Winterweer

Al voor dat ik echt begrepen had dat het winter was, was hij alweer voorbij. Dat zou ik willen, want winter is geen jaargetijde dat vrolijke gedachtes bij mij losmaakt. Het begint al bij de herinnering dat ik acht jaar oud huilend op de fiets naar huis reed. Ik had ’s middags geschaatst op de tot ijsbaan omgetoverde tennisbaan. Nou ja, geschaatst. Ik was vooral bezig geweest om de banden van mijn Friese doorlopers strakker te trekken omdat die schaatsen de hinderlijke neiging hadden steeds onder mijn schoenen vandaan te schuiven. Dat was een aanslag zowel op mijn vingers die steeds verkleumder raakten als op de bloedsomloop in mijn voeten. Verlekkerd had ik naar meisjes op kunstrijschaatsen gekeken die zulke problemen niet hadden. Vervolgens was ik tijdens een van deze manoeuvres mijn wanten kwijtgeraakt zodat ik in de kou van de vallende avond met blote handen naar huis moest fietsen. Het heeft me voor lange tijd genezen van het idee dat schaatsen leuk was. Op latere leeftijd kwam daar nog bij dat de ijsbaan een mooie gelegenheid was om meisjes te versieren en dat ging mij strompelend op mijn Friese doorlopers niet goed af.
De winter was ook de tijd van de schoolfeestjes. God bewaar me! Ik kan nog zo in bitter geschrei uitbarsten als ik me herinner hoezeer ik bij die gelegenheden geleden heb.
Schön ist die Jugendzeit, sie kommt nicht mehr.
De hemel zij dank. Die verschrikkelijke feesten waar ik met de moed der wanhoop naar toe ging. Vroeger of later eindigden ze altijd in een hengstenbal. Dan zaten we kettingrokend dapper de avond uit om vooral niet te laten merken dat er weer een diepe kerf in onze zielen was aangebracht. Het zal bij de meeste meisjes niet veel anders geweest zijn, maar onze werelden werden door een diepe kloof  gescheiden.
Op de een of andere manier associeer ik deze ellende met drabbige sneeuw op de weg. Helaas werkt de associatie ook andersom. Zodra het maagdelijk sneeuwdek verworden is tot een grauwe massa, word ik onmiddellijk door melancholie overvallen. Zo kwamen er onlangs, fietsend op een plek in Nederland waar voor mij geen enkele jeugdherinnering ligt, twee liedjes mijn hoofd binnen die weigerden daar weer uit te vertrekken.
Het eerste was “I Saw Her Again Last Night” van The Mama’s & the Papa’s en het tweede “I’ll Feel a Whole Lot Better When You’re Gone” van The Byrds.
Ik was ze al jaren kwijt, maar daar waren ze opeens om mij te herinneren aan een winter eind jaren zestig dat ik samenwoonde met vriendin A, terwijl ik hevig verliefd was op vriendin B. Ik heb me zelden zo ellendig gevoeld en voor mijn gevoel was Amsterdam die winter gehuld in een grauwe laag smeltende drab. Ik heb het overleefd. Ik ben trouw gebleven aan vriendin A (wat heel dom van me was) en ik ben vriendin B kwijtgeraakt (waar ik vele jaren spijt van heb gehad). En die twee liedjes waren er toen om mij zout in de wonde te strooien. En natuurlijk ook om te zwelgen in mijn ongeluk. Gelukkig is het allemaal nog goed met me gekomen. Maar het kwaad was definitief geschied: winterweer betekent relationele ellende.
Dus toen in mijn naaste omgeving de onheilstijding ‘het is uit’ werd gebracht op het moment dat ik mij behoedzaam door lagen tot pap gereden sneeuw bewoog, was mijn cirkel rond. Misschien moet ik toch serieus overwegen te verhuizen naar een streek waar nog nooit een vlok sneeuw gevallen is, al was het maar om mijn naaste omgeving te behoeden voor stuklopende relaties.

Plaats een reactie