Dorpsfeest

Ik heb altijd gedacht dat het woord braderie uit het Frans afkomstig is. Het klinkt zwierig. Dat komt natuurlijk door die ie op het eind. Met een ij wordt het meteen een stuk zwaarder: braderij, opeens is het log geworden, het staat zwaar op zijn poten, het zweeft niet meer zo’n beetje in de lucht. Toch komt het daar wel vandaan, van die braderij. Ik kom daar op omdat er in mijn dorp vorige week een braderie was. Alleen, zo wordt het niet genoemd en bovendien is het ook eigenlijk geen braderie meer. Een jaar of tien geleden wel. Ik zat toen in het bestuur van de VVV van een zestal gemeentes. Dat klinkt indrukwekkender dan het in feite is, want die zes gemeentes tellen in het totaal nog geen 3400 inwoners. En denk niet dat dat uitzonderlijk is, want Frankrijk telt ruim 36 duizend gemeentes: zoiets als een gemeentelijke herindeling is aan dit land voorbij gegaan. De verleiding is groot om nog even op deze nationale aberratie door te gaan, maar laat ik me bij de braderie houden. Onder invloed van onze dynamische voorzitter besloten wij van de VVV tot het houden van braderieën in elk van de samenstellende gemeentes. Daar zouden op een zomeravond de winkeliers van het organiserende dorp een kraampje neerzetten, lokale handwerkslieden zouden een plek krijgen, er zou gelegenheid zijn om de ter plekke aangeschafte eet- en drinkwaren te nuttigen onder het genot van de klanken van de muziek van enkele dorpsmuzikanten. Het klonk de sceptici onder ons wat idyllisch in de oren, maar och we waren niet te beroerd om het idee een kans te geven. Inmiddels barst het evenement geheel uit zijn voegen. Het veldje rond de dorpsfeestzaal stond vol rijdende kramen, en vooral vol met brocanteurs. Let wel, lokale winkeliers en handwerkslieden waren niet meer aanwezig om de simpele reden dat de laatsten de afgelopen jaren hun bedrijf gesloten hebben. En dorpsmuzikanten hadden we sowieso al niet meer. Om kort te gaan, van een bescheiden dorpsfeestje waar zo af en toe een verdwaalde toerist waargenomen werd, is onze braderie – en die in de vijf andere dorpen – uitgegroeid tot een volwaardige commerciële gebeurtenis waar de dorpelingen zwaar in de minderheid zijn. Na een paar jaar afwezigheid ging ik er deze keer toch maar weer eens naar toe omdat ik niet de reputatie wil krijgen van de azijnpisser van dienst. Het eerste wat ik zag toen ik de feestzaal naderde, was Bertrand de gepensioneerde huisschilder die met onvaste tred de tegenoverliggende auberge verliet. Ik druk me voorzichtig uit, want ik hield mijn adem in uit angst dat hij plat op zijn gezicht zou vallen. Maar gelukkig werd hij begeleid door een drinkebroer die nog iets meer evenwichtsgevoel had. Nadat ik in sneltreinvaart een ronde langs de stalletjes en tapijten met versleten gebruiksvoorwerpen had gemaakt, kwam ik Chantal, de vrouw van Bertrand tegen. Ik vertelde haar dat haar man een probleem leek te hebben. Haar gezicht verstrakte. ‘Gedronken?’, vroeg ze. Ik zei haar dat me dat niet onmogelijk leek. En weg spoedde ze zich.
De volgende ochtend kwam ik Chantal op straat tegen. Het was allemaal erg meegevallen met Bertrand, vertelde ze me. ‘Je hebt hem waarschijnlijk al een tijd niet gezien (Ik had hem een week daarvoor nog gesproken). Hij is erg veranderd. Hij was gewoon erg moe gisteravond, want hij was ’s ochtends heel vroeg opgestaan. Hij lag te slapen in zijn busje toen ik hem vond.’ Een uur later kwam ik Bertrand tegen op een karwei waarmee hij zijn magere pensioentje een beetje opkrikt. Ik zei hem dat het me speet dat ik Chantal ongerust had gemaakt met mijn verkeerde inschatting. ‘Ik begrijp dat je helemaal niet dronken was, maar gewoon erg moe.’ Bertrand keek me een beetje vreemd aan. ‘Ik niet dronken? Man, ik was compleet lazarus.’
De kans is niet groot dat ik volgend jaar opnieuw onze braderie bezoek, maar als ik het toch doe en ik zie Bertrand weer zwalkend de auberge verlaten, dan zeg ik tegen Chantal dat Bertrand me erg moe lijkt.