Volgend jaar naar Afrika

‘Wanneer gaan jullie terug naar Nederland?’ Sinds we hebben laten weten dat deze zomer de laatste is van ons cursuscentrum in de Morvan, is dit de standaardvraag die ons gesteld wordt. Curieus eigenlijk. De veronderstelling is dat, als eenmaal het werk hier ophoudt, de aantrekkingskracht van Nederland zo groot zal zijn dat wij onvermijdelijk terugkeren naar ons vaderland. De enige uitzondering op deze regel is tot nu toe een Nederlandse vriend die al twintig jaar in Spanje woont. ‘Je gaat natuurlijk niet terug naar Nederland’, nam hij aan toen ik hem vertelde dat wij na de zomer de tijd gaan nemen om over onze toekomst na te denken.
Op de vraag wanneer wij teruggaan naar Nederland volgt vaak – zonder mijn antwoord af te wachten – de constatering dat het wel erg moeilijk zijn om afscheid te moeten nemen van onze huidige plek. Het is waar, we wonen prachtig, in een prachtig gebouw met een prachtige tuin, in een prachtige omgeving. Maar ik heb nog steeds de overtuiging dat je ook van schoonheid kunt genieten als je er niet de eigenaar van bent. Bovendien heb je dan niet de zorgen van het onderhoud van al dat prachtigs. Dus ja, als het zover is, zal ik met pijn in mijn hart afscheid nemen van onze mooie stek, maar ook met het prettige gevoel dat ik er opeens twee of meer dagen per week bij heb. Maar of ik die, met die andere vijf, in Nederland wil doorbrengen is nog maar helemaal de vraag. Wat is het aangename van Nederland? Dat ik er familie en vrienden heb wonen. Maar voorlopig zijn die nog reislustig en goed ter been en dat zijn  wij zelf ook, dus dat kan geen goede reden zijn. Wel is het zo dat je in deze levensfase gauw geneigd bent de vergissing te maken om de rest van je leven als een homogene periode te zien. Alsof het leven in drie fases is in te delen: een vormende tot pakweg je vijfentwintigste, een werkzame tot je vijfenzestigste en dan nog het lange rechte eind naar de finish. Alsof de weg die je bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd inslaat, een definitieve onomkeerbare keuze voor die laatste fase is. Zoiets als de schoolkeuze op je twaalfde: wordt het vmbo (ik wilde schrijven lager beroepsonderwijs maar dat bestaat dus niet meer; wee de onverlaten die daar verantwoordelijk voor zijn) dan zal het zeker geen vwo worden. Of je studiekeuze op je achttiende: ga je sociologie studeren, dan is de kans buitengewoon klein dat je dat later nog verandert in wiskunde of dat je besluit loodgieter te worden. Volgens mij is het aangename van deze levensfase nou juist dat je bijna alle kanten op kunt en ongestraft van richting kunt veranderen. Gezondheid en financiële middelen perken misschien je keuzevrijheid wat in. Maar er blijft altijd genoeg te kiezen over. Een nieuwe academische studie? Waarom eigenlijk niet. Een nieuwe relatie? Het gebeurt dagelijks. Verhuizen naar Marrakesh? Ook met een bescheiden pensioen schijn je daar nog heel aardig te kunnen leven. Om over exotischer plaatsen op deze planeet maar te zwijgen. Maar wat ik eigenlijk zeggen wil, is dat het bereiken van die felbegeerde status van gepensioneerde je de mogelijkheid geeft om niet verder vooruit te hoeven denken dan zeg vijf jaar. Je hoeft geen huis meer te kopen met een hypotheek met een looptijd van dertig jaar. Je hoeft geen carrière meer te plannen. Je hoeft geen rekening meer te houden met kinderen die nog vijftien jaar afhankelijk van je zijn. Kortom, eindelijk kun je een beetje onverantwoordelijk aanrommelen zoals je het had moeten doen toen je twintig was. Sinds ik me dat realiseer, geef ik volstrekt onverantwoordelijke antwoorden op vragen over mijn toekomst: ik weet het niet, ik zie wel, lijkt me ook wel leuk, misschien ga ik wel… De beste is tot nu toe: ‘We denken erover om volgend jaar naar Afrika te vertrekken.’ ‘Met vakantie?’ ‘Nee, voor onbepaalde tijd.’ Succes verzekerd. 

Moeder de gans

Twee weken op een plek zonder elektriciteit en internet. Sterker nog: zonder stromend water. Voor sommigen ongetwijfeld een horrorscenario, voor anderen misschien iets om te dromen over het ware leven in de ongerepte natuur. Maar ik ga er niets over vertellen. Ik ben al lang geleden opgehouden met het vertellen over mijn vakanties. Na mijn eerste reizen naar verre streken, meende ik dat ik iedereen moest vertellen van al het mooie en bijzondere dat ik onderweg had gezien. Het zal wel aan mijn gebrekkige verteltalenten hebben gelegen, maar dat resulteerde altijd in gegeeuw. En als ik probeerde er nog een schepje bovenop te doen met nog een paar superlatieven, het mocht niet baten. Verveling. Dus besloot ik na verloop van tijd alleen nog maar de rampverhalen te vertellen. Sappige verhalen over alles wat mis was gegaan. Dan zou ik mijn gehoor de gelegenheid geven te genieten van mijn ellende. En wat is er nou mooier dan andermans malheur? Dacht ik. Maar ook toen weer die blikken. ‘Heb je nou echt niets leuks meegemaakt?’, las ik in de ogen van mijn gehoor. Ze begrepen niet waarom ik überhaupt op reis ging, als dat iedere keer leidde tot kwelling en ergernis. Ik erkende de logica in die reactie en hield op met vertellen. Ik geef enkel nog wat summiere informatie op verzoek: ja het was er mooi, ja we hadden goed weer. Een enkele keer zondig ik, zoals toen ik het voor elkaar kreeg op de eerste dag van de vakantie schipbreuk te leiden. En met de kano op vakantie vertrekken en de pagaaien vergeten mee te nemen, is natuurlijk ook een goede. O ja en dan die keer dat we gingen kamperen in de Provence en ik de tentstokken thuis had laten liggen. En die fietsvakantie waarin we onze fietsen kwijtraakten. Nee, stoppen nu, onmiddellijk. Het is bijna sterker dan mijzelf, het mij koesteren aan de rampen en rampjes waaraan we toch maar mooi veilig en wel ontsnapt zijn. Ik vertel dus niets over mijn afgelopen vakantie. Dat hoeft ook niet, want hij stond voor een goed deel in het teken van het WK-voetbal (waar moeten we heen om vanavond Nederland – Uruguay te kunnen zien?) en dat was op zich al rampzalig genoeg. Nee, laat ik het eens over iets echt belangrijks hebben. Over de watervogelstand in het meer voor ons huis bijvoorbeeld. Daarop zwemmen waterhoentjes, eenden, futen, soms zwanen en sinds een paar jaar nog maar één gans. Waar de andere gans is gebleven, weten we niet. Of het een mannetje en een vrouwtje waren, weten we ook niet, want met kleintjes hebben we ze nooit gezien. Maar nu het vreemde. Tijdens een kanotochtje over het meer een paar maanden geleden zag ik onze gans met zeven kleintjes. Hoe dit nu? Geen man en wel kleintjes? Dat was sinds het jaar nul toch niet meer gebeurd? Een raadsel dus en misschien wel een authentiek mysterie. Omdat ik mezelf niet helemaal vertrouwde, vertelde ik mijn waarneming aan Jacqueline. Maar zij heeft hetzelfde fenomeen een paar dagen later ook gezien, dus was er wel degelijk sprake van een geverifieerd wonder. Toch?
We zijn nu een maand of twee verder en nog steeds zwemt moeder de gans omringd door zeven al iets grotere kleintjes over het meer. Maar er is wel iets vreemds met die kleintjes. Ze blijven erg klein en ze willen maar niet wit als moeder worden. De buurvrouw die vanaf haar uitkijkpost naast de voordeur het fenomeen ook al maanden heeft gevolgd, heeft de oplossing: in den beginne was er een eend met zeven kleintjes, die zo onverstandig was om te dicht bij het erf van overbuurman te blijven die, zoals bijna alle boeren hier, ook een verwoed jager is. Weliswaar mag er in deze periode helemaal niet gejaagd worden, maar wat doe je als jager als je zin hebt in eend en je hebt een groot geweer in de kast staan? Naar de poelier rijden? Misschien was het wel zondag. Zo mogen we dan misschien niet het mysterie van de onbevlekte ontvangenis voor de deur hebben, maar wel het wonder van een alleenstaande gans die zich over zeven kleine eendjes ontfermt. Een rampverhaal met happy ending, een vakantie waardig.