93 dagen

De komende drie maanden zijn voor mij puur geluk. Op 22 april vinden namelijk de Franse presidentsverkiezingen plaats. Dat lijkt op het eerste gezicht niet een reden om iemand in een staat van euforie te brengen. En sinds ik in Frankrijk woon, is dat om die reden ook nog nooit gebeurd. Ik heb de verkiezingscampagnes van 1995, 2002 en 2007 van nabij gevolgd. Nou ja, van nabij, vanuit Frakrijk. Ik heb in de buurt van mijn woonplaats nooit een presidentskandidaat zien langskomen, behalve Arlette Laguiller van Lutte Ouvrière, maar dat was geen echte kandidaat, dat was een Trotskiste die de arbeiders op hun historische opdracht wees. Het heeft niet geholpen. We zijn verder dan ooit verwijderd van de linkse revolutie.
In 1995 heb ik de strijd tussen Chirac en Jospin meegemaakt. Daarvan was alleen het voorspel interessant, namelijk de manier waarop Chirac het klaarspeelde om zijn partijgenoot Edouard Balladur uit te schakelen. Daarna was het een gelopen race. Jospin was in de strijd gekomen doordat ex-Europese Commissie baas Jacques Delors van zijn kandidatuur afzag. Voor mij was Jospin op dat moment een volslagen onbekende figuur. Hij scheen minister van Onderwijs geweest te zijn en was op dat moment eerste secretaris van de Parti Socialiste. In 2002 was het diezelfde Jospin die opnieuw in het strijdperk trad tegen diezelfde Jacques Chirac. Inmiddels was Jospin vijf jaar premier geweest onder de rechtse Chirac en had op zeer kundige wijze onder lastige omstandigheden een progressief beleid neergezet. Dat leek dus ook een gelopen race te gaan worden. Ware het niet dat alle linkse splinterpartijtjes zonodig met hun eigen presidentskandidaat moesten komen en op die manier Jospin beroofden van de nodige stemmen om in de tweede ronde te komen. In plaats van hem mocht Jean-Marie LePen het tegen Chirac opnemen. Dat is een zodanig traumatische ervaring geweest dat het welhaast onmogelijk is dat zo’n drama zich de komende tijd zal herhalen. In 2007 waren de socialisten zo dom om Ségolène Royale als hun kandidaat te kiezen. Als ze toen Dominique Strauss-Kahn hadden gekozen, had die de strijd van Sarkozy gewonnen en had hij bovendien niet in een New-Yorks hotel de strapatsen uit kunnen halen die hem later noodlottig zijn geworden. Een typische win-win situatie dus. Bovendien was zijn vrouw, Anne Sinclair, een veel leukere first lady geweest als die muis van een Bruni. Dit laatste heeft niets met sexisme te maken. Anne Sinclair heeft gewoon duizend keer meer te melden dan Carla Bruni.
Conclusie: er viel dus weinig te lachen, die afgelopen drie keer. Dat was in 1988 wel anders toen François Mitterand de vloer aanveegde met Chirac. Maar nu wordt het allemaal nog veel leuker. Na bijna vijf jaar ergernis over president Sarkozy, kan ik nu eindelijk om hem lachen. Waarom? Omdat hij vanaf mei geen president meer is, dat zelf ook heel goed weet, maar voortdurend de schijn ophoudt dat hij gelooft, nee weet, dat de Fransen hem opnieuw tot hun leider gaan uitverkiezen. Met die wetenschap wordt alles wat Sarko doet en zegt ontzettend komisch. Kon ik mij tot voor kort mateloos opwinden over de manier waarop hij ons toespreekt als een klasje debiele kleuters, nu lig ik dubbel van het lachen om deze fantastische persiflage van zichzelf. Hij is even leuk als Groucho Marx, op wie hij trouwens ook heel veel lijkt: een klein gewichtig doenerig mannetje dat veel te grote stappen neemt. Dit laatste mag ook in figuurlijke zin begrepen worden: hij loopt voortdurend een veel te grote broek op te houden. Nee, voor mij kunnen ze niet meer stuk, die komende 93 dagen, wetend dat Sarko zijn publieke optredens de komende tijd gaat verveelvoudigen. Dat wordt genieten. Dat is iedere avond Laurel en Hardy plus de Marx brothers. O, of het resultaat van die verkiezingen er voor mij nog toe doet? Ja jeetje, daar vraag je me wat. François Hollande, de kandidaat van de Parti Socialiste gaat het dus worden. Dat is iemand waar ik niet warm of koud van word. Hij heeft niet de daadkracht en de helderheid van een Lionel Jospin, maar het zal met hem ongetwijfeld een stuk beter gaan dan met Sarko. De grote vraag is alleen tegen wie hij het in de tweede ronde moet opnemen. Ik gooi er nu een gewaagde prognose tegenaan: dat wordt de zelfverklaarde centrum-kandidaat François Bayrou. Sarko blijft in de eerste ronde steken op ongeveer hetzelfde percentage als Marine LePen, die de extreem rechtse boodschap beter weet uit te dragen dan haar vader. Daar wordt ik daarentegen helemaal niet vrolijk van.

P.S.: Ik had het fout. Sarko kwam toch in de tweede ronde. En als die geen twee maar drie weken had geduurd, had hij waarschijnlijk nog gewonnen ook.

 

Parijs

Tien maanden geleden bracht ik mijn zoon naar een bejaardentehuis. Daar heb ik toen op mijn blog nog een verhaaltje over geschreven. Vorige week heb ik hem geholpen naar Parijs te verhuizen, een passender bestemming voor een twintiger. Hoewel hij het in zijn bejaardenflat in Amsterdam-noord prima naar zijn zin had en dat moet Parijs nog maar waarmaken. Wie zich met zekerheid uitstekend vermaakte in Parijs was zijn vader, ik dus. Zoals wel meer voorkwam in mijn generatie was ik al idolaat van Parijs zonder er ooit een voet gezet te hebben. Vanaf mijn twaalfde las ik alle Maigrets waar ik de hand op kon leggen en wapende me bij lezing met de plattegrond van Parijs om er toch maar vooral zeker van te zijn dat ik de plaatsen van handeling juist kon lokaliseren. Voor de bijbehorende beelden moest Simenon zelf zorgen, maar ik betwijfel of die, zoals ik ze voor me zag, veel relatie hadden met de Parijse realiteit: Amsterdam was de enige grote stad die ik wel eens van nabij had gezien. In latere jaren werd mijn beeld van Parijs langzamerhand ingevuld door de films die ik zag. Na het zien van A bout de souffle op mijn veertiende was ik een onvoorwaardelijke fan van Jean-Luc Godard, dus ik denk dat ik vooral het Parijs van Godard voor ogen had. Naar die stad moest ik toe, zoveel was wel zeker. Daar was het echte leven. Afgezien van het schooluitstapje naar Baarle-Hertog was ik nog nooit buiten de landsgrenzen geweest toen zich tijdens mijn derde studiejaar in Amsterdam de gelegenheid voordeed om met de vriend van een goede vriend naar Parijs mee te rijden. Voor onderkomen was ook gezorgd: het huis van de moeder van de vriendin van een vriend van deze twee vrienden. Mijn toenmalige geliefde en ik helemaal uitgelaten, want ook zij was behept met deze liefde voor alles wat met Frankrijk en in het bijzonder Parijs te maken had. Ondanks het feit dat wij tijdens dat Paasweekeind in Parijs ernstig ruzie kregen met onze chauffeur (dat was die vriend van die goede vriend) die dreigde zonder ons naar Nederland te vertrekken en dat de olietanker Torrey Canyon op de klippen was gelopen en zijn zwarte smurrie over de Bretonse kusten uitstortte, waren de drie dagen Parijs een groot succes. Ik had drie dagen lang het gevoel in mijn favoriete film rond te lopen. Sindsdien kan Parijs bij mij niet meer kapot. Wat ik er vooral aan heb overgehouden is de geur: sindsdien weet ik hoe Parijs ruikt. En dat maakt ook een film die zich in Parijs afspeelt tot een andere ervaring. Sindsdien had ik niet alleen de beelden en het geluid, maar ook de geur. En zo kon ik vorige week, toen ik met mijn zoon in zijn nieuwe onderkomen was aangekomen, constateren: ‘Je bent nu echt in Parijs’. Hij keek me verbaasd aan en ik legde hem uit dat het die specifieke geur in een Parijs’ appartement was die mij vijfenveertig jaar geleden was opgevallen en mij altijd is bijgebleven. En opeens had ik weer dezelfde behoefte als toen om Parijs te ontdekken en er niet alleen maar, zoals de afgelopen twintig jaar, op doorreis te zijn, of  voor die ene expositie. Nee, gewoon doelloos door Parijs dwalen. En zo ben ik drie dagen lang te voet, per bus, tram of, als het echt niet anders kon, per metro kris-kras door die stad gezworven. En echt, Parijs is daar nog steeds een ideale stad voor.

Sisyphus in de Bourgogne

2011 is geloof ik het jaar van alle records. Op het moment dat ik dit schrijf – 28 december om 15.40 uur – schijnt de zon op mijn kruin en wijst de thermometer buiten 11° in de schaduw aan. In andere jaren lag er vaak op dit tijdstip een bevroren meer voor ons en maakten wij wandelingen in het besneeuwde landschap om ons heen. Niets van dat alles. Bovendien kan ik nog een record toevoegen aan het lijstje dat we dagelijks in de media gepresenteerd krijgen. 2011 was het record bladerenopruimjaar. Ik heb nog nooit zoveel uren aan het opruimen van dode bladeren besteed als dit jaar. Tegen tien november had ik de tuin keurig schoongeharkt. Dat moest ook wel want de elfde zouden we naar Nederland vertrekken en ik zou pas na een maand weer terugkomen en net zo min als ik bij thuiskomst de vuile afwas op de aanrecht wilde aantreffen, wilde ik de tuin vol met bruine massa zien in verschillende stadia van ontbinding. Dat werd dus een race tegen de klok, maar het lukte: de dag voor vertrek keek ik tegen een opgeruimde tuin aan. Nou hingen er op dat moment nog wel wat bladeren aan de platanen maar met een beetje goede wil – dat wil zeggen noordenwind – zouden die allemaal het meer in geblazen worden en niet naar mijn tuin. Dat viel helaas een beetje tegen. Het had in mijn afwezigheid stevig gewaaid en natuurlijk niet alleen maar in de goede richting. Ik wist dus wat mij bij thuiskomst te doen stond. Welgemoed ging ik met hark en kruiwagen in de weer totdat het in de directe omgeving van het huis weer een beetje bladervrij was. Omdat er nergens meer een blad aan een boom hing, wist ik dat dit onvermijdelijk de laatste harkronde was. Dat maakte het wat minder erg, want niets is meer frustrerend dan dag na dag, week na week dode bladeren vanaf exact dezelfde plekken te moeten wegharken. En toen kwam half december die najaarsstorm die op zich alweer een record was. Hij heette Joachim en kwam met de maximaal toegestane snelheid op de tolwegen over dit deel van Frankrijk razen. Dankzij Joachim lag het overal waar ik het zo zorgvuldig had schoongeharkt nu weer vol bladeren en bovendien met afgerukte takken en dennenappels. Ik heb even overwogen mij gewonnen te geven (dat zou dan misschien geen record geweest zijn, maar wel een mijlpaal: 2011, Ton staakt de strijd tegen de gevolgen van natuurgeweld), maar verhalen indachtig van mensen die het afleggen tegen de natuur met de daaropvolgende onvermijdelijke verloedering ten gevolge, besloot ik de hark aan zijn winterslaap te ontrukken en als een volleerd nakomeling van Sisyphus opnieuw het onwillig gebladerte in het gareel te brengen. Dat levert dan weer een nieuw record op: op 31 december 2011 zal Ton er – in tegenstelling tot andere jaren en ondanks zijn niet te evenaren volharding – niet in zijn geslaagd zijn tuin bladervrij te krijgen.

Fluiten in het donker

Er zijn vele manieren om een stad te leren kennen. Maar de manier waarop ik afgelopen zaterdag de wijk Kattenbroek in Amersfoort heb ontdekt, was voor mij geheel nieuw. Ik hou ervan een voor mij onbekende stad te verkennen zonder een vooropgezet plan. Op goed geluk proberen de structuur te ontdekken door vanuit een centrale plek steeds grotere bewegingen naar buiten te maken en – als dat veelbelovend lijkt – dwarsverbindingen te leggen tussen de aldus gevormde vingers. Zo heb ik mij veel grote steden in Europa eigen gemaakt. Dat zal ook de reden zijn dat ik mij grote steden in Afrika veel minder gemakkelijk kon ontdekken omdat daar voor de gemiddelde Europeaan de auto het geëigende vervoermiddel is. En een auto gaat te snel. Op hetzelfde moment dat je denkt te weten waar je bent, ben je alweer ergens anders en daar raak je vooral gedesoriënteerd van. Zo voelde ik me in Ouagadougou pas echt thuis toen ik de auto in de garage liet staan en de stad op mijn wrakke lokaal gefabriceerde Peugeot-fiets doorkruiste. Maar zoals gezegd, Kattenbroek heb ik op geheel andere wijze ontdekt. Niet dat ik het allemaal zo goed heb kunnen zien. Het was namelijk al wat later op de avond. Bovendien was het helemaal niet mijn bedoeling om die wijk te ontdekken, maar al kriskras rondfietsend merkte ik dat er veel bezienswaardigs om mij heen was. Moorse villa’s, Gaudi-achtige bouwsels, huizen die mij aan ontwerpen van Oscar Niemeyer deden denken. Kortom, ik waande mij eerder in een exotisch oord dan in Amersfoort. Zoals gezegd heb ik het allemaal niet erg goed kunnen zien. Behalve dat het donker was, was ik daar niet om architectonische kunstwerken te bezichtigen. Ik was namelijk op zoek naar onze hond. Hij heet Mapenzi en hij was een avondje logeren bij vrienden terwijl wij een gezellig etentje bij familie hadden. We hadden het toetje net op en hadden ja gezegd op de vraag of wij koffie wilden, toen er gebeld werd door Mapenzi’s gastvrouw met de mededeling dat hij een half uur eerder tijdens de avondwandeling de benen had genomen. Als ergens het scheetsgewijs van Vestdijk op van toepassing kan zijn, dan is het wel op ons vertrek tussen dessert en koffie richting het verdwijnpunt van Mapenzi. Na anderhalf uur fluitend en roepend rondfietsen door woonwijken en groenvoorzieningen, werden wij aangesproken door een stel dat hun hondje aan het uitlaten was. Zochten wij misschien een hond? Ja dus. Was het een zwarte hond? Ja dus. Dan was het goed mogelijk dat hij bij een vriendin voor de kachel lag. Die had hun namelijk net meegedeeld dat er een vreemde zwarte hond was komen binnenwandelen. Ze zou haar wel even bellen (zelden heb ik zozeer het nut van mobieltjes ingezien als gedurende deze zoektocht: we hadden ons in drie equipes opgesplitst die onderling telefonisch contact hielden). Ja, hij was er nog en ja, hij had een rode halsband. Bovendien was hij heel lief. Geen twijfel mogelijk, riep ik uit, dan is het Mapenzi. Zijn naam is namelijk het Swahili-woord voor liefde. Knappe hond die met zo’n naam iedereen weggromt. Wij dus Mapenzi ophalen op zijn nieuwe maar onbedoelde logeeradres. En wat bleek? Al die tijd dat wij roepend en fluitend door de wijk fietsten, lag Mapenzi vorstelijk op een kleedje bij het gastgezin zich de liefkozingen van de jongste dochter te laten welgevallen. Eten had hij ook al gehad en kon hij eigenlijk niet blijven? Zo’n lieve hond wilden ze er wel bij hebben.
Ik heb later Mapenzi vermanend toegesproken. Niet omdat hij was weggelopen, want welke reden hij daarvoor ook gehad heeft, die zal ongetwijfeld vanuit de hondenpsychologie te rechtvaardigen zijn. Maar dat hij zich zo schaamteloos inlikt bij een stel vreemden en daar gaat liggen doen alsof hij thuis is terwijl wij ons de longen uit ons lijf roepen en kilometers door exotische oorden fietsen, nee, dat is zijn naam onwaardig.

Negentig seconden

Wel eens geprobeerd veertig jaar eigen levensgeschiedenis in pakweg negentig seconden samen te vatten ? Het is een interessant experiment, maar toen het zover was, heb ik het toch maar niet uitgevoerd. De gelegenheid was de ontmoeting met een vriend van veertig jaar geleden. We kwamen destijds bij elkaar over de vloer, hadden gemeenschappelijke vrienden en waren allebei min (ik) of meer (hij) actief in de linkse studentenbeweging. Door omstandigheden die zeker niet binnen die negentig seconden passen, zijn we elkaar uit het oog verloren. Totdat ik in het alumniblad van mijn oude universiteit de aankondiging zag van zijn oratie wegens het aanvaarden van een bijzonder hoogleraarschap. Natuurlijk had ik niet anders van hem verwacht en bekroop mij even – heel even maar! – het gevoel dat ik ook wel in het universiteitsblad had willen staan wegens mijn aanstaande oratie, maar dan had ik toch eerst even moeten promoveren en god mag weten hoe lang universitair docent moeten zijn en ik weet nog steeds niet of ik dat er voor over zou hebben gehad vooropgesteld dat mijn intellectuele capaciteiten mij daartoe in staat zouden hebben gesteld. Ik denk wel dat ik dan met die negentig seconden had uitgekund. Dat lijkt mij een leven als ‘un long fleuve tranquille’ zoals ze dat bij ons in Frankrijk zeggen. Daar heb je het al. Als je als wetenschapper geëmigreerd bent, dan hoef je daar weinig woorden aan vuil te maken. Dan is dat gewoon omdat het wetenschappelijke klimaat op jouw vakgebied in land X interessanter is, meer uitdagingen biedt of iets dergelijks. Als ik moet uitleggen waarom ík naar Frankrijk ben verhuisd, dan moet ik zo ongeveer op de canapé van de psychoanalist. Afijn, geen ‘long fleuve tranquille’ voor mij dus. Bijna iedere keer dat ik van baan veranderde – en dat is nogal eens voorgekomen – veranderde ik ook van beroep. Dus bij het voorlezen van mijn cv in beknopte vorm, schiet ik al dik over die negentig seconden heen, laat staan wat er gebeurt als ik ga uitleggen waarom ik steeds weer van werk veranderde. En nu we het toch over Frankrijk hebben, door die hooggeleerde vriend van mij heb ik eindelijk begrepen waarom het Franse werkloosheidspercentage zo achterlijk hoog is vergeleken met het Nederlandse. Dat komt doordat Nederlanders de beschikbare arbeidsplaatsen zo verdeeld hebben dat bijna iedereen in deeltijd werkt. Maar aangezien je banen niet tot in het oneindige kunt blijven opsplitsen zal de rek er binnenkort wel uitraken en zal blijken dat Nederland toch weer niet zo bijzonder is. Waar ik ook even van zat te kijken tijdens die oratie was het gegeven dat 45% van de Nederlandse jongeren onderwijs combineren met een baan. Van de andere Europese landen bakt alleen Denemarken het zo bruin. Dat kan namelijk niet anders betekenen dan dat het onderwijs zo weinig voorstelt dat je er gemakkelijk een baantje naast kunt hebben, of dat de studiefinanciering zo slecht is geregeld dat – als je ouders niet over ongelimiteerde middelen beschikken – je er wel een baantje bij moet hebben. Vergelijk dat eens met Frankrijk waar slechts 8% studie met werk combineert. Tot zover wat bij mij is blijven hangen uit het betoog van mijn hooggeleerde vriend. En terug naar die negentig seconden waarin ik mijn levensverhaal moet vertellen. Want waarom zou ik dat eigenlijk willen? Dat is heel simpel dat is de geschatte tijd tussen het moment dat ik de kersverse professor de hand schud en hij mij vraagt ‘Goh Ton, wat een verrassing. Wat heb jij in de tussentijd gedaan?’, en het moment dat de wachtenden achter mij, gewapend met bos bloemen en fraai ingepakte fles wijn, hun geduld beginnen te verliezen en mij zacht doch dwingend verder duwen.

Michel en Arnaud

Gisteren was ik op een bijeenkomst met de toekomstige president van Frankrijk.
Er is een kans dat deze uitspraak bewaarheid wordt. In welk geval ik er heel veel spijt van zal hebben dat ik hem niet even de hand heb geschud. Ik was jarenlang nogal sceptisch over Arnaud Montebourg – want dat is de man waar het om gaat – en dat lag vooral aan zijn kwajongensachtige flair die ik niet helemaal vond passen bij een serieus politicus. Maar langzamerhand ben ik ervan overtuigd geraakt dat je best in de politiek kunt staan alsof je de hoofdpersoon van een spannend jongensboek bent én tegelijkertijd op een serieuze en gewetensvolle wijze politiek kunt bedrijven. En Montebourg lijkt die twee dingen met elkaar te verenigen. Hij is diegene die al zeker tien jaar lang consequent roet in het socialistische feestje gooit uit naam van hogere principes dan partijdiscipline of politieke opportuniteit. Zo was hij degene die al tijdens het presidentsschap van Chirac probeerde hem een proces aan te doen. En zo heeft hij onlangs geprobeerd de socialistische baron van Marseille wegens corruptie als lid van de Parti Socialiste te laten royeren. Misschien is dat de enige overeenkomst tussen Montebourg en Sarkozy: waar hij is, gebeurt altijd wel iets. Bij de gedoodverfde socialistische presidentskandidaat François Hollande is het eerder het tegendeel: voordat hij zijn mond opendoet ben je al in slaap gevallen. Veel Fransen schijnen daar op het ogenblik behoefte aan te hebben: Sarko heeft ze al te lang uit hun slaap gehouden.
Dat ik gisteren bij Montebourg was, kwam door het feit dat twee dorpen verderop de lokale restauranthouder een evenement had georganiseerd waarin de filosoof Michel Onfray een hofdrol speelde. Onfray is een rijzende ster aan het Franse filosofenfirmament. En hoewel ik nog nooit een boek van hem gelezen heb, acht ik hem hoog omdat hij voor twee dingen op de bres staat die mij zeer dierbaar zijn, te weten het atheïsme en het anarchisme of, zo men wil, het libertair socialisme. Gisterochtend zou Onfray een lezing houden over Albert Camus en ’s middags zou hij samen met voornoemde Montebourg op het podium zitten. Met Camus heb ik ook iets, dus dat was drie vliegen in één klap. Wat ik niet wist, is dat het evenement in een grote tent zou plaatsvinden en dat het die dag vervloekte koud zou zijn. De lezing begon om klokke tien – Fransen zijn heel stipt – en zou tot twaalf uur duren. Hoewel ik om elf uur al aan onderkoelingsverschijnselen begon te lijden, ben ik blijven zitten en nee, er was geen koffiepauze. Om twaalf uur sloeg de kerktoren, maar Onfray wist van geen ophouden. En ik geloof niet dat ik het ooit eerder in mijn leven voor elkaar heb gekregen om twee-en-een-half uur lang gebiologeerd aan iemands lippen te hangen. Hij stelde zich ten doel de legende Camus te demonteren, een legende die volgens hem vooral gecreëerd is door Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir en waarin Camus de kwaaie pier is en Sartre en De Beauvoir de echte helden. En passant werd het demonische tweetal effectief neergesabeld (Sartre? Die heeft nooit ergens iets van begrepen. Hij was altijd en overal te laat. De Beauvoir? Als ze drie dingen beweerde, wist je zeker dat er twee niet klopten), de Nietzscheaanse wortels van Camus’ denken blootgelegd en nog veel meer. Versteend en tevreden verliet ik de tent.
Een paar uur later keerde ik terug, maar nu met dikke sokken en bergschoenen, om Arnaud Montebourg te horen. Hij werd door Michel Onfray ingeleid, waarvan ik al wist dat, als die het voor het zeggen had, hij de volgende president van Frankrijk wordt. Als nu Onfray op die 45 miljoen kiesgerechtigden evenveel invloed heeft als op mij met z’n verhaal over Camus, dan is de wedstrijd al gelopen. Daar hoop ik dus maar op, zodat ik niet vanavond al de eerste regel van deze column hoef te veranderen.

PS: Montebourg heeft met ruim 17% van de stemmen een mooie derde plaats bereikt. Dus geen presidentskandidaat in 2012. Maar waarom niet in 2017 of 2022?

Nachtzon

Een week geleden overleed Cora Vaucaire. Dat las ik in de krant. De naam deed mij niet direct een lichtje branden. Normaal laat ik de necrologieën  van mij onbekenden links liggen, maar deze keer las ik hem in zijn geheel. Cora Vaucaire bleek een zangeres van de generatie Juliette Gréco en Barbara te zijn. Haar bijnaam was La dame blanche de Saint-Germain-des-Prés. Ze kleedde zich geheel in het wit omdat ze zich niet kon vinden in de toen heersende trend om in het zwart gekleed te gaan. Gisteren hoorde ik haar op de radio. Ze zong mooi. De presentator vertelde dat ze veel teksten van Prévert gezongen had. Dan moet ik haar kennen, realiseer ik mij en ga wat rommelen in mijn Cd-collectie tot ik te voorschijn kom met een dubbel-cd met teksten van Jacques Prévert gezongen door verschillende artiesten, waaronder natuurlijk de onvermijdelijke Yves Montand en Juliette Gréco, en Prévert zelf. Even zoeken en ja hoor daar staat Cora Vaucaire met Les feuilles mortes. Laat dat nu mijn lievelingschanson zijn. Waar ik ook ben, als ik een verzoeknummer kan laten spelen door een straatmuzikant of een barpianist, dan vraag ik altijd om Les feuilles mortes. Of Autumn Leaves als ik in een Engelstalig land ben. Oorspronkelijk werd het lied gezongen door Yves Montand in de film Les portes de la nuit, uiteraard een van mijn favoriete films. Vervolgens lees ik in het boekje bij de Cd’s dat de tekst van Les feuilles mortes verschenen is een postume dichtbundel van Prévert getiteld Soleil de nuit. Nu moet ik even slikken.
Tien jaar geleden besloot ik een zeilboot te gaan kopen. Het moest een zeewaardig bootje worden, want ik wilde de zee op. Een merkwaardige wens voor iemand die op zes uur rijden van zowel de Atlantische Oceaan als de Middellandse Zee woont, maar daar zal ik het niet over hebben. Het bootje werd gezocht en gevonden. Het enige wat er niet aan deugde, was de naam. Die bestond uit een grapje dat alleen door de toenmalige eigenaar en diens zoon te begrijpen was. Mijn bootje moest dus een nieuwe naam krijgen. Nu heb ik altijd begrepen dat het veranderen van de naam van een boot zoveel betekent als het afroepen van onheil. Daar had ik dus een probleem. Ik had wel eens een kano gehad en die hadden we Het Verstand Van Poeh genoemd, dus lag het voor de hand dat mijn nieuwe bootje Het Verstand II zou gaan heten, maar ik zag daar niets anders dan ellende van komen. Nu hoorde bij de boot een soort kentekenbewijs waarin ik alle namen kon terugvinden die het bootje in de voorafgaande twintig jaar had gehad (blijkbaar waren de vorige eigenaren niet zo bijgelovig als ik). Zo had hij Sertão geheten. Persoonlijk heb ik niets met het noordoosten van Brazilië, dus die naam viel af. Maar zijn allereerste naam was Soleil de nuit. Dat was het! Daarmee sloeg ik twee vliegen in één klap: door terug te keren naar de oorspronkelijke naam zou ik alle verzamelde doemen veroorzaakt door de successievelijke naamswijzigingen ongedaan maken en bovendien had ik er een mooie poëtische naam mee. En inderdaad, de goden zijn met mij geweest. Maar dat ik al die tien jaar niet heb geweten dat het de naam is van de dichtbundel waarin mijn favoriete chanson staat! Ik heb afgelopen week vier dagen heerlijk gezeild, maar ik weet zeker dat ik de volgende keer noch lekkerder zal zeilen. Met dank aan Cora Vaucaire en Jacques Prévert.

Alleen de titel al!

Ik ben geen groot liefhebber van autobiografieën. Ik lees graag echte schrijvers en daarmee valt negentig procent van de autobiografieën al af. Maar zelfs met autobiografieën van heuse romanschrijvers haal ik vaak de eindstreep niet. Met Simone de Beauvoir ben ik heel ver gekomen. Die had er echt een levenswerk van gemaakt: vier dikke pillen. In het laatste deel (Alles welbeschouwd/ Tout compte fait –alleen de titel al!) ben ik op een derde blijven steken: te veel feitjes, te veel namen, te weinig verhaal. Doris Lessing heeft gelukkig nog maar twee delen autobiografie geschreven. Ik heb ze allebei uitgelezen, maar ik vond het lezen ervan vooral leuk als het parallel aan de Martha Quest cyclus liep. Hetzelfde had ik bij het lezen van de autobiografie van Gabriel García Marquez. Zolang ik er Honderd jaar eenzaamheid in herkende, vond ik het leuk. Daarna werd het vooral een eindeloze reeks van namen van mensen die ongetwijfeld veel voor hem hebben betekend, maar die mij niets zeggen en die in zijn verhaal niet tot leven kwamen. Dus het was met enige aarzeling dat ik aan de autobiografie van de door mij zeer bewonderde Philip Roth begon. Waarom zouden romanschrijvers zich überhaupt aan een autobiografie wagen? Ze hebben toch alle mogelijkheden om zich in non-fictie uit te drukken? Een politicus, een generaal, een ontdekkingsreiziger, een commissaris van politie, een acteur, een prostituee of een crimineel, allemaal okay, maar waarom van alle mensen een romanschrijver? Maar omdat ik op enig moment alle boeken van Roth gelezen wil hebben en omdat ik het boek bij toeval bij De Slegte tegenkwam, ben ik toch maar aan The facts (alleen de titel al!) begonnen. Afgezien van de proloog – een brief van Roth aan zijn alter ego Nathan Zuckerman – gaat het om een klassieke autobiografie. Dus ergens op driekwart van het verhaal duiken de namen van tijdschriften en uitgevers op en begin ik te kijken hoeveel bladzijden ik nog verder moet. Het blijft tot het eind redelijk onderhoudend, maar dat is toch niet wat ik van een schrijver als Roth verwacht. Ik neem mij voor geen autobiografieën van schrijvers meer te lezen. Als ik met een zucht het einde bereik, zie ik dat er nog een lel van een epiloog achter zit in de vorm van een brief van alweer dezelfde Nathan Zuckerman aan zijn schepper (‘Dear Roth’). Zuckerman veegt de vloer aan met Roth’s memoires: ‘I cannot trust you as a memoirist the way I trust you as a novelist because … to tell what you tell best is forbidden to you here by a decorous, citizenly, filial conscience. With this book you’ve tied your hands behind your back and tried to write it with your toes.’ Ik realiseer me dat, wat Zuckerman/Roth hier zegt precies de reden is waarom die andere autobiografieën vroeger of later niet te pruimen worden: er gaan andere loyaliteiten meespelen dan die van de schrijver aan zichzelf. ‘(O)bviously it’s just as impossible to be proper and modest and well behaved and be a revealing autobiographer as it is to be all that and a good novelist.’ Je kunt niet tegelijk aardig, beleefd, fatsoenlijk zijn en ook nog een verantwoordelijk mens, en daar bovenop een goed schrijver. Ik geloof dat het W.F. Hermans was die dat formuleerde als ‘Je schrijft of je hebt vrienden.’
Met deze meedogenloze kritiek van Zuckerman wordt Roth’s autobiografie opeens een schitterend boek, een van de mooiste Roth’s die ik heb gelezen. Maar daar laat hij het niet bij. Vervolgens laat Zuckerman zijn vrouw Maria aan het woord die het niet meer pikt dat Roth hun leven beheerst. Zuckerman deelt de wanhoop van zijn vrouw, die zou willen dat ze zouden kunnen leven als die personages ‘whose authors naïvely maintain that at a certain point the characters “take over” and do the storytelling themselves on their own initiative.’ Maar nee, Roth laat ze niet rustig hun eigen gang gaan. ‘Oh, Christ, here he goes again – he’s going to fuck us up.’ Ik bereik deze keer buiten adem de eindstreep, maar in een P.S. laat Roth Zuckerman nog een laatste salto mortale maken: ‘Having argued thoroughly against my extinction in some eight thousand carefully chosen words, I seem only to have guaranteed myself a new round of real agony!’ Wat De Beauvoir niet lukte met die vier dikke pillen, wat García Marquez niet bereikte met 570 pagina’s, wat Lessing niet teweegbracht met 800 bladzijden, lukt Roth met nog geen 200 pagina’s: ik lig uitgewrongen in de touwen.

P.S.: Nu Roth er niet meer is, bedenk ik me dat dit stukje ook had kunnen heten: Waarom Philip Roth de Nobelprijs voor literatuur had moeten krijgen.

De ondergang van het avondland

‘Moeilijke tijden baas.’ Als ik het me goed herinner waren dat de woorden waarmee de droevig uitgezakte hond van Willie Wortel zijn geniale meester toesprak. Dat sprak me destijds erg aan. Op latere leeftijd ontdekte ik Winnie-The-Pooh – in het Engels, zodat ik mij de Nederlandse versie van de namen uit Milne’s meesterwerk nooit eigen heb gemaakt – en voelde ik een onmiddellijke en diepe verbondenheid met Eeyore, de altijd zo treurige ezel. Kon ik maar als hij zijn, dacht ik vaak, en ongestraft mijn zwartgallige visie op de mij omringende wereld uitdragen. In mijn favoriete muziek was het, zo niet noodzakelijk dan toch op zijn minst goed gebruik om regelmatig sad and blue te zijn. En dan had je ook nog van die prachtige films waarin acteurs als James Dean, Anthony Perkins en zelfs Paul Newman van die geweldige losers konden zijn. Dus toen ik zo’n jaar of achttien was had ik mijn wereldbeeld wel ongeveer compleet: down and out, voor minder zou ik het niet doen. Ik kom daarop omdat een gesprekspartner tijdens een geanimeerde tafeldiscussie de Eurocrisis, Fukushima, het bloedig neerslaan van de volksbeweging in Syrië, het dalende geboortecijfer in Europa, de windhoos die over het Pukkelpop festival raasde en nog een paar heftige zaken die ik nu even vergeten ben, samenveegde in de constatering dat er iets helemaal fout aan het gaan is in de wereld. Mijn gloomy roots indachtig had ik dat natuurlijk met een meewarige blik moeten onderschrijven. Maar nee, ik begon meteen te roepen dat dat natuurlijk nergens op sloeg, dat er geen enkel verband bestaat tussen natuurverschijnselen en economische crises en dat de ontwikkelingen in de Arabische wereld toch vooral positief beoordeeld moeten worden. Opeens nam met kracht een overlevingsinstinct bezit van mij. Ik wilde helemaal niet deel uitmaken van een cultuur die zijn langste tijd gehad heeft. Spenglers Untergang des Abendlandes kon mij gestolen worden. Wij kunnen nog een hele tijd mee. Er zit genoeg vitaliteit in deze ‘oude wereld’. Maar wat krijgen we nu? Identificeer ik me opeens met iets waarmee ik me nooit heb willen identificeren? Het rijke westen dat eeuwenlang hele continenten heeft uitgebuit, is dat waar ik uiteindelijk op terugval als de wereld onoverzichtelijk en onbegrijpelijk wordt? God behoede me! Eindelijk kan dat deel van de wereld dat sinds de kruistochten tot perifeer werd gemaakt onze leidende rol over gaan nemen en dan ga ik roepen dat het zo’n vaart niet zal (lees: mag) lopen en dat we het nog best een tijdje kunnen (lees: moeten) uithouden, terwijl ik eigenlijk zou moeten staan juichen om een ontwikkeling die ons een beetje op onze plaats zet. Ik probeer mij voor te stellen wat mijn vroegere helden, de hond van Willie Wortel en Eeyore van dit alles vinden. Voor Eeyore is het duidelijk: ‘Even at the very bottom of the river I didn’t stop to say to myself, “Is this a Hearty Joke, or is it the Merest Accident?” I just floated to the surface, and said to myself, “It’s wet.” If you know what I mean.’ Wat schieten we er mee op met ons af te vragen hoe we op de bodem van de rivier terecht zijn gekomen? Gewoon overleven en constateren dat het nat is. De rest is leuk voor later. Tja, ik weet het nog zo net niet. ‘Moeilijke tijden baas.’

Een goede reden om een film geen tweede keer te zien

Het is helemaal Blow-Up weer. Bomen vol in blad die onder een duister zwerk door de wind alle kanten opgeblazen worden. Dat geeft een geluid dat voor mij al sinds een jaar of vijfenveertig het typische Blow-Up geluid is.
Er zijn van die films die je voor eeuwig bijblijven door één détail, één situatie. Bij mij is Blow-Up van Antonioni blijven hangen door die onbestemde beelden geschoten in een verlaten park waar de wind door de bomen raast en dat heel speciale geluid geeft dat, als ik het in het echt hoor, mij altijd weer aan die film doet herinneren. Of liever gezegd: aan dat ene beeld uit die film. Want van de film zelf herinner ik me niet veel meer. Die heb ik na 1967 ook nooit meer gezien. Om de een of andere onduidelijke reden zat hij nooit in een van die DVD-boxen met klassieke films die ik bij tientallen heb gekocht. Ik vraag me ernstig af of het zo niet beter is. Er is nu die ene onheilszwangere scène die in mijn geheugen gegrift staat en waardoor zwaaiende en ruisende bomen met donkere wolkenluchten voor mij een extra dimensie hebben gekregen.  Stel dat ik nu opnieuw de film zie en – ik zeg maar wat – hevig geïrriteerd raak door het gedateerde beeld van Londen in de jaren zestig.  Of dat de film als modieus en gemaniëreerd door de mand valt. Zou toch kunnen? Misschien moet ik dat risico maar niet lopen, want ik moet er niet aan denken dat die voor mij nu welhaast mythische scène dan verkruimelt. Dat zou zonde zijn. Dan zou een stukje van de betovering van de wereld verloren gaan. Nee, ik wil die scène graag behouden zoals hij nu vrijwel zonder context door mijn bewustzijn zwerft. Dus die DVD-box waar Blow-Up wel in zit, ga ik niet bestellen. Dat ben ik aan Antonioni en mijzelf verplicht.