Om verschillende redenen vind ik het leuk om vrienden te logeren te hebben. Een daarvan is dat ik dan mijn laatste indrukken over hoe het met Nederland gaat, kan toetsen aan de mening van ingewijden. Want dat ben ik natuurlijk al lang niet meer. Dat ben ik me jaren geleden pijnlijk bewust geworden toen de Europese grondwet door de lidstaten goedgekeurd moest worden. Dat er in Frankrijk een forse anti-Europa stemming heerste was mij maar al te bekend, maar Franse vrienden en kennissen bezwoer ik dat dat in Nederland heel anders lag, dat Nederland een verschrikkelijk pro-Europees land is en dat die grondwet er zonder problemen goedgekeurd zou worden. Ik ben toen even een paar weken undercover gegaan om het leedvermaak van mijn Franse vrienden te ontlopen.
De laatste tijd zit ik met een nieuw probleem waar het Nederland betreft. Nee, ik bedoel niet de kunstsubsidies of de coffeeshops, of welk onderwerp dan ook waar Nederland zijn toch al danig aangetaste reputatie in het buitenland verder mee afkalft. Het gaat mij om het verbazende nieuws dat Nederlandse vrouwen genoeg hebben van begrijpende en behulpzame mannen en liever gewoon een lekkere macho hebben, zo eentje die je ongegeneerd en plein public een klap op de billen geeft en die niet eerst bezorgd informeert of je er wel zin in hebt. Dat was wel nieuws voor me, of liever gezegd het was nieuws voor me dat dat nieuws is, want in mijn beleving hadden wij al ruim twintig jaar geleden afscheid genomen van de begripvolle man in pastelkleurig tuinpak die best wel een stuk gevoel in de relatie wilde brengen. Ik begrijp nu dat hij er nog steeds is, dat hij moeilijker aan de dijk gezet kon worden dan het vrouwelijk deel der natie had gewild. Stop! Hier klopt iets helemaal niet. Ik weet niet of de aandachtige lezer het in de gaten had, maar ik was bezig een stel generalisaties en stereotypen door elkaar te klutsen zoals dat gebruikelijk schijnt te zijn aan de stamtafel of – zoals ze hier zeggen – in Café du Commerce. Dat levert echter geen briljante inzichten in maatschappelijke ontwikkelingen op. Want waar gaat het om? In de media wordt vastgesteld dat de zachte man heeft afgedaan. Of hij nog bestaat en voor wie hij precies heeft afgedaan wordt niet erg duidelijk. Bij navraag blijkt dat de indruk bestaat dat in kringen van de grachtengordel je als man maar beter op een 1100 cc Kawasaki kunt voorrijden dan op een transportfiets. De ‘grachtengordel’ is een geweldige mystificatie, want daar woont bijna niemand. Het gaat uiteindelijk om die paar duizend mensen die in de cafés en restaurants komen waar je gezien wilt worden, in Amsterdam wel te verstaan, want laten we wel wezen: buiten Amsterdam is het de woestijn, daar ben je hooguit omdat je er moet zijn, en zeker niet voor je lol. Maar ik dwaal af. Dat handjevol mensen dat de Nederlandse media bevolkt, vindt dus dat mannen ballen moeten hebben, en dat niet alleen, ze vinden ook dat vrouwen ballen moeten hebben. Er is zo mogelijk nog een grotere bewondering voor vrouwen met ballen dan voor mannen met ballen. Wij hebben hier in Frankrijk twee vrouwen met geweldige ballen: Marine Le Pen en Christine Lagarde. Ik zou er niets op tegen hebben als Nederland ze van ons overneemt. De eerste dan, want Christine Lagarde is toch al vertrokken naar Washington.
Wat is dat toch, die bewondering voor mensen met ballen? Ik ben bang dat het iets te maken heeft met de recente trend van verheerlijking van mensen die zeggen waar het op staat, die hardop zeggen wat anderen alleen maar durven te denken. Wilders quoi. Als je maar hard genoeg je eigen bekrompenheden rondbazuint, loop je een goede kans een held te worden. Een echte macho. Niet zo’n watje die zijn vrouw met thee op bed verwent. Het bed is ergens anders voor. Om gezellig met je vrouw naar een lekkere harde pornofilm te kijken. Maar laat ik uitkijken: straks blijk ik een nieuwe trend ontdekt te hebben.
Categorie archief: Non classé
Op reis
Ik was een week met vakantie. Als ik die zin opschrijf krijg ik net niet de slappe lach. Het is niet zo dat ik niét op vakantie was, maar om nou plompverloren te zeggen dat ik op vakantie was … Nee, laten we zeggen dat ik een week weg was. Niet voor werk, ook niet voor familiebezoek, maar gewoon omdat ik er zin in had om even weg te zijn. Niet dat ik het niet naar mijn zin had op de plek waar ik woon. Het is er mooi, het weer was prachtig, de buren zijn aardig, het is – zoals velen al hebben opgemerkt – een paradijsje bij ons. Dus waarom zou ik dan weg willen? Omdat het achter gindse heuvels nog mooier is? Flauwekul, ik weet wel beter. Maar ginds vallen er geen blauwe enveloppen in de brievenbus. Ik heb er niet eens een brievenbus. Ginds heb ik geen gedoe met pensioenverzekeraars die er maar niet in slagen een goede bestemming voor mijn lijfrentekapitaal te vinden. Er stapelen zich geen onbetaalde rekeningen op. Al die dingen die je het liefst voor je uitschuift, die bestaan ginds niet. Het stelt doorgaans allemaal niet zoveel voor, die akkefietjes die je het zicht op weidse verten benemen en als je ze afgehandeld hebt, ben je opgelucht en dat is een mooi gevoel. En toch. Ginds heb je die akkefietjes niet. Daarom gaan mensen op vakantie. Niet om de weidsheid van het landschap, de schoonheid van de natuur, de interessante cultuur, de rust, de mooie gebouwen. Nee hoor dat zijn alleen maar excuses om even verlost te zijn van de onvermijdelijkheid van het alledaagse, om even de illusie te hebben dat het allemaal anders kan. Daar doe ik dus enthousiast aan mee. Ook de gepensioneerde, voor wie het toch het hele jaar vakantie is, moet er zo af en toe even helemaal uit.
Daarginds las ik het laatste boek van Cees Nooteboom. Die heeft het goed voor elkaar, dacht ik. Zodra je er boeken over schrijft, heb je een prachtig excuus om weg te zijn. Dan ben je niet op vakantie, maar dan ben je op reis. En het doel van je reis is dan misschien geen conferentie of iets anders nuttigs klinkends, maar een boek. Vanaf heden ben ik nooit meer op vakantie. Als ik weg ben, ben ik gewoon bezig aan een boek.
Pinkstergebed
Ik heb vanochtend mijn Pinkstergebedje gedaan. Al maanden zit ik met Annie M. G. Schmidts prachtige ‘Op een mooie pinksterdag’ in mijn hoofd. Niet dat ik de hele tekst uit mijn hoofd ken, maar het
Morgen kan ze zwanger zijn
Kan ook nog vandaag
Kan van de behanger zijn
Van een Franse zanger zijn
Of iemand uit Den Haag
speelde al die tijd als een soort mantra in mijn hoofd. Soms hield ik het even niet meer en barstte in luid gezang uit. Vanochtend – op Eerste Pinksterdag – heb ik de volledige tekst opgezocht en hem zelfs op YouTube door Leen Jongewaard en André van den Heuvel horen zingen. Ik kan het nu wel bekennen: ik heb het Jongewaard destijds live horen zingen in het Amersfoortse Grand Theatre. Doorgaans bezocht ik dat voor films, maar deze keer was ik door mijn toenmalige schoonouders uitgenodigd om naar Annie M. G.’s musical te gaan kijken. Ik zou uit mezelf niet op het idee gekomen zijn. Ik ging vooral voor cultuur met een grote C. Maar ik ben er nog steeds blij om dat ik ‘Heerlijk duurt het langst’ (zo heette die musical) gezien heb. Daar was ook Conny Stuart die ons aanspoorde om vooral niet te zeuren. Van dat verheffende lied zijn er ook een paar regels die nooit meer uit mijn geheugen weg willen (over het knijpen van parkietjes bijvoorbeeld). Wat vooral intrigerend blijft, is waarom de toenmalige KRO-voorzitter en KVP-politicus Harry van Doorn de mooie pinksterdag niet op de radiogolven van zijn omroep wilde horen. Ik veronderstel dat hij er moeite mee had dat in het liedje de mogelijkheid werd geopperd dat ‘iemand uit Den Haag’ de door Jongewaard bezongen dochter zwanger zou kunnen maken. Want zou niet ‘iemand uit Den Haag’ een politicus kunnen zijn? En het was in die tijd (1967) wel bijzonder subversief om te denken dat een kamerlid een onschuldig meisje zou kunnen verleiden en zwanger maken. Van Doorn is al bijna twintig jaar niet meer onder ons, dus ik kan het hem niet meer vragen. Maar het blijft een leuk liedje. Alleen, ik vroeg mij af, behangers, bestaan die nog?
Pensiollatio
Gisteren was een vreugdevolle dag. Voor mij tenminste. Ik was er min of meer op voorbereid, maar toch kwam het als een schok, een aangename schok. Voor de eerste keer een pensioenbetaling op mijn rekening. Vroeger – ik zal maar zeggen toen ik nog motor reed – leek me pensioen typisch iets voor oude mensen dus per definitie niet voor mij. Dat ikzelf ook ouder zou worden en misschien wel de pensioengerechtigde leeftijd zou bereiken, was iets dat mijn bewustzijn weigerde te accepteren. Ik leefde in het hier en nu, en dat zou eeuwig zo blijven. Op dezelfde manier waarop je zeker weet dat je eerste nieuwe fiets altijd mooi zal blijven en dat je eerste verliefdheid ook eeuwig duurt. Ik ging daarin niet zover als mijn geliefde die haar pensioen afkocht want waar zou ze dat nou voor nodig kunnen hebben? Niet dat ik zoveel verstandiger was, maar ik was grondig geïmpregneerd met de gedachte dat vele generaties arbeiders gestreden hadden voor een menswaardige oude dag en dat ik die aldus verworven rechten eer moest aandoen. Daar beleef ik nu dus inderdaad plezier aan. Een plezier dat een beetje bedorven wordt doordat ik zowel door de Franse als de Nederlandse pers doodgegooid word met ouderen die blijven doorwerken, die helemaal geen pensionado willen zijn. Nou wil ik dat ook niet. Ik moet er niet aan denken om als gepensioneerde beschouwd te worden. Maar ik wil alleen maar werken met het idee dat het lekker niet meer hoeft en dat als ik het toch doe, ik dat alleen maar doe omdat ik het lollig vind. En ik wil me helemaal niet door Ciska Dresselhuys laten vertellen dat ik het aan mezelf verplicht ben om door te werken. Dat is een nieuw soort politieke correctheid waar ik helemaal niets mee heb. En nu ik het dan toch over politieke correctheid heb, het is me opgevallen dat die term een revival beleeft. Ik vond het typisch een kreet van een jaar of twintig geleden, maar ik kom hem weer steeds vaker tegen. Het erg vinden dat Dominique Strauss-Kahn als presidentskandidaat uitgeschakeld is, is niet politiek correct want we moeten eerst denken aan haar die het mogelijke slachtoffer van zijn niet-bewezen seksuele agressie is. Maar ik dacht er vooral aan dat Frankrijk een enorme kans mist om definitief van Nicolas Sarkozy af te komen. DSK leek, nog voor dat hij zich kandidaat verklaard had, regelrecht op het presidentschap af te stevenen. En dat moeten we bij de overgebleven socialistische kandidaten nog maar afwachten. En ik moet er echt niet aan denken nog een keer vijf jaar met Sarko verder te moeten. Het enige waar die echt goed in is, is te overleven in de slangenkuil van de rechtse politiek. Maar daar maak je geen beleid mee. Sterker, dat is het laatste waar je Sarko op kunt betrappen. Of het zou moeten zijn dat hij altijd weer een slinkse manier vindt om onder de noemer van grotere rechtvaardigheid de rijkste 0,1 procent van de Fransen een fiscaal cadeautje te geven. En zich daarmee verzekert van voldoende fondsen voor zijn verkiezingscampagne. Nog afgezien van zijn asociale wanbeleid, ik gun het deze opgewonden kever gewoon niet dat hij opnieuw mijn president mag worden. En DSK was tot voor kort de zekerste kaart om dat te voorkomen. Nu moet ik ’s ochtends op mijn nuchtere maag aanhoren over vermeende fellatio’s die door het vermeende slachtoffer op de toen nog algemeen directeur van het IMF zouden zijn uitgevoerd. Het belooft nog een hete zomer te worden.
Unfortunately peanutbutter
‘Wat valt u op als u weer terug bent in Nederland?’, vroeg de interviewster. De geïnterviewde meldde dat hij niet verder dan Amsterdam was gekomen en dat hij zich daar nog steeds helemaal thuis voelde. Aangezien niemand mij over dit noch enig ander onderwerp interviewt, stel ik meestal maar mezelf deze klemmende vraag. Deze keer had ik een voldoende mate van afstand van mijn vaderland om er eens goed tegenaan te gaan. Na anderhalve week in mijn kluizenaarshutje in de Languedoc en nog drie dagen thuis in de Bourgogne, gingen wij op weg naar Nederland. De geuren van de garrigue zaten nog in mijn longen en het geluid van de tramontane nog in mijn oren toen wij op een uurtje rijden van huis op de snelweg kwamen. Maar toen was ik meteen weer in Nederland. We bleken ons gevoegd te hebben in een onafzienbare stroom van Nederlandse kentekenplaten richting het noorden. Met onze Franse platen hadden we heel wat bekijks. Tijdens de tussenstoppen hoorden we enkel Nederlands om ons heen of minstens een dialect dat daar iets van weg had. Dus wat was het eerste dat mij opviel? Nog voor wij zelfs maar geografisch gezien in Nederland waren, bleek ons dat Nederlanders die een weekje vrij hebben zich massaal naar Frankrijk begeven.
Het tweede opvallende feit is moeilijker te interpreteren. Op onze bestemming aangekomen, fietste ik naar de Chinees op de hoek voor een meeneemmaaltijd zodat wij al etend van de mooie voortijdige zomeravond zouden kunnen genieten. Bij de Chinees trof ik het voltallig bedienend personeel etend aan. Er was namelijk niet één klant in het hele gigantische restaurant te bekennen. Nou kom ik daar wel eens vaker en normaal zijn er altijd mensen. Maar nu op de uitgaansavond bij uitstek, zaterdag: niemand. De dienstdoende Chinees verklaarde dat met het feit dat het de volgende dag moederdag was. Ik heb erg mijn best gedaan het verband te zien, maar het lukte niet. Wat niet wegneemt dat moederdag in Nederland blijkbaar zo belangrijk is, dat men er de avond tevoren al voor thuis blijft.
En dan ben ik nu aangeland bij mijn immer terugkerende steen des aanstoots: Nederlanders verwaarlozen hun taal en de media lijken daarin een voortrekkersrol te spelen. Als er een relatie bestaat tussen slordig taalgebruik en slordig denken – en het lijkt me dat die inderdaad bestaat – dan geef ik niet veel voor de toekomst van dit land. Het begon zondagochtend al toen ik voor het eerst de radio aanzette. ‘Dan kun je nu een riekwest voor een plaatje doen’, kwetterde de omroepster vrolijk. Ik heb het vervolg niet afgewacht en onmiddellijk de radio weer uitgezet om mijn serene zondagochtendstemming niet te laten bederven. In vroeger tijden kon je zondagochtend de tale Kanaäns op de radio beluisteren. Ik geef toe, ook niet alles en zeker niet mijn favoriete tijdverdrijf van weleer, maar het was tenminste wél correct Nederlands. De presentatrice van het tv-weerbericht liet vervolgens de zon opgaan en in de geschreven pers struikel je over de betreffende personen en de betreffende zaken. Terwijl in hun eigen stijlboeken toch duidelijk staat hoe het wél moet. Over de verwarring tussen dat en wat zullen we het maar helemaal niet hebben, want daar bezondigen zelfs literaire vertalers zich aan. Mijn zoon vertelde mij laatst over een medestudent die zich in vijf talen goed kan redden – zelfs op universitair niveau – maar niet één taal echt helemaal beheerst. Ik hoop niet dat dat het prototype van de gemondialiseerde (of moet ik om me begrijpelijk te maken, schrijven: geglobaliseerde?) mens is. Dan wordt er over een halve eeuw geen mooi boek meer geschreven. En al helemaal niet in het Nederlands. Unfortunately peanutbutter.
Laatste opvallende feit: de sierlijke witsnuitlibel is terug. Nou niet flauw doen en mij vragen of ik wist dat ‘ie weg was. Ik vond het fantastisch dat deze bedreigde diersoort weer onder ons is. Totdat ik de voorzitter van de libellenvereniging op de radio hoorde. ‘Kunnen we de sierlijke witsnuitlibel op internet zien?’, vroeg de interviewer. ‘Jazeker’, antwoordde de voorzitter. ‘Maar beter is natuurlijk om hem in het echt te gaan bekijken en hem met een motorbootje in de Weerribben te gaan opzoeken.’ In Frankrijk denken veel mensen dat Nederlanders in milieubewustzijn de Fransen ver vooruit zijn. Ik kan ze geruststellen.
Onze onderwijzeres
Afgelopen nacht logeerde de onderwijzeres van onze zoon bij ons. Wij verwijzen naar haar als ‘de’ onderwijzeres omdat de leerkracht die hij daarna kreeg die naam eigenlijk niet verdiende. Dat was – hoewel zij erg jong was – een kinderkweller van de soort zoals je ze in boeken wel eens tegenkomt. De onderwijzeres van onze zoon gaf les aan de eerste twee klassen van de lagere school in een naburig dorp. Zij was de ideale persoon om je kind aan toe te vertrouwen, zeker onder het soort lastige omstandigheden als van een emigratie. Nog voordat wij in Frankrijk kwamen wonen, mocht Serge – onze zoon – iedere keer dat wij op onze aanstaande woonplaats waren zoveel tijd bij haar in de klas doorbrengen als wij wilden. Op die manier kon hij alvast een beetje warm lopen en omdat ze twee jaar onder haar hoede had, zou hij dan alvast een aantal van zijn toekomstige klasgenoten kennen. Aangezien zijn woordenschat zich beperkte tot Bonjour en Au revoir zou de communicatie noodgedwongen wat beperkt blijven, maar voor het achter een bal aanrennen, met verf kliederen en legostukjes in elkaar zetten, heb je geen grote taalvaardigheid nodig, dus dat verliep allemaal voorbeeldig. Ik bleef gedurende zijn eerste Franse schooluren in de buurt zodat hij zich veilig zou voelen en ik als tolk kon fungeren. De vraag ‘Wat zegt ‘ie nou?’ zit zodoende bijna fysiek voelbaar in mij gekrast. Gedurende zijn eerste maand dat hij echt op school zat, bleef een van ons een uur lang in de klas, totdat Serge aangaf dat hij het verder wel alleen afkon. Een mooiere integratie in het Franse onderwijs was nauwelijks denkbaar. Maar wat wij al die tijd niet wisten, was dat onze onderwijzeres in flagrante strijd met de regels handelde. Als onze Serge het nodig had gevonden gedurende die eerste periode van kennismaking een van de kinderen in elkaar te timmeren, had dat een voortijdig einde van haar loopbaan kunnen betekenen. Er heerst namelijk op dit deel van het Franse platteland – en als ik over de Tweede wereldoorlog in andere delen van Frankrijk lees, vrees ik dat het niet alleen voor deze streek geldt – een klikcultuur. Als iets je niet aanstaat, dan stap je niet op de betrokkene af om dat te zeggen, maar ga je achter diens rug om smoezen. De centrale figuur in dit soort roddelcampagnes op dorpsniveau is doorgaans de burgemeester. Als die daar geen korte metten mee maakt, kan het een soort etterend gezwel worden. Zo weten wij van een naburig dorp dat geen enkele onderwijzeres het daar langer dan een jaar uithield, gewoon omdat de burgemeester het woord van ouders altijd zwaarder liet wegen dan dat van de maîtresse. Zelfs met steun van de inspecteur van het onderwijs, resulteerde dat steeds weer in onhoudbare situaties, zoals de gemeenteraad die het schoolbudget tot nihil reduceerde. Voor diegenen die destijds de film Être et avoir hebben gezien: dat was ongetwijfeld ook een realiteit, maar niet de gangbare. Vaak genoeg wordt goedwillende onderwijskrachten het werken onmogelijk gemaakt omdat ouders vinden dat al die nieuwlichterij niet nodig is, tenslotte hebben zij fatsoenlijk leren lezen en schrijven zonder al dat moderne gedoe. Trouwens, in de tijd van hun ouders was het eigenlijk stukken beter. Tegen dit soort redeneringen kom je met geavanceerde pedagogische inzichten niet erg ver. En als het ministerie van Onderwijs dit soort primitieve opvattingen sanctioneert door de hele pedagogische opleiding van onderwijzers te schrappen, dan kun je je er iets bij voorstellen dat hier het totale onderwijsveld te hoop loopt tegen de regering.
Gelukkig gaat onze onderwijzeres nog steeds door zich niets van de regels aan te trekken als zij die schadelijk vindt voor het kind. Als een kind openlijk agressief gedrag vertoont, is zij verplicht dat bij de onderwijsinspectie te melden. Dat doet ze dus niet, omdat ze weet dat daarmee iedere kans op een normale schoolloopbaan voor zo’n kind verkeken is. Als een kind in vervuilde staat op school aankomt, is zij verplicht dat aan de inspectie te melden. Zij geeft er de voorkeur aan het kind mee naar huis te nemen en daar in bad te stoppen en het probleem met de – invalide – moeder te bespreken, in plaats van het kind in de armen van de Sociale Dienst te drijven.
Te weten dat er mensen als onze onderwijzeres bestaan, doet me altijd weer goed. Mensen die de moed hebben om hun eigen gevoel voor rechtvaardigheid en menselijkheid zwaarder te laten wegen dan de regels, daar kunnen we er niet genoeg van hebben. Patricia, zo heet onze onderwijzeres, is inmiddels alweer meer dan tien jaar terug in haar geboortestreek. Zij kon hier in de Morvan uiteindelijk moeilijker integreren dan wij. Hier ging ze er aan onderdoor, aan het wantrouwen en de tegenwerking van de ouders, het altijd als vreemdeling te worden beschouwd. Daar is zij Provençaalse onder de Provençalen en kan ze als zelfstandig denkend mens haar gevoel voor goed en slecht volgen zonder zich afgewezen te voelen. Helaas is er in Frankrijk geen gevoel zo goed ontwikkeld als het wij-gevoel. En ‘wij’ houden er blijkbaar van ‘zij’ uit te sluiten, onschadelijk te maken.
Oorlog
Ik voer oorlog. Ik durf daar met een gerust geweten voor uit te komen, want oorlog voeren is dezer dagen een respectabele bezigheid. Het land waarin ik woon is in verschillende oorlogen betrokken en is daar trots op. Dat was wel eens anders. Kort geleden nog was oorlog gewoon ‘not done’. Je deed het niet en als je er toch op een of andere manier in terechtgekomen was, dan schaamde je je er voor. Dat kwam natuurlijk door Irak. Maar tegenwoordig staat het voeren van oorlog weer hoog in de peilingen. Hele volken roepen om het ingrijpen van legers van vreemde mogendheden. En omdat die nou juist weer schoon gewassen willen worden van de Irakese ellende die aan hen kleeft, doen die niets liever dan her en der op deze aardkloot de burgerbevolking beschermen, de democratie veiligstellen en zelfs potentaten verjagen. Dus aan deze oorlogseuforie wilde ik ook mijn steentje bijdragen. Nu ik aan de winnende hand ben, durf ik dat wel te zeggen. Ik was namelijk al vijftien jaar verwikkeld in een nietsontziende strijd met een onzichtbare vijand. Er werd tegen mij een soort guerrillaoorlog gevoerd die ik niet anders dan met conventionele middelen wist te beantwoorden: mijnenvelden, chemische oorlogsvoering, bombardementen. Alles wat de wapenindustrie op de markt bracht heb ik in de strijd geworpen. Maar de vijand was mij steeds te slim af. Erger nog: hij leek zijn posities alleen maar te versterken. Mijn artillerievuur was nog slechts een ritueel nummer. Feitelijk had ik de hoop al opgegeven de strijd nog te kunnen winnen. Maar door een radicale wijziging in mijn oorlogsvoering heb ik de situatie in een paar weken tijd in mijn voordeel weten te veranderen. Ik heb de vijandelijke troepen gedecimeerd. Van enige activiteit van gene zijde is nauwelijks meer iets te merken. Misschien dat de leider met enige getrouwen in een onderaardse bunker psalmen zit te zingen, maar militair gezien heb ik ze uitgeschakeld.
Hoe dat zo is gekomen? Door het bestuderen van het werk van Clausewitz? Nee hoor. Door internet. Toen het water mij voor de zoveelste maal aan de lippen stond, ben ik gaan kijken of er ergens op deze wereld iemand een oplossing voor mijn probleem had. En ja hoor! ‘Heeft u ook al kapitalen aan ineffectief en vervuilend wapentuig uitgegeven? Dan is hier de succesformule.’ Of woorden van gelijke strekking. Volgde een beschrijving van de klassieke maar o zo doelmatige wijze van oorlogvoering tegen mijn vijand. Ik bestelde het wapentuig en een bijbehorend soort Handboek soldaat. Ik verdiepte mij in de tactiek van de vijand en installeerde mijn offensieve wapens midden in de vijandelijke linies. Het resultaat was verbluffend. In drie weken tijd bracht ik de tegenpartij meer verliezen toe dan in alle vijftien voorafgaande jaren bij elkaar.
Ik weet het, ik heb mij nu vele vijanden gemaakt. Maarten ’t Hart voorop. En het zal ook wel ontzettend truttig zijn om, als je net je gazon gemaaid hebt, je op te winden over weer vijf verse molshopen. Maar toch, na vijftien jaar frustratie was de maat vol. Ik heb het geprobeerd met gelatenheid, maar het is me uiteindelijk niet gelukt. Zelfs de buurman vond de molleninvasie de afgelopen jaren wel erg gortig worden. En dat zegt wat. Normaliter neemt hij iedere calamiteit ‘met filosofie’, zoals de Fransen zeggen. Maar nu vond hij het wel erg bar. Niet dat hij er iets tegen doet. Hij maait ze gewoon plat met zijn grasmaaier, dat wil zeggen de molshopen, niet de mollen.
Het heeft aan de andere kant wel iets treurigs, de strijd tegen de mollen te winnen. Want wie wil er nu eigenlijk kwaad doen aan zulke leuke, vertederende beestjes? Ooit al eens mol van dichtbij gezien? Je zou er zo een als huisdier willen hebben. Dat prachtige zwarte vachtje. Die vier poezelige babyhandjes. De overwinningsroes valt dus wat tegen. Het ware beter geweest als het een soort onderaardse trollen waren. Aan de andere kant, als ik ’s ochtends opsta, uit het raam kijk en zie dat er alweer geen molshoop in de tuin is, dan is mijn geluk compleet. En, ter geruststelling, denk niet dat ik iets tegen mollen heb: in de omringende velden en weides wens ik ze een lang en vruchtbaar leven toe.
Twee mannen
‘Ach, dit is helemáál niet mijn plek’, zegt een van de twee mannen bij het uitstappen.
‘Is dat niet wat snel?’, vraagt de vrouw die uit een andere auto is gestapt. ‘Heeft u het uitzicht over het meer al gezien?’ Ze maakt een wijds gebaar over het voor hen liggende water.
‘Het trilt niet goed hier’, mompelt de man.
De vrouw vertelt iets over het pand waar zij voor staan en stelt de twee mannen voor naar binnen te gaan.
‘Dit is helemaal niet wat ik verwachtte’, zegt dezelfde man misprijzend om zich heen kijkend. ‘Ik dacht dat het om een geheel gerenoveerd gebouw ging.’
‘Met behoud van het oorspronkelijke karakter’, zegt de vrouw alsof zij een zin uit een brochure opleest.
‘Ik durf hier niet eens te lopen. Ik zou wel zo door de vloer kunnen zakken.’
De andere man loop met de handen op de rug achter hem aan, volgt met zijn ogen de blik van de ander en knikt instemmend. De vrouw doet haar best de aandacht van de mannen te krijgen door alle bijzonderheden van het gebouw op te noemen, maar dat brengt geen enkel enthousiasme bij hen te weeg.
‘Al die trappen’, verzucht de man. ‘Komt daar nooit een eind aan? Ik zoek ongescheidenheid. Ruimte waarin de universele energie zich vrijelijk kan bewegen.’
De andere man probeert met een verlegen glimlach aan de vrouw duidelijk te maken dat ze maar niet zo op zijn woorden moet letten.
‘En dan is hier het kantoor’, zegt de vrouw een deur openzwaaiend. In het vertrek dat zich voor het drietal ontsluit, zit een vriendelijk soort vogelverschrikker achter een bureau te werken. Hij draait zich in zijn stoel om en legt uit dat dit de enige ruimte is waar niets aan opgeknapt is omdat hij altijd teveel bureauwerk had te doen om het een weeklang te ontruimen. ‘Anders zou u hier net zo’n mooi authentiek Frans plafond zien als hiernaast.’ De hoofdman kijkt naar boven met een belangstelling die verraadt dat dat wel ongeveer het laatste is dat hem op aarde interesseert. Zijn acoliet volgt zijn blik.
De vrouw heeft de hoop opgegeven dat zij de mannen nog tot enige geestdrift kan brengen. In de tuin aangekomen, wijst zij naar achteren en vertelt dat zich daar een soort stiltehofje bevindt. ‘Dat zal u vast wel interesseren. Ik wacht hier wel even op u.’
‘Wat een vreselijk mens’, sist de eerste man tegen de tweede.
‘Maar René, ik dacht dat wij geen oordelen hadden?’
‘Natuurlijk niet, maar de dualiteit druipt van die vrouw af. Van deze hele plek trouwens. Ik raak hier mijn bronenergie helemaal kwijt.’
‘Ik vind het wel mee vallen, maar we kunnen dit toch helemaal niet betalen.’
René kijkt alsof hij door een horzel gestoken wordt. ‘Hoezo kunnen wij dit niet betalen? Wij krijgen wat bij ons past, ongeacht de prijs, knoop dat in je oren. Het ligt in de is-heid der dingen besloten dat wij ons eigen unieke centrum krijgen, Johan. Maar dat is niet hier.’
‘Maar waar dan wel, René? En hoe? We zijn nu al vier jaar aan het zoeken.’
‘Wat is nou vier jaar? Jij moet leren de dingen …’
‘Groot te zien?’, probeert Johan.
‘Klein te zien. Je moet steeds weer terug naar die kern, naar die stralende bron. In het nu komt de oplossing. In het oneindige nu. Dat weet ik. Heb vertrouwen in onze gemeenschap.’
‘Ja maar we zijn met zijn vijven en niemand heeft geld.’
‘Geld, geld, alsof het daarom gaat.’
‘Deze mensen verkopen hun gebouw niet voor niets.’
‘Deze mensen niet, nee. Zag je die man? Met zijn haren in de war en zijn snor. Denkt zeker dat ‘ie Einstein is. Ook zo’n duale denker.’ René strijkt met zijn hand over zijn kaalgeschoren schedel en stoot een dorre kakelende lach uit. ‘Maar er komt een ontmoeting, daar ben ik zeker van. Met mensen die zich als in een bliksemflits bewust worden dat ze hun bezit aan ons moeten overdragen. Ze weten dat nu nog niet. Vragen een kapitaal voor hun pand. Maar dan plotseling, in een ontmoeting met ons zullen ze het goddelijk licht zien. Dat wordt het begin van de nieuwe tijd, Johan.’
‘Die vrouw staat op ons te wachten. Wat gaan we haar zeggen?’
‘Dat dit niet onze plek is. Dat had ik toch al gezegd? Mijn intuïtie bedriegt mij nooit.’
Bejaardentehuis
Vorige week heb ik mijn zoon naar een bejaardenoord verhuisd. Meestal is het andersom, maar nood breekt wet zoals we al sinds mensenheugenis weten. Eind november moest Serge de woning van zijn vriendin verlaten wegens einde relatie. Hij leidde drie maanden een zwervend bestaan, maar kon onlangs bij de woningbouwvereniging intekenen voor een tijdelijke woning in een binnenkort te slopen bejaardentehuis. Mooie oplossing: het tehuis blijft tot het moment van de sloop bewoond zodat de laatst overgebleven oudere bewoners niet in een spookpand wonen terwijl studenten, voor wie al sinds de oorlog te weinig woonruimte is gebouwd, daar tijdelijk huisvesting vinden. En, denk je dan, dat zal de woningbouwvereniging toch wel voor een beetje schappelijke prijs doen. Maar nee, nood breekt blijkbaar niet de economische wetten van vraag en aanbod. Voor een geheel gestripte bejaardenwoning mag de student (met z’n tweeën is niet toegestaan) de somma van 460 Euro per maand neertellen. En dat tussen het gebeuk van de heimachine aan de ene kant en het gegrom van de grondverzetmachines aan de andere. Is dat redelijk? Lijkt me niet. We hebben het hier over de grootste sociale huisbaas van Amsterdam. Ik herinner me in 1977 een artikel geschreven te hebben voor De Groene over hoe de Amsterdamse sociale huisbazen hun plicht tegenover de allochtone bewoners van de hoofdstad verzaakten. Nu weet ik ook wel dat de economische toekomstverwachting van de gemiddelde student aanzienlijk beter is dan die van de gemiddelde allochtoon, maar dat rechtvaardigt nog niet het misbruik maken van de eeuwigdurende kamernood van studenten, waarvoor nu juist die woningcorporaties de eerst aangewezenen zijn om daar een eind aan te maken.
Maar ondanks dat vind ik het wel mooi dat mijn zoon in een bejaardentehuis woont. In een wat andere context lijkt het op de verdunningsgedachte die we destijds voor psychiatrische patiënten aanhingen. Dennendal en zo. Misschien was dat niet helemaal goed doordacht, maar om studenten met bejaarden te mengen, daar lijkt me nu werkelijks helemaal niets op tegen en vooral veel voor. Vlak voor Serges deur staan twee grote biljarttafels waarop regelmatig door oudere heren gespeeld wordt. Wat zouden die niet mooi dit edele spel aan jongeren kunnen leren die hun kleinkinderen zouden kunnen zijn. Aan de andere kant zouden diezelfde jongeren hun oratorische talenten kunnen ontwikkelen door spreekbeurten te houden voor de oudere bewoners. En wat te denken van een schaakcafé, van leesclubs, van jazz- en filmclubs? En misschien zou met behulp van een paar conservatoriumstudenten de wekelijkse zangavond naar een iets hoger plan getild kunnen worden. Als ik het te zeggen had in de woningbouwvereniging zou ik het wel weten. Een intergenerationeel solidair woonmodel. Volgens mij gezien de demografische ontwikkelingen een absolute kraker. Misschien zou ik daar ter zijner tijd zelfs voor intekenen. Maar dan wel zonder hei- en graafmachines graag.
Regenpijp
‘I wish we didn’t have to go back at all.’ Zegt Hemingway tegen zijn vrouw in de eettent van zijn kampement ergens in het savannelandschap van het Kajiadodistrict in Kenia. ‘I wish we didn’t have any property nor any possessions nor any responsibilities.’ Ik kan de laatste tijd helemaal met hem meevoelen. Vooral sinds ons huis te koop staat en ik me meer dan ooit een eigenaar voel die verantwoordelijk is voor de staat waarin zijn eigendom verkeert. Waren wij onder gewone omstandigheden al bezig vanaf eind februari/ begin maart het gebouw en de tuin hun jaarlijkse onderhoudsbeurt te geven, deze keer lijkt de gekte uitgebroken. Alles wat in vorige jaren bewust of onbewust aan onze aandacht ontsnapt is, moet nu onverwijld aangepakt worden. Daardoor bevond ik mij een paar dagen geleden in een grote doe-het-zelf supermarkt om vijf meter regenpijp aan te schaffen om die aan te brengen op een plek waar er zich geen bevindt maar er wel een zou horen te zijn. De afwezigheid van die regenpijp leidde nooit tot grote problemen, dus het karwei werd jaarlijks uitgesteld. Maar dit jaar is er geen uitstel. Alles moet piekfijn in orde zijn. In de eerste winkel die ik bezocht, stond één pijp van de juiste diameter en kleur. Die was 2.50 meter lang, de helft van wat ik nodig had. In de volgende winkel waren er volop pijpen van de goede soort, alleen allemaal vier meter lang, een meter te weinig. Omdat de prijs niet zodanig was om daar erg moeilijk over te doen, besloot ik tot de aanschaf van twee pijpen van vier meter. Heb je wel eens met pijpen van vier meter door een supermarkt gelopen? Ik heb het er goed afgebracht en bereikte zonder noemenswaardige schade aan goederen of personen aan te richten de regio waarin zich de kassa’s bevonden. Het volgende probleem was hoe ze te vervoeren. Ik kan godsonmogelijk vier meter regenpijp in mijn auto proppen. Dus die moesten in tweeën gezaagd. Ik trof een alleraardigste jonge vrouw aan de kassa die dat allemaal even piekfijn voor me ging regelen, maar dan moest ik wel met mijn regenpijpen terug naar het andere eind van de winkel. Afijn, dat heb ik ook weer gered. Deze keer wel met wat boze blikken van andere klanten die ik hoorde denken ‘maakt die man er een gewoonte van om met zijn regenpijpen door de winkel heen en weer te lopen?’ Na een minuut of tien kwam er een behulpzame winkelbediende met een botte houtzaag aansnellen die niet door het polyester van mijn pijpen heen te krijgen was. De aardige caissière kwam inmiddels maar eens een kijkje nemen want vond blijkbaar dat ik wel erg lang wegbleef. Dat kwam goed uit, want nu kon ze helpen de pijpen vast te houden die de inmiddels teruggekeerde behulpzame winkelbediende met een ijzerzaag te lijf ging. Met mijn inmiddels vier regenpijpen sloot ik enige tijd later aan in de wachtrij voor de kassa. Andere caissière maar ook buitengewoon aardig en vooral zeer geduldig. Er ging namelijk iets niet goed bij het afrekenen bij klanten voor mij. Of liever gezegd, er ging helemaal niets goed. Een meneer kwam een lege voor een volle butagasfles inruilen, maar die kon ze niet in haar computer vinden. ‘Weet u wel zeker dat wij die verkopen?’ Ik weet niet of het allemaal nog goed is gekomen met hem, want toen ik een kwartier later van de parkeerplaats afreed stond hij nog steeds bij het rek met butagasflessen. Met andere klanten in mijn rij ging het ook ongeveer zo. Dus ik had alle tijd om de om- en bijstanders te bestuderen. Dat kwam goed uit, want voor mij – ik zal maar zeggen na die meneer van die gasfles, maar nog op enige afstand van mij – stonden een moeder en een dochter. Niet zomaar een moeder en een dochter. De moeder was van een onwaarschijnlijke lelijkheid. Alles aan haar gezicht leek scheef te zitten. De dochter, ja nu moet ik even diep ademhalen. Ik geloof niet dat ik ooit in levende lijve zo’n schoonheid heb gezien. En het vreemde is, dat je dat zo zou kunnen missen. Het was dat ik daar eindeloos lang voor die kassa stond en daardoor de tijd kon nemen om echt te kijken, anders had ik haar waarschijnlijk gemist. Misschien is dat altijd wel zo met echte schoonheid. Zij was van een schoonheid die zichzelf niet kent. Je kunt dat soms ook in de natuur hebben. Op een mooie zonsondergang valt niets af te dingen, daar niet van. Maar daar valt niet zoveel aan te ontdekken. En met een beetje geluk kun je er nog een aardige foto van maken waarvan anderen zeggen ‘zo, dat is een mooie zonsondergang’. Maar je kunt ook in een landschap rondlopen en opeens bevangen worden door een gevoel dat er iets bijzonders is, dat je iets ziet, voelt waarvan je niet zo gemakkelijk kunt zeggen wat er zo bijzonder aan is, maar waar je een beetje gelukkig van wordt. Zoiets was dat met die dochter. Blijkbaar was ik niet de enige die dat opmerkte. De aardige en geduldige caissière bleef haar na het afrekenen met haar blik volgen en zag dus net als ik dat ze iets liet vallen dat ze met een verlegen glimlach opraapte. Het was een bloem.