Het is wel even wennen, de vlag uitsteken. Van huis uit heb ik het al niet meegekregen en door de afgelopen decennia in Frankrijk is het er niet beter op geworden. Volgens mij is vlaggen een Nederlandse specialiteit. Ik vermoed dat het werkwoord in geen andere taal bestaat. Ik vermoed ook dat de vlaggenstokdichtheid nergens zo hoog is als in ons land. Dat moet niet verward worden met het vereren van de vlag. De meeste staatshoofden wagen het niet om op het televisiescherm te verschijnen zonder de landsvlag op de achtergrond. De Amerikaanse schoolkinderen moeten dagelijks hun eed aan de vlag afleggen. In Frankrijk heeft een jaar of wat geleden een socialistische (!) presidentskandidate voorgesteld om dat ook in Frankrijk te introduceren. Toch zie je aan Franse huizen geen vlaggen wapperen op bevrijdingsdag. Misschien een paar toen Frankrijk in 1998 het WK voetballen won. In een land waar ik de afgelopen jaren regelmatig vertoef heerst een totale vlaggengekte. Bij het minste of geringste worden de vlaggen uit de kast gehaald om daarmee op straat steun aan of oppositie tegen iets te betuigen. Maar aan huizen zie je ze ook in Brazilië niet hangen. Groot was mijn verbazing toen wij een jaar of tien geleden een paar maanden in Apeldoorn woonden. Daar leek mij het vlaggen een deel van de plaatselijke folklore te zijn. Zeker in de villawijken: overal vlaggenmasten met een vrolijk wapperende driekleur en vaak nog met een oranje wimpel erbij. Ik begon mij toen af te vragen wat het vlaggen eigenlijk betekent. Wat is de drijfveer erachter? Een diepe behoefte de aanhankelijkheid aan de Nederlandse staat te tonen? De buren doen het ook, dus staat het vreemd als ik het niet doe? Het vlaggen lijkt de norm en je moet wel goede redenen hebben om het niet te doen. Persoonlijk kom ik er niet goed uit. En het probleem werd plotseling nijpend toen wij een paar jaar geleden onze nieuwe woning in Nederland betrokken en daar een vlaggenstok met oranje schijfje en de bijbehorende Nederlandse vlag aantroffen. Omdat we het eerste jaar nog een tijdje in Frankrijk bleven wonen bleef die vlag nog netjes in de hoek staan. Daarna raakte hij door allerlei interne verhuizingen zoek, maar afgelopen winter vond ik hem weer. Nu moet ik er even bij vertellen dat mijn houding tegenover het vlaggen enigszins vertroebeld is geraakt door een ervaring eind jaren zeventig. Wij woonden in een Utrechtse wijk waar je toen nog met pakweg tweemaal modaal een leuke jaren dertig tussenwoning kon kopen. Tegenwoordig kom je er voor minder dan een half miljoen niet meer terecht. Om even aan te geven wat voor soort buurt dat was: keurige mensen in keurige huizen. Op de eerste 1 mei die wij daar meemaakten vonden we het wel een goed idee om een rode vlag aan een bezemsteel te binden en die in de houder voor de vlaggenstok te schuiven. Toen wij ’s avonds van een socialistische 1 mei-viering thuiskwamen troffen wij een verkoold stukje rood textiel aan onze geïmproviseerde vlaggenstok aan. Vanaf dat moment was bij mij de animo om wat voor vlag dan ook uit te steken verdwenen. Vijftig jaar later vind ik dat ik me wel grootmoedig over dat gevoel van gekwetste eigenwaarde heen kan zetten. Koningsdag heb ik als overtuigd republikein voorbij laten gaan, maar op 4 en 5 mei hangt hij buiten. Alleen, dat oranje schijfje aan het uiteinde zit me dwars. Misschien toch een kleur geven die wat beter bij mijn republikeinse inborst past?
Coronagedachtes-2
Gisteren was ik even ontzettend kwaad. Niet het soort kwaadheid zoals op presidentiële gekken als Trump en Bolsonaro, maar een woede waarbij je het bloed uit je gezicht voelt wegtrekken, je zit te trillen en als je al zou kunnen praten, alleen maar zit te stotteren. Het kwam door een e-mail van onze vroegere tuinman toen we nog in Frankrijk woonden en daar een tuin hadden waarvoor je wel een paar extra handen nodig had. In de mail legt hij uit dat hij niet zo in het virus gelooft, dat het een manipulatie van de massa’s is om ze bang te maken en als je frequentie maar hoog genoeg is, het virus geen vat op je krijgt. En door angst zou je frequentie dalen. Bovendien zou er een verband met de 5G zijn. Zelden zag ik in zo weinig regels zoveel onzin. Van zo’n mate van stompzinnigheid en gebrek aan consideratie met al die duizenden die doodziek zijn of inmiddels al gestorven word ik ziedend. Mijn onbegrip is totaal. Hoe bestaat het dat sommige mensen alles opzij kunnen schuiven wat min of meer betrouwbare media te melden hebben en een totaal vertrouwen hebben in obscure informatiebronnen op Facebook? Wat zijn dat voor mensen die denken dat alles in deze wereld één grote samenzwering is? Wat is dat voor paranoia? We worden voor de gek gehouden! Ze vertellen ons niet alles! We worden constant bespioneerd, gemanipuleerd! En wie zijn die zij, die voortdurend het slechte met ons voor hebben? “Als bij toeval” wordt er vaak wel een lijntje met een instelling ontdekt die banden met de staat Israël onderhoudt.
Maar waarom word ik hier zo razend over? Ik weet toch beter? Mij doet ’t toch geen kwaad? Ik zou toch eigenlijk medelijden moeten hebben met deze simpele zielen die in de duisternis ronddolen? Dat is waar en in zekere zin ben ik blij dat ik nu zo’n dolende ziel ken. Onze ex-tuinman is namelijk iemand die je zonder moeite als een doodgoeie vent zou kunnen aanduiden. Hij was altijd geïnteresseerd wat er in de wereld gebeurde, had een boeddhistische vriend van wie hij wat beginselen van het boeddhisme had geleerd, hij stond altijd klaar om mensen te helpen. Alleen, toen hij in zijn afgelegen boerenstulpje toegang kreeg tot het internet gebeurde er iets. Voordien hadden wij deels de zelfde informatiebron, namelijk France Inter, de nieuwszender van de Franse publieke omroep. Qua nieuwsradio kun je niet beter hebben. Maar sinds hij op het internet kon surfen, kwam hij steeds vaker met vreemde verhalen, die steeds meer in de richting van samenzweringstheorieën gingen. Het resultaat was dat ik onderwerpen uit de dagelijkse actualiteit ging mijden. Er viel gewoon niet tegenaan te redeneren. Ik weet niet of onze ex-tuinman een typisch specimen van de silent majoriry is, van de mensen die zich niet gehoord voelen, maar tot op zekere hoogte wel, denk ik. Nooit een opleiding afgemaakt, nooit een vaste baan gehad, afkomstig uit een milieu van ongeschoolden. Aan de andere kant vonden wij dat hij het gezien zijn achtergrond goed deed. Hij klaagde nooit, was altijd goed gehumeurd en kon rondkomen met een veelheid van klusjes: tuinman dus, metselaar en timmerman, boemerangfabrikant, ‘animateur’ voor de buitenschoolse opvang, houthakker. En ik vergeet nog een paar dingen. Dat zal ongetwijfeld een deel van mijn woede verklaren. Dat zo’n aardig mens er zulke abjecte denkbeelden op na kan houden.
(26 maart)
Hoe kun je over iets anders schrijven dan het virus als letterlijk iedereen het over niets anders heeft. Dit grijpt op alle niveaus van het leven zo diep in dat alles alleen maar in relatie tot het virus bekeken kan worden. Het ene deel van de bevolking heeft zeeën van tijd , een ander deel werkt zich drie slagen in de rondte en nog weer anderen liggen voor hun leven te vechten. En dat ook nog eens overal ter wereld, hoewel op Vanuatu nog geen geval van besmetting geconstateerd schijnt te zijn. Plannen voor de toekomst kunnen niet gemaakt worden, want niemand weet hoe de wereld er over twee maanden of een jaar uitziet. Hou je je werk, kun je je huis nog betalen, leven je naasten nog, leef je zelf nog? Niemand kan iets met zekerheid zeggen. Zelfs van hen die de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt, hebben de meesten dit niet gekend. Dat is wel een raar gevoel: iets mee te maken dat de loop van de geschiedenis verandert. De val van de muur en ‘Het einde van de geschiedenis’ zullen vermoedelijk ‘minor events’ zijn vergeleken met wat deze pandemie gaat teweeg brengen. Aan de ene kant voel ik mij bevoorrecht dat ik zo’n beslissend moment in de wereldgeschiedenis kan meemaken, aan de andere kant betekent het op persoonlijk vlak veel onzekerheid en angst. Zo’n fase zal ook wel het mooiste en het slechtste in mensen doen bovenkomen. En welke kant het opkantelt? Amerika had zijn New Deal. Duitsland en Italië hadden Hitler en Mussolini.
(31 maart)
Coronagedachtes-1
Met meerdere of mindere regelmaat maak ik sinds jaar en dag dagboeknotities. De laatste tijd kunnen die natuurlijk over niets anders gaan dan over de Corona pandemie. Hier volgen er een paar.
Ik ben regelmatig boos. Boos op mensen die de ernst van de situatie niet willen inzien. Die zichzelf en anderen in gevaar brengen. Eigenlijk doen ze niet heel anders dan wanneer je met vijf glazen drank in je lijf achter het stuur gaat zitten. Ik ben boos op politici die uit electorale overwegingen niet al te strenge maatregelen willen nemen, die ons voortdurend vertellen dat die maatregelen voor de komende twee, drie weken zijn, terwijl iedereen aan zijn klompen kan voelen dat deze pandemie nog maanden gaat duren. En dan heb ik het nog niet eens over onverantwoordelijke leiders als Trump en Bolsonaro.
Ik maak me niet echt zorgen over mijn eigen besmetting. Dat is niet erg rationeel. Ga maar na: er is een grotere kans dat ik – of ieder ander – het virus wel krijg dan dat ik er van verschoond blijf. Vervolgens is er dan een paar procent kans dat ik eraan doodga. Dat betekent dat ik al gauw 1 procent kans loop om aan de COVID-19 te overlijden. Dat is minder dan bij een Russische roulette, maar nog altijd vele vele malen meer dan de jackpot in de loterij te winnen. En toch raak ik daar niet angstig van. Ingebouwde bescherming tegen een overdosis aan realisme?
(22 maart)
Strakblauwe lucht, volop bloesem in de tuin, niet één streep aan de hemel. Geen geluid buiten. Zo moet het vroeger, toen ik klein was, ongeveer geweest zijn. Het is onwerkelijk, maar in zekere zin mag het van mij zo blijven. Ik hoef niet zo nodig de stedelijke ruis of erger om me heen. Het heeft nu nog niets macabers. Als links en rechts houten kisten in en uit de huizen gedragen zouden worden, zou het anders zijn. Maar dit heeft nog niets van een doodse stilte. Het is meer de Borgesiuslaan in Amersfoort 65 jaar geleden op een mooie doordeweekse middag.
(23 maart)
Alweer een strakblauwe hemel. Het heeft iets oneerlijks. Alsof de zon de spot met ons drijft: “Jullie zitten daar beneden in de penarie. Heb ik lekker geen last van. Zie mij eens vrolijk schijnen.”
Zoals velen kijk ik in deze tijden meer naar films en series dan ik anders doe. Ik hoorde vanochtend het grapje op de radio dat ze zich bij de Franse TV ongerust maken of ze nog wel genoeg Louis de Funès films hebben om het einde van de lockdown te halen. Maar goed, film kijken leidt af van een dagelijkse realiteit die door de meeste mensen als tamelijk onaangenaam wordt ervaren. Maar het is niet zo dat je door naar de film te kijken even uit die onaangename realiteit kunt stappen. Want als er handen geschud worden, in een disco gedanst wordt of wordt omhelsd, dan lijken die beelden al uit een andere wereld te komen. “O kijk eens, wat schattig. Dat deden we toen nog.” Ondanks het verzet tegen een nare realiteit heeft een mens blijkbaar ook de capaciteit zich razendsnel aan te passen aan veranderende omstandigheden, ze zelfs normaal te gaan vinden. Er lijkt een parallel met het Stockholmsyndroom te zijn. In dit geval zijn er weliswaar geen gijzelnemers die ons onder schot houden, maar we leven wel in een situatie waarin onze bewegingsvrijheid ingeperkt is. Engelsen en Fransen spreken niet voor niets over confinement, wat toch echt opsluiting betekent. Ik moet ook denken aan mensen die na een lange ziekenhuisopname of na gevangenschap weer thuis komen en niet kunnen wennen aan het gewone leven. En de film Ida van Pawel Pawlikowski waarin de hoofdpersoon na een periode van verplichte vrijheid het verkiest naar het klooster terug te keren. En ja, ik merk dat deze semi-gedwongen afzondering iets verslavends heeft. Ik keer me mentaal af van mensen die vinden dat al die heisa over het virus sterk overdreven is, die coûte-que-coûte hun gewone leventje willen blijven leiden, die boos zijn dat hun vakantie, feestje, concert, wedstrijd niet doorgaat. Ik stel me voor hoe dat tijdens de bezetting is gegaan, met collaboratie en illegaliteit als uitersten. Als er nu mensen zijn die een feestje belangrijker vinden dan mensenlevens, dan zit je in dat spectrum toch al dicht tegen collaboratie aan. En de helden worden al als zodanig aangeduid. Maar hoe verzet je je tegen een virus als je geen arts, verpleger, politieagent of viroloog bent? Mij dunkt door je te informeren en te doen wat wijs is.
(24 maart)
Positief
Een dissel of disselboom is een balk waarmee een kar wordt voortgetrokken, dus zo’n ding tussen paard en wagen of tussen auto en caravan. Kortom een verbindingsstuk tussen krachtbron en lading. Mooi woord om overdrachtelijk te gebruiken. Wat zou je zeggen van verbinding tussen de wetenschap en het gewone volk? Of Tussen RIVM en publieke opinie? Laat nou juist prof. dr. J.T. (Jaap) van Dissel als directeur infectieziektebestrijding van het RIVM ons als leken op dit vakgebied bijna dagelijks toespreken over hoe het nou precies zit met het corona- oftewel covid-19 virus. Een typisch geval van What’s in a name of Nomen est omen. Hoewel. Laat ik maar even duidelijk zijn: ik vind de man een totale overdrachtsramp. Eerst introduceert hij bij de politiek en het gewone volk het begrip groepsimmuniteit waar niemand iets van begrijpt of liever: we begrijpen dat als nou maar de helft of iets meer van de bevolking het virus heeft gehad, de rest onder de beschermende mantel van de groepsimmuniteit valt. Conclusie van de leek: laat dan maar zou gauw mogelijk zoveel mogelijk mensen het virus krijgen dan zijn we des te sneller van deze vervelende ziekte af. Nee, nee, zegt meneer Van Dissel de volgende dag, zo zit het niet: groepsimmuniteit is niet het doel maar het mogelijke resultaat van een proces. Op dit moment haakt 4 mavo wel af, die hebben namelijk geen colleges methodologie gevolgd. Die willen gewoon weten hoe erg is het (erg), hoe lang gaat dit duren (lang), hoe groot is de kans dat ik het ga krijgen (groot), dat ik er aan doodga (klein) en nog een paar van dit soort praktische zaken. Vervolgens wil 4 mavo horen aan welke regels ze zich moeten houden en wat er gebeurt als ze dat niet doen. Maar zo gebeurt dat niet onder de bezielende leiding van professor van Dissel. Die babbelt gewoon wat weg alsof hij met collega’s in de koffiepauze aan het praten is. En blijkbaar is er niemand die hem dat zegt. Want wat vertelt de hooggeleerde Jaap op woensdag 25 maart aan den volke? Dat de maatregelen die de Nederlandse overheid heeft genomen om de corona-uitbraak zo goed mogelijk te beheersen, ervoor hebben gezorgd dat de groei van de uitbraak afvlakt. Om te concluderen: “Er is in ieder geval sprake van een positieve trend”. Het probleem is niet dat het niet klopt (tenminste dat neem ik maar even aan), maar dat alleen die collega’s in de koffiepauze begrijpen wat hij bedoelt. Misschien is er zelfs een die zegt “Tut tut ho ho Jaap, ik vind dat je nu wel een beetje te ver gaat.” Maar wat hoort de argeloze tv-kijker: de groei neemt af en er is een positieve trend. En dat eerste is onjuist en dat tweede is nog maar helemaal de vraag. Want hoezo positieve trend? Als de groei minder snel toeneemt (afvlakken dus), is er nog steeds een groot en groeiend aantal besmettingen. Zelfs als de groei tot stilstand komt, kan ik daar nog steeds niets positiefs in zien. Als de groeicurve horizontaal wordt en zich lang genoeg doorzet, wordt op den duur de volledige bevolking uitgeroeid. Positief?
Misschien dat Jaap van Dissel een heel kundig wetenschapper is, zeker is dat hij met de autoriteit van een onfeilbaar wetenschapper spreekt. Politici vinden dat blijkbaar heerlijk want dan hoeven ze zelf niet meer na te denken. De woorden van Jaap gaan er bij Rutte (drs geschiedenis, dus geen epidemiologie en geen statistiek) in als Gods woord bij een ouderling. Misschien kunnen ze bij de RIVM een dissel ontwerpen tussen hun directeur infectieziektenbestrijding en het gewone volk.
De lof der twijfel
We zouden al weken geleden afgereisd zijn naar ons idyllische plekje in Zuid-Frankrijk. We waren daar door ons onverwacht lange verblijf in Brazilië afgelopen najaar al lang niet meer geweest, dus het was de hoogste tijd. Vanaf begin januari zijn we bezig geweest het vertrek uit te stellen. Er was altijd wel iets. Niet nu, maar volgende week. Dan is het weer beter, heb ik hier mijn klusjes gedaan. Maar wekenlang bleek het weer altijd wel beter te kunnen – slechter dan hier in Nederland kon het overigens niet – en bleek er altijd nog wel een klusje te zijn dat mijn onmiddellijke aandacht vereiste. Toen ik mijn belastingaangifte gedaan had, was er eigenlijk niets meer dat ons weerhield. Nou ja, nog een paar dagen wachten totdat een goede vriend de uitslag van medisch onderzoek heeft. Als dat goed uitpakt kunnen we echt met een gerust hart weg. Maar inmiddels werd ik toch een beetje ongerust over het Corona-virus. Stel je voor dat we daar ziek worden. Wel een beetje primitieve omstandigheden om met hoge koorts in bed te liggen. En als we allebei ziek worden, wie doet er dan boodschappen voor ons? Dat soort onheilsgedachten begonnen zich op te dringen. Aan de andere kant, het lijkt in de Languedoc niet erg te heersen. En het weer is er beter. En hoe groot is de kans helemaal? Maar is het wel verstandig dat onze goede vriendin ons daar op komt zoeken? Als het fout gaat, gaat het dan nog fouter. Gedeelde smart is dubbele smart in dit geval.
Dit alles bracht me in een staat van besluiteloosheid die ik absoluut verafschuw. Ik hou van ferme besluiten, zelfs als ik weet dat de basis waarop ze berusten twijfelachtig is. Beter een verkeerd besluit dan geen besluit. Zoiets. Geen besluit is voor watjes, doetjes, halfzachte eieren, slapjanussen. Met overtuiging het verkeerde besluit kunnen nemen, dat is pas mannenwerk! Wat voor besluiteloosheid geldt, geldt natuurlijk ook voor uitstellen. Procrastinatie! Mag niet! De realiteit helder onder ogen zien, de plussen en de minnen optellen en ziedaar de uitkomst. Zo gemakkelijk is dat. Nee dus. Nou moet ik wel zeggen dat ik met die houding in het verleden behoorlijk gescoord heb. Maar misschien had ik die keren gewoon geluk.
Deze keer lukte het me niet. Ik was ten prooi aan twijfel en wachtte op het moment dat de plusjes en de minnetjes mij de weg zouden wijzen. Tegelijk was ik ervan overtuigd dat dat nooit zou gebeuren.
Het is wel paradoxaal. Ik die ervan overtuigd is dat twijfel de bron van alle goeds is, die niet geloofd in ijzeren zekerheden, die vindt dat de waarheid altijd gecompliceerder is dan je in een paar regels kunt vatten, die stond als verlamd van twijfel in een situatie waarin iedere keuze zowel de goede als de slechte kan zijn of, waarschijnlijker nog, de goede én de slechte keuze is: een goede keuze met slechte kantjes of een slechte keuze met goede kantjes. De rest is nattevingerwerk.
En wat gebeurde er vervolgens? De van boven gedecreteerde restricties om de verspreiding van het corona-virus af te remmen volgen elkaar in zo’n tempo op dat ik vandaag niet weet of ik Frankrijk nog wel inkom en dat ik geen enkele zekerheid heb of ik er over een paar weken weer uit mag. Oef! Soms wordt besluiteloosheid beloond. Of is het zo dat als ik nu … en dat ik dan … en misschien is het ook zo dat … of zou het toch beter zijn om … ?
Wat doe je zoal?
En wat doe jij tegenwoordig? Nog steeds in de …?’
‘Niet helemaal, ik werk tegenwoordig daar en daar.’
‘Bevalt het je?’
Etc.
Zo begonnen vroeger vaak gesprekjes met mensen die ik een tijd niet gezien had. Met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd veranderde dat. De eerste jaren nog niet zo want – behalve dat ik maandelijks pensioenuitkeringen op mijn bankrekening kreeg – mijn dagelijkse werkzaamheden bleven grotendeels dezelfde d.w.z. snoeien, maaien, harken, schilderen, boodschappen doen en de hond uitlaten, op de laatste twee na ook wel te omschrijven als onderhoudswerkzaamheden. Na de verkoop van ons veel te grote pand en onze veel te grote tuin alweer bijna vier jaar geleden, ligt dat allemaal heel anders. Maar inmiddels is ook de vraag veranderd. Een gepensioneerde vraag je niet wat hij doet, maar wat hij zoal doet. De vooronderstelling is dat je niet langer serieuze arbeid verricht, maar dat je je tijd vult met allerlei bezigheden, variërend van vrijwilligerswerk tot theaterbezoek. Als mij gevraagd wordt wat ik zoal doe, voel ik mij altijd een beetje gegeneerd. Ik moet mij rechtvaardigen. Nietsdoen kan niet, me uitleven in hobby’s (het woord alleen al!) is te armetierig, kortom ik moet een serieus antwoord hebben, zo een waarop de vraagsteller kan reageren met een : ‘Goh, interessant!’ of ‘Altijd al gedacht dat je daarin verder zou gaan.’ Maar niets van dit al. Ik mompel wat over het feit dat ik mijn tijd over drie woonplaatsen verdeel en dat me dat weinig mogelijkheden geeft tot enige activiteit met lange adem. Ik ben jaloers op kunstschilders, schrijvers, musici, kortom op mensen die, als hun lichamelijke capaciteiten het niet begeven, tot het eind door kunnen gaan met waar ze van begeesterd zijn. Ook een filosoof kan, zolang hij of zij niet dement wordt, doorgaan met filosoferen. Als je de Franse filosoof Finkielkraut weer eens een enormiteit hoort beweren, kun je dat spijtig vinden, maar hij is er met zijn zeventig jaar vast blij mee dat er nog steeds mensen naar hem luisteren.
Intussen vind ik helemaal niet dat ik niets doe. Ik heb het dan niet over bioscoop- en museumbezoek. Te zien aan de medebezoekers is dat een van de voornaamste bezigheden van gepensioneerden. Ik heb het ook niet over golfen en bridgen want dat doe ik niet. Maar ik ben wel nog steeds bezig mijn nieuwe woonplaats te leren kennen. Goed, ik woon al twee-en-een-half jaar in Zutphen, maar daarvan heb ik misschien net iets meer dan een jaar er feitelijk doorgebracht. Dat leren kennen geldt ook de omgeving, dus er wordt heel wat afgefietst en gewandeld. Dan heb ik van boodschappen doen een sport gemaakt: door listig inkoopbeleid en dito voorraadbeheer probeer ik zo veel mogelijk kortingen te scoren. Voorts digitaliseer ik: ik heb duizenden negatieven en dia’s die ik stukje bij beetje in scan. Ik denk daar de mensheid enorme diensten mee te doen. Volgens mijn levensgezellin valt dat nogal mee. Zo kan ik nog wel even doorgaan en vraag me dan af waar ik in godsnaam de tijd vandaan haal om een boek te lezen, een plaatje te draaien of het nieuws te volgen. Dat laatste kost me alleen al een paar uur per dag. Ik vind namelijk dat ik het nieuws in zowel Nederland, Frankrijk als Brazilië moet bijhouden.
Vervolgens ben ik algauw drie maanden of meer per jaar in ons piepkleine huisje tussen de wijngaarden en de garrigue in Zuid-Frankrijk. En daar zo kan ik u verzekeren, vindt een explosie aan activiteiten plaats. Ik zaag, ik timmer, ik stort beton, ik schilder, ik metsel, ik sleep met stenen. Bezoekers worden al moe van alleen het kijken ernaar.
En dan nog een paar maanden per jaar in Brazilië. Lig ik daar de godgeslagen dag op het strand van Copacabana? Nou nee. Maar ik stop ermee. Ik hoef me niet te rechtvaardigen. Ik mag toch wel gewoon niets doen?
Lekkende vaatjes
Plaats: Oostelijke Handelskade, Amsterdam, voor de ingang van het Lloyd Hotel
Tijd: 16 februari 2020, rond het middaguur
Weer: regen en windkracht 7
Handeling: wandeling langs het nieuwe bouwen in Amsterdam
Ik kijk ongelovig naar de loods Brazilië voor mij. Het kan toch niet zo zijn dat vijfenvijftig jaar later die loods er nog steeds staat, terwijl er behalve het Lloyd Hotel nauwelijks iets herkenbaar is. Ik zie mij met bus P vanaf het Centraal station langs de Piet Heinkade naar deze plek rijden. Ik moet ergens in het midden van de loods zijn. Nadat ik uitgestapt ben loop ik eerst langs een loodsingang met stapels huiden. Het stinkt er verschrikkelijk. Ik moet iets verderop zijn in een deel vol met zakken koffiebonen. Om een mij onbekende reden moeten die van de ene kant van de loods naar de andere gebracht worden. Behalve wij – werkstudenten en nog een of twee ongeregelde jongeren – werken er een stel rauwe types die we alleen maar horen vloeken en schelden en die niet vies zijn van af en toe een robbertje vechten. Niet met ons, want wij zijn geen partij voor ze.
Voor het verslepen van de zakken krijgen wij kromme drietandige grijpertjes met een houten handvat. Je moet er wel mee om kunnen gaan, want voor je het weet heb je een zak opengetrokken en stromen de bonen door de loods. De ruwe bonken hebben daar geen last van. Met een grote zwaai gooien ze een zak op hun schouder, waar wij onhandig lopen te trekken en geen grip op het onhandelbare ding kunnen krijgen. Op een dag krijgen wij van de ploegbaas de opdracht vaatjes met een chemische substantie van de ene container in een andere te laden. Beide containers staan voor de loods op de kade. In de container die leeggehaald moet worden stinkt het verschrikkelijk. Er ligt een vloeistof met een onbestemde kleur op de bodem. Blijkbaar zijn er wat vaatjes gaan lekken. We krijgen ieder een paar handschoenen. Dat is geen overbodigheid: aan alle vaatjes kleeft een stinkende vloeistof. We hebben ongeveer tien minuten nodig om met z’n allen te constateren dat dit geen gewoon werk is, waarschijnlijk zelfs gevaarlijk en dat we daarvoor op zijn minst gevarengeld moeten krijgen. Dat het een aanslag op onze gezondheid zou kunnen betekenen deert ons niet erg. Tenslotte hebben we nog zoveel toekomst dat een paar jaar minder niet veel uitmaakt. We besluiten met zijn vieren naar onze werkgever – de Samenwerkende Haven Bedrijven (SHB)– te gaan om onze zaak voor te leggen. We lopen de kade af en via de verbindingsdam naar het gebouwtje van de SHB tussen de Sumatra- en de Javakade. Het onderhoud met de personeelsfunctionaris duurt bijzonder kort. Als wij die vaatjes niet willen opruimen, wordt dit beschouwd als werkweigering en kunnen we onze biezen pakken. Wij blijven bij ons standpunt dat wij niet betaald worden voor gevaarlijk werk. Resultaat: ontslag op staande voet.
Vijfenvijftig jaar later loop ik langs diezelfde kade waar toen die container met lekkende vaatjes stond en waar de loods nu winkels van de bekende ketens huisvest, steek ik over langs diezelfde verbindingsdam waar nu woonboten aangemeerd liggen en zie ik verderop een bekend gebouwtje. ‘Volgens mij ben ik daar ontslagen’, meld ik mijn wandelgenoten. We komen dichterbij en warempel er staat nog steeds SHB boven de ingang. Door alle omringende nieuwbouw valt mij nu op dat het gebouwtje best een interessante architectuur heeft. Gelukkig hebben de stadsvernieuwers dat ook gevonden, waardoor ik in een voor het overige onherkenbaar deel van Amsterdam toch nog mijn herkenningspunten heb.
Nooit meer huilende meisjes op de fiets
‘Een huilend meisje op de fiets’, zo luidde een stukje dat ik een jaar of wat geleden schreef (https://tonsblog.home.blog/2016/12/19/een-huilend-meisje-op-de-fiets/ ). Ik zou het bijna letterlijk kunnen herschrijven met dit verschil dat ik deze keer het huilende meisje tegemoet kwam rijden. En dat ze geen capuchon op had. Zodat ik de wanhoop niet alleen kon horen – evenals de vorige keer schreeuwde ze haar verdriet uit tegen een onzichtbaar iemand in haar telefoon – maar ook kon zien. En wat ik vorige keer alleen maar kon vermoeden, kon ik deze keer zien: grote tranen die over de wangen van een beeldschoon gezichtje sijpelden. En ook deze keer kon ik niets doen tegen de onverlaat die dit onrechtvaardige leed had berokkend, kon ik geen troostende woorden spreken. Niets, helemaal niets kon ik doen. Ik lijk wel op die 19e eeuwse dichter die zijn grote liefde in een flits in een passerende trein zag. Onmachtig de wetten die het aardse leven regeren stop te zetten. Misschien moet ik een hulpnummer instellen voor huilende meisjes die op de fiets van hun leed getuigen. En dan zou ik na ieder telefoontje van een snikkend meisje een correctie-commando laten uitrukken dat de botte lummel voor eens en voor altijd duidelijk maakt dat hij in het vervolg met zijn smerige tengels af moet blijven van lieve meisjes die in ware liefde geloven. En als de boosdoener nou een boosdoenster is? Maakt niet uit, zelfde behandeling. Ik wil geen huilende meisjes op de fiets meer zien. Ze breken mijn hart. Zij doven bij mij het laatste restje vertrouwen in de mensheid. Dat is ook de reden dat ik met mezelf heb afgesproken dat ik minimaal 90 wordt zodat ik mijn kleindochter kan helpen door deze verschrikkelijke periode die wel puberteit wordt genoemd, heen te komen. Ik zal nu reeds haar ouders adviseren om haar al op jonge leeftijd te laten bekwamen in de een of andere vechtsport zodat ze de smeerlap die haar gevoelens niet serieus neemt met een welgemikte slag of stoot onschadelijk kan maken. Maar verder gaat het wel goed met me hoor. Bedankt voor het medeleven.
Ik heb er een ontmoet!
Gisteren heb ik een antisemiet en holocaust-ontkenner ontmoet. Ik had niet verwacht dat me dat ooit nog zou gebeuren. Naïef misschien. Bij berichten over toenemend antisemitisme zit ik altijd om me heen te kijken. Waar dan? Ik merk er niets van. De laatste keer is al gauw zo’n jaar of twintig geleden. Dat was in de gemeenteraad van Saint Didier sur Arroux. Een van de twaalf raadsleden was een gepensioneerd militair die mij over de mogelijke nieuwe uitbater van het dorpsrestaurant toe siste dat dat niet mocht gebeuren omdat hij gehoord had dat de kandidaat een jood was. Hij werd tijdens de verkiezingen een jaar later niet herkozen. De uitbater kwam er wel, maar bleek overigens geen jood te zijn.
Inmiddels heb ik Saint Didier alweer ruim drie jaar geleden verlaten en is de ex-militair al jarenlang dood. Hier in Nederland hebben we natuurlijk ook extreem rechtse griezels, maar voor zover georganiseerd in politieke partijen propageren zij geen jodenhaat. Dus de ontmoeting trof mij geheel onvoorbereid. Ik ontmoette de persoon in kwestie op een nieuwjaarsborrel. Dat was niet de eerste keer dat wij elkaar zagen. We spreken elkaar de afgelopen drie jaar met een frequentie van zo’n een à twee keer per jaar. Vanaf het moment – en dat was tamelijk snel – dat ik in de gaten kreeg dat hij er – vriendelijk gezegd – wat onorthodoxe opvattingen op na hield, waren de gesprekken met hem zoiets als lopen langs de afgrond: eigenlijk wil je weg maar tegelijkertijd word je naar de rand getrokken. Iedere keer liet ik me ertoe verleiden het gesprek een kant op te laten gaan waar allerlei alarmlichten begonnen te knipperen. Met anti-Amerikanisme kun je in deze tijden van Trump natuurlijk alle kanten op, dus daarbij had ik nog niet direct iets in de gaten. Hoewel: de stelligheid waarmee hij Amerikaans ingrijpen in de Arabische wereld veroordeelde ging me iets te ver. Uitspraken dat de bevolking met tirannen als Sadam Hussein en Khadaffi beter af was, zijn inmiddels bon ton, maar toen de Russische steun aan Syrië verdedigd werd met uitspraken als ‘Ik ben een grote fan van Poetin’, begon ik toch serieus tegen te sputteren. Gelukkig hadden we een tijdlang een ander gespreksonderwerp, te weten een operatie die wij allebei ondergaan hadden en over de nasleep waarvan we enige informatie konden uitwisselen.
Maar gisteren was het dus weer zover. We raakten weer aan de praat over de internationale politiek. Hoe we er precies terecht kwamen herinner ik me niet meer, maar op een gegeven moment viel de naam Israel. ‘Illegale staat’, mompelde hij. Ik dacht eerst nog dat hij het over de bezette gebieden had, maar nee, hij had het over de staat Israel op grondgebied dat de joden zich wederrechtelijk zouden hebben toegeëigend. Ik wierp tegen dat, als we zo begonnen zo’n beetje iedere staat illegaal is want altijd veroverd op anderen en dat bovendien de vestiging van de staat Israel gebaseerd was op een toezegging van de toenmalige koloniale mogendheid dat er in Palestina een nationaal tehuis voor het Joodse volk kon komen. Mij gesprekspartner paste vervolgens de tactiek van de vlucht naar voren toe. ‘Ik zal het maar eerlijk zeggen: ik heb gewoon de pest aan joden’ en bijna in een adem door ‘en trouwens die holocaust is er helemaal nooit geweest. Dat is nooit bewezen. Die gaskamers hebben nooit bestaan.’ Op zo’n moment kun je verschillende dingen doen, maar hoe langer ik er over nadenk, nooit het goede.
Mogelijkheid 1.: Een rationeel antwoord. Je kunt zo’n waanidee met demografische gegevens weerleggen. Maar dat is gerekend buiten de troebele geesten van aanhangers van complottheorieën. De complotteerders zitten gewoon overal om de feiten te verdraaien.
Mogelijkheid 2.: Goh, dat is fantastisch nieuws! Dus al die ooms en tantes die ik dood waande, leven dus nog? Een leugen om bestwil want ik kom helemaal niet uit een joodse familie.
Mogelijkheid 3.: Persoonlijke betrokkenheid. En mijn vrienden dan die tot de tweede generatie overlevenden behoren? Je kunt het antwoord raden: Precies, overlevenden. Hun ouders zijn toch niet vermoord?
Mogelijkheid 4.: Verslagen van ooggetuigen. Van overlevenden. Ook hier zal het antwoord zijn: Precies, overlevenden. Al die verhalen zijn verzonnen.
Mogelijkheid 5.: Zwijgen en weglopen. Helpt ook niet, maar dan hoef je tenminste niet de morbide gedachtespinsels aan te horen van iemand die in zijn eigen ranzige logica verdwaald is.
Het generatiedenken
‘Geachte geboortegolf.’ Zo werden wij, eerstejaarsstudenten Politicologie, in 1964 op ons eerste hoorcollege Moderne geschiedenis toegesproken door prof. dr. Frits de Jong Edz. Dus als ik geen babyboomer ben… Jammer dat dat laatste woord het goed-Nederlandse geboortegolf heeft verdrongen, maar dit terzijde. In ieder geval, of het nu over geboortegolf of over babyboom gaat, ben ik toch minstens ervaringsdeskundige en heb op die grond recht van spreken over dat onderwerp.
Philip Huff (geb. 1984) is duidelijk geen molecuultje van de geboortegolf en dat wil hij wel laten weten ook: ‘… de gemiddelde babyboomer zit er veel warmer bij dan de gemiddelde millennial, denkt daarbij voornamelijk aan zichzelf, en schuift de problemen op het gebied van zorg, onderwijs, vergrijzing en huisvesting die hij mede heeft veroorzaakt met een glimlach of nijdig door naar volgende generaties’ (nrc.nl, 29/11/19). Herken ik mij in dit beeld? Als ik wel eens een kop koffie in een grootstedelijk café drink en ik zie daar overduidelijke millennials uitgebreide lunches weghappen, denk ik ‘Goh, dat is toch wel heel anders dan toen ik in de jaren zestig misschien wel eens een gevulde koek naast mijn koffie in de universiteitskoffiekamer durfde te nemen.’ Later, toen ik een heus salaris verdiende, ging ik wel eens tussen de middag naar een koffiehuis in de Kerkstraat waar ik – o schandelijke luxe – een broodje warm vlees bestelde dat ik dan in de atmosfeer van formica tafeltjes en natte winterjassen met smaak oppeuzelde. Maar nu moet ik mij schamen dat de gemiddelde babyboomer er veel warmer bij zit dan die tobberige millennial die al lunchend alle door ons veroorzaakte problemen met zijn glaasje witte wijn of Belgisch speciaalbiertje moet doorspoelen. Ik geef toe dat ik van de millennial nu een even grote karikatuur maak als Huff van de boomers. Ik zie ook wel dat het niet lollig is om met een kolossale studieschuld als kapitaal de woningmarkt te betreden. Ik betrok in 1968 op 22-jarige leeftijd een alleraardigst woninkje in een prettige buurt vlakbij de veelbeschimpte grachtengordel voor zegge en schrijve fl 53,40 per maand. Laat dat nu ongeveer 115 € zijn, zelfs voor het drievoudige is dat woninkje niet meer te huur. Sterker nog, zulke woninkjes zijn er helemaal niet meer, want inmiddels verbouwd tot peperdure appartementen. Een studieschuld heb ik nooit opgebouwd. In de eerste plaats was studeren in die tijd spotgoedkoop en de kamerhuur varieerde omgerekend ruwweg tussen de 100 en de 200 Euro. Als je ouders dat niet konden of wilden betalen, kon je met een part-time baantje nog wel rondkomen. Mijn ouders betaalden mij tussen de vijf- en zeshonderd Euro en daar kon ik het aardig mee redden. Ik was wel jaloers op de beursstudenten want die kregen aanzienlijk meer. Na een paar jaar studie wilde ik geen geld meer van mijn ouders aannemen en ben toen een echte werkstudent geworden. Dat heeft mijn studieduur aanzienlijk verlengd. Uiteindelijk ben ik pas in 1978 afgestudeerd – ik had toen al jarenlang een goedbetaalde baan – samen met wat beschouwd wordt als de laatste rimpeling van de geboortegolf. Op dat moment was in mijn studierichting (sociologie) in Amsterdam de gezamenlijke afstudeerceremonie afgeschaft omdat de versafgestudeerden veelal per direct de uitkering ingingen, wat niet direct een reden voor feestvreugde was. Wat wel gebeurde was dat het hoofd van het Sociologisch Instituut mij bij het overhandigen van de bul bijna verlegen vroeg of ik misschien enig perspectief op een baan had. Toen ik hem vertelde dat ik a) al een baan had en dat ik die b) binnenkort ging verlaten omdat ik een leukere baan had gevonden, sprong hij bijna een gat in de lucht. Eindelijk weer een nieuwe drs die ook nog aan de slag kan. Om te zeggen dat het cliché dat wij babyboomers het maar gemakkelijk hadden omdat de banen voor ons immers voor het oprapen lagen, gewoon niet klopt.
Maar niettemin zitten we er nu warmpjes bij vergeleken bij de millennials. Vindt Huff. Maar hoezo? De boomers zijn pensioengerechtigd, maar geeft ze dat allemaal het echte Zwitserleven gevoel? De VUT, die werknemers in staat stelde op hun zestigste op hun lauweren te gaan rusten werd afgeschaft in 2005, het jaar dat de eerste boomers zich voor die regeling konden gaan aanmelden. Een jaar eerder al schafte het ABP de regeling af waarbij pensioengerechtigden 80% van het laatstverdiende inkomen kregen. En was het zo dat de hele generatie geboortegolf arbeidscontracten voor onbepaalde duur – de zogeheten vaste aanstelling – kreeg? Nee hoor. Het stierf van de mensen die arbeidscontracten voor bepaalde tijd aaneenregen met alle onzekerheid van dien. En waren de pensioenrechten overal prima geregeld? Ik heb in de jaren zeventig en tachtig bij verschillende instellingen in de zorg en welzijn sector gewerkt waar nog geen collectieve pensioenvoorziening was. Dus goed geregeld dat pensioen van mij? Maar wij boomers waren deels optimistisch gestemd. Onze ouders wisten altijd zo opwekkend te zeggen: ‘Kijk maar uit jij, jij hebt de crisis c.q. oorlog niet meegemaakt.’ Daar zat wat in. Wij wisten dat al die individuele verzekeringen die onze ouders voor ons hadden afgesloten uiteindelijk niet veel meer waard waren dan het papier waarop ze geschreven waren. Dus misschien gingen wij wat al te nonchalant met onze toekomst om: het kon toch alleen maar beter worden? En zo nodig zou de revolutie definitief een einde maken aan al dit soort triviale zaken. Dus om nu te zeggen dat wij onze schaapjes allemaal keurig op het droge hebben …
De enige reden die ik kan bedenken waarom de millennials zieliger zijn dan de boomers is de woningmarkt. Hoewel. Hoeveel zieliger is iemand die geen huis kan kopen omdat de bank je geen hypotheek geeft dan diegene die een torenhoge hypotheek met dito rente over een overgewaardeerd huis heeft moeten afsluiten?
Veel babyboomers hebben millennial kinderen (wij waren ook de generatie die het dogma kinderen krijg je voor je dertigste afschafte). Moeten wij ons verontschuldigen naar onze kinderen dat wij er zo op los hebben geleefd en niet aan hen hebben gedacht? Mij lijkt dat er maar één conclusie mogelijk is: het denken in generaties die ergens al of niet voor verantwoordelijk zijn, is onzinnig. Is de generatie van na de eerste Wereldoorlog verantwoordelijk voor de Tweede Wereldoorlog? Dat lijkt me een geschiedenisopvatting waarmee mijn prof. Frits de Jong het niet eens zou zijn geweest.