Leuk verhaal

Ik wilde het oude jaar uitluiden met een mooi verhaal. Ik had een gehoor van elf personen en dat is voor de niet-geoefende verteller die ik ben toch al heel mooi. Ik had het ooit bij eenzelfde gelegenheid al eens geprobeerd met een Christmas carol van Dickens, maar die zijn toch nog knap lang en je moet al een verteller van formaat zijn om de aandacht van je publiek gedurende zo’n heel verhaal vast te houden. Dat ging ik deze keer anders doen. Ik had een kort en erg grappig verhaal uitgezocht. Ik wist niet dat die tweede omstandigheid een minstens even zo grote valkuil voor de beginnende verteller is. Probeer het zelf maar eens: een heel leuk verhaal aan een paar mensen voorlezen zonder een spier van je gezicht te vertrekken. Daar moet je of een volslagen autist of een begaafd verteller voor zijn. Ik vrees dat ik van beide iets te weinig heb.Voordat ik halverwege was, biggelde de tranen over mijn wangen. Dat bleek de voortgang van het verhaal behoorlijk te hinderen. Ik had geen stem meer – tussen het hikken door kon ik er soms een paar woorden uitpersen – en bovendien zag ik door die tranen niets meer, dus zodra ik mijn stem weer enigszins onder controle had, moest ik eerst omstandig mijn ogen droog vegen. Gaandeweg merkte ik dat mijn gehoor niet om het verhaal lachte, nee, zij lachten als ik probeerde een zoveelste lachbui te onderdrukken, dus nog voordat ik dat grappige stukje had kunnen voorlezen. Kortom, van intermediair tussen de schrijver en zijn gehoor, veranderde ikzelf in een komisch nummer. Dat was niet helemaal wat ik mij van mijn optreden had voorgesteld en deed mij erg denken aan die keer dat ik een iets groter gezelschap zou verrassen met het spelen van een kerstliedje op mijn trompet. Ik had het goed ingestudeerd, dus dat kon niet echt fout gaan. Ik had mijn trompet gestald in een onverwarmd knutselhok naast de zaal waar het gezelschap zat dat onverwachts de heldere tonen van mijn trompetspel zou horen schetteren. Alleen die trompet stond urenlang in dat hok koud te wezen, dus toen ik behoedzaam mijn trompet om de hoek van de deur stak om vervolgens de zoete tonen van een Nu syt wellecome of iets dergelijks ten gehore te brengen, kwam er niet veel meer uit dan een min of meer geslaagde imitatie van het piep-piep-knor dat gedurende een bepaalde periode in de jazz in zwang was. Wat mij doet denken aan die andere keer dat ik … nee laat ik ophouden. Ook voor 2013 neem ik mij voor om een publiek optreden tot een geslaagd eind te brengen. Eens moet het lukken.

La minette

Al verwachtten wij het ieder moment, het kwam toch nog onverwachts. Toen ik met de hond langs kwam wandelen, zat zij in de middagzon in het hoge gras aandachtig naar iets te kijken dat ik niet kon zien. Ze zag er voor haar leeftijd nog behoorlijk fief uit. Ik was nog geen dertig meter verder of ik hoorde een doffe klap, ik keek om en daar lag ze, midden op de weg. Ooit was ze eerder aangereden door een auto, maar dat had ze zorgvuldig voor ons verborgen gehouden. Wel was ze de laatste jaren steeds moeilijker gaan lopen. Ze kon nog steeds een sprintje maken, maar het gewone lopen zag er steeds sukkeliger uit. Daar kwam de artrose nog bij. Dus ja, ze begon toch echt serieus bejaard te worden en wij bereidden ons voor op het einde. Dat ik dus opeens totaal onverwacht denk te zien. Maar nee, ze probeert op te krabbelen. Dat lukt niet. Haar achterlijf is geïmmobiliseerd. Ik til haar op en op dat moment komt een hysterische vrouw op me af rennen. ‘Wat is het? Een poes? Een poes? Een poes?’ Ik loop met onze roodharige moederpoes in de armen naar huis en zeg: ‘Dat ziet u toch?’ Zij: ‘Wat kan ik doen? Wat kan ik doen? Wat kan ik doen?’ Zou dat een syndroom zijn, dat je alles drie keer zegt als je in de war bent? Ik: ‘Weggaan.’ Zij opnieuw: ‘Wat kan ik doen? Wat kan ik doen? Wat kan ik doen?’ Ik: ‘Opdonderen alstublieft.’ Zij: ‘De verzekering. De verzekering.’ Ik: ‘Wilt u nu alstublieft opflikkeren.’ Ik verdwijn met poes in het struweel van het tuinpad en gelukkig achtervolgt ze me niet.
Even later zitten Jacqueline en ik in de auto op weg naar de dierenkliniek. De poes heeft mijn armen niet verlaten. Ze ademt heel snel, kwijlt en heeft een plasje op mijn broek gedaan. Ik vraag me af of ze de tien minuten naar de kliniek haalt. Door het geluid van de auto kan ik haar ademhaling niet meer goed horen, maar zo af en toe beweegt ze. Als ze op de behandeltafel ligt, constateert de dierenarts dat ze ongetwijfeld haar bekken heeft gebroken en waarschijnlijk een dijbeen. Maar om alles precies te weten moet er eerst een röntgenfoto gemaakt worden. Maar allereerst krijgt ze pijnstillers want ze moet erg veel pijn lijden. Kunnen we over een uur even bellen? Ik krijg dan te horen dat haar eerste diagnose klopte en dat wat haar betreft een en ander gerepareerd kan worden. Er is alleen nog een ander probleem: ze heeft een scheurtje in haar blaas en als dat zich niet gauw herstelt, dan heeft geen enkele chirurgische ingreep nog zin. Belt u nog even aan het begin van de avond hoe het gaat?
Intussen krijgen wij thuis een soort modeldiscussie over de voors en tegens van levensbeëindiging. Waarbij ik het nogal radicale argument in de strijd werp dat je je oude moeder van 83 toch ook geen spuitje laat geven omdat ze haar heup gebroken heeft. Ik weet dat ik me op het hellend vlak van de demagogie aan het begeven ben. Tenslotte, een poes van ruim zeventien jaren waarvan wij ons al afvroegen of zij het volgend voorjaar zou gaan halen te vergelijken met een bejaarde moeder… Twijfelachtig. Bovendien, een herstelperiode van minstens twee maanden waarin ze opgesloten zou moeten blijven in een kooi, als je dat zo’n oud beestje wilt aandoen, ben je dan niet bezig met wat ze hier noemen acharnement thérapeutique (therapeutische obstinaatheid)? Ik word overvallen door archaïsche religiositeit: God zal me straffen als ik dit leven tot een einde laat brengen. Ik overweeg Marianne Thieme te bellen om een onbevooroordeelde en ethisch juiste beslissing te nemen, maar uiteindelijk laat ik mij overreden. Ik stipuleer nog wel uitdrukkelijk dat het financiële aspect van de kwestie geen rol mag spelen in onze besluitvorming en ga dan om. We mogen het beestje niet coûte-que-coûte in leven houden omdat we te weekhartig zijn om er eind aan te laten maken. Ze zal maandenlang moeten lijden en dan nog, hoe lang zal ze daarna nog kunnen leven?
Helaas krijg ik die avond niet de dierenarts aan de lijn maar een assistente die vertelt dat alles goed lijk te gaan met la minette. Zodoende kan ik mijn kloeke besluit niet meedelen. Ik vertel haar dat ik de volgende ochtend vroeg langs kom.
Blijkbaar heb ik Jacqueline niet goed op de hoogte gebracht van mijn ommezwaai, want als ik de volgende ochtend na het bezoek aan de dierenkliniek thuiskom met het ontzielde lijfje van onze poes in de armen, reageert zij ontsteld. ‘Maar dat wilde jij toch?’, zeg ik door mijn tranen heen. ‘Ja, maar ik wist niet dat jij ook zo ver was.’
Ze heeft nog twee uur lang op haar favoriete plek op de tuintafel in de ochtendzon kunnen liggen alvorens we haar ten grave hebben gedragen naast de laatste rustplaats van onze tien jaar eerder overleden witte Labrador. Ik kan iedereen afraden een huisdier te nemen. En als het dan toch moet: neem een papegaai. Dikke kans dat ‘ie je overleeft. Ik moet er echt niet aan denken dat de ons nog resterende viervoeters aan hun eind komen.

Dorpsfeest

Ik heb altijd gedacht dat het woord braderie uit het Frans afkomstig is. Het klinkt zwierig. Dat komt natuurlijk door die ie op het eind. Met een ij wordt het meteen een stuk zwaarder: braderij, opeens is het log geworden, het staat zwaar op zijn poten, het zweeft niet meer zo’n beetje in de lucht. Toch komt het daar wel vandaan, van die braderij. Ik kom daar op omdat er in mijn dorp vorige week een braderie was. Alleen, zo wordt het niet genoemd en bovendien is het ook eigenlijk geen braderie meer. Een jaar of tien geleden wel. Ik zat toen in het bestuur van de VVV van een zestal gemeentes. Dat klinkt indrukwekkender dan het in feite is, want die zes gemeentes tellen in het totaal nog geen 3400 inwoners. En denk niet dat dat uitzonderlijk is, want Frankrijk telt ruim 36 duizend gemeentes: zoiets als een gemeentelijke herindeling is aan dit land voorbij gegaan. De verleiding is groot om nog even op deze nationale aberratie door te gaan, maar laat ik me bij de braderie houden. Onder invloed van onze dynamische voorzitter besloten wij van de VVV tot het houden van braderieën in elk van de samenstellende gemeentes. Daar zouden op een zomeravond de winkeliers van het organiserende dorp een kraampje neerzetten, lokale handwerkslieden zouden een plek krijgen, er zou gelegenheid zijn om de ter plekke aangeschafte eet- en drinkwaren te nuttigen onder het genot van de klanken van de muziek van enkele dorpsmuzikanten. Het klonk de sceptici onder ons wat idyllisch in de oren, maar och we waren niet te beroerd om het idee een kans te geven. Inmiddels barst het evenement geheel uit zijn voegen. Het veldje rond de dorpsfeestzaal stond vol rijdende kramen, en vooral vol met brocanteurs. Let wel, lokale winkeliers en handwerkslieden waren niet meer aanwezig om de simpele reden dat de laatsten de afgelopen jaren hun bedrijf gesloten hebben. En dorpsmuzikanten hadden we sowieso al niet meer. Om kort te gaan, van een bescheiden dorpsfeestje waar zo af en toe een verdwaalde toerist waargenomen werd, is onze braderie – en die in de vijf andere dorpen – uitgegroeid tot een volwaardige commerciële gebeurtenis waar de dorpelingen zwaar in de minderheid zijn. Na een paar jaar afwezigheid ging ik er deze keer toch maar weer eens naar toe omdat ik niet de reputatie wil krijgen van de azijnpisser van dienst. Het eerste wat ik zag toen ik de feestzaal naderde, was Bertrand de gepensioneerde huisschilder die met onvaste tred de tegenoverliggende auberge verliet. Ik druk me voorzichtig uit, want ik hield mijn adem in uit angst dat hij plat op zijn gezicht zou vallen. Maar gelukkig werd hij begeleid door een drinkebroer die nog iets meer evenwichtsgevoel had. Nadat ik in sneltreinvaart een ronde langs de stalletjes en tapijten met versleten gebruiksvoorwerpen had gemaakt, kwam ik Chantal, de vrouw van Bertrand tegen. Ik vertelde haar dat haar man een probleem leek te hebben. Haar gezicht verstrakte. ‘Gedronken?’, vroeg ze. Ik zei haar dat me dat niet onmogelijk leek. En weg spoedde ze zich.
De volgende ochtend kwam ik Chantal op straat tegen. Het was allemaal erg meegevallen met Bertrand, vertelde ze me. ‘Je hebt hem waarschijnlijk al een tijd niet gezien (Ik had hem een week daarvoor nog gesproken). Hij is erg veranderd. Hij was gewoon erg moe gisteravond, want hij was ’s ochtends heel vroeg opgestaan. Hij lag te slapen in zijn busje toen ik hem vond.’ Een uur later kwam ik Bertrand tegen op een karwei waarmee hij zijn magere pensioentje een beetje opkrikt. Ik zei hem dat het me speet dat ik Chantal ongerust had gemaakt met mijn verkeerde inschatting. ‘Ik begrijp dat je helemaal niet dronken was, maar gewoon erg moe.’ Bertrand keek me een beetje vreemd aan. ‘Ik niet dronken? Man, ik was compleet lazarus.’
De kans is niet groot dat ik volgend jaar opnieuw onze braderie bezoek, maar als ik het toch doe en ik zie Bertrand weer zwalkend de auberge verlaten, dan zeg ik tegen Chantal dat Bertrand me erg moe lijkt.

Rood haar en een bontkraag

Ik lees op dit moment Het land van herkomst van E. du Perron. Het begin van dat boek is voor de niet-ingewijde nogal verwarrend, dus ik dacht dat misschien eindelijk het boekje Drie vrienden van W.L.M.E. van Leeuwen over Marsman, Ter Braak en Du Perron dat ik ooit in de jaren zestig kocht, me toch nog mooi van pas kon komen. Met een trefzekere greep haalde ik het uit de boekenkast. Bladerend in het boekje merkte ik dat er een foto in zat: een foto van een jonge vrouw in een winterlandschap, een al aardig verbleekte kleurenafdruk van 8½ x 8½ cm. Ik denk niet dat ik haar gekend heb. Ik herinner me haar tenminste niet. En dat maakt het vreemd, want ik dacht dat ik het boekje nieuw gekocht had. Maar hoe is dan die foto erin gekomen? Ik heb me suf zitten peinzen, maar ik kan er geen plausibele verklaring voor vinden. Te meer omdat het niet het soort boek is dat je uitleent, tenzij aan een student Nederlands en ik woonde in die tijd wel samen met een studente Nederlands, maar ik herken in het meisje niet een van haar toenmalige medestudenten. Als ik het boekje tweedehands gekocht zou hebben – en ik kocht in die tijd wel eens wat in een van de boekenstalletjes in de Oudemanhuispoort – zou daarmee het spoor doodlopen. Maar bij nadere beschouwing is dat niet zo, want ik moet ook destijds in dat boekje gebladerd hebben omdat ik me aantal van de illustraties eruit kan herinneren. Dus zou ik toen al die foto moeten zijn tegengekomen. En daar herinner ik mij niets van en bovendien zou ik hem er dan uitgehaald hebben. Met andere woorden die foto moet in het boekje zijn gekomen toen het al een tijdje in mijn bezit was. En toch weet ik niet wie het meisje is. Normaal gesproken niet iets om je druk over te maken, maar mij laat het al twee dagen niet los. En dat komt omdat het zo’n vreemde foto is. Niet op het eerste gezicht: meisje links op de voorgrond, alleen hoofd en een deel van het bovenlichaam, daarachter een laan – vermoedelijk een zandpad – omzoomd met beuken en een enkele spar, dit alles bedekt met sneeuw. Verderop in de laan een rijtuigje met een volwassene en een kind op de bok, dat drie sleeën met kinderen trekt. Het trekdier is niet zichtbaar, maar het moet een klein paardje of een pony zijn. Het meisje heeft een bruine wollen jas aan met een beige motiefje en een bontkraag. Ze heeft dik rood haar dat tot op haar schouders valt en ze heeft aan de linkerkant een scheiding in het haar. Ook haar wenkbrauwen zijn rood. Ze heeft donkerbruine ogen en volle lippen. Ik denk dat je kunt zeggen dat ze een mooi gezicht heeft. Als ze glimlachend in de camera had gekeken zou het een leuke foto zijn geweest en zou ik er denk ik niet meer naar om hebben gekeken. Maar in dit idyllische wintertafereeltje kijkt ze weg met een bedrukte blik. Ze is zeker niet blij, ik denk zelfs dat ze tamelijk ongelukkig is. Terwijl, zo stel ik me voor, haar vriend die foto neemt. Wie zou anders die foto genomen kunnen hebben? Haar vader of moeder? Niet waarschijnlijk. Ze heeft al niet meer de leeftijd dat je op zondagmiddag met je ouders gaat wandelen. Een vriendin? Zou natuurlijk kunnen. Maar nou was het in die tijd wel zo dat het meestal de mannen waren die fotografeerden en maar zelden de vrouwen. Dus ik hou het op haar vriendje. En ik denk dat de relatie niet erg lang meer geduurd heeft. Er zit zo’n leed in die blik, waar blijkbaar dat vriendje weinig aan kon verhelpen. Wat die foto nog triester maakt, is dat het winterplezier wegrijdt. Het gaat langzaam maar zeker richting horizon om voorgoed te verdwijnen en zij blijft daar met dat grote verdriet achter. Het noodlotsgevoel wordt nog versterkt door de plek in het boekje waar ik de foto heb aangetroffen: tussen twee pagina’s die gaan over Marsmans gevecht met de dood (en in uw roekelozen lach/ klinkt uit een verte snel gesmoord,/ een echo door van een accoord,/ dat ge eeuwig u verborgen dacht,/ het lachen van den dood.)
Ondanks het feit dat ik zo ongeveer het verhaal achter de foto bij elkaar kan verzinnen, blijf ik met een onbevredigend gevoel zitten. Ik voel mij een beetje zoals in het gedicht Aan Rika van Piet Paaltjens: Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart/ Gezeten in een sneltrein, die de trein/ Waar ik mee reed passeerde in volle vaart./ De kennismaking kon niet korter zijn.
En toch, zij duurde lang genoeg om mij/ Het eindeloos levenspad met fletse lach/ Te doen vervolgen. … Zo ernstig als de dichter ben ik er niet aan toe. Ik heb niet de indruk dat ik in dit meisje de vrouw van mijn leven ben misgelopen, maar ik zou zo’n vijftig jaar nadat de foto gemaakt is toch wel heel graag weten wat er op dat moment in haar om ging

That old feeling

Ik heb onlangs een nieuw scanapparaat gekocht. Zo’n ding waarmee je documenten en negatieven kunt digitaliseren. Niets bijzonders, alleen ontdekte ik dat ik met dit apparaat met enige behendigheid ook negatieven met afwijkende afmetingen kon inscannen. En dat kwam goed uit want ik had nog ergens tussen de duizenden kleinbeeldnegatieven een mapje met negatieven van een ander formaat. Die waren afkomstig van mijn Kodak Starlet, mijn eerste en bovendien van mijn eigen geld gekochte fototoestel. Tot dan was het enige in huis aanwezige fototoestel de box van mijn vader, zo’n apparaat dat je voor je buik hield om dan op een piepklein glazen scherm een beeld te zien verschijnen dat geacht werd op de foto te komen als je afdrukte. Ik zeg dat niet voor niets met enige voorzichtigheid want vaak viel het resultaat nogal tegen. Vooral bij ongunstige lichtomstandigheden. Er viel namelijk niets in te stellen: het apparaat had één sluitertijd en één diafragma. Mijn Kodak Starlet was in zoverre een vooruitgang dat ik kon kiezen tussen drie diafragma’s: een zonnetje, een zonnetje met wolk en alleen wolk. Bovendien zat er een zoeker op die je voor je oog kon houden, zodat je een iets helderder idee van het te fotograferen object kreeg. Te oordelen aan de negatieven die ik nu ingescand heb was dat nog geen garantie voor betere resultaten. Toch moest je buitengewoon selectief zijn en wel tien keer nadenken voor dat je een opname maakte, want er zaten als ik mij goed herinner maar twaalf opnamen op een filmpje en normaal gesproken moest je daar toch wel de hele vakantie mee kunnen vastleggen. Waarom ik dit allemaal vertel, is omdat er plotseling een foto op mijn beeldscherm verscheen (wel een stuk prozaïscher dan toen hij nog geleidelijk uit het ontwikkelbad tevoorschijn kwam) die ik mij niet meer herinnerde. Dat gold voor de meeste van die foto’s trouwens. Maar bij deze kwam er iets bij: het was een foto van mijzelf, maar ik had moeite er mijzelf in te herkennen. Meestal lukt me dat wel bij oude foto’s, maar deze keer niet. Ik kon wel zien dat ik het was, maar daar hield de herkenning op. Er lag iets in de blik van die jongen dat ik niet thuis kon brengen. Ik zit er in de kajuitopening van een ouderwets zeiljacht. Alles hout, katoen en touw. Ik ruik weer de geur van getaand touw als ik het plaatje zie. De achtergrond is een brede vaart, vermoedelijk ergens in Friesland. We varen met ruime wind en de enige golven zijn die, die worden voortgebracht door de boot zelf. Ik zit geheel in het zwart gekleed met een al even zwarte schipperspet recht in de cameralens te kijken. Een glimlach onthult een gebit dat sterk doet denken aan dat van Vestdijks personage Philip Corvage in Ivoren wachters: rampzalig dus, maar ik kan me niet herinneren dat ik me er ooit maar een moment voor geschaamd heb. Veel herken ik uit het plaatje, maar niet die blik. Als je mij gevraagd zou hebben hoe ik me op dat moment voelde, dan zou ik zeggen: de koning te rijk. Ik was in mijn element. Op dat prachtige zeiljacht met een bloedgang door het Friese landschap stuivend, dat was toch ongeveer waartoe ik bestemd dacht te zijn. Maar die blik zegt iets anders. Die houdt iets achter. Die vertelt me dat de jongen in kwestie grote verwachtingen van het leven heeft, maar daar nog geen concreet beeld van heeft. Dat dit nog maar het voorprogramma is en dat de hoofdfilm nog heel wat anders wordt. Maar hoe anders, wat anders? Daar heeft hij nog weinig weet van. En intussen doet hij een stapje opzij. Bekijkt de wereld van een afstand: reculer pour mieux sauter.
Een paar jaar geleden had ik een kortstondige elektronische briefwisseling met een jeugdvriend. We hadden elkaar tijdens onze hele schoolperiode gekend en ontmoetten elkaar zelfs nog een paar keer tijdens de studiejaren. Hij schreef me hoe leuk hij de middelbare schoolperiode had gevonden en wat voor geweldige herinneringen hij aan die tijd had. Ik vroeg mij af of wij niet in twee verschillende werelden hadden geleefd want bij mij overheersten de pijnlijke herinneringen. Een van die pijnlijke dingen was dat wij een tijdlang goede vrienden waren en daarna totaal uit elkaar groeiden. Hij concludeerde dat ik wel een verzuurde oude zak geworden moest zijn als dat soort dingen me nog steeds dwarszaten. Ik weet niet of ik daar nog op gereageerd heb of gedacht heb: hij begrijpt het niet en hij zal het nooit begrijpen dus laat maar. Want nee, ik koester niet Das Leiden des jungen Tons, maar ik ben wel nieuwsgierig naar de jongen die ik eens was. Op mijn vijftiende was ik diep geroerd door een liedje gezongen door Chet Baker, That Old Feeling. “There’ll be no new romance for me, it’s foolish to start, ‘cause that old feeling is still in my heart.” Wat moet een vijftienjarige nou met zulk soort teksten? En toch, de muziek, de tekst, voor mij had het alles te maken met een levensgevoel, een toekomstverwachting. Er kwam iets groots aan, dat kon ik aan alle kanten voelen. Het kwam er op aan om op tijd het vertrouwde bekrompen wereldje te verlaten en dan zouden de goede tijden aanbreken. Dan zou het leven ten volle geleefd gaan worden. En zo is het gegaan. En dat was allemaal al in die blik van die jongen op die zeilboot te lezen. Of bezondig ik me aan wat ze hineinintrepretieren  noemen? Ongetwijfeld, maar toch geloof ik dat het waar is.

Zal ik Sarko missen?

Vier maanden geleden schreef ik dat de komende tijd voor mij puur geluk zou zijn. Meestal ben ik niet sterk in voorspellingen, maar deze is uitgekomen. Ik verwachtte maandenlang te kunnen genieten van de parodie die vertrekkend president Sarkozy van zichzelf maakt, zonder bang te hoeven zijn dat hij onverhoopt toch nog opnieuw gekozen zou worden. Dat ging een tijdlang goed, maar op het laatst bleek hij toch nog tot een flitsende inhaalmanoeuvre in staat. Je ziet dat in hardloopwedstrijden wel eens: zo’n atleet die tegen het eind van de wedstrijd vanuit de middenmoot naar voren komt schieten en dan met schijnbaar groot gemak iedereen achter zich laat. Daar begon het akelig op te lijken en dat maakte de show iets minder leuk, maar tegelijk wel heel spannend. Toen een paar dagen voor de laatste ronde tijdens het ultieme en enige debat de uitdager op punten van de zittende president won, kon ik eindelijk weer gerust ademhalen. Hoewel, je kunt mooi zo’n debat winnen, maar het zijn de kiezers die beslissen. En het volk is … tja, hoe zal ik het zeggen, laten we het voor nu even op onvoorspelbaar houden. Of misschien juist wel voorspelbaar in … uhh laten we zeggen in het laten meewegen van minder rationele overwegingen. Pfff, even het zweet van mijn voorhoofd vegen. Het is gelukt, ik heb niet gezegd dat het volk stom is en belazerd wil worden. Want dat is natuurlijk ook niet zo. Het bewijs is zojuist weer geleverd: het Franse volk heeft een ‘normale’ president gekozen en niet een die voortdurend op onderbuiksentimenten speelt. Maar het was wel op het nippertje! Het is ook heel goed te begrijpen dat Sarkozy de dag zelf dat hij de nucleaire codes aan zijn opvolger had overgedragen, zijn rondjes joggen in het Bois de Boulogne weer opvatte: hij moet zijn conditie opvijzelen om over vijf jaar Hollande te verslaan. Want dat steekt daar natuurlijk achter. Onder de gegeven omstandigheden zou een normale ex-president zijn vrouw zijn gaan troosten die haar paleis heeft moeten verlaten. Maar niet Sarko. Die roept bij de voordeur: ‘Hé Carla, ik ga even trainen in het park. Ik moet die Hollande er de volgende keer uit kunnen lopen.’
Ik vraag me af of ik hem zal gaan missen, Sarkozy. Hij bracht wel kleur in mijn leven, ook al was dat meestal het rood dat mijn wangen van woede kleurde. Tegen het einde van de verkiezingscampagne kreeg ik zowaar zoiets als bewondering voor de man. Terwijl geen enkele opiniepeiler hem een schijn van kans gaf, bleef hij met veel overtuigingskracht volhouden dat het Franse volk nog voor een verrassing zou zorgen. En verdomd, hij kreeg nog bijna gelijk ook. Terwijl hij minstens drie affaires aan zijn broek heeft hangen die hem een veroordeling kunnen bezorgen, doet hij zich voor als de integerste der integeren. Je moet het lef maar hebben. Chirac en Mitterand zijn nooit zo populair geweest als toen ze president af waren. Zelfs Giscard wiens presidentschap verre van een succes was, draagt een aureool van eerbiedwaardigheid. Dus logischerwijs zou hetzelfde met Sarkozy moeten gebeuren. Maar ik betwijfel het. Chirac mocht dan wel graag op een koeienkont slaan om te laten zien dat hij ook maar een gewone jongen was, maar intussen was hij ook een groot kenner van Chinese en Japanse kunst. Mitterand liet bijzondere en spraakmakende gebouwen neerzetten en was een groot kenner van de Franse literatuur. Sarkozy daarentegen heeft vooral naam gemaakt met zijn ongrammaticale Frans en uitspraken als Casse-toi pauv’ con oftewel ‘Flikker op, klootzak’. Ik denk dat je daar, zelfs achteraf, niet populair van wordt. Dus of ik hem zal missen, nee, ik denk van niet. En als er vagelijk zo’n soort gevoel is, grijp ik gauw naar een film van de Marx Brothers en zal dan constateren dat Groucho toch stukken beter is dan Sarko zijn imitator.

Hond in de stad

Eens in de zoveel tijd doe ik een donatie aan Amnesty. Niet automatisch want daar houd ik niet van, maar gewoon als ik denk: het wordt weer eens tijd. Het gevolg daarvan is wel dat ik daardoor voortdurend bedelbrieven plus cadeautjes krijg. Door het hele huis zwerven de nagenoeg onbruikbare balpennetjes van Amnesty International. Maar de laatste keer kreeg ik zo’n zwart tasje van ze waar je eigenlijk niets mee kunt doen behalve folders instoppen die je vergaart op een vakantiebeurs of op de HISWA. Ik heb er vele van, afkomstig van een Nigerijnse mensenrechtenorganisatie tot een spijkerbroekenwinkel. Voor mijn Amnesty-tasje heb ik nu een goede aanwending gevonden. Wij waren namelijk een paar dagen naar Parijs. Dat betekende dat we onze hond mee moesten nemen omdat pogingen hem ergens te laten logeren tot fiasco’s van verschillende aard hebben geleid, variërend van weglopen tot het doorknagen van een antieke houten deur.
Wij laten Mapenzi, zo heet onze hond, normaliter drie keer per dag uit, zelfs als hij de hele dag buiten is, want we hebben liever niet dat onze grasmat ontsierd wordt door hondendrollen. Dat weet hij, dus hij wacht met het naar de wc gaan tot we ons woonerf verlaten hebben. Dan zijn we ook meteen in zeg maar de vrije natuur, dus zijn er geen beperkingen in de keuze van de plek waar hij zich door zijn achterpoten laat zakken. Maar in de stad ligt dat anders wisten wij. Daar bestaan hoge boetes voor wildpoepen en bovendien vind ik het zelf niet prettig om op het trottoir tussen de hondendrollen te moeten slalommen. Nu zijn er altijd nog de straatgoten die in Parijs dagelijks worden schoongespoeld dus dacht ik dat die wel een goed alternatief zouden bieden, maar nee hoor die vallen ook onder het categorische verbod op hondendrollen. Dus zou ik mij voor het eerst in mijn leven van hondenbezitter bij het uitlaten moeten wapenen met plastic zakken en een schepje. Daarbij kwam het Amnesty-zakje zeer van pas: de juiste afmetingen en tegelijk maakte ik reclame voor de goede zaak.
In onze eerste grote wandeling was het Parc Georges Brassens inbegrepen. Dat leek ons handig want onze Mapenzi houdt er niet van om op steen of asfalt te defeceren. Op de hondenpagina van de website van de Ville de Paris had ik gevonden dat honden daar op de paden waren toegestaan. Maar dat was buiten een paar overijverige dienders gerekend die ons onverbiddelijk naar de uitgang verwezen. Mapenzi sloeg zich manmoedig door deze tegenslag heen, maar toen hij op de terugweg ergens een paar vierkante meter ongeplaveide grond zag werd het hem te machtig. Het resultaat mocht er wezen. Toen ik met schepje en plastic zak uit mijn Amnesty-tasje in de weer was, kwam een dakloze belangstellend staan kijken naar mijn bezigheden. Hij becommentarieerde ze ook. Het was maar goed dat ik mij aan de gemeentelijke verordening terzake hield want anders kon mij dat op een boete van wel 84 € komen te staan. Ik was er op dat moment niet helemaal van overtuigd of ik niet liever die boete zou betalen dan dat ik voor publiek bezig was Mapenzi’s uitwerpselen op te rapen. Bovendien loop je vanaf dat moment niet alleen met dat Amnesty-tasje, maar ook met een plastic zak met stinkende bruine smurrie en juist dan is er natuurlijk geen vuilnisbak in zicht. Na het oversteken van verscheidene kruispunten was hij er dan eindelijk: de transparante plastic zak opgehangen onder een groene deksel. En hij was nog helemaal maagdelijk ook. Ik liet er met een zucht van verlichting mijn handbagage in ploffen. Toen wij tien meter verder waren, zei mijn vrouw ‘kijk eens achterom’. Ik zag dat mijn plastic zak dwars door de bodem van de vuilniszak was heengeschoten en op het trottoir te pletter was gevallen.

Seydou

‘Ja, ja, zo hebben we allemaal wel ergens onze sentimentele erfenis’, zei ooit een collega tegen mij. Bij zo’n uitspraak kun je je natuurlijk van alles voorstellen, maar vast niet waar het in ons gesprek over ging. Ik zat op dat moment tussen twee contracten in. Ik was alweer een tijdje terug van een verblijf van drie jaar in Tanzania en zou binnenkort uitgezonden worden naar Burkina Faso. Degene wiens plek ik zou gaan overnemen in Burkina had mij gevraagd of ik zijn – ja hoe zal ik dat nou eens zeggen? in Engelstalige landen werd dat nog wel naar goed koloniaal gebruik de boy genoemd, in Franstalige landen was het eerder een cuisinier, een kok dus – laat ik maar zeggen bediende wilde overnemen en of hij dan aan zijn tante mijn bankrekening mocht doorgegeven zodat zij periodiek een bedragje voor Seydou kon overmaken. Hij vroeg het mij met een zekere gêne. Daar waren twee redenen voor. In de eerste plaats was Seydou helemaal geen cuisinier. Hij kon nog geen aardappel koken, nog geen eitje bakken. Dus ja, behalve voor het schoonmaken zou ik eigenlijk niet zoveel aan hem hebben, dus had mijn voorganger er alle begrip voor als ik ‘nou nee, bedankt’ zou zeggen. Maar hij was eigenlijk vooral gegeneerd door zijn eigen medeleven met Seydou. Wij geharde tropengangers hadden toch geen last van zulk soort sentimenten? Mooi wel dus. En ik ook, want ik nam Seydou over in de wetenschap dat er goede koks bij bosjes voor het oprapen lagen, gewoon omdat ik hem niet brodeloos wilde maken. En daarmee werd Seydou tegelijk mijn sentimentele erfenis. Spijt heb ik daar nooit van gehad. Hij bleek een ontzettend aardige jongen van een jaar of twintig te zijn. En hij was prima geschikt voor alle voorkomende huishoudelijke klussen die hij uitvoerde alsof er niets leukers op de wereld was, maar koken, nee, daar wist hij echt helemaal niets van. Om niet zelf straks te blijven zitten met een sentimentele erfenis die mij nog lange tijd zwaar op de maag zou liggen, besloot ik te doen wat zijn vorige werkgever natuurlijk ook had moeten doen, namelijk om hem op kookles te sturen. Daarmee, zo was mijn gedachte, zou zijn marktpositie aanzienlijk versterkt worden en zou hij niet brodeloos raken als mijn opvolger onverhoopt zou besluiten hem niet in dienst te nemen. Dat was niet slecht bedacht want mijn opvolger nam zijn eigen kok mee. Hij kwam van driehonderd kilometer verderop waardoor die arme man zijn familie zelden meer zag. Ik denk dat je dat nog net geen slavernij mag noemen. Dus Seydou ging op stage. Drie keer per week mocht hij meelopen met een door de wol geverfde kok in een bevriend huishouden. En de andere drie keer kon ik als een echte koloniaal ervan genieten dat bij thuiskomst de maaltijd voor mij klaarstond. En verder had ik dezelfde gêne als mijn voorganger, want vertellen deed ik dit verhaal niet. Want wij zaten dan wel in ontwikkelingshulp, maar goed doen, gewoon van mens tot mens, nee, dat was toch eigenlijk not done.

Doorlopers

Mijn oude Friese doorlopers gaan weg. Dat snijdt door mijn hart. Ik zou het alleen met de herinnering moeten kunnen en ze kunnen beter nu maar vast weg dan dat ik bij de onvermijdelijke volgende verhuizing de knoop moet doorhakken. En toch. Ze zijn van voor de oorlog. In het ijzer staat Beetsterzwaag gestanst en daar woonden mijn ouders in het begin van de oorlog. Zou mijn moeder er nog op geschaatst hebben?  Bij gebrek aan overlevenden van die periode zal ik daar nooit meer achterkomen. Ik heb er wel op geschaatst, zoveel is zeker. De oranje gestreepte banden die je om je schoenen moest knopen, zitten er nog aan. Een beetje vaal geworden, maar nog duidelijk herkenbaar als de boosdoeners die altijd losgingen. Goede herinneringen heb ik niet aan die schaatsen. Ze herinneren me vooral aan de verkleumde vingers waarmee ik de los onder mijn schoenen slingerende schaatsen weer probeerde vast te binden, daarmee mijn tenen afknellend. Wat mij betreft had het nooit meer hoeven te vriezen. Zou ik mooi van de plicht tot ijspret verlost zijn. Betere tijden braken aan toen ik op mijn vijftiende een paar hockeyschaatsen bij elkaar had gespaard (die ik ook nog heb). Maar de Friese doorlopers gaan weg. Het besluit is gevallen. Ik zal een foto van ze maken. Dat zou ik systematisch kunnen  doen van alle dingen waar ik toch eens afscheid van moet nemen. Ga ik dan ook foto’s maken van mijn Ely Chinoy en mijn Paul A. Samuelson? Misschien wel. “Heb jij je Chinoy al gehaald?”, hoorde ik de  ene tweedejaars student aan een andere vragen. Wat klonk dat ver weg als je nog aan die pil moest beginnen. Maar waarom kan ik eigenlijk geen afscheid van  dingen nemen terwijl de beelden toch zo levendig in mijn hoofd zitten? Bang dat die eens zullen vervagen? Maar dan heb ik aan die voorwerpen ook niets meer, want die zijn vooral belangrijk doordat ze aan herinneringen gekoppeld zijn. Ik vrees dat ik hier nooit uitkom en dat iedere keer dat ik mij de vraag stel “Kan dit eigenlijk niet weg?” weer even pijnlijk zal zijn. Tenzij. Beste bloglezer, heb jij niet verschrikkelijk behoefte aan een paar Friese doorlopers, origineel handwerk van voor de oorlog en in gegarandeerd uitstekende staat?

Eerlijk waar

‘Mais franchement’. Zodra die twee woorden worden uitgesproken, gaan al mijn haren recht overeind staan. Vooral als het een politicus is die het zegt. Letterlijk betekent het zoiets als ‘eerlijk gezegd’, maar de uitdrukking is verworden van ‘zonder flauwekul’ of ‘iedereen weet toch dat’ tot ‘je gaat me toch niet tegenspreken’ of  ‘als je iets anders beweert dan wat ik nu ga zeggen ben je wel de grootste onbenul die er op twee benen rondloopt’. Kortom, als de president van de republiek die woorden uitspreekt dan is er meer dan gewone aandacht nodig om te horen wat erop volgt. Des te vreemder dat er tot nog toe niemand gereageerd heeft op Sarkozy’s uitspraak dat er ‘franchement’ nu toch eens opgehouden moet worden om die anderhalf miljoen jagers in Frankrijk dwars te zitten. Die behoren toch al niet tot de beterbedeelden, zijn voor een deel zelfs werkloos, en dan gaan we toch niet die zielepoten van hun pleziertje afhouden om een massaslachting onder de trekvogels aan te richten? Hij zei het niet letterlijk zo, maar ik zweer het dat het daar precies op neer kwam. Ik begrijp natuurlijk ook wel dat die duizenden trekvogels helemaal niets beteken tegenover een BTW-verhoging met 1,6%.  Wat daar ging het eigenlijk over, die 80 minuten dat een viertal journalisten gisteren de president mochten interviewen, hetwelk over negen (!) kanalen werd uitgezonden. Sarkozy heeft daarmee zeven-en-een-half miljoen kijkers bereikt. Zijn uitdager voor het presidentschap François Hollande had een week eerder maar één kanaal tot zijn beschikking en haalde daarmee zes miljoen kijkers. Als we dat met negen vermenigvuldigen, hoeven we ons over de toekomst van Sarkozy geen zorgen te maken: die kan rustig trekvogels gaan schieten. Terwijl die BTW-verhoging niet doorgaat omdat hij de verkiezingen heeft verloren. Maar franchement,die trekvogels, is er nog iemand die zich daar om bekommert?