Ontbijtkoek

Een week op een onbewoond eiland. Wat neem ik dan mee? Ik heb daar enige ervaring mee. Ik zit met enige regelmaat op mijn onbewoonde eiland, dat weliswaar niet echt een eiland is, maar wel behoorlijk onbewoond. Morgen ga ik er weer heen gewapend met troffels, voegspijkers en een cementbak. Voor een echt onbewoond eiland is dat natuurlijk niet interessant want daar kun je geen cement kopen. Daar heb je meer aan een bijl en een zaag, maar die heb ik daar al liggen. Wat neem je verder mee? Kleren – als het geen tropisch eiland is – boeken en muziek. De keuze van het boek/ de boeken is altijd delicaat. Normaal gesproken weet ik altijd precies wat ik nog allemaal moet lezen, maar op het kritische moment dat ik een of twee boeken moet uitkiezen weet ik opeens niet meer welke boeken dat ook alweer zijn en sta ik verdwaasd voor de boekenkast en zie alleen maar boeken die ik op dat moment echt niet hoef te lezen. Het lijkt me een geval van cognitieve dissonantie. Etenswaren zijn niet echt een probleem: ik haal gewoon de koelkast leeg en de rest koop ik er daar wel bij. Ik ben er dus helemaal klaar voor.
Heel anders is het als ik in Nederland ben en ik mij voorbereid op mijn terugkeer naar Frankrijk. Daarvoor heb ik een hele boodschappenlijst in mijn hoofd van artikelen die ik bij mij thuis niet kan krijgen. Zo hebben ze in Frankrijk bijvoorbeeld wel ontbijtkoek, maar die haalt het niet bij de Nederlandse. Vooral op de gembervariant ben ik dol en die is hier niet te krijgen. Sandwichspread, ook zoiets waarvan het water me in de mond loopt als ik het woord zie. Maar hier is in het allerbeste geval in het rayon met Engelse waren een klein potje van de zure variant (groene deksel) te vinden en dat is nog erger dan geen sandwichspread: dan krijg je eerst dat effect van het water in je mond en vervolgens blijkt het helemaal niet te smaken. Zoiets als een lekke voetbal die in een zandbak ploft. Heel  belangrijk is een bezoek aan de Indische toko, want ik moet vooral ook dingen als seroendeng, mango chutney en allerlei hete pickles scoren. Ik vrees dat weinigen mijn intense genotsgevoel kunnen begrijpen als ik – eenmaal thuisgekomen – al mijn exotische aanwinsten in de voorraadkast zet.
Veel selectiever moest ik zijn in de tijd dat ik in Afrika woonde. In de verhuiskist kon ik nog allerlei spullen laden waarvan ik dacht dat ik daar de komende jaren ernstige behoefte aan zou hebben en die daar vast niet te krijgen zouden zijn. Een paar dozen wijn was in de meeste gevallen wel een wijze keus. Maar wat verder? En bovendien raakte de voorraad onherroepelijk een keer uitgeput en wat dan? Zou het niet beter zijn me meteen maar aan de lokale markt aan te passen? In Tanzania in de jaren tachtig was dat een probleem. De lokale markt voor luxeartikelen bestond namelijk niet of nauwelijks. Behalve de zwarte markt, maar daar wilde ik niet aan mee doen. Er was wel lokale wijn maar daar kreeg je hoofdpijn van en de sterke drank was een soort gin die je alleen met een glas cola kon wegkrijgen. Tijdens mijn laatste verlof in Nederland – ik had nog een klein jaar te gaan – had ik bedacht om lekker veel jenever mee terug te nemen. Met een liter of vijf dacht ik er wel een tijdje tegen te kunnen. Ik vroeg dus vijf liter jonge Bols aan de slijter in het winkelcentrum van mijn Utrechtse wijk. Toen hij de flessen op de toonbank zette, haalde ik twee jerrycans van 2,5 liter te voorschijn en goot daar ter plekke de flessen in leeg. Ik heb zelden iemand zo dom zien kijken als die keer. Ik denk ook dat ik zelden zo’n diepe indruk bij iemand heb achter gelaten, want als ik nu na dertig jaar wel eens zijn winkel binnenstap, ontvangt hij me als een oude schoolvriend. Op die jerrycans plakte ik een paar stickers met ‘medical use only’ en zo kreeg ik ze zonder problemen door de douane.
Regelmatig vragen mensen me: moet ik nog wat voor jullie meenemen uit Nederland? En steevast volgt daar op: pindakaas, dropjes? Nee hoor, doe mij maar een paar ontbijtkoeken. Daarin kan een klein land groots zijn.

Plaats een reactie