomen. Ze raakte aan de drugs, speelde nog wel eens in een film – zelfs een keer onder regie van onze eigen Nouchka van Brakel – maar het bleef bijna allemaal onder de maat. Bertolucci erkent nu, negenendertig jaar later, dat Schneiders verwijt dat hij haar jeugd heeft afgenomen wel klopt: ‘ze was te jong om het onvoorziene en plotselinge succes van de film te kunnen incasseren.’ Hij had haar daarvoor nog om vergeving willen vragen. Te laat. Dat deed me denken aan een liedje van Louis Chedid dat luidt: ‘We zeggen te weinig tegen de mensen van wie we houden dat we van ze houden.’