Het was gisteren precies een half jaar geleden dat Jacqueline overleed. Toen voorjaar, nu herfst. Het contrast kan niet groter. Toen een explosie van groen, nu dwarrelen de gele bladeren naar beneden. Toen draaide alles om Jacqueline. Iedere handeling, iedere gedachte, ieder woord had op de een of andere manier met haar te maken. Nu gaat het er om goed te leven zonder Jacqueline. Als ik dit opschrijf realiseer ik me onmiddellijk dat het niet klopt wat ik zeg. Het gaat om leven zonder de fysieke aanwezigheid van Jacqueline.
Ik hoorde zojuist iemand op de radio vertellen dat mensen haar na een traumatische ervaring begripvol zeiden dat ze ‘het’ een plaats moest geven. Met andere woorden: archiveren en afsluiten. Maar zo zit het niet, zei ze. Zoiets draag je voor altijd bij je. En zo is het met het overlijden van de geliefde ook. Het is niet te benoemen. Verlies, gemis, leegte? Ja, maar ook de herinnering aan ontelbaar veel momenten en de daaraan gekoppelde gevoelens. Waardoor datgene dat ogenschijnlijk hetzelfde is gebleven, een andere lading krijgt. De tuin waar ik dagelijks naar kijk, ziet er ongeveer hetzelfde uit als een jaar geleden, maar hij voelt niet meer hetzelfde. Gisteravond was ik in de Walburgiskerk in Zutphen. Jacqueline heeft mij, atheïst in hart en nieren, geleerd van kerken te houden. Dus loop ik aan de hand van Jacqueline door die kerk. Toen ik een paar maanden geleden aan mijn fietsrondjes in de omgeving begon om mijn fysieke conditie op peil te houden, moest ik regelmatig slikken als ik langs plekken kwam waar we nog maar kort tevoren gewandeld of gefietst hadden. Inmiddels kan ik er glimlachend langs rijden, maar het blijft wel iets met me doen. Wat ik probeer te zeggen, is dat ik ondanks haar afwezigheid wel degelijk mét Jacqueline leef.
Toch is het zo dat ik nu een veel grotere behoefte heb aan echte vriendschap dan voordien. Het koesteren van vriendschappen liet ik goeddeels over aan Jacqueline. Enkele uitzonderingen daargelaten lifte ik op haar bagagedrager mee. Ik ging altijd door voor een loner, een einzelgänger. Eigenlijk was ik dat niet, maar ik vond het zo wel gemakkelijk. En ik ging er zelf een beetje in geloven. Zo wist ik zeker dat ik op termijn mijn huidige woonplaats zou gaan verlaten en me weer in Frankrijk zou gaan vestigen. Zelfs Jacqueline dacht dat. Ze wilde al samen met mij een huis in Zuid-Frankrijk gaan kopen zodat ze zou weten waar ik zou wonen als ze er niet meer zou zijn. Daar moet ik nu niet meer aan denken. Ik zou dan een paar mensen die me heel dierbaar zijn en me in de afgelopen tijd alleen maar dierbaarder zijn gaan worden, moeten missen. Wat ik nooit had kunnen bedenken is dat ik anders in het leven ben komen te staan. Misschien leef ik wel voor twee! Het resultaat is dat mijn (begonnen als onze) agenda voller is dan ik mij kan herinneren. Dat is heel troostrijk: het gevoel een eigen plaats te hebben in wat ons wereldje was.
Maar er zijn ook van die momenten dat. Vorige keer schreef ik hoe ik Jacquelines verjaardag zou gaan vieren zodra ik weer terug zou zijn in ons huisje in de Languedoc. Zoals we een jaar geleden hebben gedaan, zou ik naar het Musée Paul Valéry in Sète gaan om een expositie te bezoeken en daarna in de museumtuin gaan lunchen. Eerste teleurstelling: het museumrestaurant was definitief gesloten. Tweede teleurstelling: de expositie was een dikke tegenvaller. Misschien een les? Misschien niet zo’n goed idee om te willen herhalen wat niet herhaald kan worden?
Een week later ging ik naar Montpellier om bij IKEA een matras te kopen en om een expositie van het werk van Pierre Soulages te zien. Jacqueline en ik waren beiden grote bewonderaars van Soulages. Wat gebeurt er? Ik heb de hele expositie met natte ogen gelopen. Ik liep daar met Jacqueline, die ik voortdurend aanstootte. Heb je dit gezien? En dat? Ik was daar zo van door elkaar geschud dat ik in de parkeergarage mijn auto niet kon vinden. Na twee keer helemaal rondlopen, bedacht ik me dat hij misschien toch op een andere verdieping stond. En ik wist toch hartstikke zeker dat … Waardoor ik aan Jacqueline moest denken. Die zei heel vaak: “ Die eigenwijsheid van jou wordt nog eens je dood.”
Categorie archief: Non classé
Wij redden ons wel
Nog een paar dagen en dan is het Jacquelines verjaardag en precies vijf maanden geleden dat ze is overleden. Ik had bedacht dan hetzelfde te gaan doen wat ik een jaar geleden met haar samen heb gedaan: naar een expositie in het Musée Paul Valéry in Sète en dan lunchen in de tuin van het museum met uitzicht op de Middellandse Zee. Dat zou helemaal gaan lukken ware het niet dat ik al dagen zit te wachten op de levering van een generator die mee moet naar ons huisje in het zuiden. Bovendien zal het op die dag slecht weer zijn in Sète, dus niets lunchen in de museumtuin, maar een dag later zal Jacqueline ook wel goed vinden.
Met dat teruggaan naar hoe het precies een jaar geleden was, is er wel iets aan de hand. Joan Didion beschrijft in Het jaar van magisch denken dat ze een jaarlang na het overlijden van haar man iedere dag terugkijkt naar wat ze een jaar geleden op die dag samen deden. Dat lijkt willekeurig, maar is dat natuurlijk helemaal niet. Een jaar is een volle omwenteling om de zon en daar is niets toevalligs of willekeurigs aan. Toen ik dat bij Joan Didion las, merkte ik dat ik hetzelfde deed. Misschien niet iedere dag maar wel regelmatig. Het is denk ik een vorm van bezwering: ik herbeleef het moment van een jaar geleden en ben daardoor weer even samen. Wat er gebeurde toen het eerste jaar na de dood van haar man om was, beschrijft Didion niet, maar ze schrijft wel wat ze denkt dat dat zal gaan betekenen, wat het betekent als je herinneringen hebt van een jaar geleden waarin je geliefde niet meer voorkomt. Zo ver ben ik nog niet. Ik kan nog voluit in het verleden leven.
Hoe ver ik wel ben weet ik niet goed. Het is alsof ik zonder kompas of andere hulpmiddelen midden op de oceaan zit maar dat zelf nog niet weet. Dit is een onbekende situatie waarop niemand voorbereid kan zijn ook al zou je alle zelfhulpgidsen gelezen hebben (wat ik niet gedaan heb), om de simpele reden dat je jezelf niet kent en zeker niet in zo’n unieke situatie.
Waar ik echt helemaal niet op zat te wachten is het volgende (ik weet niet of zoiets vaker voorkomt, ik hoop van niet) : Een oude vriend (oud in de betekenis van sinds vele jaren) wilde nog even wat zeggen over de viering van Jacqueline haar leven (de herdenkingsdienst noemde hij het). Wat daar verteld werd was allemaal wel erg lovend, terwijl er aan de betreurde toch ook wel een paar minder aardige kantjes kleefden, vond hij. Op dat moment kon ik niet reageren. Het drong niet tot me door en ik praatte er totaal overheen. Thuis gekomen drong het tot mij door wat er door deze oude vriend gezegd was, die – dit terzijde – wel de minst aangewezene op deze aarde is om een dergelijke opmerking te maken. Behalve een late afrekening met iemand die daar niet meer op kon reageren, was het een klap in mijn gezicht want het moet alle aanwezigen opgevallen zijn dat ik mijn ziel en zaligheid in die viering had gelegd. Ik moest denken aan de rede van Marcus Antonius aan het graf van Cesar in Shakespeares Julius Caesar. Brutus vond dat Cesar ambitieus was – wat blijkbaar een grove fout was – maar Brutus is an honourable man.
Wat me enorm geholpen heeft is de steun van een vriendin die acht jaar geleden haar man is verloren. Als ik haar schreef over bepaalde heftige gemoedstoestanden, kon zij bijvoorbeeld terugschrijven: Ja, dat ken ik. Dat zal nog erger worden. Of als ik vertelde over mijn plannen voor de komende tijd: Goed dat je dat gaat doen. Dan zul je pas echt ervaren dat ze er niet meer is.
Het klinkt misschien hard, maar dat is wel de steun die de rouwende en stuurloos ronddobberende mens nodig heeft. Aan goedbedoelde pogingen om je een beetje afleiding te bezorgen heb je alleen op dat moment wat. Daarna is het weer 360° rondploeteren. Behalve als mensen echt willen weten hoe het met me gaat en er ook niet bang voor zijn dat aan te horen. Daar is wel wat voor nodig want wij rouwenden willen wel lijden, maar liefst in stilte want we zijn doodsbang om over te komen als klagende zielenpoten. Nee, wij redden ons wel. En dat is natuurlijk precies wat de buitenwereld wil horen. Ziehier de perfecte valkuil.
Et sic in infinitum
Mijn vorige stukjes in dit blog dateren van iets meer en iets minder dan een jaar geleden. Wat er sindsdien gebeurd is, laat zich raden: mijn geliefde is gestorven. En de ziekte had in de laatste fase ook een naam: Acute Myeloïde Leukemie. En nee, dat maakte de acceptatie ervan niet gemakkelijker. Dat dacht ik destijds: zodra de ziekte een naam heeft, kun je het gemakkelijker accepteren. Dat geldt misschien in het geval dat er dan een meer specifieke medicatie toegepast kan worden die de levensduur op zijn minst kan verlengen. Maar wij hadden te maken met een categorie beenmergziektes waarbij de diagnostiek steeds verfijnder wordt, maar de medici vervolgens met lege handen staan. Een chemotherapie? Valt te proberen, maar de kans dat die aanslaat is klein. De kans dat je je dan pas doodziek gaat voelen is daarentegen groot. We hebben het allemaal mee mogen maken, inclusief complicaties zoals jicht. Jicht heb ik altijd gezien als iets hinderlijks, maar niet onoverkomelijks. Nou dat is het voor de patiënt dus wel. In die zin kan ik ook niet van ´”we” spreken. Ik heb het vanaf de zijlijn mee ervaren, maar dat is niet hetzelfde als wat het slachtoffer lichamelijk ondergaat.
Ik moet een beetje terugkomen op wat ik eerder schreef. Dat ik niet begreep dat een overlevende kon zeggen dat de laatste maanden de mooiste van zijn leven waren. Want het was wel zo dat, vanaf het moment dat duidelijk was dat Jacqueline met bloedplaatjes transfusies en Epo-injecties nog een eind mee zou kunnen gaan, het leven weer wat kleur kreeg. We konden zonder gevaar in de laatste tien maanden nog twee keer naar Brazilië en nog een keer naar ons paradijsje in Zuid-Frankrijk. Afscheid nemen werd in die tijd iets relatiefs, want je weet maar nooit, hier had ook niemand meer op gerekend.
Maar na een afgebroken chemokuur rekenden we nergens meer op. De prognose “enkele dagen tot hooguit enkele weken” werd uitgesproken. En we zagen vervolgens het tegenovergestelde gebeuren. Jacqueline knapte op, voelde zich beter dan voor de chemo, kreeg weer energie om te wandelen, met vriendinnen en familie te praten, onze zoon kwam een paar keer over uit Brazilië. Er geschiedde met andere woorden een klein wondertje. Jacqueline genoot met volle teugen van het leven. De specialist kon er niets verstandigs over zeggen, behalve dat het bloedbeeld bijna normaal was, dat ze buitengewoon goed op de Epo-injecties reageerde (ze had een normaal hemoglobinegehalte) en dat zolang de bloedplaatjestransfusies werkten … Tja en daar ging het mis. Nagenoeg van de ene dag op de andere was het effect van de transfusies tot bijna niets gereduceerd. Terwijl ik stiekem was gaan hopen dat er echt een wonder gebeurde (Jacqueline niet trouwens), dat ze dat ene geval in de zoveel duizend was dat op onverklaarbare wijze aan de statistiek ontsnapte, was het sprookje toch opeens afgelopen. Zij leefden niet nog lang en gelukkig.
De laatste fase duurde een week. Daar kan ik niets over zeggen. Het is alsof er een stoomwals over me heen gedenderd is. Ik was erbij, ik deed wat moest gebeuren en deed dat met alle liefde die ik in mij had, maar de concrete herinneringen daaraan doen zoveel pijn dat ik er niet over kan schrijven.
De periode tussen het overlijden en de viering van Jacquelines leven heeft zes weken geduurd maar gevoelsmatig niet langer dan één. Toch gebeurde er veel. Een paar citaten uit wat ik mijn gevoelsdagboek ben gaan noemen en wat ik ooit samen met Jacqueline begonnen ben als gespreksstof tussen ons.
“Wat ik vooral niet wil deze dagen zijn mensen die niet begrijpen (kunnen, willen?) wat het is om je geliefde te verliezen.
(…)
… mensen die denken dat het … fijn zal zijn voor de rouwende om hem uit zijn eigen omgeving te halen en hem afleiding, gezelligheid te bieden. En dat terwijl de rouwende (ik in dit geval) niets liever wil dan nog bij zijn geliefde te blijven, daar waar ze nog in ieder voorwerp aanwezig is.
(…)
Zeg nooit tegen iemand die rouwt om zijn of haar geliefde: dat begrijp ik. Want dit is niet te begrijpen tenzij je het zelf hebt doorgemaakt. Ik begrijp mezelf niet eens, deze mengeling van mezelf diep ongelukkig en gelukkig voelen. Constateren dat je het geluk hebt gehad al die jaren met de geweldigste vrouw ter wereld geleefd te hebben en tegelijk beseffen dat zij er echt niet meer is. Te merken dat je niets liever doet dan over haar praten en tegelijk ervaren dat dat je uitput. Je wilt dichtbij haar zijn en tegelijk doet dat zo’n pijn. Daar wil je allemaal met haar over praten, maar dat kan niet meer, nooit meer. Dat doet zo’n pijn. Je wilt dat dat altijd pijn blijft doen, dat mag niet slijten.
(…)
Wat ik speciaal onverdraaglijk vind, is dat het met iedere volgende dag weer wat langer geleden is dat Jacq nog leefde. Het moet voor altijd gisteren blijven dat ze overleed.
(…)
Ik ben voortdurend bezig om dingen voor het eerst zonder te doen. … “Daar moet je doorheen” zeg ik dan tegen mezelf. Het doet pijn maar het moet.
(…)
Dit is een situatie waarover misschien wel niemand iets verstandigs kan zeggen, gewoon omdat verstand hier niets vermag.
(…)
Ik leef in een nieuwe wereld waarvan ik niet wist dat ‘ie bestond en waarvan ik de wetten niet ken.”
Hier kan ik Et sic in infinitum achter zetten. En omdat dat een mooie titel voor dit stukje is, doe ik dat dus ook.
Niet met violen
Ik schreef laatst aan iemand dat de toestand waarin wij ons bevinden nog het meest lijkt op een mokerslag in slow motion. En hoe langer ik daar over nadenk hoe adequater me die omschrijving lijkt. Je ziet het botte geweld langzaam maar zeker naar beneden komen – hoewel langzaam? het gaat nog altijd een factor 100 te snel – niets of niemand kan het tegenhouden, maar intussen probeer je te leven. Leven? Een voor een worden dingen die belangrijk voor je zijn van de kaart geschrapt of tot steeds kleinere proporties teruggebracht. De wandelingen worden steeds korter, fietsen is er al nauwelijks meer bij, bij vrienden op bezoek? een uurtje, langer lukt niet meer, in de tuin werken? een half uur vraagt maximale energie. Laatst vertelde iemand mij over vrienden in een soortgelijke situatie dat de laatste maanden voor de overlevende de mooiste van zijn leven waren geweest. Dat had die overlevende verteld. En ik heb dat vaker gehoord. Vroeger zou ik dat als zoete koek geslikt hebben. Liefst met violen op de achtergrond. Nu denk ik: Wat? Hoe is dat mogelijk? Hoe was het leven daarvoor dan? Als ik terugkijk op mijn eigen leven, dan vind ik, vanaf het moment dat ik zelf de teugels in handen nam, dat een leven dat ik gedroomd zou kunnen hebben en voor een deel ook inderdaad gedroomd heb. Maar ik heb nooit gedroomd van mijn levenseinde en nog minder van dat van mijn levensgezellin en geliefde. Wel zitten de woorden van het Chanson de Tessa van Jean Giraudoux in mijn hoofd gegrift:
Si tu meurs, les oiseaux se tairont pour toujours
Si tu es froid, aucun soleil ne brûlera
Enzovoort. Nee, niet met violen, maar met klaaglijke tonen uit een accordeon.
Ik heb zeker niet het gevoel dat ik de mooiste maanden van mijn leven meemaak. De meest dramatische, dat wel. Wat nu overheerst is dat alles wat ik zie, hoor gerelateerd is aan iets uit de tijd dat alles nog goed was. Soms via de meest kronkelige gedachtenassociaties. Alle voorwerpen in huis dateren van die tijd. De herinneringen die eraan vastzitten dateren ook van die tijd. Dat leidt tot het gevoel dat er iets niet klopt. De huidige situatie vloeit niet uit de voorafgaande voort, breekt daarmee. Dus kan het niet kloppen. Het kan niet waar zijn. En dat gevoel wordt nog versterkt doordat niemand weet wat de ziekte precies is. Hoe moet je in vredesnaam een ziekte accepteren die niemand kent? Een bekend fenomeen: mensen kunnen zich pas schikken in hun lot als hun ziekte een naam heeft.
Aan de overkant van de straat wordt gewerkt in een huis dat onlangs gekocht is door een jong stel met een kind. Hoe vertrouwd is mij niet het holle geluid van werkzaamheden in een nog lege woning. En hoe triest is het om te weten dat je dat niet samen nog eens gaat meemaken.
Horror vacui
Ik schrijf zeer onregelmatig in een soort dagboek. Tot voor kort begon ik vaak te schrijven over het weer of een gebeurtenis in het dagelijks leven. Dan kwam er vanzelf wel iets achteraan dat belangrijker was. Die omweg is niet meer nodig. De urgentie in ons dagelijks bestaan is zo groot geworden dat ik eerder over mijn woorden struikel dan dat ik naar ze moet zoeken. Ik probeer de huidige situatie te beschrijven: bungelend tussen verleden en toekomst. Nee, dat is het niet helemaal. Zwevend tussen een verleden waar ik zowel blij als melancholiek van word en en een toekomst die eigenlijk niet bestaat omdat hij aan mijn greep ontsnapt, geen vorm meer heeft.
Tot voor kort kon ik de toekomst redelijk in kaart brengen. Of het klopte is iets anders, maar ik kon zeggen: over vijf jaar zijn we daar en over tien jaar misschien daar. Dat kan ik niet meer zeggen, zelfs niet met een heleboel misschiens. Dat is de horror vacui. Die heb ik nooit zo gevoeld als nu. Ik heb altijd ideeën over de toekomst gehad. Soms waren dat romantische dromerijen, soms waren dat realiseerbare toekomstplannen, soms kwam van het eerste het tweede. Veel daarvan heb ik samen of alleen gerealiseerd. En daar ben ik blij om. Het hebben van toekomstplannen is altijd een van mijn redenen van bestaan geweest. De onmogelijkheid van toekomstplannen, iedere dag je leven opnieuw moeten uitvinden, je moeten laten bepalen door wat er op je bord komt, is mij tot nog toe bespaard gebleven en is mij feitelijk wezensvreemd. Terwijl ik toch ook altijd het beeld van de tevreden bejaarde op mijn netvlies heb gehad. Iemand die de wereld om hem heen met mildheid beziet, die veel leest en naar mooie muziek luistert, maar op afstand staat van het wereldse rumoer. Dat leek me een mooie toestand om tegen het eind van het leven in te verkeren. Inmiddels weet ik beter. Die toestand bestaat niet als je betrokken bent bij je naasten. Dat kinderen en kleinkinderen dat serene gevoel in de war kunnen sturen, had ik mij niet bedacht. De mogelijkheid dat er iets met je geliefde zou kunnen gebeuren waardoor je hele leven op zijn kop wordt gezet bestond gewoon niet in mijn brein. Eigenlijk ben ik voor het eerst van mijn leven in een situatie terecht gekomen waar ik geen antwoord op heb, die altijd buiten mijn denkkaders heeft gelegen want het terrein van melodramatische tearjerkers. Terwijl, als er iets in het leven is dat je kunt voorzien, is dit het wel.
Het ware Frankrijkgevoel
Gebiologeerd volg ik het nieuws rond de Franse parlementsverkiezingen. Vijf jaar woon ik al niet meer in Frankrijk, maar de politiek in dat land boeit me oneindig veel meer dan de Nederlandse. Dat heeft niets met het democratische gehalte van die politiek te maken, noch met de kwaliteit van het politieke debat. Het is vooral het theatrale, de dramatiek. Alsof je naar een Griekse tragedie aan het kijken bent. Dat alles dik onderstreept door de politieke commentatoren die er niet genoeg van lijken te krijgen om de sinds afgelopen zondag ontstane situatie als nog nooit vertoond, ongehoord en als een nachtmerrie voor de president te karakteriseren. Er zal sprake zijn van een totale verlamming van het parlement. En dan gaat het over een situatie die binnen het Nederlandse systeem als comfortabel zou gelden. Ga maar na: een regeringspartij die 42% van de zetels in de kamer heeft en die te maken krijgt met een oppositie van klassiek rechts (11% van de zetels), een links samenwerkingsverband (24%) en extreem rechts (15%). Een coalitie is zo goed als uitgesloten, maar per onderwerp zouden er onderhandelingen gevoerd moeten worden met minstens een van de oppositiepartijen om een meerderheid te krijgen. Een van de politieke commentatoren merkte na het bekend worden van de uitslagen droogjes op dat Frankrijk van een presidentiële naar een parlementaire democratie zal opschuiven. Dat lijkt logisch, maar is dat iets minder voor de Franse politici. Wie wel eens een zitting van de Franse Assemblée (de Tweede Kamer) heeft gezien zal vermoedelijk net zo als ik ontsteld zijn geraakt van het niveau van het politieke debat aldaar. De minister houdt zijn betoog en probeert boven het geschreeuw en gejoel van de oppositie uit te komen. Een aanfluiting voor de democratie denk je dan, maar voor de Fransen een vertrouwd schouwspel. Dan is het niet zo vreemd dat slechts 46% van de stemgerechtigden de dringende behoefte heeft gevoeld om naar het stemhokje te komen, waarvan nog eens 5,5% blanco heeft gestemd. Misschien een beetje kort door de bocht, maar je zou dus kunnen zeggen dat het huidige politieke systeem maar door 40% van de bevolking onderschreven wordt. Maar eigenlijk zelfs die niet, want die hebben er afgelopen zondag voor gezorgd dat de Franse politiek op de schop zal moeten. In het oude normaal kende Frankrijk feitelijk een tweepartijenstelsel. Je had de Parti Socialiste (PS) en klassiek rechts waarvan de partij voortdurend van naam veranderde. En het was bijna altijd een van deze twee partijen die een absolute meerderheid in het parlement had. Het kwam wel eens voor dat de parlementaire meerderheid niet dezelfde kleur als de president had. Dan brak er een periode van ‘cohabitation’ aan met bijvoorbeeld een rechtse president en een linkse regering. Een nachtmerrie voor de president die opeens niet meer over een regering en parlement van ja-knikkers beschikt, maar vaak een weldaad voor het land. Het verging Frankrijk zelden zo goed als onder de regering Jospin (PS) tijdens het presidentschap van Jacques Chirac (RPR, rechts).
Bezien vanuit een land als Nederland dat uitsluitend coalitieregeringen kent en zelfs een proces van tien maanden om een werkbare parlementaire meerderheid te krijgen, zou je je kunnen afvragen ‘Où est le problème?’ Maar dat is buiten de politieke traditie van het land gerekend. En vooral buiten de hartstochten waarmee die politiek bedreven wordt. Frankrijk gaat spannende tijden tegemoet met ongetwijfeld heel wat broeder-, zuster- en vadermoorden. Zo heeft oud-president Sarkozy als een ware Brutus zijn eigen politieke bakermat verraden voor de huidige president Macron. Shakespeare is in de Franse politiek nooit ver weg.
Ictus
Ooit van een ictus amnésique gehoord? Vast niet. Letterlijk betekent het een amnesische slag of stoot. Van een TGA dan? Ook niet hè? Dat is goed Nederlands voor een transient global amnesia. Een tijdelijk algemeen geheugenverlies. Dat klinkt toch tamelijk normaal. Zoiets kan je toch overkomen? Dat hebben we allemaal toch wel eens, dat we even niet meer weten wat we ook alweer op gingen halen? Ja, maar dat is dus geen ictus of TGA. Een TGA is een uiterst zeldzaam fenomeen. Je weet korte tijd – dat kan een uur zijn, maar ook een halve dag – helemaal niet meer waarom je op een bepaalde plek bent en hoe je daar gekomen bent, wat je daar aan het doen bent en waarom. Als er iemand in je nabijheid is, stel je die ook voortdurend die vragen: waarom ben ik hier, wat doe ik hier, hoe ben ik hier gekomen? Voor de rest gedraag je je helemaal normaal. Er is niets bijzonders aan je te zien, je bent niet duizelig, je valt niet om, alleen je bent er wel, maar ook weer niet. Je hersens zijn gewoon even helemaal leeg. Je hebt een staat bereikt die sommige mensen na vele jaren oefenen in mediteren misschien ooit bereiken zullen. Een soort zalige onnozelheid die alleen maar prettig zou zijn als je er zeggenschap over hebt. Maar dat is het nou net, het gebeurt totaal onverwachts en je kunt het ook niet stoppen. Wie je er erg blij mee maakt is je arts. Want: a) hij/zij heeft het waarschijnlijk nog nooit eerder bij de hand gehad, b) hij/zij zal je na raadpleging van de vakliteratuur kunnen vertellen dat het absoluut goedaardig is en dat je er ook niets aan over kunt houden, c) hij/zij kan je vertellen dat je niet bang hoeft te zijn dat het je nog eens overkomt want recidive is uiterst zeldzaam. Tenslotte zal de arts je desgevraagd kunnen meedelen dat je niet hoeft te zoeken naar oorzaken, want die zijn niet bekend. We hebben hier te maken met een zogeheten idiopatische aandoening. Met andere woorden: het verschijnsel is bekend maar we weten niet wat de oorzaak kan zijn. Ik vind dat een fantastisch woord, idiopatisch. Een quasi wetenschappelijke term voor we-weten-het-niet-en-eigenlijk-is-dat-niet-erg. Heel geruststellend. Nee joh, niks aan de hand, het is gewoon idiopatisch.
Tot zover mijn populair wetenschappelijke resumé van de TGA. Dat ik niet opgeschreven zou hebben als ik niet hoogst persoonlijk daar een nieuwe vorm van had uitgevonden: de RTGA, de recurrente transient global amnesia. Dat zeg ik niet als medische wetenschapper – want dat ben ik niet – maar als ervaringsdeskundige. En wat voor een! Ik heb in mijn eentje meer TGA’s gehad dan een huisarts naar alle waarschijnlijkheid ooit in zijn/haar praktijk zal zien. De eerste keer gebeurde het me met twee glazen wijn in mijn handen. Ik kwam daarmee de eetkamer binnen en vroeg aan mijn vrouw, Jacqueline, waarom ik daarmee liep en trouwens, vroeg ik, wat doet hij hier, ik weet wel wie dat is maar waarom is hij hier? Niet erg beleefd om zo over een gast te spreken. Na enig heen-en-weer bellen heeft Jacqueline mij naar het ziekenhuis twintig kilometer verderop gereden. Ik heb die afstand nog nooit in zo’n korte tijd afgelegd. We waren nog maar nauwelijks vertrokken of we waren al aangekomen. Mijn tijdsbesef was even helemaal weg. In het ziekenhuis vroeg de dienstdoende arts mij wat er aan de hand was. Ik zei daar geen idee van te hebben en dat ik juist daarom bij hem was. Voor de rest heeft Jacqueline het woord gedaan terwijl ik mij al die aandacht als een klein kind liet welgevallen.
De tweede TGA was een heel kortstondige. Ik stond in ons huisje in Zuid-Frankrijk in een rots te hakken toen ik mij weer de vraag stelde wat ben ik aan het doen en waarom? Behoorlijk existentiële vragen waarvan het normaal gesproken geen kwaad kan als mensen zich die wat vaker stellen, maar in dit geval ging het wel over erg concrete zaken als bijtel, hamer en rots.
De derde keer was het goed raak. Ik was op een feest in een uitspanning ergens in de bossen bij Hilversum toen ik aan de vrouw met wie ik aan het praten was vertelde dat er iets raars in mijn hoofd gebeurde en haar vroeg of ze mij kon vertellen waar ik was en waarom en hoe ik daar gekomen was. Ik zag wel een paar bekende gezichten maar was niet in staat die in een zinvol verband te zien. Chaos kortom. Een dag later was alles weer min of meer op zijn plaats. Wat mij wel duidelijk werd van zo’n TGA, was dat sommige gaten in het geheugen niet meer opgevuld worden. Je zou bij wijze van spreken rond het moment van de amnesische stoot een moord kunnen plegen zonder je daar iets van te herinneren. Maar je zou ook minder ingrijpende dingen kunnen doen, maar waar je je achteraf toch erg voor zou schamen. Dat is een akelige gedachte. Niemand heeft me daar nog iets over verteld, dus misschien is het meegevallen.
De vierde en vooralsnog laatste keer vond plaats in Amsterdam. Achteraf wist ik nauwelijks meer hoe ik daar gekomen was (per trein vanuit Zutphen). Van de dag zelf die ik met vrienden heb doorgebracht en de terugreis had ik niet meer dan vage herinneringen.
Uiteraard ben ik later al of niet met de neurologe alle mogelijke triggers voor zulke aanvallen van geheugenverlies nagegaan. En als je maar lang genoeg graaft vind je altijd wel ergens een emotionele schok of iets dergelijks. Maar nee, het heeft er allemaal niets mee te maken. Ik ben gewoon een zeldzaam geval. Nog veel zeldzamer dan genieën van welke soort ook. Dat heeft wel iets.
Een scheet in de ruimte
Het woord futiliteit zeurt door mijn hoofd als een jankende grammofoonplaat met een barst. Het woord hecht zich vast aan een gevoel dat mij de laatste tijd regelmatig bekruipt: dat wat ik ook doe, het allemaal niet meer voorstelt dan een scheet in de ruimte. Wat maakt dat nou uit, zou je kunnen zeggen. Als je er maar gelukkig mee bent. Maar op het moment dat je het gevoel hebt dat niets wat je doet ertoe doet, dat je alleen maar bezig bent jezelf bezig te houden … Het minst futiel zijn bezigheden als boodschappen doen, huis schoonmaken en onderhoud aan het huis plegen. Dat zijn dingen die gewoon moeten en waarbij je je niet hoeft af te vragen welk groter doel je ermee dient. Het proberen de tuin in stand te houden is al dubieuzer. Want waarom eigenlijk? Laat het ongedierte zijn gang gaan en zie wat erover blijft. Een soort microdarwinisme. Maar met foto’s uitzoeken, een boek of columns schrijven, vinyl digitaliseren wordt het pas echt ingewikkeld. Wie zit daar op te wachten? Op de hoogte blijven van wat er in de wereld gebeurt? Word ik daar blij van? Dient dat enig doel? Je moet je geest scherp houden om op een goede manier oud te worden. Dat is tenminste iets: het risico verkleinen dat ik een mezelf herhalende demente zeurkous word, waarmee ik voorkom dat ik anderen tot last ben.
Ik wil al een tijdje een column schrijven over mijn ambities van weleer. Ik herinner me een gesprek van zo’n dertig jaar geleden. Ik had toen de leeftijd waarop je normaal gesproken aan de tweede helft van je leven begint. Een mooi moment voor bezinning. Ik zat in een fauteuil voor een open haardvuur in Harare. De vrouw des huizes vroeg mij wat ik met mijn leven wilde. Wat wilde ik bereiken? Ik antwoordde haar dat ik mij voorstelde van mijn leven een kunstwerk te maken. Ik had niet zoiets als een alles overheersend doel voor ogen, nee, ieder beleefd moment zou de uitdrukking zijn van het grotere geheel: het kunstwerk mijn leven.
Wat een tomeloze arrogantie. Andere mensen vechten om groter, meer, beter, hoger, om beroemd te worden, of om gewoon te overleven. Niet ik, ik werkte dagelijks aan mijn enige, unieke kunstwerk, namelijk mijzelf. Die ene regel van Neruda – Ik beken ik heb geleefd – kende ik toen al. In hoeverre die bijgedragen heeft tot deze pedanterie weet ik niet. Wat hierbij hoort is de door mij lang gekoesterde idee dat ik ieder moment op mijn leven zou moeten kunnen terugkijken met de constatering dat ik het goede gedaan heb. Wat een lariekoek! Alsof je na tien jaar op dezelfde manier terugkijkt als na twee dagen. Al met al moet ik zoveel jaren later vaststellen dat mijn persoonlijke levensfilosofietje in duigen is gevallen en dat ik nauwelijks meer een toetssteen heb om te kijken of iets nuttig of futiel is. Of om te weten of ik er gelukkig van ga worden. Maar dat is weer een ander verhaal.
“The Day …”
Don McLean zong ooit “The Day The Music Died”. Gisteren – 6 januari 2021 – hadden we bijna “The Day That The American Democracy Died”. Door de Vietnam-oorlog en veel dat sindsdien gebeurde was het morele tegoed van de VS al niet zo groot meer, hoewel presidenten als Carter en Obama het weer een beetje opgevijzeld hebben. Maar door dit slotstuk op vier jaar Trumpisme gelooft niemand meer in de hoogstaande morele waarden van de grootste democratie. Dat hakt er wel in. Ik bedoel: we leven in een in veel opzichten onveiliger wereld dan pakweg vijftig jaar geleden. In ieder geval realiseren we ons meer hoe onveilig die wereld is. Richard Nixon kon destijds de rit niet uitzitten, maar vijftig jaar later kan een aanzienlijk gevaarlijker gek ongestoord vier jaar de hoofdbewoner van het Witte Huis blijven. Dat doet iets met me. Vijftig jaar geleden geloofde ik stellig in een betere wereld. Dat vertrouwen is inmiddels verdwenen. Ik denk dat ik door dat vertrouwen het soort keuzes in mijn loopbaan kon maken die ik gemaakt heb. Ik vermoed dat, als ik destijds de wereld als fundamenteel onveilig en zelfs vijandig had ervaren, ik veel egoïstischer in mijn keuzes zou zijn geweest. Of veel radicaler. Als er niets te verliezen valt ga je waarschijnlijk eerder voor het grote geld óf de revolutie. Wie gaat er nou in zijn eentje zijn vinger in die dijk houden? Als ik me niet vergis, is dat wat je bij de millenials ziet gebeuren: radicaliseren ter rechterzijde en aan het eigen hachje denken. Solidariteit kunnen we wel aan de ouderen overlaten.
Persoonlijk vind ik dit een angstaanjagende wereld waaruit ik me het liefst zou terugtrekken door een eigen wereldje te creëren. Maar omdat ik twee generaties na mij heb kan ik me er niet helemaal aan onttrekken en maak ik mij ongerust.
Tussen acceptatie en berusting
Op 4 augustus heb ik mijn vorige stukje op mijn blog gezet. Ik voel mij bijna verplicht om me voor dit interval van ruim drie maanden te verantwoorden. Bijna. En ik doe het niet. Ik zou trouwens ook niet goed weten waarom ik lange tijd geen zin had om een stukje te schrijven. En ik heb nog minder zin me daarin te verdiepen. Blijkbaar vond ik dat ik iets beters, leukers, dringenders, belangrijkers te doen had. En diegenen die denken dat ik misschien wel in een tomeloos diepe covid-gegenereerde depressie was terechtgekomen kan ik geruststellen. De helft van de tijd zat ik in onze eigen tuin van Eden gelegen in een paradijs dat zich uitstrekt van de Pyreneeën tot de Middellandse Zee. Inmiddels is dat paradijs niet meer zo toegankelijk en kunnen wij ons Eden niet meer bereiken, maar gelukkig komt dat niet door de zondeval en is een terugkeer naar het paradijs op termijn nog mogelijk.
Maar waar ik het eigenlijk over hebben wilde is een droom. Ik droom best vaak, misschien zelfs wel iedere nacht, maar me mijn dromen herinneren, ho maar. Ja, behalve die ene repeterende droom dan, maar daar ga ik niet over vertellen want dan zult gij lezer mij onmiddellijk psychiatrische hulp adviseren. Overigens heb ik die droom niet meer. Nee, het gaat over een heel andere droom. Eigenlijk herinner ik me van die droom niets meer, maar werd ik midden in de nacht wakker met een zin uit die droom waarvan ik dacht: zóó, dat is diepzinnig. Meestal ben ik zo’n fragment de volgende ochtend vergeten en weet ik alleen nog dat ik iets wilde onthouden. Maar deze keer wist ik ’s ochtends nog steeds wat ik wilde onthouden.
Ik bevind mij in het schemergebied tussen acceptatie en berusting.
Zo hé, dat is écht diepzinnig. Ik weet niet wie die zin tegen wie uitsprak. Misschien was hij in de tweede of derde persoon, maar dat maakt allemaal niet uit: dit was de boodschap. Welke boodschap? Sindsdien pijnig ik mijn hersens wat die zin betekent. Betekent hij eigenlijk iets? Misschien is het wel lariekoek. Uiteindelijk ben ik geneigd tot het laatste. Ik geloof niet zo in diepere wijsheden of waarheden die in dromen verborgen zitten. Natuurlijk, als je vaak angstdromen hebt, zegt dat iets over je psychische toestand, maar dat wist je waarschijnlijk zonder die dromen ook wel. Maar toch. Kan het zijn dat ik iets met de woorden berusting en acceptatie heb? Gaat het over het huidig tijdsgewricht? Covid-19, Trump? Is er eigenlijk wel een gebied tussen acceptatie en berusting? Of is dat zo vliesdun dat er niet eens licht tussendoor kan schijnen?
Vannacht droomde ik dat ik een Zwitsers zakmes op straat vond. Nu heb ik een hele geschiedenis met Zwitserse zakmessen. Ik ben ze altijd kwijt als ik ze nodig heb en dan koop of krijg ik weer een nieuwe. Ik heb er nu drie in omloop, maar vraag me niet waar ik ze heb. Dus zo’n droom over een Zwitsers zakmes dat zegt wel wat. Of eigenlijk, is dat wel zo? En wat dan? Moet ik toch nog eens over nadenken.