La minette

Al verwachtten wij het ieder moment, het kwam toch nog onverwachts. Toen ik met de hond langs kwam wandelen, zat zij in de middagzon in het hoge gras aandachtig naar iets te kijken dat ik niet kon zien. Ze zag er voor haar leeftijd nog behoorlijk fief uit. Ik was nog geen dertig meter verder of ik hoorde een doffe klap, ik keek om en daar lag ze, midden op de weg. Ooit was ze eerder aangereden door een auto, maar dat had ze zorgvuldig voor ons verborgen gehouden. Wel was ze de laatste jaren steeds moeilijker gaan lopen. Ze kon nog steeds een sprintje maken, maar het gewone lopen zag er steeds sukkeliger uit. Daar kwam de artrose nog bij. Dus ja, ze begon toch echt serieus bejaard te worden en wij bereidden ons voor op het einde. Dat ik dus opeens totaal onverwacht denk te zien. Maar nee, ze probeert op te krabbelen. Dat lukt niet. Haar achterlijf is geïmmobiliseerd. Ik til haar op en op dat moment komt een hysterische vrouw op me af rennen. ‘Wat is het? Een poes? Een poes? Een poes?’ Ik loop met onze roodharige moederpoes in de armen naar huis en zeg: ‘Dat ziet u toch?’ Zij: ‘Wat kan ik doen? Wat kan ik doen? Wat kan ik doen?’ Zou dat een syndroom zijn, dat je alles drie keer zegt als je in de war bent? Ik: ‘Weggaan.’ Zij opnieuw: ‘Wat kan ik doen? Wat kan ik doen? Wat kan ik doen?’ Ik: ‘Opdonderen alstublieft.’ Zij: ‘De verzekering. De verzekering.’ Ik: ‘Wilt u nu alstublieft opflikkeren.’ Ik verdwijn met poes in het struweel van het tuinpad en gelukkig achtervolgt ze me niet.
Even later zitten Jacqueline en ik in de auto op weg naar de dierenkliniek. De poes heeft mijn armen niet verlaten. Ze ademt heel snel, kwijlt en heeft een plasje op mijn broek gedaan. Ik vraag me af of ze de tien minuten naar de kliniek haalt. Door het geluid van de auto kan ik haar ademhaling niet meer goed horen, maar zo af en toe beweegt ze. Als ze op de behandeltafel ligt, constateert de dierenarts dat ze ongetwijfeld haar bekken heeft gebroken en waarschijnlijk een dijbeen. Maar om alles precies te weten moet er eerst een röntgenfoto gemaakt worden. Maar allereerst krijgt ze pijnstillers want ze moet erg veel pijn lijden. Kunnen we over een uur even bellen? Ik krijg dan te horen dat haar eerste diagnose klopte en dat wat haar betreft een en ander gerepareerd kan worden. Er is alleen nog een ander probleem: ze heeft een scheurtje in haar blaas en als dat zich niet gauw herstelt, dan heeft geen enkele chirurgische ingreep nog zin. Belt u nog even aan het begin van de avond hoe het gaat?
Intussen krijgen wij thuis een soort modeldiscussie over de voors en tegens van levensbeëindiging. Waarbij ik het nogal radicale argument in de strijd werp dat je je oude moeder van 83 toch ook geen spuitje laat geven omdat ze haar heup gebroken heeft. Ik weet dat ik me op het hellend vlak van de demagogie aan het begeven ben. Tenslotte, een poes van ruim zeventien jaren waarvan wij ons al afvroegen of zij het volgend voorjaar zou gaan halen te vergelijken met een bejaarde moeder… Twijfelachtig. Bovendien, een herstelperiode van minstens twee maanden waarin ze opgesloten zou moeten blijven in een kooi, als je dat zo’n oud beestje wilt aandoen, ben je dan niet bezig met wat ze hier noemen acharnement thérapeutique (therapeutische obstinaatheid)? Ik word overvallen door archaïsche religiositeit: God zal me straffen als ik dit leven tot een einde laat brengen. Ik overweeg Marianne Thieme te bellen om een onbevooroordeelde en ethisch juiste beslissing te nemen, maar uiteindelijk laat ik mij overreden. Ik stipuleer nog wel uitdrukkelijk dat het financiële aspect van de kwestie geen rol mag spelen in onze besluitvorming en ga dan om. We mogen het beestje niet coûte-que-coûte in leven houden omdat we te weekhartig zijn om er eind aan te laten maken. Ze zal maandenlang moeten lijden en dan nog, hoe lang zal ze daarna nog kunnen leven?
Helaas krijg ik die avond niet de dierenarts aan de lijn maar een assistente die vertelt dat alles goed lijk te gaan met la minette. Zodoende kan ik mijn kloeke besluit niet meedelen. Ik vertel haar dat ik de volgende ochtend vroeg langs kom.
Blijkbaar heb ik Jacqueline niet goed op de hoogte gebracht van mijn ommezwaai, want als ik de volgende ochtend na het bezoek aan de dierenkliniek thuiskom met het ontzielde lijfje van onze poes in de armen, reageert zij ontsteld. ‘Maar dat wilde jij toch?’, zeg ik door mijn tranen heen. ‘Ja, maar ik wist niet dat jij ook zo ver was.’
Ze heeft nog twee uur lang op haar favoriete plek op de tuintafel in de ochtendzon kunnen liggen alvorens we haar ten grave hebben gedragen naast de laatste rustplaats van onze tien jaar eerder overleden witte Labrador. Ik kan iedereen afraden een huisdier te nemen. En als het dan toch moet: neem een papegaai. Dikke kans dat ‘ie je overleeft. Ik moet er echt niet aan denken dat de ons nog resterende viervoeters aan hun eind komen.