Seydou

‘Ja, ja, zo hebben we allemaal wel ergens onze sentimentele erfenis’, zei ooit een collega tegen mij. Bij zo’n uitspraak kun je je natuurlijk van alles voorstellen, maar vast niet waar het in ons gesprek over ging. Ik zat op dat moment tussen twee contracten in. Ik was alweer een tijdje terug van een verblijf van drie jaar in Tanzania en zou binnenkort uitgezonden worden naar Burkina Faso. Degene wiens plek ik zou gaan overnemen in Burkina had mij gevraagd of ik zijn – ja hoe zal ik dat nou eens zeggen? in Engelstalige landen werd dat nog wel naar goed koloniaal gebruik de boy genoemd, in Franstalige landen was het eerder een cuisinier, een kok dus – laat ik maar zeggen bediende wilde overnemen en of hij dan aan zijn tante mijn bankrekening mocht doorgegeven zodat zij periodiek een bedragje voor Seydou kon overmaken. Hij vroeg het mij met een zekere gêne. Daar waren twee redenen voor. In de eerste plaats was Seydou helemaal geen cuisinier. Hij kon nog geen aardappel koken, nog geen eitje bakken. Dus ja, behalve voor het schoonmaken zou ik eigenlijk niet zoveel aan hem hebben, dus had mijn voorganger er alle begrip voor als ik ‘nou nee, bedankt’ zou zeggen. Maar hij was eigenlijk vooral gegeneerd door zijn eigen medeleven met Seydou. Wij geharde tropengangers hadden toch geen last van zulk soort sentimenten? Mooi wel dus. En ik ook, want ik nam Seydou over in de wetenschap dat er goede koks bij bosjes voor het oprapen lagen, gewoon omdat ik hem niet brodeloos wilde maken. En daarmee werd Seydou tegelijk mijn sentimentele erfenis. Spijt heb ik daar nooit van gehad. Hij bleek een ontzettend aardige jongen van een jaar of twintig te zijn. En hij was prima geschikt voor alle voorkomende huishoudelijke klussen die hij uitvoerde alsof er niets leukers op de wereld was, maar koken, nee, daar wist hij echt helemaal niets van. Om niet zelf straks te blijven zitten met een sentimentele erfenis die mij nog lange tijd zwaar op de maag zou liggen, besloot ik te doen wat zijn vorige werkgever natuurlijk ook had moeten doen, namelijk om hem op kookles te sturen. Daarmee, zo was mijn gedachte, zou zijn marktpositie aanzienlijk versterkt worden en zou hij niet brodeloos raken als mijn opvolger onverhoopt zou besluiten hem niet in dienst te nemen. Dat was niet slecht bedacht want mijn opvolger nam zijn eigen kok mee. Hij kwam van driehonderd kilometer verderop waardoor die arme man zijn familie zelden meer zag. Ik denk dat je dat nog net geen slavernij mag noemen. Dus Seydou ging op stage. Drie keer per week mocht hij meelopen met een door de wol geverfde kok in een bevriend huishouden. En de andere drie keer kon ik als een echte koloniaal ervan genieten dat bij thuiskomst de maaltijd voor mij klaarstond. En verder had ik dezelfde gêne als mijn voorganger, want vertellen deed ik dit verhaal niet. Want wij zaten dan wel in ontwikkelingshulp, maar goed doen, gewoon van mens tot mens, nee, dat was toch eigenlijk not done.

Plaats een reactie