Mijn geheim

Afgelopen week liepen wij mee in een demonstratie tegen Sarkozy. Officieel ging het om de nieuwe pensioenwet die net is aangenomen door het Franse parlement en tegen de wens van het overgrote deel van de Franse bevolking in. Maar in feite gingen vele honderdduizenden de straat op om te laten weten dat ze president Sarkozy beu zijn. Wij demonstreerden in Chalon sur Saône, een stad van 110 000 inwoners, qua grootte te vergelijken met Leiden of Zwolle. Volgens opgave van de politie liepen wij daar met z’n 5 464-en. Daar mag je gerust een paar duizend bij optellen. De vakbonden komen doorgaans op het drievoudige uit van de aantallen die het ministerie van Binnenlandse Zaken naar buiten brengt, maar het dubbele lijkt niet ver van de waarheid. Zie je het voor je, tienduizend mensen die in Zwolle tegen het regeringsbeleid demonstreren? En dan was het die dag nog een matige opkomst vanwege de herfstvakantie, de benzineschaarste en de demonstratiemoeheid. Als er met zoveel beperkingen toch zoveel mensen op de been komen heeft volgens mij de Franse regering en vooral Sarkozy alle reden om aan de duurzaamheid van het eigen politieke bestaan te twijfelen. Maar daar wilde ik het eigenlijk niet over hebben. Ik wil vooral vertellen over het merkwaardige gevoel dat ik had toen ik in die demonstratie meeliep: het gevoel ergens bij te horen, in dit geval bij die grote groep Fransen die de Sarkozy-kliek zat is. Daar kwam nog bij dat we in Chalon liepen en dat is de stad waarheen we drie jaar lang iedere vrijdag en maandag heen en weer reden om onze zoon te halen en te brengen. Hij zat in Chalon op het Lycée en daar bleef hij door de week op het internaat. Soms gingen wij hem daar door de week opzoeken om bijvoorbeeld een nieuwe winterjas voor hem te kopen, maar meestal gewoon om even een uurtje samen in een café te zitten kletsen. Zulke dingen maken dat je een andere relatie met een stad krijgt. Bovendien ben ik in Chalon in die periode een jaar lang lid geweest van de zeilvereniging en dat was een van mijn beste ervaringen in het Franse sociale leven. Ik heb mij zelden in Frankrijk zo volledig geaccepteerd gevoeld. Wij waren zeilers onder elkaar en het feit dat ik toevallig van Nederlandse oorsprong was, was van geen belang, speelde op geen enkele manier mee in de contacten met de andere verenigingleden. Alleen omdat ik het zeilen op tien kilometer rivier tussen twee vaste bruggen nogal saai vond, ben ik vertrokken naar de Middellandse Zee, maar aan het verenigingsleven lag het niet. Soms heb ik er stiekem nog een beetje spijt van dat ik mijn bootje daar niet heb laten liggen. Dan maar een beetje minder spectaculair varen.
Het gevoel erbij te horen. Of dat nu in de zeilclub is of in een politieke demonstratie, het is een bijzonder prettig gevoel. Bijna of misschien wel helemaal een eerste levensbehoefte. In mijn tweede studiejaar in Amsterdam ging ik niet meer ieder weekeind naar huis – om redenen die ik hier maar even niet uit de doeken doe, ging ik trouwens in die tijd helemaal niet meer naar huis – maar ging ik eens in de twee weken met mijn geliefde naar haar ouders. Dat andere weekeind bleef ik dus in Amsterdam. Zodat ik mee kon doen aan de demonstraties tegen de oorlog in Vietnam van PSP’er Otto Boetes die, ik geloof een keer per maand, op een zondag werden gelopen. En op het Rokin naar de intocht van Sinterklaas kon kijken. Ik kreeg daardoor het gevoel langzamerhand Amsterdammer te worden. Ik hoorde er een beetje bij. Toen in Amsterdam, nu in Frankrijk. Voor de gemiddelde Amsterdammer toen en voor de gemiddelde Fransman nu zal het weinig uitmaken of Ton Nijzink zich in zijn stad of land een beetje thuis voelt. Maar voor mij is het iedere keer weer een wereld van verschil. Daar moest ik vanochtend aan denken toen ik aan Jacqueline vroeg: weet jij wat het is ‘Het geheim van een opgewekt humeur’?
‘Bedoel je dat boek?’
‘Nee, het geheim.’
Mijn geheim heb ik hier onthuld, maar vertel het niet verder, anders wordt het zo druk.

Ik schaam mij

Wat is Nederland een lullig land geworden. Zo, dit moest mij even van het hart. Wekenlang heb ik ondanks maagkrampen en toenemende misselijkheid de kabinetsformatie proberen te volgen. Ik heb de Koningin toegeroepen dat ze die smakeloze labbekakkerige informateurs de oren moest wassen. Eindelijk zag ik toch nog een rol voor de monarchie. Gelukkig heeft Beatrix nog even op haar strepen gestaan toen dat stelletje staatsrechtelijke minkukels dacht alles wel even onderling in een zijkamertje van de herensociëteit te kunnen regelen. Maar verder is het helaas niet gekomen. En nu wordt Nederland dus geregeerd door een zooitje Quislings, een stel collaborateurs het Vichy-regime van Pétain waardig, marionetten in dienst van buikspreker Wilders. Is dit mijn land? Ik begrijp er niets meer van. Hoewel. Een tipje van de sluier werd voor mij opgelicht toen ik laatst onze zoon aan de telefoon had. Serge vertelde mij dat hij er niet in slaagde om zijn Nederlandse medestudenten uit te leggen wat er op dit moment in Frankrijk aan de hand is. Demonstreren, staken, bezetten? Waarom zou je dat doen? Je kunt toch overleggen? Mijn god, ja je kunt overleggen tot je je laatste principes weggemarchandeerd hebt en dan trots zijn dat je zo’n geweldig onderhandelingsresultaat hebt bereikt. Hoezo resultaat? Het resultaat is dat Wilders inmiddels als grootste politieke “partij” in de opiniepeilingen staat. En dat gaat voorlopig niet minder worden. Verhagen, Rutten, Opstelten en Wilders hebben de absolute succesformule bedacht om de laatste tot eenzame hoogte op te stoten: Wilders beslist, de ministers zijn verantwoordelijk. Wilders heeft de positie van de monarch ingenomen. Het koningshuis kan afgeschaft worden. En wat hoor ik voor geluiden uit doorgaans weldenkende kringen in Nederland? Niets, absolute stilte. Ik heb mij vaak afgevraagd hoe het mogelijk was dat zo’n groot deel van de Nederlandse bevolking vanaf 1940 zonder blikken of blozen met de Duitse bezetter ging collaboreren. Dat strookte helemaal niet met het idee dat ik van mijn landgenoten had. Die zouden voor het overgrote deel toch niet zo’n abject gedachtegoed als dat van het nationaal-socialisme kunnen accepteren? Helaas wezen de feiten anders uit. Niettemin heb ik lange tijd het idee gehad dat er wel degelijk sinds de jaren veertig wat veranderd was aan de mentaliteit van de Nederlanders. Te vrijgevochten om zich de wet te laten voorschrijven door demagogen, populisten en andere potentaten. De razendsnelle opkomst van Pim Fortuyn gaf weliswaar een gevoelige knauw aan deze overtuiging, maar het leek er even op dat de redelijkheid na diens dood weer terugkeerde. Nee dus. Blijkbaar is er met de moord op Theo van Gogh een schokgolf door het Nederlandse volk gegaan waarvan het zich niet meer heeft hersteld en waardoor het terugvalt op oude reflexen en ranzige ideeën. Maar waar is nu het denkend deel der natie? Frankrijk gaat al wekenlang massaal de straat op om zijn ongenoegen over het regeringsbeleid van potentaat Sarkozy te uiten (nee, het gaat echt niet alleen maar over pensioenen), een maand geleden werd er nog (iets minder, maar toch) massaal gedemonstreerd tegen de uitzettingen van Roma’s. Maar wat gebeurt er in Nederland? Ik heb nog niets waargenomen. Hoe moet ik dit aan mijn Franse vrienden uitleggen? Ik schaam mij.

Mapenzi

Ik was alweer een week weg. Geen boot gezien deze keer. Zelfs de zee niet. Aan het oplichten aan de horizon kon ik vermoeden dat de zee daar nog steeds was, maar het weer was te heiig om dat kleine strookje blauw in de verte te ontwaren. Ik zat dus weer op dat stukje grond ergens in de Languedoc. Met Jacqueline deze keer. Maar nog steeds zonder elektriciteit en internet. Vandaar dat er vorige week geen column op mijn blog kwam.
Een jaar geleden hebben Jacqueline en ik daar voor het eerst langere tijd doorgebracht. Eerste helft oktober, prachtig weer, dat gaan we opnieuw doen. Maar dan nu met een wat grotere tent om ons comfort nog wat te vergroten. Voor nog geen honderd Euro kochten we een solide uitziende tunneltent met een grote voortent. Als het dan niet zulk uitzonderlijk mooi weer was, zouden we daar dan heerlijk beschut kunnen zitten.
De eerste dag hadden we prachtig weer. Buiten ontbijten, ’s avonds buiten eten en daartussendoor ook alles buiten. In korte broek en sandalen natuurlijk. De tweede dag was wat minder, dus in de loop van de dag verdween het meubilair naar de voortent en zaten we vandaar toch nog heel tevreden van de zonsondergang te genieten. De derde dag was het regen en wind. Toen viel ons op dat onze ideale nieuwe tent misschien toch niet helemaal volmaakt was. Hij bleek namelijk niet voorzien te zijn van een stormrand, waardoor de wind onder de buitentent doorsloeg en onze mooie gerieflijke voortent toch een beetje minder comfortabel was dan we hadden gedacht. Wat langer onder de wol blijven liggen bleek ook geen optie want onze brave hond Mapenzi kon niet tegen het geknal van de jagers om ons heen, zocht onze geruststellende aanwezigheid op en probeerde zich een holletje te creëren tussen de binnen- en de buitentent. Omdat dat een serieuze aanslag op de levensduur van onze tent betekende, ging ik er maar uit om onze hond naar zijn mand te brengen die in het huisje staat. Want behalve dat stukje land, beschikken wij ook over een huisje daarop. Daar kunnen we nog niet in wonen omdat er nog ongeveer alles aan opgeknapt moet worden om het bewoonbaar te maken. Het dient vooral als opslag voor gereedschap, bouwmaterialen en als slaapplaats voor Mapenzi. En nu het regende moest ik daar ook het keteltje water warm maken voor de thee. Zolang ik daar wat in dat huisje rondscharrelde, bleef Mapenzi braaf maar ongelukkig in zijn mand liggen. Zodra ik echter met thee naar de tent ging, volgde Mapenzi mij in mijn voetsporen en daarbinnen begon dan opnieuw de vruchteloze discussie met de hond die zich het liefst onder het grondzeil had verstopt.
Toen het de volgende ochtend weer pijpenstelen goot (bij ons thuis in de Bourgogne was het natuurlijk prachtig weer) en de waarschuwingen voor noodweer bleven aanhouden, zijn we met Mapenzi in de achterbak naar de grote stad vertrokken om niet nog langer het schouwspel van doodsbange natte hond die zich achter de tassen probeert te verstoppen te moeten aanzien. Want ondanks onze verwachtingen van het tegendeel bleken de jagers zich door de stromende regen geheel niet uit het veld te laten slaan.
Het is allemaal toch nog goed gekomen. Het werd opnieuw mooi weer, zodat ik de volgende dagen welgemoed na het eerste schot van de ochtend Mapenzi gezelschap ging houden en wij samen Jacqueline haar ochtendthee kwamen brengen. Alleen, gisteren stak de ‘tramontane’ op. Dat is de regionale variant van de mistral. Dan komt er een snoeiharde, koude wind uit de bergen blazen. Dezelfde die mij een paar weken eerder op mijn bootje het leven zuur kwam maken. Hoe strak ik de tent ook spande, het hele zaakje stond oorverdovend te klapperen. De keuze was tussen een nacht geen oog dichtdoen door het natuurgeweld of een nacht doorrijden naar huis. Wij verbeeldden ons dat Mapenzi ons vannacht dankbaar aankeek toen hij weer in zijn mand bij de keukendeur kon gaan liggen.
 

“een natte boel”

‘Heb je thuis in ieder geval een verhaal te vertellen’, zei de havenmeester. Ik vond het maar een zuinige reactie op het relaas van mijn halsbrekende zeiltocht. Bij de secretaresse van het havenkantoor en een collega-zeiler vond ik gelukkig wat meer medeleven. Iedereen had het wel gemerkt dat het die middag erg hard was gaan waaien, maar ik was de enige die op dat moment op zee zat.
Zoals altijd als ik overweeg te gaan varen had ik die ochtend uitgebreid het weerbericht bestudeerd. Dat zag er goed uit. Aanvankelijk nog wel een krachtige wind, maar die zou al snel gaan afnemen tot matig. Ik gokte het erop en legde geen rif in mijn grootzeil (voor de niet-zeilers onder de lezers: reven of een rif leggen betekent het zeiloppervlak verkleinen). Ik meende dat ik het met een maar ten dele uitgerolde fok wel zou redden. Dat leek ook inderdaad het geval. Met halve wind liep ik voor mijn doen met een bloedgang (6 knopen) weg van de haven van Sète. Zo af en toe was het in vlagen een beetje heftig, maar met wind die binnen een paar uur zou gaan afnemen, leek het een plezierig dagje zeilen te gaan worden. En na het middaguur werd het inderdaad iets rustiger, maar niet veel en die matige wind kwam maar niet. Tot om vier uur ’s middags plotseling de wind dertig graden in noordelijke richting draaide. Ik had mij net voorgenomen richting Sète terug te koersen, want als de wind echt minder zou worden, zou het nog minstens twee uur terugvaren worden. Nu zul je het hebben, dacht ik. Nu gaat de wind afnemen. Dat deed hij drie minuten om daarna met verdubbelde kracht terug te komen. In plaats van de verwachte windkracht 3 à 4 was het nu windkracht 6 à 7 geworden met vlagen van windkracht 8 (stormachtig). Wat dat precies betekent zal ik citeren uit wat ooit de bijbel van de Nederlandse zeilers was, De zeilsport van ir. J. Loeff: “Met windkracht 4 kan bij de wind zeilende door elk welgemanierd jacht, ook zelfs de kleinere, nog van top (d.w.z. met vol tuig; TN) gezeild worden. Bij windkracht 5 zullen verreweg de meeste jachten reven, terwijl het bij windkracht 6 voor het merendeel der vaartuigen van onze Nederlandse jachtvloot al slecht weer begint te worden of is. Men kan nog wel zeilen, moet echter de zeilen goed vol houden om vaart te lopen, daar men anders te veel op en in de zee hakt … Aan boord van vele jachten wordt het dan een natte boel.” En daar zat ik dan in de kuip van mijn 6.20 meter lange jachtje een kolkende zee te trotseren. Mijn anders zo keurig opgeruimde kajuit zag eruit of er net een bominslag had plaatsgevonden. Alles lag in volstrekte wanorde over en onder elkaar. Mijn zeilpak lag in het vooronder, maar ik durfde de kuip geen moment te verlaten uit angst dat de boot onbestuurbaar op de golven terecht zou komen, dus zat ik daar in mijn zomerse tenue de ene hap zout water na de andere over me heen te krijgen. Ik overzag de situatie. Kwart over vier ’s middags. Onder gewone omstandigheden zou ik vanaf het punt waar ik nu lag twee à drie uur nodig hebben om de haven van Sète te bereiken. Maar de omstandigheden waren niet gewoon. En bovendien lag Sète recht in de wind. Terwijl ik, zoals ir. Loeff ook al wist, moest zorgen de zeilen goed vol te houden en dat betekent dus niet scherp aan de wind zeilen, want dan zou ik alleen nog maar op de golven liggen te stampen en niet meer vooruit komen. Dus koos ik een wat ruimere koers met als gevolg dat ik het idee had dat ik zes mijl uit de kust alleen maar aan het heen en weer varen was. Dat verdomde Sète leek geen meter dichterbij te komen. En mijn comfortabele 6 knopen per uur waren ineengeschrompeld tot 2, hooguit soms 2,5 knoop. Het klinkt misschien paradoxaal voor de niet-zeiler maar harde wind betekent niet dat je ook hard vaart. Niet alleen de golven werken tegen, maar ook je boot die door schuin te hangen een ernstig verslechterde stroomlijn heeft gekregen. En de tijd begon te dringen. Om acht uur zou het donker zijn, maar eigenlijk was half acht toch wel het uiterste tijdstip om binnen te varen. Mijn oncomfortabele situatie werd nog vergroot doordat het installatietje waarmee ik mijn roer kan vastzetten, afbrak. Dus moest ik ook nog de hele tijd aan de helmstok hangen. Ik kon me niet herinneren het in mijn zeilend bestaan ooit zo bar te hebben meegemaakt. Behalve dan die ene keer op het Sneekermeer. Okay, het Sneekermeer is niet de Middellandse Zee, maar als je zes jaar bent, is dat toch wel een hele grote plas water. Het was vrijdagmiddag en wij bevonden ons met onze huurboot aan de ene kant van het Sneekermeer, terwijl die boot diezelfde avond aan de andere kant van het meer afgeleverd moest worden. Mijn vader vond het te hard waaien om het meer over te zeilen, dus besloot hij dat we op de motor zouden gaan. Er hing een Seagull-buitenboordmoter aan het scheepje en blijkbaar had mijn vader een groot vertrouwen in de techniek want ik zou met zo’n ding met harde wind nooit het Sneekermeer hebben durven oversteken. Maar alles leek goed te gaan totdat prut-prut-prut, benzine op. Daar wist mijn vader wel raad op: al stampend op de golven vulde hij balancerend op het achterdek het benzinetankje bij dat zich zoals bij een Solex op de motor zelf bevond. Een tamelijk acrobatische bezigheid dus. Ik denk dat ik op dat moment samen met mijn hond de kajuit in ben gedoken om samen bibberend van angst in innige omstrengeling in het vooronder het noodlot te ondergaan. Dat bleef niet uit. De motor wilde niet meer starten. Oorzaak: hij had in de haast de verkeerde jerrycan gepakt en het tankje gevuld met water. In plaats van roemloos aan lager wal terecht te komen, nam hij het heldhaftige besluit om het zeil te hijsen. Daar zat dus geen rif in, want we zouden toch met de motor oversteken? Dus stoven wij met harde wind met vol tuig als enigen over het Sneekermeer. Maar met een belangrijk voordeel boven mijn benarde positie op zee: er hoefde niet aan de wind gezeild te worden. Ik herinner mij nog goed het verlossende moment dat wij eenmaal weg uit de golfslag van het Sneekermeer met halve wind over het gladde water van de Houkesloot scheerden. Pas toen durfde ik mijn hoofd weer boven het dek uit te steken. 
De enige moed die ik uit die ervaring kon putten was, dat het toen goed was afgelopen. Maar intussen zat ik mij eerder te bedenken wat er nu allemaal fout kon gaan. Er kon een stag breken. Dat zou betekenen dat mijn mast overboord zou gaan en ik stuurloos op de golven zou liggen rollen. Ik hoefde er niet aan te denken dat ik met mijn buitenboordmotor de haven zou kunnen bereiken want met deze golven zou de schroef van de motor meer boven dan in het water slaan. Een van mijn zeilen zou aan flarden kunnen scheuren. Minder dramatisch dan mijn mast te verspelen, maar ook dan zou ik gezien mijn geografische positie Sète niet op eigen kracht kunnen bereiken. Ik zou dan wel kunnen uitwijken naar een haven die ik met een iets ruimere wind zou kunnen bereiken. Maar dan zou ik in het donker moeten varen. Terwijl de doemscenario’s langsflitsten, leek Sète toch iets dichterbij te komen. En als ik nou zou kiezen voor de oostelijke haveningang, zou ik iets eerder in rustig water terecht komen. Op dat moment zag ik uit die oostelijke haveningang een grote cargo recht op me afkomen. Dan maar een extra slag maken om hem te ontwijken. Overstag gaan met dit weer is echter geen lolletje omdat je daar vaart voor nodig hebt en de golven er alles aan doen om die vaart eruit te halen. Maar goed het lukte. Ik keek achterom. Gelukkig, daar was ik van af. Ik keek een minuut later weer achterom. Verdomme, hij kwam opnieuw recht op me af varen en wat ging dat klere ding hard. Ik dacht aan al die akelige ongelukken waarover ik gelezen had van zeilschepen die door van die grote vrachtboten overvaren waren. Ik gokte erop dat ik door overstag te gaan en mijn oude koers te hervatten uit zijn vaarwater zou raken en verdomd dat lukte. Met de thuiskomende vissersboten ging het een stuk gemakkelijker: die voeren uit consideratie met mijn hachelijke situatie met een grote boog om mij heen.
Toen ik uiteindelijk voor de oostelijke haveningang raakte zag ik opnieuw een vrachtschip aankomen. Die zou mij bereiken als ik net bezig zou zijn om het zeil te strijken en het dus te druk zou hebben om hem goed te ontwijken. Ik moet daarbij vertellen dat ik die oostelijke haveningang nooit gebruik omdat hij gebruikt wordt door de grote beroepsvaart zoals cargoschepen, ferry’s en cruiseschepen. Je kunt er daardoor niet zeilen en bent verplicht om een kilometer op de motor te tuffen. Ik maakte een langere slag en voer vervolgens met een extra slag – inmiddels met de motor erbij – de ingang binnen. Het zeil strijken ging bijna vlekkeloos voorzover dat bij zo’n wind mogelijk is en eindelijk opgelucht pruttelde ik op de motor naar de haven toe. Er kon mij nog maar een ding gebeuren, dacht ik, en dat was dat de motor ermee op zou houden. Aan benzinegebrek zou het niet kunnen liggen want ik had de tank die ochtend nog bijgevuld. Maar ik voelde me toch wel akelig afhankelijk van dit stukje techniek dat me weliswaar nog nooit in de steek had gelaten, maar dat was geen garantie dat hij dat deze keer zou blijven doen. En in dat geval zou ik door de wind op de dijk geblazen worden en het zou me veel moeite gaan kosten om mijn bootje daarbij schadevrij te houden. Maar mijn motortje bleef lustig doorpruttelen, zelfs toen ik …
Een nieuwe complicatie die ik niet voorzien had, was dat net om dat uur het blijkbaar tijd was voor de grote ferry naar Tanger om uit te varen. Opeens zie ik zo’n immens gevaarte de hoek om komen. Die kon maar één kant op en dat was recht naar mij toe. We bevonden ons aan de uiteinden van een kanaal waarvan de ene oever gevormd wordt door een dijk die de haven afschermt van de zee en de andere oever door haveninstallaties. Heel breed is dat kanaal niet en ik kon van die afstand niet goed inschatten hoeveel ruimte er voor mij naast die ferry overbleef. Dus ging ik zo dicht mogelijk tegen de dijk aan varen, laten we zeggen op zo’n tien meter van de kant. De ferry en ik naderden elkaar en ik zag tot mijn opluchting dat hij waarschijnlijk op veilige afstand van me zou blijven. En dan opeens een doffe dreun. Het motortje pruttelde nog prima, maar ik kwam geen centimeter meer vooruit. Ik zette hem gauw op vol gas achteruit, maar helaas ik zat muurvast en die boot kwam maar dichterbij. Godzijdank heb ik een lange peddel aan boord. Tot voor kort was het in Frankrijk verplicht om zo’n ding op je boot te hebben als hulproer voor het geval je je roer zou verspelen. Maar nu kwam het ding me fantastisch van pas als vaarboom. Met het loeiende motortje en mijn spierkracht kwam ik weer los. Ik maakte een draai van 90 graden en stoof zo hard ik kon voor de boeg van de ferry langs naar de andere kant van het kanaal. Dat kwam me op een waarschuwende vinger vanuit het loodsbootje te staan, maar dat kon me niets meer schelen. Ik was veilig en wel in diepe wateren beland. Een kwartiertje later was ik bij mijn ligplaats aangekomen. Ik geloof niet dat ik de boot ooit zo netjes en beheerst op zijn plaats heb gelegd. Alsof ik terugkwam van een paar uur dobberen bij windkracht 1. Als stille getuige van mijn benarde uren bleef het grootzeil die nacht in wanordelijke toestand om de giek geknoopt.