Rood haar en een bontkraag

Ik lees op dit moment Het land van herkomst van E. du Perron. Het begin van dat boek is voor de niet-ingewijde nogal verwarrend, dus ik dacht dat misschien eindelijk het boekje Drie vrienden van W.L.M.E. van Leeuwen over Marsman, Ter Braak en Du Perron dat ik ooit in de jaren zestig kocht, me toch nog mooi van pas kon komen. Met een trefzekere greep haalde ik het uit de boekenkast. Bladerend in het boekje merkte ik dat er een foto in zat: een foto van een jonge vrouw in een winterlandschap, een al aardig verbleekte kleurenafdruk van 8½ x 8½ cm. Ik denk niet dat ik haar gekend heb. Ik herinner me haar tenminste niet. En dat maakt het vreemd, want ik dacht dat ik het boekje nieuw gekocht had. Maar hoe is dan die foto erin gekomen? Ik heb me suf zitten peinzen, maar ik kan er geen plausibele verklaring voor vinden. Te meer omdat het niet het soort boek is dat je uitleent, tenzij aan een student Nederlands en ik woonde in die tijd wel samen met een studente Nederlands, maar ik herken in het meisje niet een van haar toenmalige medestudenten. Als ik het boekje tweedehands gekocht zou hebben – en ik kocht in die tijd wel eens wat in een van de boekenstalletjes in de Oudemanhuispoort – zou daarmee het spoor doodlopen. Maar bij nadere beschouwing is dat niet zo, want ik moet ook destijds in dat boekje gebladerd hebben omdat ik me aantal van de illustraties eruit kan herinneren. Dus zou ik toen al die foto moeten zijn tegengekomen. En daar herinner ik mij niets van en bovendien zou ik hem er dan uitgehaald hebben. Met andere woorden die foto moet in het boekje zijn gekomen toen het al een tijdje in mijn bezit was. En toch weet ik niet wie het meisje is. Normaal gesproken niet iets om je druk over te maken, maar mij laat het al twee dagen niet los. En dat komt omdat het zo’n vreemde foto is. Niet op het eerste gezicht: meisje links op de voorgrond, alleen hoofd en een deel van het bovenlichaam, daarachter een laan – vermoedelijk een zandpad – omzoomd met beuken en een enkele spar, dit alles bedekt met sneeuw. Verderop in de laan een rijtuigje met een volwassene en een kind op de bok, dat drie sleeën met kinderen trekt. Het trekdier is niet zichtbaar, maar het moet een klein paardje of een pony zijn. Het meisje heeft een bruine wollen jas aan met een beige motiefje en een bontkraag. Ze heeft dik rood haar dat tot op haar schouders valt en ze heeft aan de linkerkant een scheiding in het haar. Ook haar wenkbrauwen zijn rood. Ze heeft donkerbruine ogen en volle lippen. Ik denk dat je kunt zeggen dat ze een mooi gezicht heeft. Als ze glimlachend in de camera had gekeken zou het een leuke foto zijn geweest en zou ik er denk ik niet meer naar om hebben gekeken. Maar in dit idyllische wintertafereeltje kijkt ze weg met een bedrukte blik. Ze is zeker niet blij, ik denk zelfs dat ze tamelijk ongelukkig is. Terwijl, zo stel ik me voor, haar vriend die foto neemt. Wie zou anders die foto genomen kunnen hebben? Haar vader of moeder? Niet waarschijnlijk. Ze heeft al niet meer de leeftijd dat je op zondagmiddag met je ouders gaat wandelen. Een vriendin? Zou natuurlijk kunnen. Maar nou was het in die tijd wel zo dat het meestal de mannen waren die fotografeerden en maar zelden de vrouwen. Dus ik hou het op haar vriendje. En ik denk dat de relatie niet erg lang meer geduurd heeft. Er zit zo’n leed in die blik, waar blijkbaar dat vriendje weinig aan kon verhelpen. Wat die foto nog triester maakt, is dat het winterplezier wegrijdt. Het gaat langzaam maar zeker richting horizon om voorgoed te verdwijnen en zij blijft daar met dat grote verdriet achter. Het noodlotsgevoel wordt nog versterkt door de plek in het boekje waar ik de foto heb aangetroffen: tussen twee pagina’s die gaan over Marsmans gevecht met de dood (en in uw roekelozen lach/ klinkt uit een verte snel gesmoord,/ een echo door van een accoord,/ dat ge eeuwig u verborgen dacht,/ het lachen van den dood.)
Ondanks het feit dat ik zo ongeveer het verhaal achter de foto bij elkaar kan verzinnen, blijf ik met een onbevredigend gevoel zitten. Ik voel mij een beetje zoals in het gedicht Aan Rika van Piet Paaltjens: Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart/ Gezeten in een sneltrein, die de trein/ Waar ik mee reed passeerde in volle vaart./ De kennismaking kon niet korter zijn.
En toch, zij duurde lang genoeg om mij/ Het eindeloos levenspad met fletse lach/ Te doen vervolgen. … Zo ernstig als de dichter ben ik er niet aan toe. Ik heb niet de indruk dat ik in dit meisje de vrouw van mijn leven ben misgelopen, maar ik zou zo’n vijftig jaar nadat de foto gemaakt is toch wel heel graag weten wat er op dat moment in haar om ging

That old feeling

Ik heb onlangs een nieuw scanapparaat gekocht. Zo’n ding waarmee je documenten en negatieven kunt digitaliseren. Niets bijzonders, alleen ontdekte ik dat ik met dit apparaat met enige behendigheid ook negatieven met afwijkende afmetingen kon inscannen. En dat kwam goed uit want ik had nog ergens tussen de duizenden kleinbeeldnegatieven een mapje met negatieven van een ander formaat. Die waren afkomstig van mijn Kodak Starlet, mijn eerste en bovendien van mijn eigen geld gekochte fototoestel. Tot dan was het enige in huis aanwezige fototoestel de box van mijn vader, zo’n apparaat dat je voor je buik hield om dan op een piepklein glazen scherm een beeld te zien verschijnen dat geacht werd op de foto te komen als je afdrukte. Ik zeg dat niet voor niets met enige voorzichtigheid want vaak viel het resultaat nogal tegen. Vooral bij ongunstige lichtomstandigheden. Er viel namelijk niets in te stellen: het apparaat had één sluitertijd en één diafragma. Mijn Kodak Starlet was in zoverre een vooruitgang dat ik kon kiezen tussen drie diafragma’s: een zonnetje, een zonnetje met wolk en alleen wolk. Bovendien zat er een zoeker op die je voor je oog kon houden, zodat je een iets helderder idee van het te fotograferen object kreeg. Te oordelen aan de negatieven die ik nu ingescand heb was dat nog geen garantie voor betere resultaten. Toch moest je buitengewoon selectief zijn en wel tien keer nadenken voor dat je een opname maakte, want er zaten als ik mij goed herinner maar twaalf opnamen op een filmpje en normaal gesproken moest je daar toch wel de hele vakantie mee kunnen vastleggen. Waarom ik dit allemaal vertel, is omdat er plotseling een foto op mijn beeldscherm verscheen (wel een stuk prozaïscher dan toen hij nog geleidelijk uit het ontwikkelbad tevoorschijn kwam) die ik mij niet meer herinnerde. Dat gold voor de meeste van die foto’s trouwens. Maar bij deze kwam er iets bij: het was een foto van mijzelf, maar ik had moeite er mijzelf in te herkennen. Meestal lukt me dat wel bij oude foto’s, maar deze keer niet. Ik kon wel zien dat ik het was, maar daar hield de herkenning op. Er lag iets in de blik van die jongen dat ik niet thuis kon brengen. Ik zit er in de kajuitopening van een ouderwets zeiljacht. Alles hout, katoen en touw. Ik ruik weer de geur van getaand touw als ik het plaatje zie. De achtergrond is een brede vaart, vermoedelijk ergens in Friesland. We varen met ruime wind en de enige golven zijn die, die worden voortgebracht door de boot zelf. Ik zit geheel in het zwart gekleed met een al even zwarte schipperspet recht in de cameralens te kijken. Een glimlach onthult een gebit dat sterk doet denken aan dat van Vestdijks personage Philip Corvage in Ivoren wachters: rampzalig dus, maar ik kan me niet herinneren dat ik me er ooit maar een moment voor geschaamd heb. Veel herken ik uit het plaatje, maar niet die blik. Als je mij gevraagd zou hebben hoe ik me op dat moment voelde, dan zou ik zeggen: de koning te rijk. Ik was in mijn element. Op dat prachtige zeiljacht met een bloedgang door het Friese landschap stuivend, dat was toch ongeveer waartoe ik bestemd dacht te zijn. Maar die blik zegt iets anders. Die houdt iets achter. Die vertelt me dat de jongen in kwestie grote verwachtingen van het leven heeft, maar daar nog geen concreet beeld van heeft. Dat dit nog maar het voorprogramma is en dat de hoofdfilm nog heel wat anders wordt. Maar hoe anders, wat anders? Daar heeft hij nog weinig weet van. En intussen doet hij een stapje opzij. Bekijkt de wereld van een afstand: reculer pour mieux sauter.
Een paar jaar geleden had ik een kortstondige elektronische briefwisseling met een jeugdvriend. We hadden elkaar tijdens onze hele schoolperiode gekend en ontmoetten elkaar zelfs nog een paar keer tijdens de studiejaren. Hij schreef me hoe leuk hij de middelbare schoolperiode had gevonden en wat voor geweldige herinneringen hij aan die tijd had. Ik vroeg mij af of wij niet in twee verschillende werelden hadden geleefd want bij mij overheersten de pijnlijke herinneringen. Een van die pijnlijke dingen was dat wij een tijdlang goede vrienden waren en daarna totaal uit elkaar groeiden. Hij concludeerde dat ik wel een verzuurde oude zak geworden moest zijn als dat soort dingen me nog steeds dwarszaten. Ik weet niet of ik daar nog op gereageerd heb of gedacht heb: hij begrijpt het niet en hij zal het nooit begrijpen dus laat maar. Want nee, ik koester niet Das Leiden des jungen Tons, maar ik ben wel nieuwsgierig naar de jongen die ik eens was. Op mijn vijftiende was ik diep geroerd door een liedje gezongen door Chet Baker, That Old Feeling. “There’ll be no new romance for me, it’s foolish to start, ‘cause that old feeling is still in my heart.” Wat moet een vijftienjarige nou met zulk soort teksten? En toch, de muziek, de tekst, voor mij had het alles te maken met een levensgevoel, een toekomstverwachting. Er kwam iets groots aan, dat kon ik aan alle kanten voelen. Het kwam er op aan om op tijd het vertrouwde bekrompen wereldje te verlaten en dan zouden de goede tijden aanbreken. Dan zou het leven ten volle geleefd gaan worden. En zo is het gegaan. En dat was allemaal al in die blik van die jongen op die zeilboot te lezen. Of bezondig ik me aan wat ze hineinintrepretieren  noemen? Ongetwijfeld, maar toch geloof ik dat het waar is.