In vijf jaar tijd ben ik nu voor de tiende keer in Brazilië. En niet zomaar voor een weekje strand in Copacabana, nee, iedere keer ben ik/zijn we hier voor minstens een maand. En deze keer maken we het helemaal bont: we zouden hier deze keer maar liefst zes weken blijven, maar twee weken voor vertrek besloten we om drie maanden bij te tekenen. Het begrip bijtekenen heeft voor mij een heel specifieke betekenis. In mijn jaren in de ontwikkelingshulp werd er ook regelmatig bijgetekend. Ontwikkelingswerkers hadden contracten van twee of drie jaar. Als je vond dat je na die periode onmisbaar was dan kon je een contractverlenging aanvragen. Liever gezegd de organisatie waar je bij werkte, kon die verlenging aanvragen omdat je jezelf nog niet overbodig had gemaakt. Want dat was het ultieme doel van de ontwikkelingswerker: zichzelf overbodig maken. Welnu, onze gastorganisatie heeft onze contractverlenging aangevraagd zodat zij ons in die drie extra maanden overbodig kan maken. Om het een beetje simpel te vertalen: zodat zij in die drie extra maanden een alternatief voor ons als oppas-oma en –opa hebben kunnen vinden. In de ontwikkelingshulp heette dat een counterpart inwerken. Maar goed, wij zitten nu dus niet voor zes weken in Brazilië maar voor vier-en-een-halve maand. Dat verandert opeens wel je perspectief. Ik begin me nu pas echt te schamen voor het feit dat ik na het kleine jaar dat ik alles bij elkaar al in dit land heb doorgebracht nog steeds niet in staat ben om meer dan zelf maar twee zinnetjes fatsoenlijk Portugees te spreken. Ja natuurlijk, de begroetingen heb ik inmiddels glad gepolijst met een behoorlijk Carioca-accent. Bij de kassa van de supermarkt sta ik niet meer met mijn mond vol tanden als de caissière mij bijvoorbeeld vraagt of ik spaarzegeltjes voor serviesgoed wil, een plastic zakje of een parkeerkaart. Ik antwoord uit volle borst: sim, não, não. En ik vertrek met een langgerekt tsjau. Dat laatste valt niet mee. Dat vraagt veel oefening. De gemiddelde caissière spreekt dat uit alsof ze vanuit bed haar vertrekkende minnaar dag zegt met een klank die vol belofte is voor de volgende nacht. Maar voor de rest willen de braaf geleerde woordjes maar mondjesmaat tevoorschijn komen en als ik erin geslaagd ben er een min of meer begrijpelijke zin van te maken, is de gelegenheid om ze uit te spreken meestal voorbij.
En nu we het er toch over hebben – over Brazilië dus – er is hier wel het een en ander aan de hand. Het is geloof ik ook in Europa niemand ontgaan dat half Amazonië in brand staat en dat we hier een gek van een president hebben die dat liever maar zo wil laten want dat levert veel grond op voor soja- en veeboeren die hij ook graag van wapens voorziet om iedereen die daar anders over denkt van het land te schieten. Een goede vriend die het Portugees wél goed beheerst – hij is namelijk Braziliaan – noemt deze president consequent Boçalnario. Boçal staat voor imbeciel, stompzinnig, kortom precies wat deze president is. Ik ga maar niet vertellen over deze gesjeesde legerkapitein voor wie woorden tekort schieten om zijn stupiditeit te beschrijven. If you like Trump, you will adore Bolsonaro!
Terug naar het dagelijks leven in Rio, want dat is ook deze keer weer de plek waar ik verblijf. Ik ben geneigd te denken dat Rio de meest Braziliaanse stad van Brazilië is, maar ik geef direct toe dat ik niet veel vergelijkingsmateriaal heb. Andere megapolen als São Paulo en Belo Horizonte, heb ik nog niet bezocht. De enige grote steden die ik naast Rio ken zijn Recife, Goiânia en Brasilia. De laatste stad is zo atypisch dat ik bijna aarzel om hem Braziliaans te noemen. De planmatigheid die aan deze zestig jaar geleden door president Kubitschek gestichte regeringsresidentie en hoofdstad ten grondslag ligt, lijkt in niets op de ogenschijnlijk chaotisch gegroeide andere steden. Een stad als Rio lijkt mij voor iedere stedenbouwkundige een nachtmerrie. Alleen in het oude centrum is een soort systeem te ontdekken. Daarbuiten lijkt alles min of meer lukraak neergegooid, afgebroken, opnieuw bebouwd enzovoort, met als constante factor dat de middenklassen beneden en de armen op de hellingen wonen. Nou ja, beneden … kenmerkend voor alle steden in Brazilië is dat er ontzettend hoog wordt gebouwd. En niet alleen voor kantoorgebouwen. In typische woonwijken als Flamengo en Botafogo schieten de flatgebouwen al gauw een verdiepinkje of vijftien de lucht in. En dat met vaak minder afstand tussen de huizen dan in de 19e eeuwse gordel in Amsterdam. Tien hoog met uitzicht op de achterburen. Dat wordt dan vaak goedgemaakt door de majestueuze entree. Alsof je werkelijk in een paleis woont. Met glanzend gepoetste koperen leuningen en ornamenten op de monumentale voordeuren, marmeren vloer en directeursbureau voor de conciërge.
In dat Rio hebben wij dus bijgetekend. Dus alle tijd om te kijken of er nog meer winkels gesloten worden, er nog meer gaten in het asfalt vallen, er nog meer steentjes uit de trottoirs verdwijnen, of er meer daklozen in onze wijk komen, of dat restaurantje dat ze nu al een jaar aan het verbouwen zijn toch nog afkomt. Als het café met de Hollandse kroketten het maar uithoudt en de Maaslander regelmatig in de aanbieding is, dan halen wij het einde van de Braziliaanse winter wel. Maar stilletjes hoop ik dat we hier ook het begin van de afzettingsprocedure van de president mogen meemaken.