Ontmaskerd

Er was eens een tijd dat ik als adressenboek een kaartenbak had. Daar zaten papieren systeemkaartjes van 8 bij 13 centimeter in. In het pre-automatiseringstijdperk werden die ook in bibliotheken gebruikt. Ik zeg dat er maar even bij voor de jongere lezers. Ik veronderstel dat die zich nauwelijks kunnen voorstellen dat er een tijd was dat het geven van een zoekopdracht in een database of een zoekmachine gewoon niet bestond. We moesten ons voor het schrijven van een scriptie (sorry, thesis) urenlang door kaartenbakken vol beduimelde kaartjes werken, nummers op een briefje schrijven en dat vervolgens aan een balie afgeven en wachten op het verlossende moment dat door de luidspreker jouw naam werd afgeroepen om het boek of ander geschrift in ontvangst te nemen dat in het beste geval weer een voetnoot en misschien zelfs een citaat (sorry, quote) in je scriptie opleverde. De beelden op mijn inwendig filmdoek gaan bij deze gedachten automatisch op zwart-wit. Zó lang lijkt dat wel geleden.
Bij het overgaan op een geïnformatiseerde database voor mijn adressenbestanden geraakte mijn kaartenbak in onbruik. De systeemkaartjes draaide ik om zodat ik de achterkant als kladpapier kon gebruiken. Ik schiet al lekker op want ik ben nu met de A bezig (nee, dat is geen ironie, want als je de hele bak omdraait, begin je dus bij de Z). En daar zaten ook een paar ambassades bij. Ik deed namelijk in die tijd werk waarbij ik die nog al eens nodig had. En zo kwam ik het kaartje “Ambassade ZA” tegen. De oplettende lezer zal nu denken: ‘ZA, dat staat natuurlijk voor Zuid-Afrika. Maar wat moest die Nijzink pakweg dertig jaar geleden (want we hebben het over het pre-automatiseringstijdperk) in Zuid-Afrika? Een beetje links angehauchte liet dat land in die tijd toch volledig rechts liggen? Precies, en daar zit hem nou juist het probleem. Ik was inderdaad tamelijk links angehaucht en ik moest naar Zuid-Afrika. Ik was net gaan werken bij een ontwikkelingsorganisatie als hoofd Afrika met als speciale verantwoordelijkheid Zuid-Afrika. De oplettende lezer denkt nu: ‘wat moest een zichzelf respecterende ontwikkelingsorganisatie dertig jaar geleden in Zuid-Afrika?’ Mandela zat nog op Robbeneiland. Het ANC was nog een illegale organisatie. De scherpste kantjes van de Apartheid waren er dan wel af, maar het bleef een totaal verwerpelijk regiem. Precies, en daarom had de Europese Commissie bedacht dat het wel een goed idee was om een speciale ‘budget-line’ te openen voor de ‘victims of Apartheid’. Dat geld kon natuurlijk niet rechtstreeks naar het ANC of naar COSATU (de aan het ANC gelieerde vakcentrale) gaan, maar het werd wel naar instellingen gesluisd die de goedkeuring van die twee hadden. En het Apartheidsregiem stond dat toe. Dat was het schizofrene van de hele situatie. Je laat vanuit het buitenland organisaties steunen die het op jouw ondergang gemunt hebben. Het is alsof Poetin toestemming aan Brussel geeft om de oppositie financieel te steunen. Ik weet niet of er ooit een deugdelijke evaluatie van het programma heeft plaatsgevonden. Vermoedelijk is dat in de euforie van het einde van het Apartheidsregiem vergeten.
En waarom moest ik naar Zuid-Afrika? Om de mensen te ontmoeten die die Europese geldstroom in goede banen leidden. Tenslotte werkte ik bij een organisatie die haar werk serieus nam en die het niet alleen maar te doen was om de 7% apparaatskosten waarvan mede mijn salaris betaald kon worden. Ik moest de verantwoordelijken ter plaatse spreken om vast te kunnen stellen dat het geld in goede handen terecht kwam.
De mensen binnen mijn organisatie die het weten konden, hadden me verzekerd dat ik die reis naar Zuid-Afrika zo snel mogelijk na mijn indiensttreding zou moeten maken. De Zuid-Afrikaanse regering beschikte immers over een van de meest effectieve inlichtingendiensten ter wereld en zo zouden ze al heel snel weten dat ik voor een organisatie werkte die zich zeer duidelijk tegen het Apartheidsregiem keerde (maar die wel als geldsluis van Brussel naar de slachtoffers van de Apartheid kon functioneren; waar klopt hier iets niet?) en zou ik derhalve geen visum krijgen.
En dan nog zou het niet zo simpel zijn om dat visum te krijgen. Daarvoor moest ik namelijk een verhaal hebben. Waarom moest ik zo nodig naar Zuid-Afrika? En er moest ook een Zuid-Afrikaan zijn die tijdens mijn verblijf in het land voor mij garant zou willen staan. Ik begon met het laatste. Een vriend had een tante in Kaapstad waarvan hij dacht dat ze wel mee zou willen werken aan dat nobele doel. Teleurstelling. De tante vond dat veel te griezelig. Een vriendin had een Zuid-Afrikaanse oud-studiegenoot die aan de Witwatersrand Universiteit doceerde. Ze zou hem wel even schrijven en dan zou het vast geen probleem zijn. En inderdaad: raak. Met zelfs nog een uitnodiging erbij om hem op te komen zoeken. Er zat één maar aan. Een progressieve intellectueel zou waarschijnlijk niet heel goed te boek staan bij de Zuid-Afrikaanse inlichtingendienst. Maar ik had weinig keus, dus heb ik hem op mijn visumaanvrage gezet. Maar nu het verhaal. Ik had geen vrienden of familie in Zuid-Afrika die ik nodig eens moest opzoeken. Professionele redenen waren in mijn geval taboe, dus moest het maar een toeristisch uitstapje worden. Maar waarom naar Zuid-Afrika? Waarom niet naar, noem eens wat, Kenia? Precies, waarom niet? Omdat ik het juist ging combineren met een reis naar Kenia. Dat was mijn vondst. Niet ijzersterk, maar toch. Ik had een reis naar Nairobi gepland. Daar zou ik familie gaan bezoeken (dat was verifieerbaar juist). En omdat ik dan op een paar uur vliegen van Johannesburg zou zijn, was dat een mooie gelegenheid om Zuid-Afrika te bezoeken. Bovendien, zowel van Oost- en West-Afrika had ik al veel gezien. Het werd nu wel eens tijd voor het zuiden. Ik herinner me dat ikzelf niet onder de indruk was mijn verhaal, maar helemaal onplausibel vond ik het niet. Totdat ik op de ambassade zat. Binnen tien minuten voelde ik me een dreumes met te grote schoenen aan en een afzakkende broek die een slechte smoes aan zijn ouders heeft verteld om het tekort in de huishoudportemonnee te verklaren. Maar ik ga nu een beetje snel. Nadat ik mijn visumaanvraag naar de ambassade had gestuurd kreeg ik een uitnodiging voor een gesprek. Ik vroeg me af of ze dat met iedere toerist deden en het antwoord moest natuurlijk wel ‘nee’ zijn, maar goed, het was nog geen afwijzing. Dus ging ik in het najaar van 1988 naar de Zuid-Afrikaanse ambassade in Den Haag. Die was maar op vijf minuten fietsen van mijn werk, maar ik herinner me dat ik uit voorzorg niet met de fiets ben gegaan, maar lopend. Ik kwam namelijk met de trein vanuit mijn woonplaats Utrecht. Ja toch? Ik weet niet meer of ze me dat gevraagd hebben, maar helemaal onwaarschijnlijk is dat niet.
Ik had een afspraak met drie personen. Dat staat allemaal netjes op mijn systeemkaartje. Ze hadden alle drie erg Nederlandse namen, maar dat kun je natuurlijk hebben met Zuid-Afrikanen. Alleen een van die namen was tegelijk ook wel erg Zuid-Afrikaans: Van Rensburg. Een van de drie was een vrouw, mevrouw Van Veen. Haar rol bestond er hoofdzakelijk uit mij te ontvangen.
Het gesprek vond plaats in een groot vertrek met houten lambrisering en daarbij passend eiken meubilair. Niet een plek waar je je meteen op je gemak voelt. Het decor viel bedompt en zwaar op me. Daarin paste meneer Van Rensburg uitstekend. Hij was een veertiger van de intens saaie soort. Geheel in het bruin gekleed, bruin achterover geplakt haar, een snor die twijfelde of hij er wel wou zijn en het soort huid dat je vooral bij kettingrokers ziet. Der dritte im bunde, ja dat was een heel ander verhaal. Mevrouw Van Veen voor de hoffelijkheden, meneer Van Rensburg voor de introductie, wat is de bedoeling van dit gesprek etc. En toen kwam meneer De Meijer in het spel. Ik denk dat ik voordien nog nooit een echte spion, geheim agent of hoe je het wilt noemen, heb gezien, maar ik wist vanaf het eerste moment: dit is er een. Mooie jongen, mooi goedzittend pak, vriendelijke oogopslag, prettige stem, zo iemand van wie je zonder na te denken een antieke kast of een tweedehands Jaguar zou kopen. Tot op de dag van vandaag nog weet ik niet wat er precies gebeurde, maar na tien minuten beleefde conversatie met meneer De Meijer wilde ik het liefst onzichtbaar worden en geruisloos het pand verlaten. Mijn verhaaltje was doodsimpel, maar minzaam vragenstellend met zo’n hevig geïnteresseerde blik liet hij mij de meest inconsistente antwoorden geven.
Ik heb nog vaak aan dat vernederende moment moeten terugdenken en vroeg me vervolgens af wat er van meneer De Meijer na het afschaffen van de Apartheid geworden zou zijn. Maar ik denk dat ik me daar geen zorgen over hoef te maken. Meneer De Meijer had waarschijnlijk een zwarte anti-apartheidsactivist van de verdiensten van de Apartheid kunnen overtuigen en een blanke boer van de voordelen van de majority rule. Voor zulke mensen is er overal in de wereld een plaats. En nee, mijn visum heb ik niet gekregen. Zuid-Afrika heeft zonder mij het juk van de Apartheid moeten afwerpen.

Doos 86

Ik zal een jaar of elf geweest zijn toen mijn vader op Sinterklaas een boek cadeau kreeg dat De zeilsport heette. Het was een kloek werk in linnen band, geschreven door H.C.A. van Kampen. In de jaren daarna was dit mijn lijfwerk, de bron van alle wijsheid voor alles wat met varen te maken had. En varen deed ik graag, maar, bij gebrek aan een boot van mezelf of van mijn ouders, veel te weinig. En om dat tekort enigszins te compenseren had ik De zeilsport aangevuld met oude jaargangen van de Waterkampioen. Vele jaren later, misschien bij een van de vele opruimwoedes van mijn moeder of bij haar verhuizing naar een geriatrische instelling, bleek het boek onvindbaar. Dat wil zeggen dat ik ervan overtuigd was dat mijn broer het wel zou hebben en mijn broer dacht dat ik me erover ontfermd had. Toen wij erachter kwamen dat geen van tweeën het begeerde werk in zijn bezit had, ben ik, wanneer ik in Nederland was, bij De Slegtes in de tweedehands afdelingen gaan zoeken. En warempel, ik heb het een jaar of zes geleden gevonden. Het was wel niet dezelfde editie en het was ook niet meer meneer Van Kampen die ervoor verantwoordelijk was, maar deze “achtste en geheel herziene druk” van ir. J. Loeff was zeker zo mooi en compleet en veel van de oude bouwtekeningen bleken nog dezelfde. Getuige de stempel op het voorblad had het boek toebehoord aan een huisarts in Uden, een beroep dat toen en nu hoog op de prestigeladder staat en wat dus aanvullend bewijs is voor de stelling dat zeilers kakkers zijn. Wat niet wegneemt dat ik zelden zo blij ben geweest met de aanschaf van een boek. Het kreeg een ereplaats op het tafeltje naast mijn favoriete leesstoel.

En toen, op een dag, was het boek verdwenen (hetzelfde gebeurde in die tijd met een boek van Renate Dorrestein, maar dat heeft me minder aangegrepen). Ik heb werkelijk alle (dacht ik) mogelijke en onmogelijke plekken afgezocht, maar niks. Ik heb ook nog de befaamde Wet van Nijzink toegepast (voortkomend uit het zoeken naar ontbrekende lego-stukjes): “Wilt gij iets vinden, zoekt dan naar iets anders”. Maar niets hielp. Ir. Loeff was met de Noorderzon verdwenen. Nou had in die periode wel mijn broer een paar weken in ons huis vertoefd om samen met zijn vrouw voor onze hond en katten te zorgen. Dat was natuurlijk de oplossing: hij had het geleend en was dat vergeten te zeggen! Het antwoord was: “Heb jij De zeilsport? Als ik dat geweten had …”. Er was nog een mogelijkheid. Ook een schoonzus met een vriendin hadden toen een paar weken voor de beesten gezorgd. De schoonzus heeft niets met zeilen, dus die viel af, maar die vriendin? Had die niet verteld dat haar overleden man een verwoed zeiler was en dat zij ook graag meeging? Dat was het, zij moest de schuldige zijn. Wij wisten dat natuurlijk niet, maar zij was vast een kleptomane. Dat komt in de beste families voor. Maar wat nu? Moest ik nu mijn schoonzus bellen en vragen of zij haar vriendin zou willen vragen of zij per ongeluk mijn meest kostbare boek in haar tas had gedaan? Nee, dat doe je niet en trouwens die vriendin zou dat toch nooit toegeven. Ik moest me maar gaan verzoenen met het tweede verlies van het geliefde boek.

Twee jaar later gingen we verhuizen. Het voorlopig koopcontract was getekend en wij gingen inpakken. Dat was een langdurige geschiedenis want we moesten van 500 m² naar vermoedelijk iets van 120 m². Dus veel uitzoeken: wat kan weggegooid, wat naar de kringloop (de Emmaüs in ons geval), wat willen onze kopers overnemen, wat krijgen ze van ons en ten slotte, wat nemen we mee? Een ding was zeker: we hoefden geen tuingereedschap mee te nemen, want na vijfentwintig jaar ploeteren om de mooiste tuin van de hele Bourgogne te maken en die mooi te houden, wilden we zeker geen tuin meer. En mens kan zich lelijk vergissen want nu wonen we in een vrijstaande woning met een forse lap tuin eromheen. Het laatste vertrek waar opgeruimd, geselecteerd en ingepakt moest worden, was onze werkkamer. Daarin stonden onder meer twee grote antieke kasten. Bovenop een van die kasten stond het financiële archief en op de andere eigenlijk niets waar ik niet vanaf de vloer staande bij zou kunnen: een oude trombone (naar de Emmaüs), een bos kunstbloemen (weggegooid) en een groot zelfgemaakt vogelmasker van papier mâché (foto van gemaakt en toen toch maar op de brandstapel). Er was eigenlijk geen reden om een stoel te pakken om te kijken of er nog iets anders bovenop lag. Toch maar gedaan. Er lag nog wel iets: De zeilsport van ir. Loeff. Na een moment van ongeloof barstte ik los in een vreugdegehuil dat een kilometer in de omtrek te horen moet zijn geweest. Toen J. kwam informeren wat er aan de hand was en ik haar op de bovenkant van de kast wijzend het boek liet zien, zei ze simpelweg: “O ja, nu herinner ik het me weer. Ik heb het daar neergelegd omdat ik bang was dat je het anders kwijt zou raken.” Die logica heb ik nooit begrepen, maar het belangrijkste was dat ik het boek der boeken terughad.

Het duurde vervolgens een jaar totdat de dozen in ons nieuwe huis arriveerden. En nog eens een half jaar voordat we de meeste uitgepakt hadden. Toen dat eenmaal zover was, bleken twee dingen de eindstreep niet gehaald te hebben: een schilderij waaraan we zeer gehecht waren en doos 86. En wat zat er in doos 86 (ik had de inhoud van de dozen keurig genoteerd)? Zeilsport e.a. boeken, voetje monitor, spellen. Dat van die spellen was natuurlijk jammer maar geen ramp, een voetje voor mijn computerbeeldscherm heb ik zelf in elkaar geknutseld. Maar nu was ik voor de derde keer in mijn leven De zeilsport kwijt. Ik ben allergisch voor complottheorieën, maar ik begon nu toch serieus aan een samenzwering te denken. Het wie of wat en waarom waren me onduidelijk, maar dit kon geen toeval meer zijn.

Inmiddels zijn we weer bijna een half jaar verder en net terug van een maand verblijf bij onze zoon, schoondochter en inmiddels ook nog een kleinkind in Rio de Janeiro. Ik constateerde daar een schrijnend gebrek aan bordspellen zowel in het algemeen als in huis. Ik wist dat we er daar nog wel een paar van in een nog ongeopende verhuisdoos hadden zitten. En aangezien we over een paar maanden weer terug naar Rio gaan, ben ik na thuiskomst snel op zoek gegaan. In mijn schrijfblokje met verhuisdozen 1 tot en met 127 vond ik onder de ongeopende dozen nummer 89 met de aanduiding spellen. En inderdaad daar zaten spellen in. Bovenin een pokerspel en een mahjong spel, maar dat was niet wat ik zocht. Ik groef dieper en vond Le capital au XXIe siècle van Thomas Piketty. Hé, lag dat boek niet onder mijn Zeilsport? En daar is ook mijn monitorvoetje, maar dan moet … En ja hoor, daar was, nog mooier dan ik me herinner, De zeilsport in onberispelijk blauwlinnen band. Hoe vaak kun je blij zijn met het vinden van één boek?

N.B.: Doos 86 heeft nooit bestaan, een echte zogeheten fantoomdoos.