De smalle basis van de beschaving

Als ik het goed heb begrepen is de strijd tussen de Trumpisten en de anti-Trumpisten er een tussen laagopgeleide plattelanders versus beter opgeleide stedelingen. Nu vind ik mezelf als typische stedeling die vijfentwintig jaar op het Franse platteland gewoond heeft een deskundige op dit gebied. Want laten we wel wezen, De VS hebben niet het monopolie op deze problematiek. Zo kan de Farmers Defense Force niet rekenen op groot begrip onder de stedelijke bevolking en zeker niet bij het hoogopgeleide deel daarvan, en zo waren de gele hesjes niet uitzonderlijk populair bij de Franse stedelingen. En in Engeland zong John Lennon al in de jaren ’70 in zijn Working Class Heroe: “You’re all fuckin’ peasants as far as I can see”, wat ook niet van grote liefde voor de boerenstand getuigde.
In Frankrijk is de haat van de plattelandsbevolking tegen de Parijzenaars spreekwoordelijk. Wij kregen na onze vestiging in Frankrijk al snel door hoe de hiërarchie van ongewenstheid op het platteland in elkaar zat. Eerst de Duitsers, dan de Parijzenaars en dan de rest van de wereld. Dus wij mochten ons nog gelukkig prijzen. Maar dat wij als neoruralen ooit op gelijke voet zouden kunnen leven met de plattelanders was uitgesloten. Dus namen wij al snel de terminologie van de Franse stedelingen over door wie iedereen die op het platteland leeft als “plouc” bestempeld wordt. Maar denk nu niet dat dat komt doordat beide bevolkingsgroepen geen contact met elkaar hebben, het idee van onbekend maakt onbemind dus. Nee, zo zit dat niet. Franse stedelingen gaan er prat op hun oorsprong op het platteland te hebben. Ze komen niet uit Parijs of Lyon, maar uit Bretagne of de Haute-Savoie. Vaak hebben ze daar nog een familiehuis waar de vakanties doorgebracht worden. Normaal geeft dat geen problemen. Gedurende die paar maanden per jaar leven beide bevolkingsgroepen vreedzaam naast elkaar. Zolang de stedelingen zich niet gedragen als hun adellijke voorouders of anderszins feodaal is er niets aan de hand. Toen ik een tijdje geleden een Maserati voor onze bescheiden dorpsherberg zag staan en aan de baas vroeg of hij een nieuwe auto had, wees hij naar drie dames in bontjassen. Alsof het de normaalste zaak was, vertelde hij dat ze daar-en-daar een huis hadden en ieder jaar om deze tijd kwamen. Maar toen de corona-crisis uitbrak en de Franse bevolking door een strenge lockdown werd getroffen, haastten de inwoners van de grote steden zich net op tijd naar hun familiehuizen, landhuizen en kastelen om daar “le confinement” in relatieve vrijheid te ondergaan. En toen waren de plattelanders opeens een stuk minder onverschillig over hun tijdelijke dorpsgenoten. “Ze eten onze voorraden op en als dank brengen ze het virus hierheen”, klonk het. Om maar te zeggen dat de vreedzame coëxistentie tussen beide groepen een nogal smalle basis heeft die zomaar weg kan smelten als de omstandigheden veranderen. En als een populistische beweging of leider daar gebruik van weet te maken, kan zoiets als nationale eenheid zomaar uiteen splijten. Nu wil ik niet meteen de gele hesjes en de Farmers Defense Force gelijkstellen met QAanon en geloof ik niet dat Thierry Baudet en Marine Le Pen een even grote bedreiging vormen voor onze toekomst als Donald Trump, maar een feit is wel dat als de ene helft van de samenleving de ander niet meer ziet er griezelige dingen kunnen gebeuren. De Franse revolutie lijkt wel ver weg, maar ik vrees dat de mensheid intussen niet veel wijzer is geworden. En het vijandbeeld dat door de aanhangers van QAnon wordt geschetst doet schrikbarend veel denken aan de krankzinnige verzinsels waarmee moest aangetoond worden dat de joden van levensgevaar waren voor onze beschaving. En we hebben nog maar net de 75e verjaardag van de bevrijding van deze waanzin gevierd. Als je het wilt weten, beste lezer, dan is volgens mij de bedreiging van het Coronavirus voor de wereldbevolking futiel vergeleken met wat ik gemakshalve maar het Trumpisme noem. En ik neem Covid-19 bloedserieus.

Tussen acceptatie en berusting

Op 4 augustus heb ik mijn vorige stukje op mijn blog gezet. Ik voel mij bijna verplicht om me voor dit interval van ruim drie maanden te verantwoorden. Bijna. En ik doe het niet. Ik zou trouwens ook niet goed weten waarom ik lange tijd geen zin had om een stukje te schrijven. En ik heb nog minder zin me daarin te verdiepen. Blijkbaar vond ik dat ik iets beters, leukers, dringenders, belangrijkers te doen had. En diegenen die denken dat ik misschien wel in een tomeloos diepe covid-gegenereerde depressie was terechtgekomen kan ik geruststellen. De helft van de tijd zat ik in onze eigen tuin van Eden gelegen in een paradijs dat zich uitstrekt van de Pyreneeën tot de Middellandse Zee. Inmiddels is dat paradijs niet meer zo toegankelijk en kunnen wij ons Eden niet meer bereiken, maar gelukkig komt dat niet door de zondeval en is een terugkeer naar het paradijs op termijn nog mogelijk.
Maar waar ik het eigenlijk over hebben wilde is een droom. Ik droom best vaak, misschien zelfs wel iedere nacht, maar me mijn dromen herinneren, ho maar. Ja, behalve die ene repeterende droom dan, maar daar ga ik niet over vertellen want dan zult gij lezer mij onmiddellijk psychiatrische hulp adviseren. Overigens heb ik die droom niet meer. Nee, het gaat over een heel andere droom. Eigenlijk herinner ik me van die droom niets meer, maar werd ik midden in de nacht wakker met een zin uit die droom waarvan ik dacht: zóó, dat is diepzinnig. Meestal ben ik zo’n fragment de volgende ochtend vergeten en weet ik alleen nog dat ik iets wilde onthouden. Maar deze keer wist ik ’s ochtends nog steeds wat ik wilde onthouden.

Ik bevind mij in het schemergebied tussen acceptatie en berusting.

Zo hé, dat is écht diepzinnig. Ik weet niet wie die zin tegen wie uitsprak. Misschien was hij in de tweede of derde persoon, maar dat maakt allemaal niet uit: dit was de boodschap. Welke boodschap? Sindsdien pijnig ik mijn hersens wat die zin betekent. Betekent hij eigenlijk iets? Misschien is het wel lariekoek. Uiteindelijk ben ik geneigd tot het laatste. Ik geloof niet zo in diepere wijsheden of waarheden die in dromen verborgen zitten. Natuurlijk, als je vaak angstdromen hebt, zegt dat iets over je psychische toestand, maar dat wist je waarschijnlijk zonder die dromen ook wel. Maar toch. Kan het zijn dat ik iets met de woorden berusting en acceptatie heb? Gaat het over het huidig tijdsgewricht? Covid-19, Trump? Is er eigenlijk wel een gebied tussen acceptatie en berusting? Of is dat zo vliesdun dat er niet eens licht tussendoor kan schijnen?
Vannacht droomde ik dat ik een Zwitsers zakmes op straat vond. Nu heb ik een hele geschiedenis met Zwitserse zakmessen. Ik ben ze altijd kwijt als ik ze nodig heb en dan koop of krijg ik weer een nieuwe. Ik heb er nu drie in omloop, maar vraag me niet waar ik ze heb. Dus zo’n droom over een Zwitsers zakmes dat zegt wel wat. Of eigenlijk, is dat wel zo? En wat dan? Moet ik toch nog eens over nadenken.

Tot den strijd ons geschaard

Voor diegenen die denken dat het nooit meer wordt als vroeger en voor hen die hopen dat het weer net zo wordt als vroeger, heb ik goed nieuws: het wordt beter dan vroeger! Wat de babyboomers, Mei ’68ers, Maagdenhuisbezetters, provo’s, kabouters en andere maatschappijhervormers niet gelukt is, staat op het punt werkelijkheid te worden: het einde van de gerontocratie!
Ik heb me lange tijd zorgen gemaakt over de generaties van na 1970. Zij hadden iets niet meegekregen wat voor ons boomers gesneden koek was: de generatiekloof die uiteindelijk resulteerde in een generatieconflict. Vanuit een niets en niemand ontziende analyse van wat onze ouders allemaal fout deden, gingen wij de maatschappij te lijf. Soms met iets meer ambitie dan wijsheid, maar waar gehakt wordt vallen spaanders en om een omelet te bakken moet je eieren breken. Dus dat we een paar oude zakken zoals Gijs van Hall, prof A.D. Belinfante, Han Bentz van den Berg en Guus Oster naar de puinhopen van de geschiedenis stuurden, dat was niet meer dan collateral damage. Via Tien over Rood, Aktie Tomaat en de VPRO kwamen we aan de macht. Het politieke en culturele landschap werd omgeschoffeld en niets zou meer zijn als daarvoor. Nou had Marx al gezegd dat je, om de culturele bovenbouw te revolutioneren eerst de economische orde omver moest gooien, maar ja, dat was in de 19e eeuw, dus waarom zou het nu ook niet andersom kunnen. Maar voordat we het in de gaten hadden werd die revolutionaire voorhoede zelf gevestigde orde en zoals bekend, fluweel zit lekker en daar was ze dan ook niet vanaf te branden. Dus schoven we geruisloos van de ene oude-zakken-heerschappij in de andere. Zo beëindigde de Raspoetin van het Noorden – zoals een toenmalige PvdA wethouder in de stad Groningen genoemd werd – zijn carrière als Commissaris van de Koningin van de provincie Groningen. Zo doorliep een journalist van De Groene en medeoprichter van Nieuw Links een soortgelijke carrière. Zo is een van de andere toenmalige voormannen van Nieuw Links na een lange loopbaan in het pluche partijvoorzitter van 50PLUS. Zo werd een van de eerste tomatengooisters chef van de kunstredactie van NRC-Handelsblad.
Maar dat wordt nu allemaal anders. Het meest waarschijnlijke toekomstscenario is dat burgers boven de vijftig jaar uitgesloten gaan worden van het maatschappelijk leven. Daar is geen generatieconflict, laat staan een militaire dictatuur voor nodig. Daarvoor hoeven de jongere generaties alleen maar te besluiten zich niet te onderwerpen “aan ingrijpende vrijheid beperkende maatregelen … vanwege een minimaal, theoretisch risico dat zij een ander besmetten met het coronavirus. … Er is slechts een kleine groep die echt zwaar ziek wordt of sterft aan het virus. Deze kwetsbare groep (lees: 50+ers) kan ook besluiten om zichzelf te beschermen.” Deze citaten verzin ik niet. Ze zijn van de website van de actiegroep van jongeheer Engel geplukt. Misschien is dit nog net niet het propageren van eugenetica maar zeker van maatschappelijke uitsluiting. Na gerontocide de meest effectieve manier om ouderen van hun macht te beroven. Ik zou Engel c.s. dan ook een suggestie willen doen: als ze eenmaal de sleutelposities in ons politiek en maatschappelijk bestel hebben ingenomen zouden zij vaccinatie tegen het corona-virus moeten verbieden. Want als een ding bedreigend is voor de jongerenheerschappij dan is het wel een doeltreffend vaccin. Bovendien adviseer ik het thuiswerken te verbieden. Weer allemaal gezellig op kantoor, dan haken die ouderen en andere risicogroepen vanzelf af. Die zou ik dan vervolgens hergroeperen in bepaalde stadswijken zodat ze geen last hebben van feestvierende en knuffelende jongeren. Kwaadwillenden zouden dat misschien ghetto’s willen noemen, maar dat is gewoon preventie, isolering voor eigen bestwil. En zo voltrekt zich dankzij het coronavirus wat de aanstormende jeugd vijftig jaar geleden langs min of meer democratische weg niet helemaal voor elkaar kreeg. Dus ja, het wordt allemaal nog beter dan hoe het geweest is. De hordes onder leiding van dirigent Engel kunnen met volle overtuiging De Internationale gaan zingen:

Sterft, gij oude vormen en gedachten!
Slaafgeboornen,ontwaakt,ontwaakt!
De wereld steunt op nieuwe krachten,
Begeerte heeft ons aangeraakt!
Makkers, ten laatste male,
Tot den strijd ons geschaard,
en D’Internationale
Zal morgen heersen op aard.

Weski for Minister

Laat ik vooropstellen dat ik weinig op heb met de Franse president Emmanuel Macron, noch met zijn voorgangers François Hollande, Nicolas Sarkozy en Jacques Chirac trouwens. François Mitterand is een ander verhaal. Dat was een zo gecompliceerde persoonlijkheid dat je, als je het over hem hebt je altijd moet afvragen over welke Mitterand het eigenlijk gaat. Maar Macron dus. De president die een nieuwe weg wilde inslaan, noch links, noch rechts, maar ook geen centrum. En de president van het ‘en même temps’, het ene doen maar het andere niet laten. Het netto resultaat is een beleid waar Sarkozy zich niet voor zou hebben geschaamd. Toch heb ik nog wel een klein zwakje voor Macron. Dat realiseerde ik mij zondagavond toen ik naar zomergaste Inez Weski zat te kijken. Tussen twee haakjes: eindelijk eens een bekende Nederlander die geen behoefte had haar innerlijke drijfveren tentoon te spreiden of om te vertellen door welke gebeurtenissen in haar jeugd ze getekend was, maar die een zaak te bepleiten had en een verhaal te illustreren. Kuddegedrag en uitholling van de rechtsstaat. Bij dat laatste stond ik wel even paf. Opnieuw wreekte zich mijn vijfentwintig jaar afwezigheid uit Nederland: kijk je even de andere kant op en dan breken ze achter je rug de rechtsstaat af. Ik dacht ook: hoe kan dat nou? Gedurende een groot deel van mijn afwezigheid waren Hirsch Ballin en Donner minister van Justitie en dat waren toch geen lichtgewichten, noch politiek, noch juridisch. Datzelfde zou ik niet durven zeggen van de huidige minister. Misschien is hij een kundig arbeidsjurist, hij heeft zelfs een werkje getiteld ‘Rafels aan de rechtsstaat’ geschreven, maar zijn politieke gestuntel maakt dat je ieder publiek optreden van de man tenenkrullend volgt. Nee, niet iemand aan wie je blindelings een van onze belangrijkste verworvenheden toevertrouwt. Zulke dingen gingen door mij heen door het optreden van Inez Weski. Je kon uit haar woorden opmaken dat de staat van het strafrecht de lakmoesproef is voor toestand van de rechtsstaat. En dan is er in Nederland alle reden voor bezorgdheid. Nu kom ik weer op Macron. Want wie heeft hij aangesteld als minister van Justitie in zijn (exclusief staatssecretarissen) 31-koppige regering? Eric Dupond-Moretti, zeg maar de Inez Weski van Frankrijk. Hij is een van de belangrijkste strafpleiters van Frankrijk en heeft, zoals Weski, de verdediging op zich genomen van misdadigers voor wie ik liever een straatje om loop. Door de benoeming van Dupond-Moretti heeft Macron zich de woede op de hals gehaald van de voltallige rechtelijke macht. Dat lijkt me in het kader van de door Weski gesignaleerde minachting van het Openbaar Ministerie voor de verdediging van verdachten – blijkbaar een verschijnsel dat zich niet aan landsgrenzen houdt – een goed teken. Kunnen we in Nederland ook niet zo’n swap maken? Weski for Minister!

Ergernissen

Eind jaren tachtig. Ik woon in Brussel een vergadering bij van een Europese NGO. Voertaal Engels. De deelnemers worden toegesproken door de Nederlandse directeur van die NGO. Hij vertelt over een bijeenkomst die hij heeft bezocht en over de informatie die hij daar heeft opgedaan. En dan: “I want to share this information with you”. Tja, denk ik dan, hoe doe je dat, informatie delen. In stukjes hakken en iedereen een of twee woorden geven? Ik kon toen nog niet bevroeden dat dit gruwelijke amerikanisme jaren later gemeengoed zou worden in onze al te receptieve taal.¹ Volgens de Van Dale betekent delen: 1. in delen splitsen 2. verdelen, elk zijn zijn aandeel geven 3. erven (maar dat komt niet in heel Nederland in die betekenis voor) 4. uit een getal en een gegeven factor de andere factor vinden (zes gedeeld door drie is twee) 5. instemmen met (een gevoelen, een mening delen). Die laatste betekenis komt een beetje in de richting van het delen van informatie, maar gedeelde smart is halve smart is toch wel heel iets anders dan met iemand een paper delen (nietje eruit en hier heb jij de andere helft?) en een mening met iemand delen, betekent helemaal niet dat je die iemand jouw mening geeft, maar dat je dezelfde mening bent toegedaan. Soms benijd ik de Fransen, die een instituut hebben dat over de zuiverheid van de taal waakt (de Académie Française) maar meestal kan die de agressieve Amerikaanse import toch niet tegenhouden. Langzamerhand wordt numérique ingehaald door digital, is de courriel vrijwel volledig vervangen door mail of mèl, maar de octet houdt stand tegen de byte. Dat laatste komt waarschijnlijk doordat, wanneer je byte op zijn Frans uitspreekt, dat zoveel wil zeggen als lul.

Toen ik voor het eerst iemand hoorde zeggen dat iets dierbaar was, dacht ik dat het een verspreking was. Iets is me/je/hem dierbaar, toch? Dierbaar is toch geen eigenschap? Dit is een dierbare auto, wauw! Dat kan toch niet? Een auto kan je dierbaar zijn, maar dat is omdat jij er een bepaalde waarde aan hecht, niet omdat het een objectieve kwaliteit van die auto is. Als het woord dierbaar in die mijns inziens verkeerde betekenis wordt gebruikt is dat vaak samen met woordje zo: Zó dierbaar. Ook vanuit het angelsaksische spraakgebruik binnengeslopen. Soort van hinderlijk.

En zo kan ik nog wel even doorgaan met wat in modern Nederlands jeukwoorden heet. Het probleem met neologismen als jeukwoord is dat, als je ze maar vaak genoeg hoort, ze zelf ook weer jeukwoorden worden. Het Drosteblikeffect. Trouwens ook vaak genoeg misbruikt om als jeukwoord aangeduid te kunnen worden.

Als ik anderen deelgenoot maak² van dit soort ergernissen, krijg ik doorgaans te horen
a) dat ik niet zo moet zeuren,
b) dat een taal een levend iets is, dat in de loop van de geschiedenis ingrijpend is veranderd en dat ook altijd zal blijven doen.
Dat laatste argument trek ik me wel aan. Ik voel weinig voor herinvoering van het Latijn als lingua franca. Dat lijkt me meer iets voor het partijprogramma van Thierry Baudet. Het Engels staat stijf van de Franse leenwoorden, het Nederlands heeft er ook niet weinig. Alleen al in dit stukje staan er vermoedelijk enige tientallen. Ik vind ook helemaal niet dat de Nederlandse Taalunie allemaal woorden had moeten uitvinden voor nieuwe verschijnselen of zaken. Computer, digitaal? Mij best. Zelfs met de laptop en de smartphone kan ik uit de voeten. Daar nieuwe termen voor bedenken heeft al gauw iets potsierlijks. Maar als het overnemen van woorden en uitdrukkingen het gevolg is van luiheid om te bedenken wat het Nederlandse equivalent is of van duurdoenerij (sale, impact, audit, stakeholder, adresseren van issues), dan gaan mijn haren overeind staan. Met zulke woorden in de mond zou ik nog niet dood gezien willen worden. Dat is dan wel een behoorlijk anglicisme, maar het blijft een leuke uitdrukking.

P.S.: Ik heb dit verhaaltje gedeeld met mijn echtgenote. Haar reactie was: Zit niet zo te zeuren.

¹ In de NRC van vandaag 16/07/2020 lees ik: “COA en politie delen privacygevoelige data van asielzoekers” en dat wil zeggen dat de COA persoonlijke gegevens aan de politie doorgeeft.
² Bruikbaar alternatief voor het verkeerde gebruik van het werkwoord delen.

Serial killer

Het duurt nooit lang. Je spreekt iemand en binnen een minuut gaat het over het Coronavirus. Tenzij je een afspraak bij je garage wilt maken of iets dergelijks. In het begin van de pandemie wilden we nog graag weten hoe serieus de ander de bedreiging nam, maar drie-en-een-halve maand later zijn we allemaal min of meer volleerde epidemiologen geworden en kunnen we haarfijn de vinger leggen op de inconsistenties in de al of niet dwingende regels van de overheid. We zijn gewapend met een intellectueel instrumentarium dat ons inzicht geeft in de Covid-19. We begrijpen zo’n beetje waar het allemaal om draait bij deze infectieziekte en dat geeft een gevoel van veiligheid. We zijn als het ware in een paar maanden tijd van de duisternis van de Middeleeuwen in de Verlichting terecht gekomen. Maar veel meer dan een gevoel is het niet. Een prettig gevoel, dat wel, en ik wil ook best aannemen dat een goed humeur en een positieve kijk op het leven in sommige gevallen kunnen helpen bij het lichamelijk gezond blijven of worden, maar ik weet niet of dat ook geldt in het specifieke geval van de Covid-19. Als profylaxe lijkt het me in ieder geval even ongeschikt als een rot humeur en pessimisme, of als hydroxychloroquine. Sterker nog, ik vermoed dat begrip en het daaruit voortkomende gevoel van veiligheid eerder onze weerstand verslappen dan versterken. We denken over het algemeen dat het begrijpen van een probleem al zo’n beetje het oplossen ervan is. Was het maar waar! Als dat zo zou zijn, weet ik minstens één beroepsgroep die dan aanzienlijk kleiner zou zijn dan nu het geval is: psychotherapeuten. Hun werk begint pas als het probleem onderkend en begrepen is. Doorgaans duurt het oplossen dan nog wel even. Maar met het Coronavirus is het allemaal nog een paar graden erger. Virologen kunnen perfect de werking van het virus begrijpen zonder daar meteen een remedie voor de infectie uit te kunnen distilleren. Het virus is door al het begrip dat we hebben opgedaan geen steek minder gevaarlijk geworden. Het lijkt er zelfs op dat het virus een stuk slimmer is dan ons, zijn slachtoffers. Door voortdurend te muteren is zijn gedrag minder voorspelbaar dan wij zouden wensen. In dat opzicht lijkt hij wel op een hyperintelligente serial killer, een Netflix serie van zes seizoenen waardig.

Lèzzalluh sè oe?

Er was iets aan Frankrijk dat mij onweerstaanbaar aantrok. Ik moest daar wel gaan wonen. Op het moment dat de uiteindelijke beslissing werd genomen, liep dat al heel lang. Moeilijk te zeggen wat het nu precies was. Vanaf mijn twaalfde verslond ik de avonturen van commissaris Maigret. Met een bij het Frans Verkeersbureau verkregen plattegrond van Parijs erbij creëerde ik daar een hele wereld omheen. De boekjes van Jan Brusse gaven me de aanvullende informatie om een omvattender beeld van de stad te krijgen. Het resultaat was dat, toen ik in Amsterdam ging wonen, ik dat maar een dorp vond in vergelijking met ‘mijn’ Parijs. Het gevolg was ook dat, toen ik op mijn twintigste voor het eerst in de gematerialiseerde versie van mijn gedroomde stad kwam, ik vooral bezig was het Parijs te herkennen dat ik uit de boekjes en later de films kende. Het allerbelangrijkste was het gevoel van ontheemding dat ik voelde. Alles was zo fantastisch on-Nederlands. Die allereerste verrassing alleen maar Frans om je heen te horen (zelfs de kinderen!), koffie te drinken uit die grote groene koppen met een gouden randje, je 15% bedieningsgeld te moeten uitrekenen (wat jammer toch dat dat er bij ons gewoon in zit), het onbegrijpelijke tariefsysteem voor de stadsbussen (faire signe au machiniste), de wc turque waarboven het licht pas gaat branden als je het schuifje van de deur dicht gedaan hebt, ieder ongemak had zijn charme. Zelfs de teleurstelling dat een andouillette stinkend vleesafval met een velletje eromheen bleek te zijn en een boudin noir doodgewone bloedworst, werd later omgezet in een leuk verhaal. Iets minder leuk was het dat ik die Fransen lang niet altijd verstond en zij mij soms ook niet. Bijvoorbeeld als ik de weg naar Les Halles vroeg. Dat sprak je toch zeker uit als lèzzalluh? Nee dus. In de jaren daarna bleef ik regelmatig in Frankrijk komen, ontdekte ook het Franse platteland, maar ontdekte ook dat er buiten Frankrijk ook een heleboel te ontdekken viel. Ik heb zelfs overwogen om een tijdje in Griekenland of Portugal te gaan wonen, maar dat strandde vooral op de vraag: zou ik me hier ooit thuis kunnen gaan voelen. Vijf jaar in Afrika leverde ook geen langduriger relatie op. Maar Frankrijk bleef aanwezig. In Dar es Salaam ging ik naar de Alliance Française om boeken en platen te lenen en naar de film te gaan. In Ouagadougou ging ik naar het Centre culturel français om wat Franse cultuur op te snuiven en weer eens echt Frans te horen.

Toen we jaren later in Frankrijk gingen wonen, merkte ik dat ik een beeld van het land met me meedroeg dat nauwelijks meer correspondeerde met het land waarvan ik nu inwoner was geworden. Brassens, Brel, Barbara, Gréco, Ferré, Prévert, Sartre, De Beauvoir, voorzover ze nog leefden behoorden ze tot een voorbije periode. Mei 68? Vergeet het maar, met die erfenis heeft de Franse politiek afgerekend. Dat kreeg ik te horen. We kwamen het land in toen François Mitterrand nog president was, maar intussen behoorde hij al tot de verleden tijd. Van de hypergecultiveerde Mitterrand stapten we over naar de op koeienkonten slaande Chirac. Maar ik stapte vooral over naar een nieuwe generatie van schrijvers en musici van wie wij in Nederland nog nooit gehoord hadden. Francis Cabrel, Alain Bashung, Niagara, Indochine, wist ik veel? Dat was opeens heel iets anders, verrassend en soms regelrecht ongelooflijk goed. Dat er in het post-Simenon tijdperk in Frankrijk nog goede misdaadromans geschreven werden was volledig aan me voorbij gegaan. Jean-Claude Izzo, J.-P. Manchette, Didier Daeninkcx, nooit van gehoord, maar ik las ze met rode oren. In veel opzichten bleek ik in een ander land terecht te zijn gekomen dan ik dacht. Dat had een teleurstelling kunnen zijn, maar was het niet. Er bleek nog zoveel meer te ontdekken dan ik dacht. En nog steeds. Wie had de ‘giletjaunisation’ (de vergelehesjesiging, echt waar, het woord bestaat intussen) nu verwacht? Achteraf is het niet echt moeilijk om er een verklaring voor te vinden. De scheiding tussen het verpauperende platteland en de grote steden was ons ook wel opgevallen. De ‘méfiance’ (wantrouwen) van de Fransen tegenover alles dat boven hen staat – vooral waar het gekozen leiders betreft – maar ook dat van buiten komt, is spreekwoordelijk. Maar dat het zo’n omvang zou krijgen en zo lang zou duren, dat had niemand verwacht. En verrassingen zullen er blijven komen, ook al zijn ze niet altijd aangenaam. Hier in Nederland daarentegen …

Ben ik wel een goede lezer?

Er zijn van die adviezen aan beginnende auteurs die je – althans mij – bijna de lust ontnemen om nog een letter op papier te zetten. De eerste is ‘Kill your darlings’. Hij schijnt van William Faulkner te zijn. Ik heb altijd begrepen dat daarmee bedoeld wordt dat je alles uit je manuscript moet schrappen wat je verhaallijn vertroebelt, terwijl je het zelf nou juist zo’n leuke vondst vindt. Ik denk dan altijd: als je met die instelling en een rode pen Homerus of Dostojevsky te lijf gaat, dan zal het ongetwijfeld een stuk bondiger worden, maar is het dan nog net zo leuk om te lezen?
Een andere is meer een waarschuwing voor de aanstormende auteur: ‘Easy reading is damned hard writing’. Sebes en Bisseling noemen het in Alweer een bestseller (Querido, 2016) “ … de quote die aan vele schrijvers wordt toegeschreven, maar het vaakst aan Ernest Hemingway.” Nu wordt dit citaat zo ongeveer aan de helft van de Angelsaksische auteurs toegeschreven – Byron, Sheridan, Thackeray, Hawthorne – maar het is zeker niet van Hemingway afkomstig. Maar goed, als zoveel literaire meesters iets over hun vak vinden, zal het wel waar zijn, toch? Om het je lezers gemakkelijk te maken, moet je vreselijk je best doen. Als een musicus heel goed speelt, lijkt het toch ook kinderspel? Dat komt voor, ja. Maar andersom? Iets lijkt met het grootste gemak gespeeld te worden of geschreven te zijn, ligt daar dan een gigantische artistieke inspanning aan ten grondslag? Niet altijd. Neem nou de meest gevierde Nederlandse violist, André Rieu. Easy listening? Zeker. Gegarandeerd zonder enige muzikale verrassing. Alles vijftig keer doorgekauwd en tot pap vermalen, glijdt moeiteloos naar binnen. En zijn page turners – easy reading bij uitstek – boeken waar de auteur vreselijk op gezwoegd heeft, ieder woord heeft afgewogen met als resultaat een boek dat voor eeuwig in je geheugen gegrift is? Ik dacht van niet. Erger, een aantal van de grootste meesterwerken van de moderne literatuur zijn in hoge mate ontoegankelijk. Daar kan ik van meepraten. Ik ben zowel in Ulysses van James Joyce en A la recherche du temps perdu van Marcel Proust blijven steken op respectievelijk pagina 210 en 517. Indachtig een stelregel van Rudy Kousbroek – probeer niet het origineel te lezen als er een goede vertaling is – heb ik het bij allebei met een Nederlandse versie geprobeerd, maar dat maakte de onderneming alleen maar hopelozer: ik ging me zitten ergeren aan de vertaling.
Ik vertel dit allemaal omdat ik onlangs opnieuw tegen het fenomeen Joël Dicker aanliep. In 2012 werd van deze toen nog heel jonge Zwitserse auteur De waarheid over de zaak Harry Quebert uitgebracht. Ik had kort nadat het boek verschenen was een radio-interview met hem gehoord. Het leek me wel een sympathieke jongen dus ik dat boek lezen. Niet uitgelezen. Maar deze keer niet om het soort redenen waarom ik met Proust en Joyce worstel. Echt geen zinnen van een kilometer. Allemaal heel toegankelijk. Een echte – ja hoor – page turner. Waarvoor hij ook nog de Grand Prix du Roman van de Académie Française en de Prix Goncourt des Lycéens kreeg. We moeten hier dus wel te maken hebben met een echte – gruwel, gruwel – literaire thriller. De Académie Française klinkt natuurlijk bijzonder prestigieus, want in dat instituut zijn de erkende grootheden van de Franse literatuur verenigd. Deze eerbiedwaardige instelling houdt zich onder meer bezig met het samenstellen van hét woordenboek van de Franse taal. Het eerste deel van de huidige editie verscheen in 1992. Nu, achtentwintig jaar en twee delen verder, is men met de S bezig. Op 7 mei van dit jaar kwam de Académie met de onthutsende mededeling dat in het algemene taalgebruik Covid-19 een verkeerd geslacht had gekregen. Covid is immers een afkorting van corona virus disease. En aangezien disease in het Frans maladie betekent, moet het la covid zijn en niet le covid want maladie is vrouwelijk. Van de Académie kunnen we dan ook niet anders verwachten dan dat hun beoordelingsvermogen op het gebied van de Franse schone letteren boven iedere twijfel verheven is. De prijs werd in het verleden toegekend aan auteurs als François Mauriac, Joseph Kessel, Antoine de Saint-Exupéry en meer recentelijk aan o.a. Patrick Modiano en Amélie Nothomb. De Goncourt des Lycéens is dan wel het kleine broertje van de grote Goncourt, maar in een adem genoemd te worden met Philippe Claudel, André Makeïne en Nancy Huston is toch niet voor iedereen weggelegd. Ondanks dat alles heb ik het boek van Dicker nooit uitgelezen en wel omdat ik al vrij snel ontdekte dat de schrijver regelrecht plagiaat had gepleegd op de door mij zeer bewonderde Philip Roth. De plot van het verhaal is uit de Human Stain van Roth gehaald. Niet zo maar een beetje. De overeenkomsten liggen zo gênant aan de oppervlakte dat het mij niet meer lukte verder te lezen. Easy reading en easy reading zijn blijkbaar twee verschillende zaken. Wat voor de miljoenen lezers van Dicker naar binnen glijdt als een glas caipirinha bij een Braziliaan, is voor mij qua inhoud en stijl volstrekt onverteerbaar. En het moge misschien zo zijn dat easy reading hard writing is – en dat nog zeker niet altijd –, good writing is weer heel iets anders. Zou er trouwens zoiets als good reading bestaan?

Coronagedachtes-3

Weer een paar stukjes uit mijn dagboekaantekeningen.

Ik weet niet eens hoeveel weken we al in afzondering leven. Drie, vier? Het is al zo normaal geworden. Ik ben geneigd te denken dat het me niet veel doet, maar als ik er wat langer over nadenk, geloof ik dat eigenlijk niet. Het gevoel opgesloten te zitten kruipt langzamerhand al m’n vezels binnen. In het begin was het wijsheid, verantwoordelijk gedrag uit eigen keuze. Inmiddels kun je nauwelijks anders. In Nederland niet op straffe van jezelf een enorme hufter te vinden. En Frankrijk kunnen we niet eens meer in. Al zouden we het nog zo graag willen, we kunnen niet meer naar ons huisje in de Languedoc. Dat begint nu als een amputatie te voelen. Wat op macroniveau wijs is, voelt op het persoonlijke vlak als een moeilijk te verdragen inperking. (6/4)

Opeens denk ik: “Het leven staat stil”. Het gevoel opgehangen te zijn in tijd en ruimte. De mechaniek van het raderwerk maakt even pas op de plaats. Straks gaat het weer lopen en heb ik weer een toekomst. Nu niet. Er is alleen het heden. Zo is het natuurlijk niet, maar zo voelt het. Het werken in de tuin is alleen maar het heden onderhouden, zorgen dat alles binnen de door ons gedefinieerde grenzen verder kan groeien. Dat stelt gerust. Je kunt in het klein doen wat in de mensenwereld juist niet zo goed meer lukt: de zaken onder controle houden. Blijkbaar is dat een diep gekoesterd verlangen. Ik herinner me dat vroeger, toen ik als begin twintiger een verdiepinkje in Amsterdam Oud-West bewoonde, bezoekers vaak verrast waren over de ordelijkheid en de esthetiek van mijn interieur. Ik antwoordde dan dat ik daarmee mijn innerlijke chaos compenseerde. Dat was een grapje maar misschien wel met een kern van waarheid. Zo merk ik nu dat er in mijn omgeving veel wordt opgeruimd, opgeknapt, gesorteerd en in de tuin gewerkt. Werkzaamheden die je de illusie geven dat je de zaken onder controle hebt. (8/4)

Ik las vanochtend in een krant dat mensen op twee manieren op het nieuws reageren: obsessief alles willen weten of juist je ervan af keren. Als het om het virus gaat hoor ik tot de laatste categorie. Ik heb het helemaal gehad met de Covid-19, Corona, SARS-CoV-2 en wat dies meer zij. De positief getesten, ziekenhuisopnames, IC-gevallen en gestorvenen zullen mij worst wezen. Flattening of crushing the curve, weg ermee. Het is heel erg allemaal en wij (in ruime zin) moeten het niet krijgen. En verder: Punt. Uit. Als het over Brazilië gaat daarentegen, behoor ik tot de eerste categorie. Ik wil alles weten over de naderende val van Bolsonaro, ongetwijfeld in de verwachting dat, hoe meer ik ervan weet, hoe dichterbij die val is. Ik zou eenzelfde soort obsessie met Trump kunnen hebben, maar
a) één krankzinnig staatshoofd is qua portie ellende wel genoeg;
b) onze zoon woont niet in de VS maar wél in Brazilië;
c) het lezen van Braziliaanse kranten helpt mij mijn Portugees te verbeteren wat handig is als ik weer op bezoek kan in dat land. (28/4)

Wetenschappelijk

“Wij moeten dezer zaak wetenschappelijk aanvatten en geen voorijlige volgeringen maken…”
“Hier wordt gener waarheid gezegd… Hier wordt der wetenschap gepleegd.”
“Ik zal dit geval wetenschappelijk analyseren. U kunt op mij vertrouwen, mijnheer Boml. Berustigt u zich, bid ik u.”

Oplettende lezertjes zal het opgevallen zijn dat ik hier uit het werk van Marten Toonder citeer. Deze en soortgelijke uitspraken van professor Prlwytzkofski – directeur van het Stadslaboratorium van Rommeldam, een soort RIVM dus – schoten mij te binnen bij het lezen van een interview in NRC-Handelsblad (8/5/20) met die andere hoogleraar, prof. dr. Jaap van Dissel. Daarin staat te lezen dat “…Van Dissel zich deze week (voor het eerst) positief uit(liet) over het gebruik van mondkapjes buiten de zorg, verwijzend naar wetenschappelijke inzichten over het psychologische effect: men wordt voorzichtiger bij het zien van mondkapjes bij anderen. Maar hij heeft er zichtbaar moeite mee dat standpunt te verdedigen. Wekenlang hamerde hij op de schijnveiligheid van mondkapjes en het risico dat mensen zich daardoor met een mondkapje juist onzorgvuldiger gaan gedragen. Hij toonde zich ronduit een tegenstander.

Waarom zo’n verzet tegen mondkapjes als er wisselende inzichten over bestaan? Baat het niet, dan schaadt het niet?
‘Dat vind ik niet echt wetenschappelijk advies. Dan kun je ik weet niet wat allemaal gaan doen.’ “

Zo mag ik het graag zien. “Dit is ja gans onwetenschappelijk”, zou professor Prlwytskofski treffend opgemerkt hebben.
Maar wacht even, we hebben het over mondkapjes, niet over vaccins of medicijnen. Ieder weldenkend mens kan begrijpen dat je met een lapje voor mond en neus minder druppeltjes binnenkrijgt of afgeeft dan zonder. Dat vindt blijkbaar ook de Afnor, het Franse normeringsinstituut (te vergelijken met de Nederlandse NEN). Die stelde vast dat een gezond iemand met een FFP2 mondkapje voor 94% beschermd is tegen rondvliegende virussen. Hoe groot de bescherming is bij het dragen van een mindere variant is niet bekend maar het zal geen 0 zijn. Dat nog niet is vastgesteld is hoevéél bescherming ieder type mondkapje biedt, is heel iets anders dan dat aangetoond is dat het niet helpt. En die veronderstelde schijnveiligheid? Is die zo wetenschappelijk aangetoond? Ik herinner me dat argument uit de tijd dat ik in Afrika woonde. Met name Europese medici vonden inentingscampagnes tegen cholera maar niets want de bescherming was niet groot (tussen de 50 en 70%) terwijl de gevaccineerden in de veronderstelling zouden verkeren dat ze volledig tegen infectie beschermd waren. Maar bij mijn weten is nooit wetenschappelijk aangetoond dat na een inentingscampagne het aantal besmettingen toenam. Dus, prof. Van Dissel, het lijkt me ontzettend wetenschappelijk verantwoord om het dragen van mondkapjes te stimuleren want het baat zeker en de eventuele schade kun je tot een minimum beperken door er duidelijk bij te vertellen dat je evengoed de maatregelen van ‘social distancing’ in acht moet blijven nemen. Dat lijkt me niet precies “ik weet niet wat allemaal”.