Aardig en beleefd

Ik krijg met enige regelmaat reacties van lezers op mijn boek De toren van Daniël. Vaak lovende, zelden echt kritische. Dat is te begrijpen want serieus kritiek op iemands werk leveren is nooit leuk om te doen, behalve als je een pesthekel aan diegene hebt. Dus hoor ik van mensen die het boek niet konden waarderen of helemaal niets, of iets vaags. Maar er is één reactie waar ik geen raad mee weet. Die komt van de lezers die willen weten in hoeverre het boek autobiografisch is. Met een variant daarop werd ik een paar dagen geleden geconfronteerd. ‘Ik heb je boek gelezen. Nou, het is wel erg autobiografisch hoor.’ Veel gedachten flitsen er op zo’n moment door me heen. Wat weet diegene van mij dat hij dat kan zeggen? Blijkbaar meer dan ik dacht. Wat maakt een verhaal eigenlijk tot autobiografisch? Is er een kritiek punt? Als meer dan 50, 60, 70 procent van de woorden is toe te schrijven aan eigen ervaringen, wordt een verhaal dan autobiografisch? Maar hoe zit het met gedachten? Als de auteur eigen ideeën, gedachten bij een van zijn personages onderbrengt, is dat dan ook autobiografisch? En waarnemingen, hoe zit het daarmee? Als je een verhaal situeert in je eigen geboortedorp, is het daarmee dan autobiografisch geworden? Tot op welke hoogte moet de schrijver zichzelf uitschakelen om niet autobiografisch te schrijven? Een tamelijk ridicule vraag natuurlijk, maar voor de lezers die willen weten of iets autobiografisch is, lijkt dat belangrijk te zijn. Voor hen staat autobiografisch tegenover fictie. Het eerste is simpel uit je eigen ervaringen putten en dat kan iedereen, het tweede is serieuze literatuur bedrijven en dat is alleen aan echte schrijvers voorbehouden. Jammer voor Proust, Joyce en Vestdijk. Lang leve Dan Brown en Tolkien. Voor de goede orde: ik vind mijn boek niet autobiografisch. Natuurlijk heb ik gebruik gemaakt van wat ik zelf beleefd heb. Maar tussen het beleefde en wat er uiteindelijk op papier is gekomen ligt een heel proces, en dat heet schrijven. Wat iets anders is dan dagboekaantekeningen of herinneringen opschrijven. Maar de grens is uitermate vaag, getuige het feit dat onlangs de memoires van een Frans schrijver (Claude Arnaud) als roman zijn uitgegeven. En uiteindelijk is het ook niet interessant of gebeurtenissen al of niet geheel of gedeeltelijk aan de fantasie van de schrijver zijn ontsproten. Het gaat erom of  de schrijver een goed boek heeft geschreven.
Op de laatste pagina van The Ghost Writer van Philip Roth staat een interessante dialoog tussen Roth’s alter ego Nathan Zuckerman en diens leermeester Lonoff (achter wie Bernard Malamud schuilgaat). Zuckerman is zojuist getuige geweest van een echtelijke ruzie tussen de Lonoffs. Lonoff moedigt Zuckerman aan meteen alles op te schrijven wat hij gehoord en gezien heeft: “I’ll be curious how we all come out someday. It could be an interesting story. You’re not so nice and polite in your fiction,” he said. “You’re a different person.”
“Am I?”
“I should hope so.”
Een prachtige aanmoediging voor schrijvers om vooral niet ‘aardig en beleefd’ te zijn, maar juist ongegeneerd gebruik te maken van zelfs de meest intieme persoonlijke ervaringen.

Nooit meer

Er zijn van die gebeurtenissen in een mens zijn leven die met een absolute onvermijdelijkheid op je afkomen, waarvan plaats en tijdstip in hoge mate bekend zijn, waarop je helemaal voorbereid lijkt te zijn. En als vervolgens het moment daar is, begrijp je nauwelijks wat er gebeurt. Zoiets zei ik twee dagen geleden toen ik op de avond van de laatste dag van het bestaan van ons cursuscentrum afscheid nam van de aanwezige cursisten en docenten. We hadden al een jaar geleden besloten dat we er aan het eind van deze zomer mee op zouden houden en ik heb er sindsdien geen moment aan getwijfeld of dat een verstandige beslissing was. Maar op het moment dat ik voor de laatste keer allerlei handelingen aan het verrichten was die ik al zo vaak had gedaan en waarvan ik nooit het gevoel had dat ze zo bijzonder waren, pas op dat moment begon er iets tot me door te dringen van de onherroepelijkheid van wat ik meemaakte en nooit meer terug zou komen. Zo zal ik me nooit meer zaterdag uit de naad hoeven te werken om een nieuwe groep mensen in een strak gemaaide tuin te kunnen ontvangen. Ik hoef niet meer met lege kratten naar de slijter te rijden om de wijnvoorraad voor de week op peil te hebben. Ik zal me nooit meer om zeven uur ’s avonds realiseren dat we vergeten hebben de bakker te bellen voor de bestelling van vijfentwintig broden voor de volgende ochtend. Ik hoef nooit meer te vrezen dat er op een ochtend iemand naar me toe komt met de mededeling dat de wc’s in het campingsanitair niet meer doorlopen. Ik kan nooit meer met de gedachte spelen om, als ik net kersverse cursisten van het station gehaald heb en via een acht kilometer bij ons vandaan gelegen bedrijventerrein naar Saint Didier rij, het desolate erf van een van de kleine bedrijfjes op te rijden en te roepen ‘Zo, we zijn er!’ Ik zal nooit meer horen, als ik uit de honderd uitgestapte treinreizigers feilloos onze cursisten haal: ‘Goh, hoe bestaat het dat je ons er uitpikt.’ Eén keer heb ik verteld waar ik op let. Dat viel niet in goede aarde en dat heb ik dus nooit meer gedaan. Ik mompelde sindsdien zoiets als: ’intuïtie’ of ‘ach ja, vele jaren ervaring’.
Wat nu ook niet meer kan, is mijn leven beteren. Dat beloofde ik ieder jaar opnieuw. Het probleem was dat ik op de een of andere manier John Cleese in Fawlty Towers tot mijn rolmodel had gemaakt. Met als gevolg dat ik het al een hele prestatie vond als ik onze gasten niet toesnauwde, bruuskeerde of anderszins liet weten dat ze niet moesten zeuren. Bovendien heb ik ooit Nederlandse vrijwilligers in de tropen begeleid en daar gold voor ons stafleden het adagium: ‘afknijpen die jonkies, voordat ze een te grote mond krijgen.’ Kortom mijn geestesgesteldheid was niet de meest geschikte voor de ideale gastheer. Dus beloofde ik mezelf ieder jaar weer dat ik het volgend jaar beter, aardiger, vriendelijker zou doen. Ondanks die beloftes ieder jaar weer heb ik dat ideaal zelfs niet bij benadering bereikt, maar volgens mij ben ik wel een paar streepjes vooruit gegaan.
Ik zal me nu ook nooit meer kunnen ergeren aan het feit dat, net als ik vind dat ik wel eens in de tuin van een welverdiende rust mag genieten, mijn favoriete plekje is ingenomen door een groepje keuvelende gasten. Ik kan me niet eens voornemen me daar niet meer aan te ergeren. Die hele tuin is voor ons alleen! Ik hoef nooit meer iemand uit te leggen wat ons in vredesnaam heeft bezield om, met achterlating van familie, vrienden en kindvriendelijke scholen, ons op het Franse platteland te vestigen. Het tegenovergestelde hoef ik trouwens ook niet meer uit te leggen: dat ons dorp ondanks de ogenschijnlijke idylle toch misschien niet de meest ideale plek is om te wonen. Ik hoef nooit meer bang te zijn dat er op de zaterdagavond dat alle gasten na een hele dag reizen moe te bed liggen, opeens een hels kabaal uit de naburige feestzaal komt omdat een juist getrouwd stel het zo nodig vindt om daar op technoklanken tot vier uur ’s ochtends hun huwelijk in te zegenen.
Maar het ergste van alles is, dat ik niemand er meer de schuld van kan geven als er iets fout gaat. Als de afvoer verstopt raakt, heb ík dat op mijn geweten. Als de ramen tijdens een zware onweersbui open blijken te staan, heb ík vergeten ze te sluiten en niet zo’n onnadenkende gast. En wat ik bovendien zal missen, is dat egostrelende gevoel het altijd beter te weten, want per definitie weet de gastheer natuurlijk alles beter dan zijn gasten. Nee, wat tot voor kort op een logische, verstandige en onvermijdelijke beslissing leek, is inmiddels al ineengeschrompeld tot een mogelijk juiste, maar evenzogoed toch wel tamelijk arbitraire stap. Het zou ook goed denkbaar zijn geweest als we …,  en wat ook een mogelijkheid zou zijn geweest is dat …,  of hadden we misschien beter …? Altijd al geweten dat het moeilijk is je bij het onvermijdelijke neer te leggen, maar als je zelf die onvermijdelijkheid hebt gecreëerd is het misschien nog moeilijker. Dan ben je bezig met het Opperwezen te concurreren. Daarvoor moet je wel erg sterk in je schoenen staan.

Moe

Ik maak me er vandaag met een Jantje van Leyen vanaf. Dat zit zo: vandaag is de eerste dag van onze laatste cursusweek. Buiten onszelf als ondersteunende staf en twee docenten zijn er zevenentwintig mensen die verwachtingsvol zo’n week tegemoet zien. Ze weten bijna allemaal dat we ermee gaan stoppen. Een enkeling niet. Die dan uitroept: ‘Nu ben ik hier eindelijk en nou houden jullie ermee op. Kan ik hier dan nooit meer komen?’ Veel vragen met de strekking ‘Wat gaan jullie hierna doen?’ worden ons gesteld. En ik was al tamelijk moe. Gisteren hadden we namelijk een groot feest van onze Engels-Franse vrienden. Hij, de Engelsman en gepensioneerd architect, had een vernissage van zijn werk (dorpsgezichten van Saint Didier) in onze lokale feestzaal. Dat was dus twee uur lang met het glas in de hand kletsen. Curieuze toestand eigenlijk zo’n vernissage. Als er genoeg mensen komen – en dat was gisteren helemaal het geval – dan ben je met zoveel, dat niemand meer een schilderij van verder dan vijftig centimeter kan bekijken. Meestal zijn ze dan niet op z’n voordeligst. Na afloop van de vernissage was er een diner in een grote feesttent naast de expositieruimte. Dat werd dus nog eens vier uur zitten, praten, eten en drinken met het geroezemoes van een kleine honderd genodigden op de achtergrond. Vanaf een uur of tien zat ik op de meest verschrikkelijke manier door. Het liefst had ik me onder de tafel laten zakken om rustig te gaan slapen. De benen nemen met het trouwens geheel valide excuus dat wij anders dan de andere aanwezigen de volgende dag – vandaag, zondag dus – een zware werkdag voor de boeg hadden, zou niet gewaardeerd worden. Ik deed niet eens meer mijn best om mijn gesprekspartners te verstaan. Ik knikte, vriendelijk glimlachend en hoopte maar dat niemand zou vragen ‘En Ton, wat vind jij daarvan?’, want ik was al tijdenlang de draad van het gesprek kwijtgeraakt. We hebben het tot en met het dessert volgehouden, maar de koffie hebben we niet meer afgewacht.
Vandaag heb ik weer mijn wekelijkse rondjes over het gras gedraaid, mensen een parkeerplaats, een kampeerplek gewezen, wijn geschonken en soep rondgedeeld, en weet: het is mooi geweest, ik ga nu lekker mijn bed in.  

De dansbaarheidstoets

Vroeger hield ik van de verkeerde muziek. Vanaf het moment dat we thuis een pick-up hadden – ik zal twaalf geweest zijn – besteedde ik al mijn schaarse zakgeld aan de aanschaf van grammofoonplaten. Meestal EP’tjes, want voor LP’s moest ik te lang sparen. Zo had ik tegen de tijd dat de schoolfeestjes begonnen al een respectabele discotheek die ik aanvankelijk trots, later met enige schroom en nog later helemaal niet meer meebracht naar onze schuifelavonden. Het probleem was namelijk dat wanneer de disc-jockey – het woord kenden we nog niet, laat staan de deejay – uiteindelijk bereid was een plaatje uit mijn collectie op te zetten, iedereen in koor begon te roepen om goede muziek. Van Miles Davis en Charlie Parker hadden mijn klasgenoten nog nooit gehoord en het aanhoren wilden ze al helemaal niet. Eén plaatje kon echter de dansbaarheidstoets doorstaan. Dat was er een van Sidney Bechet. Dat had ik gekocht in een bui waarin de behoefte om mij te conformeren aan de smaak van mijn omgeving even de overhand had genomen. Bechet was een overlevende van de authentieke New Orleans jazz, die hij vervolgens onder invloed van Parijse sferen een beetje naar zijn hand had gezet. Het resultaat was een aangename muziek waarmee ik mijn grootmoeder niet eens het huis uit kon jagen, maar met de door de ziel snijdende tonen van een Miles of een Bird had dat helemaal niets te maken. Toen over ‘mijn’ jazz de definitieve banvloek was uitgesproken – een van mijn vrienden probeerde mijn leed wat te verzachten met de mededeling dat ze er nog niet aan toe waren; ik vermoed dat hij het nog ver geschopt heeft in het leven – heb ik uit woede mijn plaatje van Sidney Bechet in de verkoop gedaan. Ik kreeg er nog een heel aardig bedrag voor waarmee ik, aangevuld met een week zakgeld, mijn collectie moderne jazz heb uitgebreid.
Vorige week zat ik met mijn boek De toren van Daniël op de Salon du livre van Saint Honoré-les-bains. Dat is de Frankfurter Buchmesse van de Morvan. Minstens even internationaal want aan een tafeltje voor mij zat een Nederlandse die het werk van de Franse filosoof Michel Onfray in het Nederlands vertaalt,  naast mij zat een Française van Italiaanse komaf die Nederlanders Franse les geeft tijdens een etentje, en ik heb er nog een Italiaan gesignaleerd die misdaadromans schrijft, o pardon, literaire thrillers. Aan de andere kant naast mij zat Sidney-Daniel Bechet zijn boek over zijn vader te verkopen. Jazeker, ik zat daar op deze prestigieuze salon naast het enige kind van de grote musicus Sidney Bechet. Dat gaf wel de nodige dynamiek rond mijn tafeltje, maar dan helaas wel van mensen die een gesigneerd exemplaar van het boek van Sidney-Daniel wilde. Waarom zit de zoon van een Amerikaans-Parijse jazzmusicus een boek te verkopen in Saint Honoré-les-bains, kun je je afvragen. Omdat het plaatsje vroeger een belangrijk kuuroord was waar Sidney Bechet kwam kuren voor ademhalingsproblemen. En daar is Saint-Honoré hem nog steeds dankbaar voor, getuige het feit dat de dorpsfeestzaal waarin onze boekensalon plaatsvond, naar hem vernoemd is.
Minder blij waren de Honoriens met een andere illustere passant. Louis Malle – in de jaren zestig beroemd geworden met zijn Les Amants – kwam er niet om te kuren maar om er een film op te nemen. Hij draaide er in 1971 Le souffle au coeur.
De benodigde figuranten waren met een gratis middagmaal gemakkelijk te rekruteren en waren bovendien apentrots dat ze in een film van de beroemde Louis Malle meespeelden. Totdat de film uitkwam en bleek dat hij ging over een incestueuze moeder – zoon relatie. Dat werd in het zeer provinciaalse Saint Honoré niet gewaardeerd.
Ik vrees dat mijn passage in Saint Honoré-les-bains minder besproken zal worden dan die van Sidney en Louis. Ik heb er twee exemplaren van De toren van Daniël verkocht: een aan genoemde vertaalster en een aan een echte bezoekster. Ik durf daarentegen te wedden dat Le souffle au coeur er nooit in de bioscoop gedraaid heeft. Dus kan ik me eigenlijk wel een beetje met Louis Malle meten.

Maxime Verhagen, De Telegraaf en ik

Vorig najaar ben ik begonnen aan een groot en gedegen artikel over ontwikkelingsorganisatie SNV. Dat is de club waar ik vroeger met veel plezier bij gewerkt heb en in de jaren tachtig de geschiedenis van geschreven heb. Tot tien jaar geleden was ik hoofdredacteur van het blad Vice Versa dat door SNV werd uitgegeven, een soort vakblad voor ontwikkelingswerkers. Dat blad bestaat nog steeds, maar is inmiddels door SNV afgedankt. Met de vorige hoofdredacteur van Vice Versa had ik de afspraak voor dat artikel gemaakt. Het artikel is er nooit gekomen, of liever gezegd: het is nooit gepubliceerd. De nieuwe hoofdredacteur van Vice Versa – die ik zelf destijds uit de redactie had gezet omdat ik hem oncapabel vond – wilde het verhaal niet hebben. Hij vond het te partijdig. Intussen had ik wél maandenlang uitpluizerij in dat verhaal zitten en had ik er talloze mensen – waaronder de SNV-directie – voor geïnterviewd. Dus een beetje zonde om het daar maar bij te laten. En wat belangrijker was: ik had een verhaal dat er niet om loog. Een organisatie die voor 90 miljoen Euro per jaar gesubsidieerd wordt op basis van een subsidieovereenkomst waar mee gesjoemeld wordt, die concurrentievervalsing pleegt op de markt voor adviesdiensten, die subsidiegeld gebruikt om zich om te bouwen tot een commerciële organisatie en die als klap op de vuurpijl zijn directie salarissen betaalt die ver boven de norm voor dit soort organisaties liggen. De conclusie was dat het ministerie onder leiding van Bert Koenders jarenlang heeft zitten slapen. Kortom, niet iets waarvan je zegt: nou ja dan maar niet. Ik was oprecht verontwaardigd over wat een stelletje opportunisten met ‘mijn’ SNV had gedaan, onder het toeziend oog van voorzitter Lodewijk de Waal die, toen hij nog FNV-voorzitter was, zich druk maakte over de graaicultuur. Dus stapte ik naar Vrij Nederland, dat binnen 24 uur toehapte. ‘Maar, Ton je begrijpt natuurlijk wel dat we het niet in deze vorm kunnen plaatsen.’ Dat begreep ik, want ik had het tenslotte voor een vakblad geschreven en niet voor een opinieweekblad. Ik ging ermee akkoord dat we ons eerst op de salariskwestie zouden concentreren en dat in een volgend artikel de meer inhoudelijke aspecten aan bod kwamen. Daar heb ik wel plezier van gehad. In eerste instantie gebeurde er niet veel. Tot we de SP konden motiveren om kamervragen over de kwestie te stellen. Toen pikte De Telegraaf de zaak op en deed Maxime Verhagen wat zijn collega Koenders al jaren eerder had moeten doen: zeggen dat zulke salarissen (we hebben het over 1,5 tot ruim 1,8 ton per jaar) voor een gesubsidieerde organisatie helemaal niet kunnen en voor een ontwikkelingsorganisatie in alle opzichten onethisch zijn. Opeens zag ik mij in het goede gezelschap van ’s lands grootste ochtendblad en de politiek leider van het CDA. Wie had dat ooit kunnen bedenken? Ik niet.
Wat ik ook nooit had kunnen bedenken, is dat het zo ver is gekomen. Dat een organisatie met een lovenswaardige doelstelling en met voor het grootste deel gemotiveerd personeel zo ontsporen kan. Waarom heeft niemand binnen de organisatie ooit zijn mond opengedaan over onfatsoenlijke salarissen? Waarom is er binnen de club geen oppositioneel front van weldenkenden opgericht? Waarom hebben zusterorganisaties als Hivos en Novib hun mond gehouden? Waarom moest het duren totdat Ton Nijzink weer eens een kijkje in Nederland kwam nemen voordat er iets gebeurde? Daar kan ik werkelijk nog steeds niet met de pet bij. Of is het zo dat, als je er met je neus bovenop staat, alles zo geleidelijk gebeurt dat je nauwelijks in de gaten hebt dat er een heilloze weg is ingeslagen? Onzin, je ziet het wel maar je denkt: ‘dit is eigenlijk te onbelangrijk om echt een punt van te maken, als het erger wordt, ga ik aan de bel trekken’. Of is het zo dat, als je in het begin je mond houdt omdat je niet de querulant wilt zijn, je later je mond houdt uit schaamte omdat je in het begin niets gezegd hebt? Om nog maar te zwijgen van het pure eigenbelang: de hoop een graantje mee te pikken of de angst eruit te vliegen. Veel van dit soort processen zijn beschreven in het kader van de Duitse bezetting. Ik geloof niet dat het demagogisch is om zo’n vergelijking te maken. Als in het klein je eerste reactie is om compromissen te sluiten ook daar waar principiële zaken in het geding zijn, dan vrees ik dat dat in grote zaken niet veel anders is.

P.S.: Dat inhoudelijke verhaal is nooit in VN gekomen. Dat was te verwachten. Met genuanceerde kritiek op ontwikkelingshulp maak je ook bij de serieuzere media geen grote kans. Met een sexschandaal, financiële malversaties en corruptie kom je al gauw een stuk verder. Dat maakt mede dat het grotere publiek nooit geleerd heeft mee te denken over de rol van ontwikkelingshulp, waardoor die hulp een sluitpost op de begroting kon worden.