Roepend in de Sahel

Voor Burkina Faso geldt code rood, alleen voor de hoofdstad Ouagadougou geldt code oranje. De stad verlaten kan alleen met gewapende escorte. Dat hoorde ik een paar dagen geleden op de Franse radio. Wat is er gebeurd met het land waar ik in de jaren tachtig met plezier twee jaar gewerkt heb en in de jaren negentig nog twee keer ben teruggekeerd voor reportagereizen? En dat terugkeren was als het weerzien van een goede vriend. Gek genoeg eigenlijk want mijn vertrek na twee jaar verblijf in Burkina viel samen met de staatsgreep waarmee op bloedige wijze een eind werd gemaakt aan het regiem van de toenmalige president Thomas Sankara, de belichaming van de hoop van een generatie jonge Afrikanen. Ik vertrok met de eerste vlucht nadat de luchthaven weer geopend werd met het akelige gevoel dat Burkina zojuist een kans had gemist. En toen ik, respectievelijk zes en negen jaar later, terugkwam in het land, trof ik een stationaire situatie aan. Behalve het verdwijnen van het revolutionaire elan leek er weinig wezenlijk veranderd. Alleen, zo’n soort stilstand kon het land – evenals de andere Sahellanden – zich niet permitteren.

Het kan geen kwaad je eigen werk nog eens na te lezen. Zo blijk ik drieëntwintig jaar geleden geschreven hebben:
De Sahel is een gestaag wegtikkende tijdbom die na verloop van tijd bij onge­wijzigd beleid explodeert. Met aanzienlijk dramatischer gevol­gen dan vijfentwintig jaar geleden.
Als hoofdschuldige wees ik de westerse ontwikkelingshulp aan die het precaire evenwicht tussen veehouders en akkerbouwers verstoord heeft ten gunste van de laatsten, maar uiteindelijk ten nadele van iedereen. Ja maar, hoor ik de oplettende lezer tegenwerpen, je hebt het nu over de jaren negentig. Er is nu toch iets heel anders aan de hand? Al Qaida, IS, djihadisme, daar zit toch het probleem? Dat is deels waar, maar door de westerse ontwikkelingsconcepten zijn de veehouders het kind van de rekening geworden. Door uitbreiding van het landbouwareaal en veranderde landbouwmethoden is hun het leven onmogelijk gemaakt. Daardoor namen de conflicten tussen veehouders en landbouwers toe en waar conflicten zijn is er een vruchtbare bodem voor revolutionaire bewegingen. Kortom, de djihadisten hebben handig gebruik gemaakt van het feit dat de nomadische veehouders steeds meer in het verdomhoekje kwamen. Ik citeerde in mijn verhaal van bijna een kwarteeuw geleden een Burkinabé-consultant, die onder meer het volgende zei: De veehouders raken … daardoor gemarginaliseerd, waardoor zowel de veeteelt als de sociale rust bedreigd worden. Dat leidt soms tot ernstige conflicten. Sommige situaties worden politiek uitgebuit, hetgeen de conflicten nog verergert. … Door interventies van (westerse; TN) Ngo’s, meestal ten behoeve van de akkerbouwers, zijn latente conflicten vaak aangewakkerd.

Er is al die jaren een heel legertje roependen in de woestijn geweest dat al deze ellende zag aankomen, dat waarschuwde dat bij ongewijzigd beleid alle crises in de Sahel tot nu toe nog maar kinderspel zouden zijn vergeleken bij de ramp die het gebied onvermijdelijk zal gaan treffen. Het is niet moeilijk in te zien dat de migratie vanuit Afrika naar Europa proporties zal gaan aannemen die de huidige aantallen zullen doen verbleken. En inderdaad, daar hebben we dan een belangrijke bijdrage aan geleverd. Het djihadisme in de Sahel had een voedingsbodem nodig. Dat heeft het gevonden in de marginalisering van de nomadische veehouders door gemakzuchtige ontwikkelingspolitiek.

Terug

Twee dagen na onze terugkeer in Nederland werd Lula vrijgelaten. Er waren mensen die daar een causaal verband in zagen, maar dat moet ik ontkennen: zo ver strekt mijn invloed niet. Ik wil dan ook maar meteen duidelijk maken dat ik geen fervent aanhanger van ex-president Lula ben. Uit betrouwbare bron weet ik hoezeer de man uit oogpunt van electoraal gewin de Braziliaanse economie aan de rand van de afgrond heeft gebracht. Daar staat tegenover dat onder zijn bewind de armen een beetje minder arm zijn geworden en wat meer kansen hebben gekregen, de branden in Amazonië enigszins werden teruggedrongen en de misdaadcijfers naar beneden gingen. De huidige president daarentegen is bezig het land in ecologisch opzicht te verruïneren, de ongelijkheid te vergroten en gewapende milities ruim baan te geven. Een optelsommetje maakt het niet moeilijk uit te maken wie van de twee het minst erg is. Dat Lula een misdadiger als de Venezolaanse president Maduro de hand boven het hoofd houdt, maakt die keuze niet leuker, maar zolang hij hem nog niet met wapens wil steunen is dat altijd nog minder erg dan een president die de inheemse bewoners van Brazilië feitelijk ter dood veroordeelt omdat ze niet modern genoeg zijn.
Wat ik hier eigenlijk mee wil zeggen is dat ik er de pest in heb dat, nu er vermoedelijk belangrijke dingen in Brazilië staan te gebeuren, ik weer terug ben in Nederland. Had dit niet één of meer maanden eerder kunnen gebeuren? Want zeg nou zelf, onze eigen grote studentenrevolte van 1969, daar was ik bij, de oorlog tussen Mali en Burkina Faso, daar was ik ook bij, maar verder gebeurde er nooit niets, waar ik ook was. En het aantal landen dat ik heb bezocht en waar alle reden was voor een spontane volksopstand, een staatsgreep of iets anders ingrijpends is legio. Zelfs in de RDC wachtten ze met het vermoorden van Kabila (vader) tot ik weer verdwenen was. Ik heb er wel eens aan gedacht om me met deze staat van dienst te verhuren aan dictators: Vreest u staatsgreep of burgeroorlog? Nodig mij uit voor een verblijf in uw land. Tarief: ministersalaris inclusief premie ter hoogte van het gemiddelde bedrag verkregen door onwettige verrijking.
Terug in Nederland dus. Raar eigenlijk, want sinds een paar jaar verdelen wij onze tijd over drie landen en in alledrie heb ik bij aankomst het gevoel terug te zijn. Ja maar, hoor ik de lezer denken, er is er maar één waar je je thuisvoelt, toch?
O ja? Ik ben daar niet zo van overtuigd. Negen jaar geleden schreef ik: ‘In Nederland zou ik me met een beetje moeite wel weer helemaal thuis kunnen voelen.’ Dat was zeven jaar voordat we naar Nederland verhuisden. Nou kan het zijn dat ik die moeite niet doe, maar het feit is wel dat ik me in Nederland helemaal niet zo thuis voel. Ik schreef toen ook dat leven in Nederland voelde als leven op een dorpsplein, terwijl ik me in Frankrijk veel meer deel van een groter geheel voelde. En dat laatste gevoel heb ik in Brazilië ook: wat daar gebeurt, heeft in allerlei opzichten consequenties voor de rest van de wereld. Terwijl Nederland … als wij hier met zijn allen met de voeten in het water staan met longen vol stikstof, darmen vol PFAS en een hoofd vol XTC, dan kraait daar nauwelijks een haan naar. Jammer van die bollenvelden, klompen, windmolens en wiet, maar voor de rest? In vroeger tijden staken Nederlandse boeren ook al de oceaan over om aan de overkant te gaan boeren, dus dat komt wel goed. Terwijl, als het daar misgaat, dan zitten we allemaal met de gebakken peren. Misschien is een land ook niet iets om je in thuis te voelen. Misschien je buurt, je straat, je gehucht. Misschien is het thuisgevoel niet zo belangrijk. Als er maar een paar mensen zijn die het leuk vinden dat je terug bent.

Een glas caipirinha

Dit is het honderdste stukje op mijn blog. Dat ontdek ik nu pas en dat lijkt me een goed excuus om een glas capirinha op te drinken. Voorlopig mijn laatste, want …
drie maanden Rio. Ze zitten er bijna op. Over een paar dagen vertrekken vovó Joepie en Opaton naar winters Nederland. Oppas opa en oma op 17 uur reizen. Onze namen hebben we te danken aan onze ontvangst drie maanden geleden. Die gaf onze kleindochter ons spontaan. Vovó betekent oma en Joepie, tja dat is wel duidelijk lijkt me.

Eerder schreef ik dat we hier viereneenhalve maand zouden blijven, maar gelukkig realiseerden we ons tijdig dat ook dit land immigratiebepalingen kent en die staan voor Nederlanders geen verblijf langer dan drie maanden per half jaar toe. Een bereidwillige immigratiebeambte wist daar nog wel een mouw aan te passen: we konden op basis van gezinshereniging een permanente verblijfsvergunning krijgen. Dat zou zeker gaan lukken, ware het niet dat we daarvoor een gelegaliseerde verklaring van de beroemde VOG nodig hadden. De berichten over de benodigde termijn om dat voor elkaar te krijgen waren zo droevig stemmend dat we er maar van afgezien hebben. En tenslotte: drie maanden is toch ook een hele tijd. Gelukkig hebben we in die periode onze kleindochter van een kwetsbaar meisje tot een opgewekte gezonde dreumes zien worden. En daar ging het eigenlijk allemaal om.

We hebben in die drie maanden de politieke gekte in dit land zien toenemen. Als we het even niet over de president hebben, de minister van Milieu kan er ook wat van. Eerst beweerde hij dat de branden in Amazonië wel eens door de NGO’s zouden kunnen zijn aangestoken en vervolgens beschuldigde hij Greenpeace van het veroorzaken van de olieramp die de Braziliaanse kusten teistert. En hij is echt niet de enige minister hier die zo gek als een tor is. Maar inmiddels hebben we een hysterische Bolsonaro op een door hemzelf geposte video tekeer horen gaan tegen de Globo, het grootste mediaconcern van Brazilië, zijn zoon Eduardo – fractievoorzitter van de inmiddels in tweeën gescheurde presidentiële partij – horen beweren dat bij radicalisering van links wel eens teruggegrepen zou moeten worden naar de meest repressieve middelen waarvan de militaire dictatuur zich hier bediend heeft, is de relatie tussen de Bolsonaro-clan en de moord op het linkse lesbische raadslid Marielle Franco opnieuw in de schijnwerpers gekomen en heeft de president de aanval geopend op die andere grote Braziliaanse krant, de Folha de Sao Paulo. Twee maanden geleden zei ik te hopen het begin van de impeachment van Bolsonaro hier in Rio te mogen meemaken. Het zit er niet meer in, maar de president en zijn drie zoons (ze lijken in stupiditeit heel erg op de gebroeders Dalton) hebben er alles aan gedaan om dat waarheid te doen worden en ik reken erop dat zij dat na ons vertrek zullen blijven doen. Als het zover is, zal ik daar in Nederland een glas caipirinha op drinken.

Musicerende bejaarden

Vanochtend moest ik even naar de houthandel. Die zit op 20 minuten lopen van onze verblijfplaats. Voor de goede orde, het fenomeen bouwmarkt of doe-het-zelf winkel kent Rio niet en ik denk zelfs dat het in heel Brazilië niet bestaat. Je zult dus tevergeefs zoeken naar een Gamma, Karwei of Hubo. Je moet je weg zien te vinden tussen ijzerhandels, winkels voor elektrisch installatiemateriaal, voor loodgieterswaren en ga zo maar door. Dat lukt doorgaans heel aardig, maar hout is een ander verhaal. In tegenstelling tot al die andere winkels die je in de winkelstraten in de woonwijken bij bosjes vindt. Maar goed ik vond dus een houthandel op 20 minuten lopen langs de brede asfaltstrook die de scheiding vormt tussen de zee (eigenlijk een baai, Rio ligt voor het grootste deel aan de baai van Guanabara) en wonen, werken en winkelen. Dat is dus kenmerkend voor Rio: die drie functies plus de horeca vind je in de middenklasse-wijken dwars door elkaar heen. Wat Rio, behalve dat het een mooie stad is, ook tot een buitengewoon gezellige stad maakt.

In die houthandel, eigenlijk meer wat ze in Frankrijk een menuiserie noemen, dus waar ze ramen en deuren maken, vind ik het latje dat ik nodig heb. Op de terugweg hoor ik vrolijke klanken. Het blijkt een orkestje van vier heren te zijn die de opening van alweer een drogisterij luister bij zetten. Dit behoeft enige uitleg. Ik krijg namelijk de indruk dat ieder winkelpand dat hier vrijkomt ingenomen wordt door een nieuwe drogisterij en dan meestal niet zo’n kleintje ook. Meer een paramedische supermarkt. En bovendien: er zijn er al zo veel. Het is niet moeilijk een plek op straat te vinden vanwaar je met een draai van 360° vier drogisterijen in het vizier krijgt. Wat mankeert de Brazilianen dat ze zoveel medicijnen nodig hebben (zoals in Frankrijk de pharmacie zijn de drogisten hier tegelijk apotheken)? Ik heb daar voorlopig nog geen antwoord op. Dat is het aardige van het vertoeven in verre streken: hoe langer je ergens woont, hoe groter het aantal vragen waarop je geen antwoord hebt. Met andere woorden: de vanzelfsprekendheden van het dagelijks leven worden onderuitgehaald.

Maar goed, die vier musicerende mannen voor de nieuwe drogisterij dus. Een trombonist, een trompettist en twee slagwerkers. Allevier de zestig gepasseerd. Het deed me denken aan de ‘krasse knarren’ verhalen die ik uit Nederland hoor. Hofjes voor 65+-ers. “Daar wil ik nog niet dood gezien worden”, riep ik in een vlaag van opperste arrogantie uit. Een slimmerik zou kunnen antwoorden “Maar dat is ook juist de bedoeling”. Ik denk dat voor deze vier mannen zo’n discussie tamelijk steriel is. Ik denk niet dat er zelfs maar een van hen zal zeggen: “Dat ik werk terwijl ik al in de AOW zit, wil niet zeggen dat ik zielig ben”. Weliswaar is er een prachtige pensioenregeling in dit land, maar die geldt alleen voor ambtenaren. Een té mooie regeling – op je vijftigste met pensioen met behoud van het laatstverdiende salaris – die door mensen zoals deze musicerende bejaarden betaald moet worden. Niettemin denk ik niet dat ze zelfs maar aan het woord zielig zouden denken bij het beschrijven van hun toestand. Ook niet aan krasse knar vermoed ik. En de muziek swingde de pan uit. Lang leve de musicerende bejaarden.

Wij wonen hier tegenover een kantoorgebouw van 19 verdiepingen waarin zo’n twee- à drieduizend mensen werken. Ik sta wel eens uit het raam te kijken naar de bewegingen van al die werkenden als ze aankomen en vertrekken. Vooral rond lunchtijd is dat interessant. De meesten gaan, hun badge met lintje om de nek alsof het een bijzondere onderscheiding betreft, eten in een van de naburige restaurants, sommigen worden groepsgewijs opgehaald per bustaxi. Maar op de terugweg van mijn houthandel ontdekte ik nog een andere categorie, die door gebladerte aan mijn oog onttrokken wordt als ik vanuit onze woonkamer naar beneden kijk. Zij lopen naar een tafeltje aan de rand van het trottoir dat gevuld is met bruinpapieren zakken voorzien van een etiket met een naam erop. De lunchservice voor diegenen die blijkbaar minder riante secundaire arbeidsvoorwaarden hebben.

Rondingen

‘Brazilië is bij uitstek een “billenland” ’, schreef August Willemsen in zijn nawoord  van de gedichtenbundel ‘De liefde, natuurlijk’ van de grote Braziliaanse dichter Carlos Drummond de Andrade. Voor de duidelijkheid: hij had het over vrouwenbillen, niet over mannenkontjes die tegenwoordig in ons cultuurgebied zo populair zijn. De implicatie is, lijkt mij, dat Nederland en andere Europese landen ‘borstenlanden’ zijn. Helaas kan ik daar niet meer met Willemsen over in discussie want hij is al meer dan tien jaar niet meer onder ons. Ik ben het met zijn bewering namelijk niet eens. Niet helemaal. Het is ongetwijfeld waar dat billen in Brazilië in hoger aanzien staan dan bij ons. Tenminste als je ervan uitgaat dat er een rechtstreekse correlatie bestaat tussen het ontbloten van billen en de waardering die men ervoor heeft. In dat geval levert een wandeling langs een Braziliaans strand voldoende materiaal om de adelstand van de Braziliaanse billen te erkennen. Of ze smal of breed, mager of dik, groot of klein, wit, beige of bruin zijn, billen moeten gezien worden. Maar betekent dat dat borsten lager gewaardeerd worden? Ik dacht het niet. Als we weer naar de graad van ontbloting kijken, dan levert diezelfde wandeling het onomstotelijke bewijs dat Brazilianen minstens even veel van borsten als van billen houden. Daar komt nog bij dat, waar het borsten betreft, men niet zonder meer genoegen neemt met de gaven van de natuur. Ik heb hier een onwaarschijnlijke hoeveelheid borstvergrotingen zien rondlopen. Mijn conclusie is dus dat Brazilianen van rondingen houden, of die nu boven of beneden zitten.

Ik hoor nu de lezer denken: ‘Zeg Nijzink, nou zit jij alweer meer dan twee maanden in Brazilië, wij horen en lezen hier de meest afschuwelijke verhalen over dat land en jij schrijft alleen maar over frivole zaken.’ Helemaal mee eens. Ik lees de Nederlandse kranten en weekbladen en lees daar over de rampen die zich in Amazonië voltrekken (overigens niets over de catastrofes die de Cerrado treffen, dat een veel kwetsbaarder milieu heeft met een veel grotere biodiversiteit, maar er wonen geen indianen dus dat maakt het een stuk minder sexy), over de goedkeuringen voor weer honderden levensgevaarlijke pesticiden, over de politie die sinds het aantreden van Bolsonaro tweemaal zoveel mensen neergeknald heeft als in dezelfde periode vorig jaar en dat terwijl het aantal moorden in dit land al jaren een gestaag dalende lijn vertoont. Dat soort dingen lees ik hier en ook in Nederlandse bladen, dus dat hoef ik niet nog eens over te doen. Dat van de Cerrado niet zoals ik al zei, en dat is erg, heel erg. Milieuorganisaties hier verbazen zich erover dat Europese landen bereid zijn vele miljoenen aan de bescherming van Amazonië te besteden, maar dat organisaties die zich met de Cerrado bezighouden op een houtje kunnen bijten. Misschien iets om bij Greepeace in te brengen?

In het zwart, wit of bloot: altijd op de foto

Een oudere man zit op zijn mondharmonica te spelen. Ne me quitte pas. De plek is een ontmoetingsplaats van straatjochies in Ineke Holtwijks Engelen van het asfalt. Maar de straatjochies zijn er niet. Vermoedelijk komen die pas ’s avonds, op een tijdstip waarop eerzame burgers deze plek maar beter kunnen mijden. En de harmonica spelende man is verre van een dakloze. Ik loop op zondagochtend door het stadspark van Flamengo. Een park aangelegd tussen de snelweg die langs Rio’s kusten loopt en de baai van Guanabara, die de Portugezen destijds op een eerste januari ten onrechte voor de monding van de Januaririvier hielden. Die rivier bleek niet te bestaan, maar de naam van de plek zou nooit meer veranderen. In het begin van mijn zondagse wandeling stuitte ik op honderden in zwarte toga’s geklede meisjes die in groepjes voor fotografen samenklonterden. Ze hebben hun diploma gehaald en dat moet op de foto vastgelegd worden. Meestal worden ze op voor de gelegenheid aangesleepte ereschavotjes neergezet en ieder apart moeten ze poseren in een grote zetel met kunstig houtsnijwerk. Natuurlijk met het bijbehorende platte hoofddeksel met kwastje. Waarom er geen jongens bijzitten? Die zullen toch ook wel eens een diploma halen? Mijn vermoeden is dat het alleen gaat om afgestudeerden van schoonheidsacademies en secretaresse-opleidingen. Tussen al deze bedrijvigheid door zitten gezinnen op de grond te picknicken. Vlakbij is en deel van de snelweg afgezet voor een wielerwedstrijd. Het geluid van de knetterende luidsprekers lokte mij naar buiten.

Een groepje jonge vrouwen in witte jurkjes staat op het strand met de voeten in het water. Op commando moeten ze tegelijk opspringen om dat mooie plaatje met al die onderbenen in de lucht te krijgen. Dat moet vele malen herhaald worden. Maar voor carioca is dat geen probleem. Die zijn er dol op om gefotografeerd te worden en om selfie’s te maken. Een vrouwelijke carioca die een cameralens op zich gericht ziet, schiet meteen in een bevallige pose. Zelfs de ongeboren carioca moet het ontgelden. De mooiste parken – de botanische tuin en een paleistuin – zijn de meest geliefde plekken voor het fotograferen van de ongeborene. Ongegeneerd worden de blote zwangere buiken tentoongesteld om door de meegebrachte fotograaf vastgelegd te worden. Hoe groter en bloter de buik hoe beter. Daarbij moet regelmatig van decor en kostuum veranderd worden. Zo zie je ze met groepjes – zwangere vrouw, regisseur, kleedster, cameraman – door het park trekken op zoek naar de mooiste locatie. Datzelfde gebeurt ook met de aanstaande bruid. Die moet zich een paar dagen voor het huwelijk eindeloos in haar bruidsjapon laten fotograferen, al of niet met bruidegom. Ne me quitte pas, speelt de man op de mondharmonica.

De echte carioca

Op reclamezuilen in Rio is onlangs een campagne gestart die ons wil vertellen wat een echte carioca doet, leuk of mooi vindt. Voor alle duidelijkheid: carioca betekent inwoner van Rio (mannelijke en vrouwelijke en in het meervoud) en was de benaming die de Tupi-indianen gaven aan de eerste blanken die zich op het grondgebied van het huidige Rio vestigden.
Wat doet nou een echte carioca als ik die campagne mag geloven? Hij/zij geeft twee kussen als hij/zij iemand begroet en hij/zij applaudisseert als hij/zij vanaf Arpoador (een landtong tussen Ipanema en Copacabana) de zon ziet ondergaan. Dit leert mij nog niet veel over de echte carioca. Twee kussen doen ze in het grootste gedeelte van Frankrijk ook. De enige uitzonderingen die ik daar ken zijn Sète (drie) en Parijs (soms vier). Wie bedacht heeft dat wij er in Nederland drie moeten geven, wil ik persoonlijk nog wel eens de waarheid vertellen. Die heeft er voor gezorgd dat ik in Frankrijk regelmatig een derde kus in de lucht geef en dat in Nederland de door mij gekuste met vragende blik op de derde staat te wachten. En voor de zonsondergang klappen? Akkoord, dat heeft wel wat. Dat heb ik elders nog niet meegemaakt. Maar zo’n mooie zonsondergang zal je ook niet gauw ergens anders zien. Daar moet een theatermaker van het kaliber Svoboda aan te pas zijn gekomen.
Wat weet ik verder van de echte carioca? Over hun hondjes heb ik het al eens eerder gehad. Minuscule gedrochtjes die iedere week naar de kapsalon gebracht worden, die met een strikje op hun minuscule kopjes lopen, die soms schoentjes en jurkjes aan hebben en die minuscule keuteltjes produceren die door de carioca meestal in een plastic zakje opgeraapt worden, behalve als de carioca het te druk heeft met het op zijn of haar mobieltje te kijken en dus niet ziet dat het mormeltje een drol heeft gedraaid.

Ik heb een boekje getiteld Rau tchu bi a carioca wat min of meer fonetisch geschreven is hoe een Braziliaan How to be a carioca zou uitspreken. Daar staan allemaal nuttige aanwijzingen in over hoe je moet praten, hoe je je moet kleden, wat je moet eten en drinken om een echte carioca te zijn. Veel draait om het strand. Een echte carioca gaat voor, na of in plaats van het  werk naar het strand. De mannelijke variant – ik kan dat uit eigen waarneming bevestigen – gaat gekleed in een felgekleurd shirt, idem bermuda en rubber teenslippers. Persoonlijk vind ik het wel tof als je dan een fiets hebt met speciale beugels waar je surfplank in hangt. Vrouwelijke carioca, weet ik eveneens uit eigen waarneming, gaan bij voorkeur gekleed in een topje met erg veel blote buik en een hyperstrakke glimmende sportbroek. Helaas is overgewicht ook in Rio een veelvoorkomend fenomeen en dan wordt die outfit al gauw een stuk minder smakelijk.
Na vijven gaan de carioca inderdaad, zoals het boekje vermeldt, in grote getale naar het strand. Daar ligt dan al het materiaal voor een uurtje lichamelijke oefening voor ze uitgestald door heuse sportleraren. En als je niet bezig bent je af te trainen voor een strakke buik, ben je aan het beachvolleyen of beachvoetballen. Het onderhouden en tonen van een goed getraind lichaam is voor de carioca van beiderlei kunne van het grootste belang.
Wat ik gelukkig nog niet persoonlijk heb meegemaakt maar wat volgens het boekje van wezensbelang is voor het goed begrijpen van de carioca is dat het niet de bedoeling is de hartelijke uitnodiging om toch gauw eens bij hem langs te komen serieus te nemen. Net zo min als de mededeling dat hij je spoedig zal bellen. Dat zal hij namelijk beslist niet doen. Al heel lang geleden had ik al eens van een vriendin begrepen dat de carioca een wezenlijk andere relatie tot taal hebben dan wij nuchtere noord-Europeanen (een cliché, maar in dit verband misschien niet helemaal onzin). Taal, zo vertelde zij mij, is voor de carioca in de eerste plaats en vooral een bezigheid, een doel op zich. Praten doe je om te praten en het is niet zozeer een middel om praktische informatie te geven, afspraken te maken, meningen ten beste te geven.
Carioca hebben ook een heel bijzondere verhouding tot hun  auto. Als ze er eenmaal als bestuurder in zitten worden het opeens heel andere mensen. Geen vrolijke levensgenieters meer maar verscheurende roofdieren, die in de kortst mogelijke tijd van het ene stoplicht naar het volgende willen sprinten en daarbij vooral niet gehinderd willen worden door overstekend wild. Als voetganger ben je zelfs nooit helemaal zeker of ze bij het stoplicht wel écht zullen gaan stoppen. De spanning moet er tot het laatste moment in gehouden worden. Stopt ‘ie wel of stopt ‘ie niet? Groen voetgangerslicht of niet, pas als de automobilist zijn voertuig met gillende banden tot stilstaan heeft gebracht, kun je veilig oversteken.
Wat als medeweggebruiker niet aan te raden is, is om hun rijgedrag te becommentariëren. Wij staken laatst met peuter in de buggy voor een kruispunt de weg over, toen er zonder knippertje opeens een auto de hoek om kwam zeilen. Met enige armgebaren probeerden wij de bestuurder duidelijk te maken dat hij zojuist drie mensenlevens in gevaar had gebracht door een verplichte handeling over het hoofd te zien. Sorry? Nee hoor. Boze kreten en geheven middelvinger. En naar verluidt, is dat symptomatisch.
Een paar weken geleden ontdekte ik een eigenaardigheid van de echte carioca die ik nog niet eerder had opgemerkt: op zondag ga je massaal naar de shopping. Shopping malls zijn mateloos populair in Brazilië, maar dat ze gebruikt worden als evenknie van het park, het aquarium of het strand was me nog niet eerder opgevallen. Winkelen is daarbij ondergeschikt, eten in een van de vele restaurants of – voor de smallere beurs – eetpleinen is daarentegen dé favoriete bezigheid.
Wat de carioca-campagne (#cariocadagema, voor diegenen die het even willen opzoeken) beoogt, weet ik nog niet. Hij is zo slim van opzet dat je je er alles en niets bij kunt voorstellen. Het resultaat is wel dat ik nu naarstig alle reclamezuilen bekijk om te zien of er al een nieuwe is. Zou dat de bedoeling kunnen zijn?

Gootsteenontstopper

In het appartement in Rio dat wij twee weken geleden betrokken hebben is alles prima voor elkaar. Radio, tv, wifi, magnetron, wat heeft de moderne mens nog meer nodig? Juist ja, de dingen die de ouderwetse mens al  nodig had, zoals warm en koud stromend water, een wc, een fornuis. Ook allemaal piekfijn voor elkaar, behalve dan dat het water wel stroomde, maar niet wegstroomde uit de wastafel. Ik heb nog een moedige poging ondernomen om de sifon uit elkaar te schroeven, maar dat bleek om redenen die ik hier niet ga uitleggen, onmogelijk. Dus zou ik mijn toevlucht moeten nemen tot een gootsteenontstopper (mooi woord voor scrabble zou mijn moeder gezegd hebben). Die bleek niet aanwezig in het appartement. Kopen dus. Er zijn hier in de buurt tal van winkels met materialen voor de klusser, dus dat zou moeten gaan lukken. Maar omdat ik er een hekel aan heb om in gebarentaal duidelijk te maken wat ik wil – het zou zeker in dit geval ook gemakkelijk verkeerd begrepen kunnen worden en red je daar maar eens uit – mijn woordenboek geen uitkomst bood – het is een Frans-Portugees woordenboek en ik weet niet hoe zo’n ding in het Frans heet – en Google voor minder gangbare woorden totaal onbetrouwbaar is, tekende ik het ding en vroeg wijzend op de gootsteen aan de empregada (huishoudster) van de buren hoe dat heet. Het blijkt een desentupidor de pia te zijn. En omdat ik er ook niet van hou om mijn boodschappen van een briefje in de winkel voor te lezen, heb ik de weg naar de winkel de-en-tu-pi-dor-de-pia in mijn hoofd repeterend afgelegd. En verdomd het klopte. Een paar tellen nadat ik het d-woord had uitgesproken had ik hem in mijn handen. En even later hadden wij een wastafel waaruit het water wegliep.

Is er nu niets belangwekkenders uit Brazilië in het algemeen en Rio in het bijzonder te melden? Jazeker wel, maar erg lollig is dat niet. En ik had me toch voorgenomen om het gezellig te houden? Nou vooruit dan, één belangwekkend iets dan. Raad eens hoeveel bedelaars, daklozen en straatverkopers ik tegenkom als ik die paar honderd meter naar dat materialenwinkeltje loop? Ik denk per vijftig meter toch al gauw een of twee. De een heeft een bedoeninkje met oude boeken, CD’s en schoenen. Die laatste meest in paren, maar laatst zag ik er een eenzame enkele hooggehakte damesschoen tussen staan. Een ander verkoopt wat snoep. Weer een ander wat groente en fruit. En dan heb ik het natuurlijk niet over de straatverkopers met karretjes met cocoswater, gebak of andere etenswaren. Dat is meer de aristocratie onder de straatverkopers. Die zijn misschien wel de vicieuze cirkel van de armoede ontstegen. En mijlen verheven boven de laagsten onder het straatvolk, die op een stuk karton in een portiek of voor een winkelruit liggen en wachten tot er een goede geest langskomt met wat eten en drinken. En dat laatste is … gezellig zal ik het niet noemen, maar wel hartverwarmend.

Zondag in Rio

Zondag in Rio. De snelweg die vanaf het stadscentrum naar het zuiden en langs de stranden van Copacabana en Ipanema voert is afgesloten voor autoverkeer en het domein geworden van fietsers, skaters en in mindere mate wandelaars (toch een beetje warm om over het door de zon geblakerde asfalt te lopen). Aan die weg ligt het stadspark langs de baai van Botafogo waar wij het voorrecht hebben vlakbij te wonen en waar het op zondag vol is met yogagroepjes en spirituele samenkomsten, barbebecues, massagestands, muziek. Het strand is gevuld met bakkende, sportende en etende lijven, de vrouwen doorgaans – ondanks de evangelistische golf die over Brazilië spoelt – nog steeds in die piepkleine bikinietjes met van onderen een string en van boven twee driehoekjes aan draadjes geregen, en venters met containers met gekoelde dranken en met hapjes tot volledige maaltijden. Alles bij elkaar het Rio dat wij Europeanen graag zien en eigenlijk nog leuker is dan dat van Copacabana en Ipanema omdat je daar met de rug naar zee alleen maar beton als achtergrond hebt.

Als ik de tegenovergestelde richting neem, dus nier naar het strand maar de woonwijk in, dan kom ik na een minuut of vijftien op een plein waar, alweer, muziek wordt gemaakt, waar kraampjes staan met lokale producten en zelfgemaakte kleding, sierraden en houten kinderspeelgoed. Er is een speeltuintje, wat winkels en een caféterras, kortom het idyllische dorpsleven. Kon zo uit een film zijn weggelopen.

Een paar dagen geleden stuurde ik naar een vriendin een foto van het uitzicht vanuit ons nieuwe appartement. Ik had dat mooi gekaderd. Niet het nylonnet dat voor het raam gespannen hangt om te voorkomen dat de poes of de kleuter van vijf hoog naar beneden valt. Tussen de twee flatgebouwen door gefotografeerd zodat je alleen de baai met een hoge berg daarachter (de Urca voor de kenners) ziet met een groepje bomen op de voorgrond. Vriendin reageert enthousiast: mooi uitzicht hebben jullie! Nou ja, schrijf ik terug, dat was wel een beetje geflatteerd. Zo is het in werkelijkheid. En ik stuurde een foto mee van een tien verdiepingen hoog flatgebouw aan de ene kant en een achttien verdiepingen tellend kantoorgebouw aan de andere kant, met daartussen dat doorkijkje naar de baai van Botafogo. Maar, vanaf de plek waar ik op dit moment achter mijn laptop zit is eenderde van het raam gevuld met dat doorkijkje en tweederde met de blinde muur van dat flatgebouw. De aandacht wordt onvermijdelijk getrokken naar dat leuke doorkijkje, die andere tweederde zie ik niet echt. Zo is het met Rio in zijn geheel ook. Je hebt hier fantastische plekken. Sommige horen tot de mooiste ter wereld, maar je moet om de illusie van schoonheid vast te houden de blik niet te veel laten afdwalen, want dan zie je dingen die dat beeld lelijk kunnen verstoren. Die ga ik nu dus niet noemen. Het is zondag, laat ik het gezellig houden

Bijtekenen

In vijf jaar tijd ben ik nu voor de tiende keer in Brazilië. En niet zomaar voor een weekje strand in Copacabana, nee, iedere keer ben ik/zijn we hier voor minstens een maand. En deze keer maken we het helemaal bont: we zouden hier deze keer maar liefst zes weken blijven, maar twee weken voor vertrek besloten we om drie maanden bij te tekenen. Het begrip bijtekenen heeft voor mij een heel specifieke betekenis. In mijn jaren in de ontwikkelingshulp werd er ook regelmatig bijgetekend. Ontwikkelingswerkers hadden contracten van twee of drie jaar. Als je vond dat je na die periode onmisbaar was dan kon je een contractverlenging aanvragen. Liever gezegd de organisatie waar je bij werkte, kon die verlenging aanvragen omdat je jezelf nog niet overbodig had gemaakt. Want dat was het ultieme doel van de ontwikkelingswerker: zichzelf overbodig maken. Welnu, onze gastorganisatie heeft onze contractverlenging aangevraagd zodat zij ons in die drie extra maanden overbodig kan maken. Om het een beetje simpel te vertalen: zodat zij in die drie extra maanden een alternatief voor ons als oppas-oma en –opa hebben kunnen vinden. In de ontwikkelingshulp heette dat een counterpart inwerken. Maar goed, wij zitten nu dus niet voor zes weken in Brazilië maar voor vier-en-een-halve maand. Dat verandert opeens wel je perspectief. Ik begin me nu pas echt te schamen voor het feit dat ik na het kleine jaar dat ik alles bij elkaar al in dit land heb doorgebracht nog steeds niet in staat ben om meer dan zelf maar twee zinnetjes fatsoenlijk Portugees te spreken. Ja natuurlijk, de begroetingen heb ik inmiddels glad gepolijst met een behoorlijk Carioca-accent. Bij de kassa van de supermarkt sta ik niet meer met mijn mond vol tanden als de caissière mij bijvoorbeeld vraagt of ik spaarzegeltjes voor serviesgoed wil, een plastic zakje of  een parkeerkaart. Ik antwoord uit volle borst: sim, não, não. En ik vertrek met een langgerekt tsjau. Dat laatste valt niet mee. Dat vraagt veel oefening. De gemiddelde caissière spreekt dat uit alsof ze vanuit bed haar vertrekkende minnaar dag zegt met een klank die vol belofte is voor de volgende nacht. Maar voor de rest willen de braaf geleerde woordjes maar mondjesmaat tevoorschijn komen en als ik erin geslaagd ben er een min of meer begrijpelijke zin van te maken, is de gelegenheid om ze uit te spreken meestal voorbij.

En nu we het er toch over hebben – over Brazilië dus – er is hier wel het een en ander aan de hand. Het is geloof ik ook in Europa niemand ontgaan dat half Amazonië in brand staat en dat we hier een gek van een president hebben die dat liever maar zo wil laten want dat levert veel grond op voor soja- en veeboeren die hij ook graag van wapens voorziet om iedereen die daar anders over denkt van het land te schieten. Een goede vriend die het Portugees wél goed beheerst – hij is namelijk Braziliaan – noemt deze president consequent Boçalnario. Boçal staat voor imbeciel, stompzinnig, kortom precies wat deze president is. Ik ga maar niet vertellen over deze gesjeesde legerkapitein voor wie woorden tekort schieten om zijn stupiditeit te beschrijven. If you like Trump, you will adore Bolsonaro!

Terug naar het dagelijks leven in Rio, want dat is ook deze keer weer de plek waar ik verblijf. Ik ben geneigd te denken dat Rio de meest Braziliaanse stad van Brazilië is, maar ik geef direct toe dat ik niet veel vergelijkingsmateriaal heb. Andere megapolen als São Paulo en Belo Horizonte, heb ik nog niet bezocht. De enige grote steden die ik naast Rio ken zijn Recife, Goiânia en Brasilia. De laatste stad is zo atypisch dat ik bijna aarzel om hem Braziliaans te noemen. De planmatigheid die aan deze zestig jaar geleden door president Kubitschek gestichte regeringsresidentie en hoofdstad ten grondslag ligt, lijkt in niets op de ogenschijnlijk chaotisch gegroeide andere steden. Een stad als Rio lijkt mij voor iedere stedenbouwkundige een nachtmerrie. Alleen in het oude centrum is een soort systeem te ontdekken. Daarbuiten lijkt alles min of meer lukraak neergegooid, afgebroken, opnieuw bebouwd enzovoort, met als constante factor dat de middenklassen beneden en de armen op de hellingen wonen. Nou ja, beneden … kenmerkend voor alle steden in Brazilië is dat er ontzettend hoog wordt gebouwd. En niet alleen voor kantoorgebouwen. In typische woonwijken als Flamengo en Botafogo schieten de flatgebouwen al gauw een verdiepinkje of vijftien de lucht in. En dat met vaak minder afstand tussen de huizen dan in de 19e eeuwse gordel in Amsterdam. Tien hoog met uitzicht op de achterburen. Dat wordt dan vaak goedgemaakt door de majestueuze entree. Alsof je werkelijk in een paleis woont. Met glanzend gepoetste koperen leuningen en ornamenten op de monumentale voordeuren, marmeren vloer en directeursbureau voor de conciërge.

In dat Rio hebben wij dus bijgetekend. Dus alle tijd om te kijken of er nog meer winkels gesloten worden, er nog meer gaten in het asfalt vallen, er nog meer steentjes uit de trottoirs verdwijnen, of er meer daklozen in onze wijk komen, of dat restaurantje dat ze nu al een jaar aan het verbouwen zijn toch nog afkomt. Als het café met de Hollandse kroketten het maar uithoudt en de Maaslander regelmatig in de aanbieding is, dan halen wij het einde van de Braziliaanse winter wel. Maar stilletjes hoop ik dat we hier ook het begin van de afzettingsprocedure van de president mogen meemaken.