En wat doe jij tegenwoordig? Nog steeds in de …?’
‘Niet helemaal, ik werk tegenwoordig daar en daar.’
‘Bevalt het je?’
Etc.
Zo begonnen vroeger vaak gesprekjes met mensen die ik een tijd niet gezien had. Met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd veranderde dat. De eerste jaren nog niet zo want – behalve dat ik maandelijks pensioenuitkeringen op mijn bankrekening kreeg – mijn dagelijkse werkzaamheden bleven grotendeels dezelfde d.w.z. snoeien, maaien, harken, schilderen, boodschappen doen en de hond uitlaten, op de laatste twee na ook wel te omschrijven als onderhoudswerkzaamheden. Na de verkoop van ons veel te grote pand en onze veel te grote tuin alweer bijna vier jaar geleden, ligt dat allemaal heel anders. Maar inmiddels is ook de vraag veranderd. Een gepensioneerde vraag je niet wat hij doet, maar wat hij zoal doet. De vooronderstelling is dat je niet langer serieuze arbeid verricht, maar dat je je tijd vult met allerlei bezigheden, variërend van vrijwilligerswerk tot theaterbezoek. Als mij gevraagd wordt wat ik zoal doe, voel ik mij altijd een beetje gegeneerd. Ik moet mij rechtvaardigen. Nietsdoen kan niet, me uitleven in hobby’s (het woord alleen al!) is te armetierig, kortom ik moet een serieus antwoord hebben, zo een waarop de vraagsteller kan reageren met een : ‘Goh, interessant!’ of ‘Altijd al gedacht dat je daarin verder zou gaan.’ Maar niets van dit al. Ik mompel wat over het feit dat ik mijn tijd over drie woonplaatsen verdeel en dat me dat weinig mogelijkheden geeft tot enige activiteit met lange adem. Ik ben jaloers op kunstschilders, schrijvers, musici, kortom op mensen die, als hun lichamelijke capaciteiten het niet begeven, tot het eind door kunnen gaan met waar ze van begeesterd zijn. Ook een filosoof kan, zolang hij of zij niet dement wordt, doorgaan met filosoferen. Als je de Franse filosoof Finkielkraut weer eens een enormiteit hoort beweren, kun je dat spijtig vinden, maar hij is er met zijn zeventig jaar vast blij mee dat er nog steeds mensen naar hem luisteren.
Intussen vind ik helemaal niet dat ik niets doe. Ik heb het dan niet over bioscoop- en museumbezoek. Te zien aan de medebezoekers is dat een van de voornaamste bezigheden van gepensioneerden. Ik heb het ook niet over golfen en bridgen want dat doe ik niet. Maar ik ben wel nog steeds bezig mijn nieuwe woonplaats te leren kennen. Goed, ik woon al twee-en-een-half jaar in Zutphen, maar daarvan heb ik misschien net iets meer dan een jaar er feitelijk doorgebracht. Dat leren kennen geldt ook de omgeving, dus er wordt heel wat afgefietst en gewandeld. Dan heb ik van boodschappen doen een sport gemaakt: door listig inkoopbeleid en dito voorraadbeheer probeer ik zo veel mogelijk kortingen te scoren. Voorts digitaliseer ik: ik heb duizenden negatieven en dia’s die ik stukje bij beetje in scan. Ik denk daar de mensheid enorme diensten mee te doen. Volgens mijn levensgezellin valt dat nogal mee. Zo kan ik nog wel even doorgaan en vraag me dan af waar ik in godsnaam de tijd vandaan haal om een boek te lezen, een plaatje te draaien of het nieuws te volgen. Dat laatste kost me alleen al een paar uur per dag. Ik vind namelijk dat ik het nieuws in zowel Nederland, Frankrijk als Brazilië moet bijhouden.
Vervolgens ben ik algauw drie maanden of meer per jaar in ons piepkleine huisje tussen de wijngaarden en de garrigue in Zuid-Frankrijk. En daar zo kan ik u verzekeren, vindt een explosie aan activiteiten plaats. Ik zaag, ik timmer, ik stort beton, ik schilder, ik metsel, ik sleep met stenen. Bezoekers worden al moe van alleen het kijken ernaar.
En dan nog een paar maanden per jaar in Brazilië. Lig ik daar de godgeslagen dag op het strand van Copacabana? Nou nee. Maar ik stop ermee. Ik hoef me niet te rechtvaardigen. Ik mag toch wel gewoon niets doen?
Categorie archief: Ton’s blog
Lekkende vaatjes
Plaats: Oostelijke Handelskade, Amsterdam, voor de ingang van het Lloyd Hotel
Tijd: 16 februari 2020, rond het middaguur
Weer: regen en windkracht 7
Handeling: wandeling langs het nieuwe bouwen in Amsterdam
Ik kijk ongelovig naar de loods Brazilië voor mij. Het kan toch niet zo zijn dat vijfenvijftig jaar later die loods er nog steeds staat, terwijl er behalve het Lloyd Hotel nauwelijks iets herkenbaar is. Ik zie mij met bus P vanaf het Centraal station langs de Piet Heinkade naar deze plek rijden. Ik moet ergens in het midden van de loods zijn. Nadat ik uitgestapt ben loop ik eerst langs een loodsingang met stapels huiden. Het stinkt er verschrikkelijk. Ik moet iets verderop zijn in een deel vol met zakken koffiebonen. Om een mij onbekende reden moeten die van de ene kant van de loods naar de andere gebracht worden. Behalve wij – werkstudenten en nog een of twee ongeregelde jongeren – werken er een stel rauwe types die we alleen maar horen vloeken en schelden en die niet vies zijn van af en toe een robbertje vechten. Niet met ons, want wij zijn geen partij voor ze.
Voor het verslepen van de zakken krijgen wij kromme drietandige grijpertjes met een houten handvat. Je moet er wel mee om kunnen gaan, want voor je het weet heb je een zak opengetrokken en stromen de bonen door de loods. De ruwe bonken hebben daar geen last van. Met een grote zwaai gooien ze een zak op hun schouder, waar wij onhandig lopen te trekken en geen grip op het onhandelbare ding kunnen krijgen. Op een dag krijgen wij van de ploegbaas de opdracht vaatjes met een chemische substantie van de ene container in een andere te laden. Beide containers staan voor de loods op de kade. In de container die leeggehaald moet worden stinkt het verschrikkelijk. Er ligt een vloeistof met een onbestemde kleur op de bodem. Blijkbaar zijn er wat vaatjes gaan lekken. We krijgen ieder een paar handschoenen. Dat is geen overbodigheid: aan alle vaatjes kleeft een stinkende vloeistof. We hebben ongeveer tien minuten nodig om met z’n allen te constateren dat dit geen gewoon werk is, waarschijnlijk zelfs gevaarlijk en dat we daarvoor op zijn minst gevarengeld moeten krijgen. Dat het een aanslag op onze gezondheid zou kunnen betekenen deert ons niet erg. Tenslotte hebben we nog zoveel toekomst dat een paar jaar minder niet veel uitmaakt. We besluiten met zijn vieren naar onze werkgever – de Samenwerkende Haven Bedrijven (SHB)– te gaan om onze zaak voor te leggen. We lopen de kade af en via de verbindingsdam naar het gebouwtje van de SHB tussen de Sumatra- en de Javakade. Het onderhoud met de personeelsfunctionaris duurt bijzonder kort. Als wij die vaatjes niet willen opruimen, wordt dit beschouwd als werkweigering en kunnen we onze biezen pakken. Wij blijven bij ons standpunt dat wij niet betaald worden voor gevaarlijk werk. Resultaat: ontslag op staande voet.
Vijfenvijftig jaar later loop ik langs diezelfde kade waar toen die container met lekkende vaatjes stond en waar de loods nu winkels van de bekende ketens huisvest, steek ik over langs diezelfde verbindingsdam waar nu woonboten aangemeerd liggen en zie ik verderop een bekend gebouwtje. ‘Volgens mij ben ik daar ontslagen’, meld ik mijn wandelgenoten. We komen dichterbij en warempel er staat nog steeds SHB boven de ingang. Door alle omringende nieuwbouw valt mij nu op dat het gebouwtje best een interessante architectuur heeft. Gelukkig hebben de stadsvernieuwers dat ook gevonden, waardoor ik in een voor het overige onherkenbaar deel van Amsterdam toch nog mijn herkenningspunten heb.
Nooit meer huilende meisjes op de fiets
‘Een huilend meisje op de fiets’, zo luidde een stukje dat ik een jaar of wat geleden schreef (https://tonsblog.home.blog/2016/12/19/een-huilend-meisje-op-de-fiets/ ). Ik zou het bijna letterlijk kunnen herschrijven met dit verschil dat ik deze keer het huilende meisje tegemoet kwam rijden. En dat ze geen capuchon op had. Zodat ik de wanhoop niet alleen kon horen – evenals de vorige keer schreeuwde ze haar verdriet uit tegen een onzichtbaar iemand in haar telefoon – maar ook kon zien. En wat ik vorige keer alleen maar kon vermoeden, kon ik deze keer zien: grote tranen die over de wangen van een beeldschoon gezichtje sijpelden. En ook deze keer kon ik niets doen tegen de onverlaat die dit onrechtvaardige leed had berokkend, kon ik geen troostende woorden spreken. Niets, helemaal niets kon ik doen. Ik lijk wel op die 19e eeuwse dichter die zijn grote liefde in een flits in een passerende trein zag. Onmachtig de wetten die het aardse leven regeren stop te zetten. Misschien moet ik een hulpnummer instellen voor huilende meisjes die op de fiets van hun leed getuigen. En dan zou ik na ieder telefoontje van een snikkend meisje een correctie-commando laten uitrukken dat de botte lummel voor eens en voor altijd duidelijk maakt dat hij in het vervolg met zijn smerige tengels af moet blijven van lieve meisjes die in ware liefde geloven. En als de boosdoener nou een boosdoenster is? Maakt niet uit, zelfde behandeling. Ik wil geen huilende meisjes op de fiets meer zien. Ze breken mijn hart. Zij doven bij mij het laatste restje vertrouwen in de mensheid. Dat is ook de reden dat ik met mezelf heb afgesproken dat ik minimaal 90 wordt zodat ik mijn kleindochter kan helpen door deze verschrikkelijke periode die wel puberteit wordt genoemd, heen te komen. Ik zal nu reeds haar ouders adviseren om haar al op jonge leeftijd te laten bekwamen in de een of andere vechtsport zodat ze de smeerlap die haar gevoelens niet serieus neemt met een welgemikte slag of stoot onschadelijk kan maken. Maar verder gaat het wel goed met me hoor. Bedankt voor het medeleven.
Ik heb er een ontmoet!
Gisteren heb ik een antisemiet en holocaust-ontkenner ontmoet. Ik had niet verwacht dat me dat ooit nog zou gebeuren. Naïef misschien. Bij berichten over toenemend antisemitisme zit ik altijd om me heen te kijken. Waar dan? Ik merk er niets van. De laatste keer is al gauw zo’n jaar of twintig geleden. Dat was in de gemeenteraad van Saint Didier sur Arroux. Een van de twaalf raadsleden was een gepensioneerd militair die mij over de mogelijke nieuwe uitbater van het dorpsrestaurant toe siste dat dat niet mocht gebeuren omdat hij gehoord had dat de kandidaat een jood was. Hij werd tijdens de verkiezingen een jaar later niet herkozen. De uitbater kwam er wel, maar bleek overigens geen jood te zijn.
Inmiddels heb ik Saint Didier alweer ruim drie jaar geleden verlaten en is de ex-militair al jarenlang dood. Hier in Nederland hebben we natuurlijk ook extreem rechtse griezels, maar voor zover georganiseerd in politieke partijen propageren zij geen jodenhaat. Dus de ontmoeting trof mij geheel onvoorbereid. Ik ontmoette de persoon in kwestie op een nieuwjaarsborrel. Dat was niet de eerste keer dat wij elkaar zagen. We spreken elkaar de afgelopen drie jaar met een frequentie van zo’n een à twee keer per jaar. Vanaf het moment – en dat was tamelijk snel – dat ik in de gaten kreeg dat hij er – vriendelijk gezegd – wat onorthodoxe opvattingen op na hield, waren de gesprekken met hem zoiets als lopen langs de afgrond: eigenlijk wil je weg maar tegelijkertijd word je naar de rand getrokken. Iedere keer liet ik me ertoe verleiden het gesprek een kant op te laten gaan waar allerlei alarmlichten begonnen te knipperen. Met anti-Amerikanisme kun je in deze tijden van Trump natuurlijk alle kanten op, dus daarbij had ik nog niet direct iets in de gaten. Hoewel: de stelligheid waarmee hij Amerikaans ingrijpen in de Arabische wereld veroordeelde ging me iets te ver. Uitspraken dat de bevolking met tirannen als Sadam Hussein en Khadaffi beter af was, zijn inmiddels bon ton, maar toen de Russische steun aan Syrië verdedigd werd met uitspraken als ‘Ik ben een grote fan van Poetin’, begon ik toch serieus tegen te sputteren. Gelukkig hadden we een tijdlang een ander gespreksonderwerp, te weten een operatie die wij allebei ondergaan hadden en over de nasleep waarvan we enige informatie konden uitwisselen.
Maar gisteren was het dus weer zover. We raakten weer aan de praat over de internationale politiek. Hoe we er precies terecht kwamen herinner ik me niet meer, maar op een gegeven moment viel de naam Israel. ‘Illegale staat’, mompelde hij. Ik dacht eerst nog dat hij het over de bezette gebieden had, maar nee, hij had het over de staat Israel op grondgebied dat de joden zich wederrechtelijk zouden hebben toegeëigend. Ik wierp tegen dat, als we zo begonnen zo’n beetje iedere staat illegaal is want altijd veroverd op anderen en dat bovendien de vestiging van de staat Israel gebaseerd was op een toezegging van de toenmalige koloniale mogendheid dat er in Palestina een nationaal tehuis voor het Joodse volk kon komen. Mij gesprekspartner paste vervolgens de tactiek van de vlucht naar voren toe. ‘Ik zal het maar eerlijk zeggen: ik heb gewoon de pest aan joden’ en bijna in een adem door ‘en trouwens die holocaust is er helemaal nooit geweest. Dat is nooit bewezen. Die gaskamers hebben nooit bestaan.’ Op zo’n moment kun je verschillende dingen doen, maar hoe langer ik er over nadenk, nooit het goede.
Mogelijkheid 1.: Een rationeel antwoord. Je kunt zo’n waanidee met demografische gegevens weerleggen. Maar dat is gerekend buiten de troebele geesten van aanhangers van complottheorieën. De complotteerders zitten gewoon overal om de feiten te verdraaien.
Mogelijkheid 2.: Goh, dat is fantastisch nieuws! Dus al die ooms en tantes die ik dood waande, leven dus nog? Een leugen om bestwil want ik kom helemaal niet uit een joodse familie.
Mogelijkheid 3.: Persoonlijke betrokkenheid. En mijn vrienden dan die tot de tweede generatie overlevenden behoren? Je kunt het antwoord raden: Precies, overlevenden. Hun ouders zijn toch niet vermoord?
Mogelijkheid 4.: Verslagen van ooggetuigen. Van overlevenden. Ook hier zal het antwoord zijn: Precies, overlevenden. Al die verhalen zijn verzonnen.
Mogelijkheid 5.: Zwijgen en weglopen. Helpt ook niet, maar dan hoef je tenminste niet de morbide gedachtespinsels aan te horen van iemand die in zijn eigen ranzige logica verdwaald is.
Het generatiedenken
‘Geachte geboortegolf.’ Zo werden wij, eerstejaarsstudenten Politicologie, in 1964 op ons eerste hoorcollege Moderne geschiedenis toegesproken door prof. dr. Frits de Jong Edz. Dus als ik geen babyboomer ben… Jammer dat dat laatste woord het goed-Nederlandse geboortegolf heeft verdrongen, maar dit terzijde. In ieder geval, of het nu over geboortegolf of over babyboom gaat, ben ik toch minstens ervaringsdeskundige en heb op die grond recht van spreken over dat onderwerp.
Philip Huff (geb. 1984) is duidelijk geen molecuultje van de geboortegolf en dat wil hij wel laten weten ook: ‘… de gemiddelde babyboomer zit er veel warmer bij dan de gemiddelde millennial, denkt daarbij voornamelijk aan zichzelf, en schuift de problemen op het gebied van zorg, onderwijs, vergrijzing en huisvesting die hij mede heeft veroorzaakt met een glimlach of nijdig door naar volgende generaties’ (nrc.nl, 29/11/19). Herken ik mij in dit beeld? Als ik wel eens een kop koffie in een grootstedelijk café drink en ik zie daar overduidelijke millennials uitgebreide lunches weghappen, denk ik ‘Goh, dat is toch wel heel anders dan toen ik in de jaren zestig misschien wel eens een gevulde koek naast mijn koffie in de universiteitskoffiekamer durfde te nemen.’ Later, toen ik een heus salaris verdiende, ging ik wel eens tussen de middag naar een koffiehuis in de Kerkstraat waar ik – o schandelijke luxe – een broodje warm vlees bestelde dat ik dan in de atmosfeer van formica tafeltjes en natte winterjassen met smaak oppeuzelde. Maar nu moet ik mij schamen dat de gemiddelde babyboomer er veel warmer bij zit dan die tobberige millennial die al lunchend alle door ons veroorzaakte problemen met zijn glaasje witte wijn of Belgisch speciaalbiertje moet doorspoelen. Ik geef toe dat ik van de millennial nu een even grote karikatuur maak als Huff van de boomers. Ik zie ook wel dat het niet lollig is om met een kolossale studieschuld als kapitaal de woningmarkt te betreden. Ik betrok in 1968 op 22-jarige leeftijd een alleraardigst woninkje in een prettige buurt vlakbij de veelbeschimpte grachtengordel voor zegge en schrijve fl 53,40 per maand. Laat dat nu ongeveer 115 € zijn, zelfs voor het drievoudige is dat woninkje niet meer te huur. Sterker nog, zulke woninkjes zijn er helemaal niet meer, want inmiddels verbouwd tot peperdure appartementen. Een studieschuld heb ik nooit opgebouwd. In de eerste plaats was studeren in die tijd spotgoedkoop en de kamerhuur varieerde omgerekend ruwweg tussen de 100 en de 200 Euro. Als je ouders dat niet konden of wilden betalen, kon je met een part-time baantje nog wel rondkomen. Mijn ouders betaalden mij tussen de vijf- en zeshonderd Euro en daar kon ik het aardig mee redden. Ik was wel jaloers op de beursstudenten want die kregen aanzienlijk meer. Na een paar jaar studie wilde ik geen geld meer van mijn ouders aannemen en ben toen een echte werkstudent geworden. Dat heeft mijn studieduur aanzienlijk verlengd. Uiteindelijk ben ik pas in 1978 afgestudeerd – ik had toen al jarenlang een goedbetaalde baan – samen met wat beschouwd wordt als de laatste rimpeling van de geboortegolf. Op dat moment was in mijn studierichting (sociologie) in Amsterdam de gezamenlijke afstudeerceremonie afgeschaft omdat de versafgestudeerden veelal per direct de uitkering ingingen, wat niet direct een reden voor feestvreugde was. Wat wel gebeurde was dat het hoofd van het Sociologisch Instituut mij bij het overhandigen van de bul bijna verlegen vroeg of ik misschien enig perspectief op een baan had. Toen ik hem vertelde dat ik a) al een baan had en dat ik die b) binnenkort ging verlaten omdat ik een leukere baan had gevonden, sprong hij bijna een gat in de lucht. Eindelijk weer een nieuwe drs die ook nog aan de slag kan. Om te zeggen dat het cliché dat wij babyboomers het maar gemakkelijk hadden omdat de banen voor ons immers voor het oprapen lagen, gewoon niet klopt.
Maar niettemin zitten we er nu warmpjes bij vergeleken bij de millennials. Vindt Huff. Maar hoezo? De boomers zijn pensioengerechtigd, maar geeft ze dat allemaal het echte Zwitserleven gevoel? De VUT, die werknemers in staat stelde op hun zestigste op hun lauweren te gaan rusten werd afgeschaft in 2005, het jaar dat de eerste boomers zich voor die regeling konden gaan aanmelden. Een jaar eerder al schafte het ABP de regeling af waarbij pensioengerechtigden 80% van het laatstverdiende inkomen kregen. En was het zo dat de hele generatie geboortegolf arbeidscontracten voor onbepaalde duur – de zogeheten vaste aanstelling – kreeg? Nee hoor. Het stierf van de mensen die arbeidscontracten voor bepaalde tijd aaneenregen met alle onzekerheid van dien. En waren de pensioenrechten overal prima geregeld? Ik heb in de jaren zeventig en tachtig bij verschillende instellingen in de zorg en welzijn sector gewerkt waar nog geen collectieve pensioenvoorziening was. Dus goed geregeld dat pensioen van mij? Maar wij boomers waren deels optimistisch gestemd. Onze ouders wisten altijd zo opwekkend te zeggen: ‘Kijk maar uit jij, jij hebt de crisis c.q. oorlog niet meegemaakt.’ Daar zat wat in. Wij wisten dat al die individuele verzekeringen die onze ouders voor ons hadden afgesloten uiteindelijk niet veel meer waard waren dan het papier waarop ze geschreven waren. Dus misschien gingen wij wat al te nonchalant met onze toekomst om: het kon toch alleen maar beter worden? En zo nodig zou de revolutie definitief een einde maken aan al dit soort triviale zaken. Dus om nu te zeggen dat wij onze schaapjes allemaal keurig op het droge hebben …
De enige reden die ik kan bedenken waarom de millennials zieliger zijn dan de boomers is de woningmarkt. Hoewel. Hoeveel zieliger is iemand die geen huis kan kopen omdat de bank je geen hypotheek geeft dan diegene die een torenhoge hypotheek met dito rente over een overgewaardeerd huis heeft moeten afsluiten?
Veel babyboomers hebben millennial kinderen (wij waren ook de generatie die het dogma kinderen krijg je voor je dertigste afschafte). Moeten wij ons verontschuldigen naar onze kinderen dat wij er zo op los hebben geleefd en niet aan hen hebben gedacht? Mij lijkt dat er maar één conclusie mogelijk is: het denken in generaties die ergens al of niet voor verantwoordelijk zijn, is onzinnig. Is de generatie van na de eerste Wereldoorlog verantwoordelijk voor de Tweede Wereldoorlog? Dat lijkt me een geschiedenisopvatting waarmee mijn prof. Frits de Jong het niet eens zou zijn geweest.
Roepend in de Sahel
Voor Burkina Faso geldt code rood, alleen voor de hoofdstad Ouagadougou geldt code oranje. De stad verlaten kan alleen met gewapende escorte. Dat hoorde ik een paar dagen geleden op de Franse radio. Wat is er gebeurd met het land waar ik in de jaren tachtig met plezier twee jaar gewerkt heb en in de jaren negentig nog twee keer ben teruggekeerd voor reportagereizen? En dat terugkeren was als het weerzien van een goede vriend. Gek genoeg eigenlijk want mijn vertrek na twee jaar verblijf in Burkina viel samen met de staatsgreep waarmee op bloedige wijze een eind werd gemaakt aan het regiem van de toenmalige president Thomas Sankara, de belichaming van de hoop van een generatie jonge Afrikanen. Ik vertrok met de eerste vlucht nadat de luchthaven weer geopend werd met het akelige gevoel dat Burkina zojuist een kans had gemist. En toen ik, respectievelijk zes en negen jaar later, terugkwam in het land, trof ik een stationaire situatie aan. Behalve het verdwijnen van het revolutionaire elan leek er weinig wezenlijk veranderd. Alleen, zo’n soort stilstand kon het land – evenals de andere Sahellanden – zich niet permitteren.
Het kan geen kwaad je eigen werk nog eens na te lezen. Zo blijk ik drieëntwintig jaar geleden geschreven hebben:
De Sahel is een gestaag wegtikkende tijdbom die na verloop van tijd bij ongewijzigd beleid explodeert. Met aanzienlijk dramatischer gevolgen dan vijfentwintig jaar geleden.
Als hoofdschuldige wees ik de westerse ontwikkelingshulp aan die het precaire evenwicht tussen veehouders en akkerbouwers verstoord heeft ten gunste van de laatsten, maar uiteindelijk ten nadele van iedereen. Ja maar, hoor ik de oplettende lezer tegenwerpen, je hebt het nu over de jaren negentig. Er is nu toch iets heel anders aan de hand? Al Qaida, IS, djihadisme, daar zit toch het probleem? Dat is deels waar, maar door de westerse ontwikkelingsconcepten zijn de veehouders het kind van de rekening geworden. Door uitbreiding van het landbouwareaal en veranderde landbouwmethoden is hun het leven onmogelijk gemaakt. Daardoor namen de conflicten tussen veehouders en landbouwers toe en waar conflicten zijn is er een vruchtbare bodem voor revolutionaire bewegingen. Kortom, de djihadisten hebben handig gebruik gemaakt van het feit dat de nomadische veehouders steeds meer in het verdomhoekje kwamen. Ik citeerde in mijn verhaal van bijna een kwarteeuw geleden een Burkinabé-consultant, die onder meer het volgende zei: De veehouders raken … daardoor gemarginaliseerd, waardoor zowel de veeteelt als de sociale rust bedreigd worden. Dat leidt soms tot ernstige conflicten. Sommige situaties worden politiek uitgebuit, hetgeen de conflicten nog verergert. … Door interventies van (westerse; TN) Ngo’s, meestal ten behoeve van de akkerbouwers, zijn latente conflicten vaak aangewakkerd.
Er is al die jaren een heel legertje roependen in de woestijn geweest dat al deze ellende zag aankomen, dat waarschuwde dat bij ongewijzigd beleid alle crises in de Sahel tot nu toe nog maar kinderspel zouden zijn vergeleken bij de ramp die het gebied onvermijdelijk zal gaan treffen. Het is niet moeilijk in te zien dat de migratie vanuit Afrika naar Europa proporties zal gaan aannemen die de huidige aantallen zullen doen verbleken. En inderdaad, daar hebben we dan een belangrijke bijdrage aan geleverd. Het djihadisme in de Sahel had een voedingsbodem nodig. Dat heeft het gevonden in de marginalisering van de nomadische veehouders door gemakzuchtige ontwikkelingspolitiek.
Terug
Twee dagen na onze terugkeer in Nederland werd Lula vrijgelaten. Er waren mensen die daar een causaal verband in zagen, maar dat moet ik ontkennen: zo ver strekt mijn invloed niet. Ik wil dan ook maar meteen duidelijk maken dat ik geen fervent aanhanger van ex-president Lula ben. Uit betrouwbare bron weet ik hoezeer de man uit oogpunt van electoraal gewin de Braziliaanse economie aan de rand van de afgrond heeft gebracht. Daar staat tegenover dat onder zijn bewind de armen een beetje minder arm zijn geworden en wat meer kansen hebben gekregen, de branden in Amazonië enigszins werden teruggedrongen en de misdaadcijfers naar beneden gingen. De huidige president daarentegen is bezig het land in ecologisch opzicht te verruïneren, de ongelijkheid te vergroten en gewapende milities ruim baan te geven. Een optelsommetje maakt het niet moeilijk uit te maken wie van de twee het minst erg is. Dat Lula een misdadiger als de Venezolaanse president Maduro de hand boven het hoofd houdt, maakt die keuze niet leuker, maar zolang hij hem nog niet met wapens wil steunen is dat altijd nog minder erg dan een president die de inheemse bewoners van Brazilië feitelijk ter dood veroordeelt omdat ze niet modern genoeg zijn.
Wat ik hier eigenlijk mee wil zeggen is dat ik er de pest in heb dat, nu er vermoedelijk belangrijke dingen in Brazilië staan te gebeuren, ik weer terug ben in Nederland. Had dit niet één of meer maanden eerder kunnen gebeuren? Want zeg nou zelf, onze eigen grote studentenrevolte van 1969, daar was ik bij, de oorlog tussen Mali en Burkina Faso, daar was ik ook bij, maar verder gebeurde er nooit niets, waar ik ook was. En het aantal landen dat ik heb bezocht en waar alle reden was voor een spontane volksopstand, een staatsgreep of iets anders ingrijpends is legio. Zelfs in de RDC wachtten ze met het vermoorden van Kabila (vader) tot ik weer verdwenen was. Ik heb er wel eens aan gedacht om me met deze staat van dienst te verhuren aan dictators: Vreest u staatsgreep of burgeroorlog? Nodig mij uit voor een verblijf in uw land. Tarief: ministersalaris inclusief premie ter hoogte van het gemiddelde bedrag verkregen door onwettige verrijking.
Terug in Nederland dus. Raar eigenlijk, want sinds een paar jaar verdelen wij onze tijd over drie landen en in alledrie heb ik bij aankomst het gevoel terug te zijn. Ja maar, hoor ik de lezer denken, er is er maar één waar je je thuisvoelt, toch?
O ja? Ik ben daar niet zo van overtuigd. Negen jaar geleden schreef ik: ‘In Nederland zou ik me met een beetje moeite wel weer helemaal thuis kunnen voelen.’ Dat was zeven jaar voordat we naar Nederland verhuisden. Nou kan het zijn dat ik die moeite niet doe, maar het feit is wel dat ik me in Nederland helemaal niet zo thuis voel. Ik schreef toen ook dat leven in Nederland voelde als leven op een dorpsplein, terwijl ik me in Frankrijk veel meer deel van een groter geheel voelde. En dat laatste gevoel heb ik in Brazilië ook: wat daar gebeurt, heeft in allerlei opzichten consequenties voor de rest van de wereld. Terwijl Nederland … als wij hier met zijn allen met de voeten in het water staan met longen vol stikstof, darmen vol PFAS en een hoofd vol XTC, dan kraait daar nauwelijks een haan naar. Jammer van die bollenvelden, klompen, windmolens en wiet, maar voor de rest? In vroeger tijden staken Nederlandse boeren ook al de oceaan over om aan de overkant te gaan boeren, dus dat komt wel goed. Terwijl, als het daar misgaat, dan zitten we allemaal met de gebakken peren. Misschien is een land ook niet iets om je in thuis te voelen. Misschien je buurt, je straat, je gehucht. Misschien is het thuisgevoel niet zo belangrijk. Als er maar een paar mensen zijn die het leuk vinden dat je terug bent.
Een glas caipirinha
Dit is het honderdste stukje op mijn blog. Dat ontdek ik nu pas en dat lijkt me een goed excuus om een glas capirinha op te drinken. Voorlopig mijn laatste, want …
drie maanden Rio. Ze zitten er bijna op. Over een paar dagen vertrekken vovó Joepie en Opaton naar winters Nederland. Oppas opa en oma op 17 uur reizen. Onze namen hebben we te danken aan onze ontvangst drie maanden geleden. Die gaf onze kleindochter ons spontaan. Vovó betekent oma en Joepie, tja dat is wel duidelijk lijkt me.
Eerder schreef ik dat we hier viereneenhalve maand zouden blijven, maar gelukkig realiseerden we ons tijdig dat ook dit land immigratiebepalingen kent en die staan voor Nederlanders geen verblijf langer dan drie maanden per half jaar toe. Een bereidwillige immigratiebeambte wist daar nog wel een mouw aan te passen: we konden op basis van gezinshereniging een permanente verblijfsvergunning krijgen. Dat zou zeker gaan lukken, ware het niet dat we daarvoor een gelegaliseerde verklaring van de beroemde VOG nodig hadden. De berichten over de benodigde termijn om dat voor elkaar te krijgen waren zo droevig stemmend dat we er maar van afgezien hebben. En tenslotte: drie maanden is toch ook een hele tijd. Gelukkig hebben we in die periode onze kleindochter van een kwetsbaar meisje tot een opgewekte gezonde dreumes zien worden. En daar ging het eigenlijk allemaal om.
We hebben in die drie maanden de politieke gekte in dit land zien toenemen. Als we het even niet over de president hebben, de minister van Milieu kan er ook wat van. Eerst beweerde hij dat de branden in Amazonië wel eens door de NGO’s zouden kunnen zijn aangestoken en vervolgens beschuldigde hij Greenpeace van het veroorzaken van de olieramp die de Braziliaanse kusten teistert. En hij is echt niet de enige minister hier die zo gek als een tor is. Maar inmiddels hebben we een hysterische Bolsonaro op een door hemzelf geposte video tekeer horen gaan tegen de Globo, het grootste mediaconcern van Brazilië, zijn zoon Eduardo – fractievoorzitter van de inmiddels in tweeën gescheurde presidentiële partij – horen beweren dat bij radicalisering van links wel eens teruggegrepen zou moeten worden naar de meest repressieve middelen waarvan de militaire dictatuur zich hier bediend heeft, is de relatie tussen de Bolsonaro-clan en de moord op het linkse lesbische raadslid Marielle Franco opnieuw in de schijnwerpers gekomen en heeft de president de aanval geopend op die andere grote Braziliaanse krant, de Folha de Sao Paulo. Twee maanden geleden zei ik te hopen het begin van de impeachment van Bolsonaro hier in Rio te mogen meemaken. Het zit er niet meer in, maar de president en zijn drie zoons (ze lijken in stupiditeit heel erg op de gebroeders Dalton) hebben er alles aan gedaan om dat waarheid te doen worden en ik reken erop dat zij dat na ons vertrek zullen blijven doen. Als het zover is, zal ik daar in Nederland een glas caipirinha op drinken.
Musicerende bejaarden
Vanochtend moest ik even naar de houthandel. Die zit op 20 minuten lopen van onze verblijfplaats. Voor de goede orde, het fenomeen bouwmarkt of doe-het-zelf winkel kent Rio niet en ik denk zelfs dat het in heel Brazilië niet bestaat. Je zult dus tevergeefs zoeken naar een Gamma, Karwei of Hubo. Je moet je weg zien te vinden tussen ijzerhandels, winkels voor elektrisch installatiemateriaal, voor loodgieterswaren en ga zo maar door. Dat lukt doorgaans heel aardig, maar hout is een ander verhaal. In tegenstelling tot al die andere winkels die je in de winkelstraten in de woonwijken bij bosjes vindt. Maar goed ik vond dus een houthandel op 20 minuten lopen langs de brede asfaltstrook die de scheiding vormt tussen de zee (eigenlijk een baai, Rio ligt voor het grootste deel aan de baai van Guanabara) en wonen, werken en winkelen. Dat is dus kenmerkend voor Rio: die drie functies plus de horeca vind je in de middenklasse-wijken dwars door elkaar heen. Wat Rio, behalve dat het een mooie stad is, ook tot een buitengewoon gezellige stad maakt.
In die houthandel, eigenlijk meer wat ze in Frankrijk een menuiserie noemen, dus waar ze ramen en deuren maken, vind ik het latje dat ik nodig heb. Op de terugweg hoor ik vrolijke klanken. Het blijkt een orkestje van vier heren te zijn die de opening van alweer een drogisterij luister bij zetten. Dit behoeft enige uitleg. Ik krijg namelijk de indruk dat ieder winkelpand dat hier vrijkomt ingenomen wordt door een nieuwe drogisterij en dan meestal niet zo’n kleintje ook. Meer een paramedische supermarkt. En bovendien: er zijn er al zo veel. Het is niet moeilijk een plek op straat te vinden vanwaar je met een draai van 360° vier drogisterijen in het vizier krijgt. Wat mankeert de Brazilianen dat ze zoveel medicijnen nodig hebben (zoals in Frankrijk de pharmacie zijn de drogisten hier tegelijk apotheken)? Ik heb daar voorlopig nog geen antwoord op. Dat is het aardige van het vertoeven in verre streken: hoe langer je ergens woont, hoe groter het aantal vragen waarop je geen antwoord hebt. Met andere woorden: de vanzelfsprekendheden van het dagelijks leven worden onderuitgehaald.
Maar goed, die vier musicerende mannen voor de nieuwe drogisterij dus. Een trombonist, een trompettist en twee slagwerkers. Allevier de zestig gepasseerd. Het deed me denken aan de ‘krasse knarren’ verhalen die ik uit Nederland hoor. Hofjes voor 65+-ers. “Daar wil ik nog niet dood gezien worden”, riep ik in een vlaag van opperste arrogantie uit. Een slimmerik zou kunnen antwoorden “Maar dat is ook juist de bedoeling”. Ik denk dat voor deze vier mannen zo’n discussie tamelijk steriel is. Ik denk niet dat er zelfs maar een van hen zal zeggen: “Dat ik werk terwijl ik al in de AOW zit, wil niet zeggen dat ik zielig ben”. Weliswaar is er een prachtige pensioenregeling in dit land, maar die geldt alleen voor ambtenaren. Een té mooie regeling – op je vijftigste met pensioen met behoud van het laatstverdiende salaris – die door mensen zoals deze musicerende bejaarden betaald moet worden. Niettemin denk ik niet dat ze zelfs maar aan het woord zielig zouden denken bij het beschrijven van hun toestand. Ook niet aan krasse knar vermoed ik. En de muziek swingde de pan uit. Lang leve de musicerende bejaarden.
Wij wonen hier tegenover een kantoorgebouw van 19 verdiepingen waarin zo’n twee- à drieduizend mensen werken. Ik sta wel eens uit het raam te kijken naar de bewegingen van al die werkenden als ze aankomen en vertrekken. Vooral rond lunchtijd is dat interessant. De meesten gaan, hun badge met lintje om de nek alsof het een bijzondere onderscheiding betreft, eten in een van de naburige restaurants, sommigen worden groepsgewijs opgehaald per bustaxi. Maar op de terugweg van mijn houthandel ontdekte ik nog een andere categorie, die door gebladerte aan mijn oog onttrokken wordt als ik vanuit onze woonkamer naar beneden kijk. Zij lopen naar een tafeltje aan de rand van het trottoir dat gevuld is met bruinpapieren zakken voorzien van een etiket met een naam erop. De lunchservice voor diegenen die blijkbaar minder riante secundaire arbeidsvoorwaarden hebben.
Rondingen
‘Brazilië is bij uitstek een “billenland” ’, schreef August Willemsen in zijn nawoord van de gedichtenbundel ‘De liefde, natuurlijk’ van de grote Braziliaanse dichter Carlos Drummond de Andrade. Voor de duidelijkheid: hij had het over vrouwenbillen, niet over mannenkontjes die tegenwoordig in ons cultuurgebied zo populair zijn. De implicatie is, lijkt mij, dat Nederland en andere Europese landen ‘borstenlanden’ zijn. Helaas kan ik daar niet meer met Willemsen over in discussie want hij is al meer dan tien jaar niet meer onder ons. Ik ben het met zijn bewering namelijk niet eens. Niet helemaal. Het is ongetwijfeld waar dat billen in Brazilië in hoger aanzien staan dan bij ons. Tenminste als je ervan uitgaat dat er een rechtstreekse correlatie bestaat tussen het ontbloten van billen en de waardering die men ervoor heeft. In dat geval levert een wandeling langs een Braziliaans strand voldoende materiaal om de adelstand van de Braziliaanse billen te erkennen. Of ze smal of breed, mager of dik, groot of klein, wit, beige of bruin zijn, billen moeten gezien worden. Maar betekent dat dat borsten lager gewaardeerd worden? Ik dacht het niet. Als we weer naar de graad van ontbloting kijken, dan levert diezelfde wandeling het onomstotelijke bewijs dat Brazilianen minstens even veel van borsten als van billen houden. Daar komt nog bij dat, waar het borsten betreft, men niet zonder meer genoegen neemt met de gaven van de natuur. Ik heb hier een onwaarschijnlijke hoeveelheid borstvergrotingen zien rondlopen. Mijn conclusie is dus dat Brazilianen van rondingen houden, of die nu boven of beneden zitten.
Ik hoor nu de lezer denken: ‘Zeg Nijzink, nou zit jij alweer meer dan twee maanden in Brazilië, wij horen en lezen hier de meest afschuwelijke verhalen over dat land en jij schrijft alleen maar over frivole zaken.’ Helemaal mee eens. Ik lees de Nederlandse kranten en weekbladen en lees daar over de rampen die zich in Amazonië voltrekken (overigens niets over de catastrofes die de Cerrado treffen, dat een veel kwetsbaarder milieu heeft met een veel grotere biodiversiteit, maar er wonen geen indianen dus dat maakt het een stuk minder sexy), over de goedkeuringen voor weer honderden levensgevaarlijke pesticiden, over de politie die sinds het aantreden van Bolsonaro tweemaal zoveel mensen neergeknald heeft als in dezelfde periode vorig jaar en dat terwijl het aantal moorden in dit land al jaren een gestaag dalende lijn vertoont. Dat soort dingen lees ik hier en ook in Nederlandse bladen, dus dat hoef ik niet nog eens over te doen. Dat van de Cerrado niet zoals ik al zei, en dat is erg, heel erg. Milieuorganisaties hier verbazen zich erover dat Europese landen bereid zijn vele miljoenen aan de bescherming van Amazonië te besteden, maar dat organisaties die zich met de Cerrado bezighouden op een houtje kunnen bijten. Misschien iets om bij Greepeace in te brengen?