Nieuwe schoenen

Van alle nieuwe schoenen die ik in de loop van mijn leven heb gekocht kan ik me van heel weinig paren het moment van aanschaf herinneren. Ik weet nog wel dat we die in Amersfoort, waar ik tot mijn achttiende gewoond heb, altijd bij de Bata* kochten. Ik herinner mij wél die keer dat mijn broer twee paar mocht uitzoeken: een paar voor netjes en een paar voor gewoon. Dat leek me toen iets onbereikbaars en ik geloof ook niet dat ik tot pakweg mijn zestiende meer dan een paar schoenen had. Hoe dat dan moest als die bij de schoenmaker waren om verzoold te worden of omdat de hond een stuk uit de hiel had gebeten, kan ik me niet meer herinneren. Waarschijnlijk droeg ik dan sandalen of rubber laarzen.
Met een kunstgreep maakte ik van dat ene paar twee paar. Als ik naar een feestje of naar de wekelijkse dansles ging, poetste ik ze vooraf mooi op, om ze de volgende ochtend met een handvol aarde bij de voordeur in te smeren. Daar slaagde ik zó goed in dat ik op een foto met een paar klasgenoten tijdens een schoolreis overtuigend grijze schoenen draag, terwijl ik nooit grijze schoenen gehad heb.
De aankoop waar ik nog het meest trots op ben geweest, waren mijn eerste suède schoenen. Het waren lage veterschoenen – molières dus – van een onbestemde kleur. Grijsbruin met een puntje paars zou ik zeggen. Suède schoenen waren voor mij zoiets als het afscheid van het ouderlijk gezag: ik koop nu lekker wat ík mooi vind. Mijn moeder, die tot die tijd mijn aankopen van kleren en schoenen begeleidde, was altijd voor wat zij “klassiek” noemde en ik had mijn buik vol van klassiek, ik wilde een “bopper” zijn (hipsters hadden we in die tijd nog niet) en boppers droegen suède schoenen, broeken met nauwe pijpen en smalle stropdassen. Zoiets als George Chakiris in de West Side Story maar dan zonder die kuif, eerder een voor de ogen hangende lok die je met een verveeld gebaar opzij veegde. Ik denk dat het de eerste keer was dat ik het leuk vond om nieuwe schoenen te hebben. Voordien vond ik nieuwe schoenen een slecht surrogaat van hun voorgangers: die zaten lekker, het leer was mooi verfrommeld geraakt, die hadden geschiedenis, terwijl die glanzende nieuwe dingen het net niet waren en bovendien altijd wel ergens knelden.
Nog steeds kan ik oude schoenen maar moeilijk weggooien. Ik blijf ze laten verzolen totdat ze uit elkaar vallen. Dat maakt primo dat ik altijd een imposante verzameling schoenen heb, secundo dat de sportschoenenmode grotendeels aan mij voorbij gaat, want behalve dat ze lelijk zijn, kun je ze meestal niet laten verzolen. Het grote verschil met vroeger is dat ik nu graag nieuwe schoenen koop maar wel onder de voorwaarde dat ze er net zo uitzien als schoenen die ik al eerder heb gehad.

 

*Vreemd eigenlijk : iedereen zei de Bata, terwijl Bata toch echt een eigennaam is.