Er zijn van die gebeurtenissen in een mens zijn leven die met een absolute onvermijdelijkheid op je afkomen, waarvan plaats en tijdstip in hoge mate bekend zijn, waarop je helemaal voorbereid lijkt te zijn. En als vervolgens het moment daar is, begrijp je nauwelijks wat er gebeurt. Zoiets zei ik twee dagen geleden toen ik op de avond van de laatste dag van het bestaan van ons cursuscentrum afscheid nam van de aanwezige cursisten en docenten. We hadden al een jaar geleden besloten dat we er aan het eind van deze zomer mee op zouden houden en ik heb er sindsdien geen moment aan getwijfeld of dat een verstandige beslissing was. Maar op het moment dat ik voor de laatste keer allerlei handelingen aan het verrichten was die ik al zo vaak had gedaan en waarvan ik nooit het gevoel had dat ze zo bijzonder waren, pas op dat moment begon er iets tot me door te dringen van de onherroepelijkheid van wat ik meemaakte en nooit meer terug zou komen. Zo zal ik me nooit meer zaterdag uit de naad hoeven te werken om een nieuwe groep mensen in een strak gemaaide tuin te kunnen ontvangen. Ik hoef niet meer met lege kratten naar de slijter te rijden om de wijnvoorraad voor de week op peil te hebben. Ik zal me nooit meer om zeven uur ’s avonds realiseren dat we vergeten hebben de bakker te bellen voor de bestelling van vijfentwintig broden voor de volgende ochtend. Ik hoef nooit meer te vrezen dat er op een ochtend iemand naar me toe komt met de mededeling dat de wc’s in het campingsanitair niet meer doorlopen. Ik kan nooit meer met de gedachte spelen om, als ik net kersverse cursisten van het station gehaald heb en via een acht kilometer bij ons vandaan gelegen bedrijventerrein naar Saint Didier rij, het desolate erf van een van de kleine bedrijfjes op te rijden en te roepen ‘Zo, we zijn er!’ Ik zal nooit meer horen, als ik uit de honderd uitgestapte treinreizigers feilloos onze cursisten haal: ‘Goh, hoe bestaat het dat je ons er uitpikt.’ Eén keer heb ik verteld waar ik op let. Dat viel niet in goede aarde en dat heb ik dus nooit meer gedaan. Ik mompelde sindsdien zoiets als: ’intuïtie’ of ‘ach ja, vele jaren ervaring’.
Wat nu ook niet meer kan, is mijn leven beteren. Dat beloofde ik ieder jaar opnieuw. Het probleem was dat ik op de een of andere manier John Cleese in Fawlty Towers tot mijn rolmodel had gemaakt. Met als gevolg dat ik het al een hele prestatie vond als ik onze gasten niet toesnauwde, bruuskeerde of anderszins liet weten dat ze niet moesten zeuren. Bovendien heb ik ooit Nederlandse vrijwilligers in de tropen begeleid en daar gold voor ons stafleden het adagium: ‘afknijpen die jonkies, voordat ze een te grote mond krijgen.’ Kortom mijn geestesgesteldheid was niet de meest geschikte voor de ideale gastheer. Dus beloofde ik mezelf ieder jaar weer dat ik het volgend jaar beter, aardiger, vriendelijker zou doen. Ondanks die beloftes ieder jaar weer heb ik dat ideaal zelfs niet bij benadering bereikt, maar volgens mij ben ik wel een paar streepjes vooruit gegaan.
Ik zal me nu ook nooit meer kunnen ergeren aan het feit dat, net als ik vind dat ik wel eens in de tuin van een welverdiende rust mag genieten, mijn favoriete plekje is ingenomen door een groepje keuvelende gasten. Ik kan me niet eens voornemen me daar niet meer aan te ergeren. Die hele tuin is voor ons alleen! Ik hoef nooit meer iemand uit te leggen wat ons in vredesnaam heeft bezield om, met achterlating van familie, vrienden en kindvriendelijke scholen, ons op het Franse platteland te vestigen. Het tegenovergestelde hoef ik trouwens ook niet meer uit te leggen: dat ons dorp ondanks de ogenschijnlijke idylle toch misschien niet de meest ideale plek is om te wonen. Ik hoef nooit meer bang te zijn dat er op de zaterdagavond dat alle gasten na een hele dag reizen moe te bed liggen, opeens een hels kabaal uit de naburige feestzaal komt omdat een juist getrouwd stel het zo nodig vindt om daar op technoklanken tot vier uur ’s ochtends hun huwelijk in te zegenen.
Maar het ergste van alles is, dat ik niemand er meer de schuld van kan geven als er iets fout gaat. Als de afvoer verstopt raakt, heb ík dat op mijn geweten. Als de ramen tijdens een zware onweersbui open blijken te staan, heb ík vergeten ze te sluiten en niet zo’n onnadenkende gast. En wat ik bovendien zal missen, is dat egostrelende gevoel het altijd beter te weten, want per definitie weet de gastheer natuurlijk alles beter dan zijn gasten. Nee, wat tot voor kort op een logische, verstandige en onvermijdelijke beslissing leek, is inmiddels al ineengeschrompeld tot een mogelijk juiste, maar evenzogoed toch wel tamelijk arbitraire stap. Het zou ook goed denkbaar zijn geweest als we …, en wat ook een mogelijkheid zou zijn geweest is dat …, of hadden we misschien beter …? Altijd al geweten dat het moeilijk is je bij het onvermijdelijke neer te leggen, maar als je zelf die onvermijdelijkheid hebt gecreëerd is het misschien nog moeilijker. Dan ben je bezig met het Opperwezen te concurreren. Daarvoor moet je wel erg sterk in je schoenen staan.