Ik heb zojuist een rondwandeling gemaakt die ik vaak met Jacqueline maakte. Het viel me op hoe ontzettend ik bij iedere kruising of splitsing mijn best moest doen om het juiste pad te kiezen. Blijkbaar vertrouwde ik blindelings op Jacquelines oriëntatievermogen. Nou ja blindelings. Ik herinner me al te goed die keren dat we op een kruising stonden en ik zei “We moeten hier linksaf” en Jacqueline het tegenovergestelde. Dan pakte ik de kaart er maar weer bij en moest constateren dat ze weer gelijk had.
En nu we het toch over Jacqueline hebben … Wat dat betreft gedraag ik me als een jongverliefde. Ik neem ieder gelegenheid te baat om het over Jacqueline te hebben. En op dit moment heb ik daar alle aanleidingen voor. Bijvoorbeeld ons huis. We hebben dat een kleine tien jaar geleden gekocht toen we na een kwart eeuw in Frankrijk terug naar Nederland kwamen. We vielen op een ruime vrijstaande woning met een redelijk grote lap tuin. Dat leek ons wel geschikt want we kwamen immers uit een heel groot pand met een enorme parktuin. Tijdens Jacquelines ziekte had zij al vastgesteld dat ik daar niet zou blijven wonen. Ik zou zo snel mogelijk na haar dood terug naar Frankrijk verhuizen en wel naar een leuk oud huisje in Sète. Aanvankelijk dacht ik dat ook. Maar ik heb haar daar toch vrij snel in moeten teleurstellen. Ik wilde helemaal niet weg uit het huis waar we het de laatste acht levensjaren van Jacqueline heel erg naar onze zin hebben gehad. Ze is hier in iedere hoek, in ieder voorwerp, in de inrichting, in de tuin. Bovendien wilde ik helemaal niet weg uit Nederland. Ik heb hier familie en vrienden en ik merkte dat die veel belangrijker voor me waren dan ik dacht. Nee hoor, ik bedacht me dat ik lekker in Nederland zou blijven. Ik had mijn kleine huisje in Zuid-Frankrijk en ik was ook nog wel zo’n twee maanden per jaar in Brazilië. Dus weinig kans dat ik me hier zou gaan vervelen. Voorlopig blijf ik lekker in ons huis wonen. Maar na een tijdje begonnen mij een paar dingen op te vallen. Ik was wel erg veel tijd kwijt aan het tuinonderhoud en het houtwerk moest ook nodig weer geschilderd worden en eigenlijk was het wel een beetje asociaal om in mijn eentje in zo’n groot huis te zitten en ik kan een deel van het geld dat in het huis zit heel goed gebruiken om een beetje gemakkelijker te leven en dat voor een huis waarin ik maximaal zeven maanden per jaar leef en eigenlijk hadden we toch altijd liever in de binnenstad gewoond? … en, zo wist ik zeker, “jij zou in mijn situatie toch ook ergens anders willen gaan wonen?” Ik wil maar zeggen dat ik anderhalf jaar na Jacquelines dood in een voortdurende dialoog met haar ben. Of het nou tijdens een wandeling of bij de verkoop van ons huis is, Jacqueline is er altijd bij. Nou was dat in zekere zin altijd al zo. Ik herinner mij nog goed dat ik in een periode dat ik in mijn werk met allerlei problemen en conflicten te maken had, een keer tegen twee collega’s zei dat ik voor een specifiek probleem het geweten van het Nederlandse volk had geraadpleegd en dat het geweten had gezegd: nee, dat moet je anders aanpakken en wel zo. Wie of wat dat geweten dan wel was? Jacqueline natuurlijk.
Zo was het niet steeds de afgelopen anderhalf jaar. Nog geen vijf maanden geleden had totale verwarring zich van mij meester gemaakt. Een tweetal vriendschappen die mijnerzijds gepaard gingen met hevige emoties, waren mij volledig uit de handen geglipt. Kort gezegd wist ik niet meer wat ik nog van het leven kon verwachten. Toen de nood vrij hoog was, wilde het toeval dat ik last van een oor had en dus een afspraak met mijn huisarts heb gemaakt. Toen ik tegenover haar in de spraakkamer zat vroeg ze niet zoiets als “Wat kan ik voor je doen?” of “Wat scheelt er aan?”, nee ze vroeg “Hoe gaat het met je, Ton?” Mijn antwoord was “P., ik maak er een potje van.” Nadat ik haar had uitgelegd wat ik daarmee bedoelde, zei ze: “Ton, je bent op zoek naar iets dat er niet meer is en ook nooit meer in die vorm terug zal komen. Richt je op wat er wel is. Samen leuke dingen doen. Wat knuffelen. Maar geniet Ton, geniet! Voel je niet schuldig.” Ze zei ook dat het idee dat je na een jaar wel uit gerouwd bent, onzin is. En dat je pijn een ding met stekels is. “Je moet het inwikkelen in iets zachts. Vooral niet proberen het weg te schuiven.” We hebben een half uur zitten praten. Voor mijn oor verwees ze me naar de assistente.
Haar boodschap trof doel. Ik wist meteen dat het klopte. Maar voordat ik mij die boodschap helemaal eigen had gemaakt, duurde nog wel even. Een paar maanden later verscheen Jacqueline aan mij in een droom in een prachtige theatrale opstelling. Ze zei niets. Ze keek me aan met een blik die me door merg en been ging en die zei: “Lieve schat, wat ben je in hemelsnaam aan het doen?” Verbaast het iemand dat ik die scène al iets van vijftien jaar geleden heb opgeschreven?
Als ik één ding in het afgelopen anderhalf jaar heb geleerd, is het dit: Rouwen om mijn gestorven geliefde lijkt nog het meest op die ene alles overheersende verzengende verliefdheid waar het allemaal mee begonnen is. Ik ben een soort ongeleid projectiel. Ik heb geen controle over mijn emoties, ook al denk ik dat dat wel zo is. Ik herken mezelf niet meer. Ik moet het leven opnieuw uitvinden. Velen vinden dat ik dat goed doe. Ik vind nog steeds dat ik er een potje van maak. Maar misschien inmiddels een mooier potje.
Een potje
2