Op reis

Ik was een week met vakantie. Als ik die zin opschrijf krijg ik net niet de slappe lach. Het is niet zo dat ik niét op vakantie was, maar om nou plompverloren te zeggen dat ik op vakantie was … Nee, laten we zeggen dat ik een week weg was. Niet voor werk, ook niet voor familiebezoek, maar gewoon omdat ik er zin in had om even weg te zijn. Niet dat ik het niet naar mijn zin had op de plek waar ik woon. Het is er mooi, het weer was prachtig, de buren zijn aardig, het is – zoals velen al hebben opgemerkt – een paradijsje bij ons. Dus waarom zou ik dan weg willen? Omdat het achter gindse heuvels nog mooier is? Flauwekul, ik weet wel beter. Maar ginds vallen er geen blauwe enveloppen in de brievenbus. Ik heb er niet eens een brievenbus. Ginds heb ik geen gedoe met pensioenverzekeraars die er maar niet in slagen een goede bestemming voor mijn lijfrentekapitaal te vinden. Er stapelen zich geen onbetaalde rekeningen op. Al die dingen die je het liefst voor je uitschuift, die bestaan ginds niet. Het stelt doorgaans allemaal niet zoveel voor, die akkefietjes die je het zicht op weidse verten benemen en als je ze afgehandeld hebt, ben je opgelucht en dat is een mooi gevoel. En toch. Ginds heb je die akkefietjes niet. Daarom gaan mensen op vakantie. Niet om de weidsheid van het landschap, de schoonheid van de natuur, de interessante cultuur, de rust, de mooie gebouwen. Nee hoor dat zijn alleen maar excuses om even verlost te zijn van de onvermijdelijkheid van het alledaagse, om even de illusie te hebben dat het allemaal anders kan. Daar doe ik dus enthousiast aan mee. Ook de gepensioneerde, voor wie het toch het hele jaar vakantie is, moet er zo af en toe even helemaal uit.
Daarginds las ik het laatste boek van Cees Nooteboom. Die heeft het goed voor elkaar, dacht ik. Zodra je er boeken over schrijft, heb je een prachtig excuus om weg te zijn. Dan ben je niet op vakantie, maar dan ben je op reis. En het doel van je reis is dan misschien geen conferentie of iets anders nuttigs klinkends, maar een boek. Vanaf heden ben ik nooit meer op vakantie. Als ik weg ben, ben ik gewoon bezig aan een boek.

Pinkstergebed

Ik heb vanochtend mijn Pinkstergebedje gedaan. Al maanden zit ik met Annie M. G. Schmidts prachtige ‘Op een mooie pinksterdag’ in mijn hoofd. Niet dat ik de hele tekst uit mijn hoofd ken, maar het
Morgen kan ze zwanger zijn
Kan ook nog vandaag
Kan van de behanger zijn
Van een Franse zanger zijn
Of iemand uit Den Haag
speelde al die tijd als een soort mantra in mijn hoofd. Soms hield ik het even niet meer en barstte in luid gezang uit. Vanochtend – op Eerste Pinksterdag – heb ik de volledige tekst opgezocht en hem zelfs op YouTube door Leen Jongewaard en André van den Heuvel horen zingen. Ik kan het nu wel bekennen: ik heb het Jongewaard destijds live horen zingen in het Amersfoortse Grand Theatre. Doorgaans bezocht ik dat voor films, maar deze keer was ik door mijn toenmalige schoonouders uitgenodigd om naar Annie M. G.’s musical te gaan kijken. Ik zou uit mezelf niet op het idee gekomen zijn. Ik ging vooral voor cultuur met een grote C. Maar ik ben er nog steeds blij om dat ik ‘Heerlijk duurt het langst’ (zo heette die musical) gezien heb. Daar was ook Conny Stuart die ons aanspoorde om vooral niet te zeuren. Van dat verheffende lied zijn er ook een paar regels die nooit meer uit mijn geheugen weg willen (over het knijpen van parkietjes bijvoorbeeld). Wat vooral intrigerend blijft, is waarom de toenmalige KRO-voorzitter en KVP-politicus Harry van Doorn de mooie pinksterdag niet op de radiogolven van zijn omroep wilde horen. Ik veronderstel dat hij er moeite mee had dat in het liedje de mogelijkheid werd geopperd dat ‘iemand uit Den Haag’ de door Jongewaard bezongen dochter zwanger zou kunnen maken. Want zou niet ‘iemand uit Den Haag’ een politicus kunnen zijn? En het was in die tijd (1967) wel bijzonder subversief om te denken dat een kamerlid een onschuldig meisje zou kunnen verleiden en zwanger maken. Van Doorn is al bijna twintig jaar niet meer onder ons, dus ik kan het hem niet meer vragen. Maar het blijft een leuk liedje. Alleen, ik vroeg mij af, behangers, bestaan die nog?