‘Wat valt u op als u weer terug bent in Nederland?’, vroeg de interviewster. De geïnterviewde meldde dat hij niet verder dan Amsterdam was gekomen en dat hij zich daar nog steeds helemaal thuis voelde. Aangezien niemand mij over dit noch enig ander onderwerp interviewt, stel ik meestal maar mezelf deze klemmende vraag. Deze keer had ik een voldoende mate van afstand van mijn vaderland om er eens goed tegenaan te gaan. Na anderhalve week in mijn kluizenaarshutje in de Languedoc en nog drie dagen thuis in de Bourgogne, gingen wij op weg naar Nederland. De geuren van de garrigue zaten nog in mijn longen en het geluid van de tramontane nog in mijn oren toen wij op een uurtje rijden van huis op de snelweg kwamen. Maar toen was ik meteen weer in Nederland. We bleken ons gevoegd te hebben in een onafzienbare stroom van Nederlandse kentekenplaten richting het noorden. Met onze Franse platen hadden we heel wat bekijks. Tijdens de tussenstoppen hoorden we enkel Nederlands om ons heen of minstens een dialect dat daar iets van weg had. Dus wat was het eerste dat mij opviel? Nog voor wij zelfs maar geografisch gezien in Nederland waren, bleek ons dat Nederlanders die een weekje vrij hebben zich massaal naar Frankrijk begeven.
Het tweede opvallende feit is moeilijker te interpreteren. Op onze bestemming aangekomen, fietste ik naar de Chinees op de hoek voor een meeneemmaaltijd zodat wij al etend van de mooie voortijdige zomeravond zouden kunnen genieten. Bij de Chinees trof ik het voltallig bedienend personeel etend aan. Er was namelijk niet één klant in het hele gigantische restaurant te bekennen. Nou kom ik daar wel eens vaker en normaal zijn er altijd mensen. Maar nu op de uitgaansavond bij uitstek, zaterdag: niemand. De dienstdoende Chinees verklaarde dat met het feit dat het de volgende dag moederdag was. Ik heb erg mijn best gedaan het verband te zien, maar het lukte niet. Wat niet wegneemt dat moederdag in Nederland blijkbaar zo belangrijk is, dat men er de avond tevoren al voor thuis blijft.
En dan ben ik nu aangeland bij mijn immer terugkerende steen des aanstoots: Nederlanders verwaarlozen hun taal en de media lijken daarin een voortrekkersrol te spelen. Als er een relatie bestaat tussen slordig taalgebruik en slordig denken – en het lijkt me dat die inderdaad bestaat – dan geef ik niet veel voor de toekomst van dit land. Het begon zondagochtend al toen ik voor het eerst de radio aanzette. ‘Dan kun je nu een riekwest voor een plaatje doen’, kwetterde de omroepster vrolijk. Ik heb het vervolg niet afgewacht en onmiddellijk de radio weer uitgezet om mijn serene zondagochtendstemming niet te laten bederven. In vroeger tijden kon je zondagochtend de tale Kanaäns op de radio beluisteren. Ik geef toe, ook niet alles en zeker niet mijn favoriete tijdverdrijf van weleer, maar het was tenminste wél correct Nederlands. De presentatrice van het tv-weerbericht liet vervolgens de zon opgaan en in de geschreven pers struikel je over de betreffende personen en de betreffende zaken. Terwijl in hun eigen stijlboeken toch duidelijk staat hoe het wél moet. Over de verwarring tussen dat en wat zullen we het maar helemaal niet hebben, want daar bezondigen zelfs literaire vertalers zich aan. Mijn zoon vertelde mij laatst over een medestudent die zich in vijf talen goed kan redden – zelfs op universitair niveau – maar niet één taal echt helemaal beheerst. Ik hoop niet dat dat het prototype van de gemondialiseerde (of moet ik om me begrijpelijk te maken, schrijven: geglobaliseerde?) mens is. Dan wordt er over een halve eeuw geen mooi boek meer geschreven. En al helemaal niet in het Nederlands. Unfortunately peanutbutter.
Laatste opvallende feit: de sierlijke witsnuitlibel is terug. Nou niet flauw doen en mij vragen of ik wist dat ‘ie weg was. Ik vond het fantastisch dat deze bedreigde diersoort weer onder ons is. Totdat ik de voorzitter van de libellenvereniging op de radio hoorde. ‘Kunnen we de sierlijke witsnuitlibel op internet zien?’, vroeg de interviewer. ‘Jazeker’, antwoordde de voorzitter. ‘Maar beter is natuurlijk om hem in het echt te gaan bekijken en hem met een motorbootje in de Weerribben te gaan opzoeken.’ In Frankrijk denken veel mensen dat Nederlanders in milieubewustzijn de Fransen ver vooruit zijn. Ik kan ze geruststellen.