Nummer 1

 

Ik begin nu aan mijn eerste column sinds heel lange tijd. Al maandenlang heb ik het ene na het andere onderwerp om over te schrijven, maar nu ik mij aan de arbeid zet weet ik plotseling even helemaal niets. Er schiet me niets te binnen. Ik voel me als de student – die ik ooit was – op mondeling tentamen tegenover de professor, niet begrijpend waar hij het over heeft, laat staan daar een zinnig antwoord op te weten. Wat doe ik hier eigenlijk bij die ernstig kijkende meneer die mij vragen stelt die bij mij geen enkel licht doen branden? Dat gevoel. Toen ik redactionelen voor ‘mijn’ blad Vice Versa schreef, overkwam me dat ook keer op keer. Gedurende de periode dat ik bezig was het blad te redigeren kwam er geen enkel leuk, aardig, belangwekend idee bij me op dat ik tot onderwerp van mijn commentaar kon maken. Meestal gebeurde het pas in de trein van Parijs naar Amsterdam, als ik me er al bijna bij neergelegd had dat ik deze keer echt niets te melden had en ik nog maar een of twee dagen de tijd had om mijn stukje in te leveren, dat ik het opeens wist. En dat idee was dan voor mijn gevoel zo vanzelfsprekend dat het welhaast een wonder mocht heten dat ik daar niet meteen op was gekomen.

 Dit wordt onze laatste week in Nederland. Voorlopig dan. De afgelopen twee jaar hebben Jacqueline – mijn vrouw – Mapenzi – onze hond – en ik in Nederland overwinterd. Een soort omgekeerde overwintering, net zoiets als de omgekeerde pelgrimage van Herman Vuijsje van Santiago de Compostella naar Amsterdam. Het heeft mijn kijk op Nederland ingrijpend gewijzigd. Dat ik niet meer zo goed in de peiling had wat er in dit land aan de hand was, merkte ik voor het eerst bij het Europese referendum. In het land waar ik al sinds zestien jaar woon, Frankrijk, had de Europese grondwet vanaf het begin al de wind tegen en mijn Franse omgeving wilde wel weten hoe dat nou in Nederland zat. ‘Nee’, vertelde ik met veel overtuiging, ‘bij ons zit dat heel anders. Nederlanders zijn echte Europeanen. Europa is zo vanzelfsprekend voor ze geworden dat niet meer dan een kleine minderheid tegen zal stemmen.’ Na de uitslag durfde ik een maand niet meer de deur uit te komen. Maar nu weet ik beter. Ik heb deze en vorige winter mijn ogen en oren goed open gehouden. Het resultaat is dat ik familie en vrienden eindeloos aan het hoofd heb gezeurd over hoe Nederland verschrikkelijk veranderd is. De reactie werd er na enige tijd een zoals ik me die herinner toen ik terugkeerde na een jarenlang verblijf in Afrika. Een paar spannende verhalen okay, maar om van mij te horen wat het leven in Afrika in feite voor jezelf betekent, nee daar zat niemand op te wachten. En als ik nu probeer te vertellen dat ik het politieke klimaat in Frankrijk verfrissend vind vergeleken bij wat er in Nederland gebeurt, zijn ongelovige blikken mijn deel.

 Maar denk niet dat ik hier tijdens mijn verblijf in Nederland zwaar geleden heb. Ondanks alle rariteiten, heb ik het hier – in de wetenschap dat ik een paar maanden later weer in Frankrijk zit – prima naar mijn zin. Er wonen hier nog steeds aardige en beschaafde mensen – hoewel je regelmatig de indruk krijgt dat je dat laatste maar niet te veel moet laten merken – en zelfs het woord ‘fatsoen’ mag weer. En voor Mapenzi – de hond dus – is het hier een waar lustoord. Je bent al gauw geneigd te denken: ‘Ach arme hond, met al die ruimte en vrijheid die zo’n beest op het Franse platteland gewend is, moet dat hier toch vreselijk zijn.’ Maar dat gaat voorbij aan het feit dat een hond een sociaal wezen is en dat in Nederland de hondjesdichtheid vele malen groter is dan in Frankrijk. Dat betekent dus een paar keer per dag allerlei leuke ontmoetingen en ongebreideld kunnen snuffelen aan iedere boom of lantaarnpaal. Dat is heel wat anders dan die valse herdershond op het naburige boerenerf. Nee, Mapenzi zal Nederland erg missen. Ik voorzie dat wij over een week met een zwaar depressieve hond in de achterbak terugrijden naar Frankrijk.