Ik werd een paar dagen geleden bezocht door een stukje van mijn verleden dat ik nog niet helemaal vergeten was, maar dat wel diep was weggezakt in mijn historisch bewustzijn. Mijn neef stuurde mij een berichtje waarin hij mij meldde dat hij mijn naam was tegengekomen in de Black Archives. Hij was daar op bezoek met een Zuid-Afrikaanse gast voor wie een aantal publicaties waren uitgestald over de geschiedenis van zwart in Nederland. Tot zover zou er bij mij nog geen lampje zijn gaan branden. Ik heb al eens in een eerdere column verteld over mijn onfortuinlijke visumaanvraag bij de Zuid-Afrikaanse ambassade, maar dat levert nog geen plek in de Black Archives op, zo leek mij. Nee, het ging om een artikel in De Groene zo’n veertig jaar geleden. Het artikel heette ‘Het Gliphoeve-trauma van de sociale huisbazen’, en wie zich de Bijlmer van midden jaren zeventig nog herinnert, weet dat de naam Gliphoeve gelijkstond met Surinamers en massale kraakacties. Voor de woningbouwverenigingen in Amsterdam was daardoor de concentratie van etnische minderheden in één buurt een zodanig trauma geworden dat ze limieten voor die minderheden zijn gaan stellen zodat bepaalde buurten feitelijk gesloten waren voor verdere instroom van bijvoorbeeld Turken en Marokkanen.
Ik werkte in die tijd bij de Stichting Welzijn Buitenlandse Werknemers in Amsterdam, een van de ik meen tien van zulke regionale stichtingen. Met mijn collega’s voor onderwijs en huisvesting vormden wij een soort bende van drie binnen die stichting. De rest had het druk ofwel met geld uitdelen voor folkloristische en anderszins gezellige activiteiten (wij subsidieerden per nationaliteit georganiseerde sociëteiten), of met het zich inleven in andere culturen. Vooral de collega’s met een sociale academie opleiding waren daar erg sterk in. Wij daarentegen vonden dat er gewerkt moest worden aan betere kansen voor met name de Marokkaanse en Turkse medemens in vooral onderwijs (dus vooral géén onderwijs in eigen taal en cultuur), en op de arbeids- en woningmarkt. Doordat de Nederlandse regering absoluut geen beleid had ten aanzien van de minderheden, werd dat nog een heel conflict waar bij de ‘eigen culturele identiteit’ het won van onze structurele aanpak.
In het kader van die structurele verbetering van de positie van de gastarbeider (zoals hij toen nog werd genoemd) schreef ik destijds een verhaal in De Groene. Mijn huisvestingscollega was een goede bekende van Geert Mak, toen nog Groene-redacteur, en Geert vond het prima om zo’n verhaal in De Groene te plaatsen. In die tijd schreef ik mijn artikelen nog geheel met de hand voordat ik ze op de schrijfmachine met carbondoorslag uittikte. Met dit handgeschreven verhaal was ik daags voor de deadline bij mijn huisvestingscollega langs geweest om er eventuele feitelijke onjuistheden uit te zuiveren. Daarna reden geliefde J. en ik in onze rode R4 naar de Nieuwezijds om daar bij de Marokkaan te gaan eten. Tas (met artikel) en jas van J. lieten we gewoon op de achterbank liggen. Die lagen er dus niet meer toen wij uit het restaurant kwamen. De Marokkaanse eigenaar van het restaurant te hulp geroepen. Die had wel een idee. Hij liep regelrecht naar een steeg aan de andere kant van de Nieuwezijds, deed daar een grote afvalcontainer open, en ja hoor daar lag de jas van J., maar geen tas. Hij klom nog op de container om op het lage dak daarachter te kijken, want hij wist dat daar ook regelmatig onbruikbare buit opgeflikkerd werd, maar helaas. ‘Dan ligt hij nu waarschijnlijk in de gracht’, verzuchtte hij. Hij kende zo ongeveer de route van de booswichten. Nog aangifte gedaan op bureau Warmoesstraat waar de dienstdoende agent, toen hij hoorde van de inhoud, mij meewarig aankeek. Zoiets van ‘moet je maar iets nuttigers met je leven doen’.
De deadline was de volgende ochtend om 12 uur. Ik begrijp niet hoe ik heb kunnen slapen die nacht. De volgende ochtend heb ik mij op mijn kamer in de stichting opgesloten en het verhaal uit het blote hoofd gereproduceerd. Ik denk dat er geen drie woorden anders in stonden dan in de oorspronkelijke versie. Waar het brein toe in staat is.
Na het verschijnen van het artikel was mijn naam op het gebied van huisvesting en minderheden gevestigd, dus toen ik een tijdje later met de twee collega’s ontslagen werd wegens dissidente ideeën (met volledige instemming van de vakbond), kon ik bij het Nederlands Centrum Buitenlanders terecht om een rapport te schrijven over discriminatie op de woningmarkt. Dat kreeg binnen beperkte kring enige bekendheid, waardoor ik op het bureau van Marjanne Sint terechtkwam (later PvdA-voorzitster, maar toen nog hoofdredacteur van Intermediair), die mij voorstelde om met haar samen een themanummer van Intermediair te maken over minderheden en ongelijkheid. Dat is ook nog als boekje (Tussen wal en schip) uitgegeven. Mijn naam kon niet meer stuk. Vervolgens verdween ik voor drie jaar naar Tanzania, maar al voor mijn terugkeer had ik een mooi contract op zak van het SCP waar ik een uitgebreide studie mocht doen naar de positie van minderheden op de woningmarkt. Om de een of andere voor mij onduidelijke reden is dat rapport nooit verschenen, hoewel ik niet uitsluit dat er stukken van in het Sociaal en cultureel rapport hebben gestaan. Dat heb ik nooit meer gecheckt. Mijn interesse lag inmiddels voorgoed bij de Derde Wereld.
O povo Brasileiro
Het is 7 juli en Brazilië is gisteren uitgeschakeld in de kwartfinale van het Wereldkampioenschap voetbal. Normaal gesproken niet een feit dat ik in een stukje zou vermelden, laat staan om mee te openen. Maar het feit wil dat ik al vijf weken in Brazilië vertoef en dat ik had gehoopt door het WK wat meer van de Braziliaanse volksaard te gaan begrijpen. Niets daarvan. Ik verwachtte dat na de noodlottige 2-1 nederlaag tegen de rode duivels het land in diepe rouw zou zijn gedompeld. Tenslotte is dit een voetbalnatie, goed voor vijf wereldtitels op haar naam. Hier in Rio overal Braziliaanse vlaggetjes, gele voetbalshirtjes. Zelfs mijn schoondochter en mijn kleindochter van zes maanden waren in het geel-groen gekleed. Het kon dus niet anders dan dat de voortijdige ondergang van het Braziliaanse team tot hartverscheurende taferelen zou leiden. Welnu, het barbecuefeestje van de bewoners van het naburige flatgebouw ging na het eindsignaal gewoon en op hetzelfde volume door. Toen ik even de straat op ging voor een boodschap, zag het er niet anders uit dan anders. Iets minder mensen buiten, maar dat kwam natuurlijk doordat iedereen al vroeger naar huis was gegaan om de wedstrijd te zien.
Voordat we naar Brazilië vertrokken was een buurman zo attent om ons een Braziliaanse roman cadeau te doen. Het boek is Van Joᾶo Ubaldo Ribeiro en heet Brazilië Brazilië, dat wil zeggen dat is de vertaler zijn versie van Viva o povo Brasileiro. Leve het Braziliaanse volk lijkt me toch iets anders dan tweemaal de naam van het land achter elkaar te zetten, dus naar de reden van deze Nederlandse titel kunnen we slechts gissen. Feit is wel dat de oorspronkelijke Portugese titel precies aangeeft wat Ubaldo Ribeiro met zijn roman wil: het Braziliaanse volk bejubelen. Wat begint als een onderhoudende familiekroniek eindigt in een geëxalteerde lofzang op het Braziliaanse volk. Maar of dat me wijzer maakt over de Braziliaanse volksaard? Persoonlijk ben ik weinig bevattelijk voor de gedachte dat het volk een metafysische entiteit is, dat het altijd streeft naar het Goede en dat het zal zegevieren. Nee, dan zal ik het toch moeten hebben van mijn eigen kleine observaties tijdens mijn wandelingen in Rio.
De Carioca’s – zo heten de inwoners van Rio en ik weet niet in hoeverre zij en heel speciaal soort Brazilianen zijn – houden erg van honden en vooral van hondjes. Hoewel dat laatste uit nood geboren kan zijn. Ik bedoel op een flatje dertien hoog met een Sint Bernhard, dat is misschien niet een optimale combinatie. Ik zie dus veel mensen op straat met kleine tot ultrakleine hondjes, type Idéfix zal ik maar zeggen. En dat ze heel erg van die hondjes houden kun je zien aan hoe ze uitgedost zijn. Strikje op de kop is bijna standaard, maar met een jurkje aan is geen bijzonderheid. Maar vooral hoe ze gekapt zijn valt op. Er lopen kunstwerkjes van coiffeurale vaardigheid tussen. En dus uiteraard veel heel hondenkapsalons. Ruwweg evenveel als mensenkappers en die zijn er echt niet weinig. En dan die winkeltjes waar je allerlei accessoires voor je hondje kunt kopen: strikjes, jurkjes, speeltjes. Ik heb ze ook echt met schoentjes aan gezien. Alleen de variant met zwarte laarsjes, zwart ondergoed en een zweepje ben ik nog niet tegengekomen. Maar wat bijna onvoorstelbaar is: deze perfect geknipte, geföhnde en geparfumeerde hondjes poepen. Echt waar! En denk nou niet: in Rio is het natuurlijk een rotzooitje dus glij je overal uit over de hondendrollen. Nee. Al de bazen en bazinnen van deze minihondjes lopen met een plastic zakje in de hand met meestal een paar schattige keuteltjes erin. En aangezien er in de straten van Rio niet om de 100 meter een vuilnisbak staat, nemen ze die zakjes helemaal mee naar huis. Bij de aanblik daarvan moet ik altijd de neiging onderdrukken om even te braken.
Wat we dus kunnen vaststellen is dat de Carioca’s aardig zijn voor kleine huisdieren en dat ze veel voor hen overhebben. Hetzelfde fenomeen heb ik in Brasilia waargenomen, dus misschien geldt deze karakteristiek wel in het algemeen voor de stedelijke Braziliaan. Vandaar naar o povo is maar een klein stapje, dus misschien hebben we hier wel een klein maar o zo belangrijk deel van de volksaard te pakken.
Wat verder erg bepalend is voor het straatbeeld hier, zijn de stalletjes. Natuurlijk de krantenkiosken, maar ook stalletjes met kokosnoten, met accessoires voor smartphones, met stekkeradapters, en vooral de sleutelmakers. Op iedere straathoek staat er wel een huisje met een sleutelmaker en meestal daartussen ook nog een. Wat kunnen we uit dat laatste opmaken? Dat Brazilianen vaak hun sleutels kwijt zijn? Of dat je in zo’n chaveiro-hokje meer prestige hebt dan als verkoper van telefoonhoesjes? Misschien zijn de chaveiros wel de aristocratie onder de straatverkopers. Er zal vast wel eens een sociologiestudent onderzoek naar hebben gedaan, maar hoe kom ik daar achter? En trouwens, met mijn Portugees kan ik net de krant een beetje lezen, maar zeker geen wetenschappelijke verhandeling begrijpen. Doodlopend spoor dus.
Ander bepalend element in het straatbeeld zijn de bedelaars en daklozen. In hoeverre het hier overlappende categorieën betreft kan ik niet vaststellen. Ik zie ze namelijk alleen overdag en het typische kenmerk van een dakloze is dat hij ook ’s nachts op straat leeft. Maar voor de vredelievende burger die ik ben is het niet aan te raden om ’s avonds en laat staan ’s nachts de straat op te gaan. Alleen, als ik ’s ochtends om kwart over zeven naar de bakker loop en hier en daar iemand zie slapen op een stuk karton, mag ik wel aannemen dat we dan met een authentieke dakloze te maken hebben. Al met al, of ze nu wel of niet dakloos zijn, bedelaars zijn er heel wat, zeker in de drukke winkelstraat waar ik mijn boodschappen doe. Maar de aanwezigheid van bedelaars zegt me niets over de volksaard, des te meer over maatschappelijke ongelijkheid, falend economisch beleid en nog zo wat. Maar wat wel wat zegt is de houding van de overige Carioca’s tegenover hun minder fortuinlijke collega’s. Zo zag ik vroeg in de avond twee dames van zekere leeftijd uit een boodschappenkarretje bekertjes koffie uitschenken en broodjes uitdelen aan de bedelaars in de straat. Zo zie ik de dakloze die zijn vaste plekje heeft op de hoek van de straat, ‘s ochtends het trottoir voor de bakkerij schoonvegen en zie ik hem even later zijn tanden zetten in een vers broodje kaas. Zo zagen we het jonge stel een eindje verderop vrolijk gebogen over twee plastic borden met een warme maaltijd. Wat me daarbij opvalt, is dat waar het verstrekken van maaltijden aan daklozen in bijvoorbeeld Frankrijk vooral gebeurt door organisaties (Restos du coeur, Secours catholique), het hier privé-initiatiefjes zijn. Dat maakt het wel een stuk menselijker. Ik bedoel maandelijks een tientje overmaken aan de voedselbank of ieder zondag een paar geadopteerde daklozen voorzien van een warme maaltijd, dat is wel een verschil.
Voor vandaag stop ik mijn zoektocht naar wat nu specifiek Braziliaans is. Ik voel me een beetje als Maxima op zoek naar de Nederlandse identiteit. Zij vond hem niet. Maar wat Brazilië betreft geef ik het nog niet op.
Knallen in de favela
Als ik dit schrijf, zit ik in Rio de Janeiro. Ik geloof voor de zesde keer in de afgelopen vier jaar en voor de derde keer in het afgelopen jaar. Met andere woorden, ik ben een gepokt en gemazeld Rio-ganger. Maar ik zit niet zomaar ergens in Rio, nee ik zit op de afstand van een straatbreedte en die van een tienbaans boulevard verwijderd van de zee. Ik kan hem net niet zien want dan zou ik om de hoek van een torenhoog kantoorgebouw moeten kijken. Dan zou ik tegelijkertijd een paviljoen zien dat onmiskenbaar de hand van de grote Braziliaanse architect Oscar Niemeyer verraadt. Aan de andere kant kijk ik uit op een groene helling met een zeer diverse bebouwing. Helemaal bovenop die helling zie ik de laatste huizen van een favela, een sloppenwijk. Dat weet ik, maar kan ik niet zien. De favela zelf is van hieruit onzichtbaar. Dus het beeld is pittoresk, de werkelijkheid iets grimmiger. Daarmee heb ik geloof ik wel meteen een karakteristiek van Rio gegeven.
Op dit moment zijn de wereldkampioenschappen voetbal aan de gang. Vanuit de omringende appartementen hoor ik het gejuich en geschreeuw en af en toe een toetertje, vanuit de favela klinken de knallen. Maar zelfs als armoede niet luidruchtig zou zijn, is die hier altijd dichtbij. In de middenklassewijken waar ik het meest van mijn tijd doorbreng, liggen overal daklozen op het trottoir, zitten of lopen overal straatverkopers die vanuit de favela’s afdalen. En de favela’s zelf zijn vaak goed zichtbaar omdat ze in dit deel van de stad op de berghellingen liggen, dus hoog. ’s Avonds is het wel sfeervol al die lichtjes op de bergen, maar overdag blijft er van dat sprookjesachtige weinig over.
Een van onze favoriete plekken in Rio is de Praia vermelha – het rode strand. Ik heb nog steeds niet ontdekt wat er zo rood aan is, hoewel … Twee weken geleden waren er twee drugsbendes in een belendende favela slaags geraakt. Er werden zeven lijken bij de praia opgevist. Zo kleurt het strand natuurlijk wel rood.
Een andere favoriete plek van ons is de Jardim botanico – de botanische tuin. Tijdens ons vorige verblijf in Rio was de hele wijk daaromheen twee dagen lang onbereikbaar ook alweer omdat er drugsbendes elkaar bestreden en al schietend vanuit de favela in vaak chique woonwijken waren terechtgekomen.
Ik probeer iets te begrijpen van deze stad, maar kom zelfs als regelmatige bezoeker niet veel verder dan wat clichés over schoonheid en gastvrijheid aan de ene kant en armoede en geweld aan de andere. Ik heb enige weet van het politieke klimaat dat totaal verziekt is, van de economie die mede als gevolg van corruptie maar ook gewoon door slecht regeringsbeleid dreigt in te storten, maar van de sociale verhoudingen weet ik nagenoeg niets. Zit het klassensysteem dichtgetimmerd of niet? In hoeverre rust het nog steeds op de koloniale basis van zwart en wit? Er komen geen witten uit de favela’s en ik zie weinig zwarten onder de ministers en directeuren van grote bedrijven, maar hoe zit het met de grote middenmoot? In ‘onze’ buurt zie ik witte vrouwen in rolstoelen geduwd door zwarte empregada’s (hulpen in de huishouding). Het omgekeerde zie ik niet. Ik zie witte vrouwen die met zwarte vrouwen boodschappen doen. De zwarte vrouwen duwen de winkelwagen en dragen de boodschappen naar huis. Dit zijn geen onomstotelijke bewijzen dat de sociale klassen volgens raciale lijnen gesloten zijn, maar toch.
Ik denk dat ik na een half jaar in Frankrijk, maar ook in Tanzania en in Burkina Faso een beter beeld had van wat er in het land speelde – of dat althans pretendeerde – dan na zeven maanden in Brazilië. Nu is dit wel een verschrikkelijk groot en verschrikkelijk gecompliceerd land en zelfs als ik me probeer tot Rio te beperken, deze stad is in het geheel niet los te denken van de nationale context. Al was het maar omdat hij tot 1960 de hoofdstad was. Maar met al mijn pogingen om door het lezen over de geschiedenis van het land iets te gaan begrijpen waarom het hier is zoals het is, ben ik nog niet veel wijzer geworden. Je zou kunnen zeggen dat er iets mis is met het Latijs-Amerikaanse ontwikkelingsmodel. Venezuela is natuurlijk een schrikbeeld van achterwaartse ontwikkeling, maar in Argentinië kunnen ze er ook wat van. En Brazilië? Mijn zoon pleegt te zeggen dat Brazilië lange tijd beschouwd werd als het land van de toekomst, maar dat het er hard op begint te lijken dat het ’t land van het verleden wordt. Maar dat maakt mijn begrip er niet groter op.
Ontheffing
Omdat ik een aantal weken elders ben waardoor ik niet kan zagen, timmeren, wandelen en fietsen, doe ik dingen waarvoor ik anders geen tijd heb. Zodoende vond ik een column van een paar jaar geleden die ik nooit op mijn blog had gezet. Blijkbaar vergeten.
‘En, zijn jullie helemaal geïntegreerd?’, werd mij gevraagd door iemand die een groot deel van zijn jeugd op het Franse platteland had gewoond. ‘O, helemaal’, riep ik uit. Hij begreep de ironie van mijn reactie. ‘Nou ja, geaccepteerd door de Fransen’, maakte hij er snel van. ‘Ja hoor, geaccepteerd als buitenlander’, antwoordde ik. Hij begreep wat ik bedoelde. ‘Je blijft altijd een buitenstaander, hè? Zelfs als Parijzenaar.’ De waarheid is dat je vooral als Parijzenaar een buitenstaander blijft, volgens het principe dat wat een beetje afwijkt heviger gewantrouwd moet worden dan wat heel anders is. Een principe dat vooral binnen beginselvaste stromingen gehanteerd wordt, of die nu religieus of politiek zijn. In die zin is het Franse platteland ook heel beginselvast: zoals het was, was het beter. En vroeger had je geen buitenlanders, dus dat is beter. Natuurlijk zijn er gradaties: wij zijn geen Roemenen. Maar toch horen we er eigenlijk niet thuis. We mogen best op het dorpsfeest komen, maar niemand zou ons missen als we weg bleven. Leuk hoor, dat die buitenlanders die oude huisjes opknappen, maar niemand zou het erg vinden als ze van ellende in elkaar stortten. Het duidelijkst merk je dat misschien op school. Ik moet het eerste buitenlandse kind nog tegenkomen dat een onbezorgde tijd op zijn Franse plattelandsschooltje heeft gehad. Als buitenlander word je daar per definitie gepest. Onze zoon koos er dan ook voor om na zijn negen jaren lagere school en collège (onderbouw middelbare school) naar een lycée (bovenbouw) te gaan dat in een stad lag. Niet het provinciestadje in de buurt, nee, een echte stad. Alleen, dat gaat in Frankrijk niet zomaar. Iedere openbare school heeft zijn eigen verzorgingsgebied. Is er in jouw dorp een dorpsschooltje, dan ben je gehouden je kind daarheen te sturen ook al vind je dat de onderwijzeres incompetent is. De enige uitweg is een particuliere – lees katholieke – school, maar die zijn er meestal niet in de dorpen, nog afgezien of je je kind daar wel heen wilt sturen. Of een dérogation (ontheffing). Het krijgen van dérogations is in Frankrijk voor ouders van schoolgaande kinderen een nationale sport. Die kun je bijvoorbeeld krijgen door je kind administratief bij zijn grootouders onder te brengen die misschien in een wijk wonen waar een betere school is. Voor ouders in het 16e arrondissement in Parijs doet zich dat probleem niet voor. Die kunnen hun kinderen gewoon naar het Lycée Henri IV sturen, één van de meest gerenommeerde lycées van het land. Je kunt er ook voor kiezen als ouders van een absoluut onmuzikaal kind en wonend in een mindere wijk je kind naar een school te sturen waar muziek een examenvak is en die toevallig niet in een achterstandswijk ligt. Zo zijn er nog een heleboel trucs om de vermaledijde carte scolaire te omzeilen. Wij waren van dat alles niet op de hoogte toen wij jaren geleden op goed geluk een afspraak maakten met de proviseur (rector) van een lycée in een middelgrote stad. Ze deden op die school veel aan beeldende kunst en dat trok ons wel. Tijdens het gesprek met de rector kwam de belangrijkste motivatie voor een school in de stad al gauw boven tafel. De rector bleek een en al begrip. ‘Ze pesten je omdat je buitenlander bent? Ik ken dat, ik ben dat ook ontvlucht. Ik kwam uit de Elzas en had een Duitsklinkende naam, dus ik was altijd de sale boche, de rotmof.’ Wij vertelden die ervaring aan Franse kennissen van wie de man een overduidelijk Duitse naam heeft. ‘Heb jij dat nooit gehad, dat ze je voor rotmof uitscholden?’ ‘Nee hoor’, luidde het opgewekte antwoord. ‘Ik was gewoon die klerejood.’
Maar onze zoon kreeg zijn dérogation en werd op zijn lycée niet gepest of uitgescholden.
Gifkunst
Afgelopen week bezochten wij het Kasteel Ruurlo waarin de Carel Willink-collectie van Hans Melchers gehuisvest is. Ik wist niets van Hans Melchers, maar genoeg van Carel Willink om niet naar dat bezoek uit te kijken. Alleen, we waren in Almelo, moesten terug naar Zutphen, het was een mooie dag, dus waarom zouden we onderweg niet van onze net verworven museumjaarkaart profiteren om het kasteel te bezoeken. Daar heb ik nu erg spijt van. Niet vanwege het kasteel. Dat is mooi gerestaureerd en de kasteeltuin ligt er prachtig bij. Ook niet vanwege de werken van Carel Willink. Die waren wat ik ervan verwachtte. Ik word er niet warm of koud van. Maar dat verwacht ook niemand van me, dus tot zover niets aan de hand. Dat ik mij ten slotte van de sulfureuze reputatie van Melchers niets herinnerde, is me te vergeven. Maar desondanks had ik me beter kunnen voorbereiden. Toen onlangs in een gesprek de Achterhoekse mecenas ter sprake kwam, vertelde iemand dat hij zijn geld in de chemie had verdiend. ‘Aha, gifgas’ grapte ik misplaatst. Toen ik na het bezoek aan het Willink-museum toch nog maar even nazocht hoe het nu zit met die Melchers, zag ik dat de man inderdaad fortuin heeft gemaakt met zijn Melchemie, maar zag tot mijn ontzetting ook dat het bedrijf veroordeeld is wegens levering van verboden chemicaliën – gifgascomponenten dus – aan het Irak van Sadam Hoesein. Het bedrijf heeft daar destijds een geldboete voor gekregen waarvoor je nauwelijks een Willink kunt laten inlijsten. Binnenkort zal er weer een proces zijn waarin nabestaanden van de duizenden gedode of levenslang invalide Koerden hun recht proberen te krijgen tegenover de leveranciers van grondstoffen voor chemische wapens. Melchers heeft altijd gezegd niets afgeweten te hebben van de omstreden levering die bovendien nog een vergissing zou zijn geweest. Ook in het onwaarschijnlijke geval dat Melchers inderdaad zijn handen in onschuld kan wassen, had hij er beter aan gedaan de slachtoffers van de gifgasaanval te ondersteunen dan zijn geld te steken in het aankopen van kastelen en kunst. Wat mij betreft zijn het museum MORE in Gorssel en het Kasteel Ruurlo besmette plekken. Ik zal daar niet meer komen.
Ontmaskerd
Er was eens een tijd dat ik als adressenboek een kaartenbak had. Daar zaten papieren systeemkaartjes van 8 bij 13 centimeter in. In het pre-automatiseringstijdperk werden die ook in bibliotheken gebruikt. Ik zeg dat er maar even bij voor de jongere lezers. Ik veronderstel dat die zich nauwelijks kunnen voorstellen dat er een tijd was dat het geven van een zoekopdracht in een database of een zoekmachine gewoon niet bestond. We moesten ons voor het schrijven van een scriptie (sorry, thesis) urenlang door kaartenbakken vol beduimelde kaartjes werken, nummers op een briefje schrijven en dat vervolgens aan een balie afgeven en wachten op het verlossende moment dat door de luidspreker jouw naam werd afgeroepen om het boek of ander geschrift in ontvangst te nemen dat in het beste geval weer een voetnoot en misschien zelfs een citaat (sorry, quote) in je scriptie opleverde. De beelden op mijn inwendig filmdoek gaan bij deze gedachten automatisch op zwart-wit. Zó lang lijkt dat wel geleden.
Bij het overgaan op een geïnformatiseerde database voor mijn adressenbestanden geraakte mijn kaartenbak in onbruik. De systeemkaartjes draaide ik om zodat ik de achterkant als kladpapier kon gebruiken. Ik schiet al lekker op want ik ben nu met de A bezig (nee, dat is geen ironie, want als je de hele bak omdraait, begin je dus bij de Z). En daar zaten ook een paar ambassades bij. Ik deed namelijk in die tijd werk waarbij ik die nog al eens nodig had. En zo kwam ik het kaartje “Ambassade ZA” tegen. De oplettende lezer zal nu denken: ‘ZA, dat staat natuurlijk voor Zuid-Afrika. Maar wat moest die Nijzink pakweg dertig jaar geleden (want we hebben het over het pre-automatiseringstijdperk) in Zuid-Afrika? Een beetje links angehauchte liet dat land in die tijd toch volledig rechts liggen? Precies, en daar zit hem nou juist het probleem. Ik was inderdaad tamelijk links angehaucht en ik moest naar Zuid-Afrika. Ik was net gaan werken bij een ontwikkelingsorganisatie als hoofd Afrika met als speciale verantwoordelijkheid Zuid-Afrika. De oplettende lezer denkt nu: ‘wat moest een zichzelf respecterende ontwikkelingsorganisatie dertig jaar geleden in Zuid-Afrika?’ Mandela zat nog op Robbeneiland. Het ANC was nog een illegale organisatie. De scherpste kantjes van de Apartheid waren er dan wel af, maar het bleef een totaal verwerpelijk regiem. Precies, en daarom had de Europese Commissie bedacht dat het wel een goed idee was om een speciale ‘budget-line’ te openen voor de ‘victims of Apartheid’. Dat geld kon natuurlijk niet rechtstreeks naar het ANC of naar COSATU (de aan het ANC gelieerde vakcentrale) gaan, maar het werd wel naar instellingen gesluisd die de goedkeuring van die twee hadden. En het Apartheidsregiem stond dat toe. Dat was het schizofrene van de hele situatie. Je laat vanuit het buitenland organisaties steunen die het op jouw ondergang gemunt hebben. Het is alsof Poetin toestemming aan Brussel geeft om de oppositie financieel te steunen. Ik weet niet of er ooit een deugdelijke evaluatie van het programma heeft plaatsgevonden. Vermoedelijk is dat in de euforie van het einde van het Apartheidsregiem vergeten.
En waarom moest ik naar Zuid-Afrika? Om de mensen te ontmoeten die die Europese geldstroom in goede banen leidden. Tenslotte werkte ik bij een organisatie die haar werk serieus nam en die het niet alleen maar te doen was om de 7% apparaatskosten waarvan mede mijn salaris betaald kon worden. Ik moest de verantwoordelijken ter plaatse spreken om vast te kunnen stellen dat het geld in goede handen terecht kwam.
De mensen binnen mijn organisatie die het weten konden, hadden me verzekerd dat ik die reis naar Zuid-Afrika zo snel mogelijk na mijn indiensttreding zou moeten maken. De Zuid-Afrikaanse regering beschikte immers over een van de meest effectieve inlichtingendiensten ter wereld en zo zouden ze al heel snel weten dat ik voor een organisatie werkte die zich zeer duidelijk tegen het Apartheidsregiem keerde (maar die wel als geldsluis van Brussel naar de slachtoffers van de Apartheid kon functioneren; waar klopt hier iets niet?) en zou ik derhalve geen visum krijgen.
En dan nog zou het niet zo simpel zijn om dat visum te krijgen. Daarvoor moest ik namelijk een verhaal hebben. Waarom moest ik zo nodig naar Zuid-Afrika? En er moest ook een Zuid-Afrikaan zijn die tijdens mijn verblijf in het land voor mij garant zou willen staan. Ik begon met het laatste. Een vriend had een tante in Kaapstad waarvan hij dacht dat ze wel mee zou willen werken aan dat nobele doel. Teleurstelling. De tante vond dat veel te griezelig. Een vriendin had een Zuid-Afrikaanse oud-studiegenoot die aan de Witwatersrand Universiteit doceerde. Ze zou hem wel even schrijven en dan zou het vast geen probleem zijn. En inderdaad: raak. Met zelfs nog een uitnodiging erbij om hem op te komen zoeken. Er zat één maar aan. Een progressieve intellectueel zou waarschijnlijk niet heel goed te boek staan bij de Zuid-Afrikaanse inlichtingendienst. Maar ik had weinig keus, dus heb ik hem op mijn visumaanvrage gezet. Maar nu het verhaal. Ik had geen vrienden of familie in Zuid-Afrika die ik nodig eens moest opzoeken. Professionele redenen waren in mijn geval taboe, dus moest het maar een toeristisch uitstapje worden. Maar waarom naar Zuid-Afrika? Waarom niet naar, noem eens wat, Kenia? Precies, waarom niet? Omdat ik het juist ging combineren met een reis naar Kenia. Dat was mijn vondst. Niet ijzersterk, maar toch. Ik had een reis naar Nairobi gepland. Daar zou ik familie gaan bezoeken (dat was verifieerbaar juist). En omdat ik dan op een paar uur vliegen van Johannesburg zou zijn, was dat een mooie gelegenheid om Zuid-Afrika te bezoeken. Bovendien, zowel van Oost- en West-Afrika had ik al veel gezien. Het werd nu wel eens tijd voor het zuiden. Ik herinner me dat ikzelf niet onder de indruk was mijn verhaal, maar helemaal onplausibel vond ik het niet. Totdat ik op de ambassade zat. Binnen tien minuten voelde ik me een dreumes met te grote schoenen aan en een afzakkende broek die een slechte smoes aan zijn ouders heeft verteld om het tekort in de huishoudportemonnee te verklaren. Maar ik ga nu een beetje snel. Nadat ik mijn visumaanvraag naar de ambassade had gestuurd kreeg ik een uitnodiging voor een gesprek. Ik vroeg me af of ze dat met iedere toerist deden en het antwoord moest natuurlijk wel ‘nee’ zijn, maar goed, het was nog geen afwijzing. Dus ging ik in het najaar van 1988 naar de Zuid-Afrikaanse ambassade in Den Haag. Die was maar op vijf minuten fietsen van mijn werk, maar ik herinner me dat ik uit voorzorg niet met de fiets ben gegaan, maar lopend. Ik kwam namelijk met de trein vanuit mijn woonplaats Utrecht. Ja toch? Ik weet niet meer of ze me dat gevraagd hebben, maar helemaal onwaarschijnlijk is dat niet.
Ik had een afspraak met drie personen. Dat staat allemaal netjes op mijn systeemkaartje. Ze hadden alle drie erg Nederlandse namen, maar dat kun je natuurlijk hebben met Zuid-Afrikanen. Alleen een van die namen was tegelijk ook wel erg Zuid-Afrikaans: Van Rensburg. Een van de drie was een vrouw, mevrouw Van Veen. Haar rol bestond er hoofdzakelijk uit mij te ontvangen.
Het gesprek vond plaats in een groot vertrek met houten lambrisering en daarbij passend eiken meubilair. Niet een plek waar je je meteen op je gemak voelt. Het decor viel bedompt en zwaar op me. Daarin paste meneer Van Rensburg uitstekend. Hij was een veertiger van de intens saaie soort. Geheel in het bruin gekleed, bruin achterover geplakt haar, een snor die twijfelde of hij er wel wou zijn en het soort huid dat je vooral bij kettingrokers ziet. Der dritte im bunde, ja dat was een heel ander verhaal. Mevrouw Van Veen voor de hoffelijkheden, meneer Van Rensburg voor de introductie, wat is de bedoeling van dit gesprek etc. En toen kwam meneer De Meijer in het spel. Ik denk dat ik voordien nog nooit een echte spion, geheim agent of hoe je het wilt noemen, heb gezien, maar ik wist vanaf het eerste moment: dit is er een. Mooie jongen, mooi goedzittend pak, vriendelijke oogopslag, prettige stem, zo iemand van wie je zonder na te denken een antieke kast of een tweedehands Jaguar zou kopen. Tot op de dag van vandaag nog weet ik niet wat er precies gebeurde, maar na tien minuten beleefde conversatie met meneer De Meijer wilde ik het liefst onzichtbaar worden en geruisloos het pand verlaten. Mijn verhaaltje was doodsimpel, maar minzaam vragenstellend met zo’n hevig geïnteresseerde blik liet hij mij de meest inconsistente antwoorden geven.
Ik heb nog vaak aan dat vernederende moment moeten terugdenken en vroeg me vervolgens af wat er van meneer De Meijer na het afschaffen van de Apartheid geworden zou zijn. Maar ik denk dat ik me daar geen zorgen over hoef te maken. Meneer De Meijer had waarschijnlijk een zwarte anti-apartheidsactivist van de verdiensten van de Apartheid kunnen overtuigen en een blanke boer van de voordelen van de majority rule. Voor zulke mensen is er overal in de wereld een plaats. En nee, mijn visum heb ik niet gekregen. Zuid-Afrika heeft zonder mij het juk van de Apartheid moeten afwerpen.
Doos 86
Ik zal een jaar of elf geweest zijn toen mijn vader op Sinterklaas een boek cadeau kreeg dat De zeilsport heette. Het was een kloek werk in linnen band, geschreven door H.C.A. van Kampen. In de jaren daarna was dit mijn lijfwerk, de bron van alle wijsheid voor alles wat met varen te maken had. En varen deed ik graag, maar, bij gebrek aan een boot van mezelf of van mijn ouders, veel te weinig. En om dat tekort enigszins te compenseren had ik De zeilsport aangevuld met oude jaargangen van de Waterkampioen. Vele jaren later, misschien bij een van de vele opruimwoedes van mijn moeder of bij haar verhuizing naar een geriatrische instelling, bleek het boek onvindbaar. Dat wil zeggen dat ik ervan overtuigd was dat mijn broer het wel zou hebben en mijn broer dacht dat ik me erover ontfermd had. Toen wij erachter kwamen dat geen van tweeën het begeerde werk in zijn bezit had, ben ik, wanneer ik in Nederland was, bij De Slegtes in de tweedehands afdelingen gaan zoeken. En warempel, ik heb het een jaar of zes geleden gevonden. Het was wel niet dezelfde editie en het was ook niet meer meneer Van Kampen die ervoor verantwoordelijk was, maar deze “achtste en geheel herziene druk” van ir. J. Loeff was zeker zo mooi en compleet en veel van de oude bouwtekeningen bleken nog dezelfde. Getuige de stempel op het voorblad had het boek toebehoord aan een huisarts in Uden, een beroep dat toen en nu hoog op de prestigeladder staat en wat dus aanvullend bewijs is voor de stelling dat zeilers kakkers zijn. Wat niet wegneemt dat ik zelden zo blij ben geweest met de aanschaf van een boek. Het kreeg een ereplaats op het tafeltje naast mijn favoriete leesstoel.
En toen, op een dag, was het boek verdwenen (hetzelfde gebeurde in die tijd met een boek van Renate Dorrestein, maar dat heeft me minder aangegrepen). Ik heb werkelijk alle (dacht ik) mogelijke en onmogelijke plekken afgezocht, maar niks. Ik heb ook nog de befaamde Wet van Nijzink toegepast (voortkomend uit het zoeken naar ontbrekende lego-stukjes): “Wilt gij iets vinden, zoekt dan naar iets anders”. Maar niets hielp. Ir. Loeff was met de Noorderzon verdwenen. Nou had in die periode wel mijn broer een paar weken in ons huis vertoefd om samen met zijn vrouw voor onze hond en katten te zorgen. Dat was natuurlijk de oplossing: hij had het geleend en was dat vergeten te zeggen! Het antwoord was: “Heb jij De zeilsport? Als ik dat geweten had …”. Er was nog een mogelijkheid. Ook een schoonzus met een vriendin hadden toen een paar weken voor de beesten gezorgd. De schoonzus heeft niets met zeilen, dus die viel af, maar die vriendin? Had die niet verteld dat haar overleden man een verwoed zeiler was en dat zij ook graag meeging? Dat was het, zij moest de schuldige zijn. Wij wisten dat natuurlijk niet, maar zij was vast een kleptomane. Dat komt in de beste families voor. Maar wat nu? Moest ik nu mijn schoonzus bellen en vragen of zij haar vriendin zou willen vragen of zij per ongeluk mijn meest kostbare boek in haar tas had gedaan? Nee, dat doe je niet en trouwens die vriendin zou dat toch nooit toegeven. Ik moest me maar gaan verzoenen met het tweede verlies van het geliefde boek.
Twee jaar later gingen we verhuizen. Het voorlopig koopcontract was getekend en wij gingen inpakken. Dat was een langdurige geschiedenis want we moesten van 500 m² naar vermoedelijk iets van 120 m². Dus veel uitzoeken: wat kan weggegooid, wat naar de kringloop (de Emmaüs in ons geval), wat willen onze kopers overnemen, wat krijgen ze van ons en ten slotte, wat nemen we mee? Een ding was zeker: we hoefden geen tuingereedschap mee te nemen, want na vijfentwintig jaar ploeteren om de mooiste tuin van de hele Bourgogne te maken en die mooi te houden, wilden we zeker geen tuin meer. En mens kan zich lelijk vergissen want nu wonen we in een vrijstaande woning met een forse lap tuin eromheen. Het laatste vertrek waar opgeruimd, geselecteerd en ingepakt moest worden, was onze werkkamer. Daarin stonden onder meer twee grote antieke kasten. Bovenop een van die kasten stond het financiële archief en op de andere eigenlijk niets waar ik niet vanaf de vloer staande bij zou kunnen: een oude trombone (naar de Emmaüs), een bos kunstbloemen (weggegooid) en een groot zelfgemaakt vogelmasker van papier mâché (foto van gemaakt en toen toch maar op de brandstapel). Er was eigenlijk geen reden om een stoel te pakken om te kijken of er nog iets anders bovenop lag. Toch maar gedaan. Er lag nog wel iets: De zeilsport van ir. Loeff. Na een moment van ongeloof barstte ik los in een vreugdegehuil dat een kilometer in de omtrek te horen moet zijn geweest. Toen J. kwam informeren wat er aan de hand was en ik haar op de bovenkant van de kast wijzend het boek liet zien, zei ze simpelweg: “O ja, nu herinner ik het me weer. Ik heb het daar neergelegd omdat ik bang was dat je het anders kwijt zou raken.” Die logica heb ik nooit begrepen, maar het belangrijkste was dat ik het boek der boeken terughad.
Het duurde vervolgens een jaar totdat de dozen in ons nieuwe huis arriveerden. En nog eens een half jaar voordat we de meeste uitgepakt hadden. Toen dat eenmaal zover was, bleken twee dingen de eindstreep niet gehaald te hebben: een schilderij waaraan we zeer gehecht waren en doos 86. En wat zat er in doos 86 (ik had de inhoud van de dozen keurig genoteerd)? Zeilsport e.a. boeken, voetje monitor, spellen. Dat van die spellen was natuurlijk jammer maar geen ramp, een voetje voor mijn computerbeeldscherm heb ik zelf in elkaar geknutseld. Maar nu was ik voor de derde keer in mijn leven De zeilsport kwijt. Ik ben allergisch voor complottheorieën, maar ik begon nu toch serieus aan een samenzwering te denken. Het wie of wat en waarom waren me onduidelijk, maar dit kon geen toeval meer zijn.
Inmiddels zijn we weer bijna een half jaar verder en net terug van een maand verblijf bij onze zoon, schoondochter en inmiddels ook nog een kleinkind in Rio de Janeiro. Ik constateerde daar een schrijnend gebrek aan bordspellen zowel in het algemeen als in huis. Ik wist dat we er daar nog wel een paar van in een nog ongeopende verhuisdoos hadden zitten. En aangezien we over een paar maanden weer terug naar Rio gaan, ben ik na thuiskomst snel op zoek gegaan. In mijn schrijfblokje met verhuisdozen 1 tot en met 127 vond ik onder de ongeopende dozen nummer 89 met de aanduiding spellen. En inderdaad daar zaten spellen in. Bovenin een pokerspel en een mahjong spel, maar dat was niet wat ik zocht. Ik groef dieper en vond Le capital au XXIe siècle van Thomas Piketty. Hé, lag dat boek niet onder mijn Zeilsport? En daar is ook mijn monitorvoetje, maar dan moet … En ja hoor, daar was, nog mooier dan ik me herinner, De zeilsport in onberispelijk blauwlinnen band. Hoe vaak kun je blij zijn met het vinden van één boek?
N.B.: Doos 86 heeft nooit bestaan, een echte zogeheten fantoomdoos.
Thuis
Sinds ik bezig ben in Nederland te gaan wonen en nog meer sinds ik dat ook feitelijk doe, ben ik gebiologeerd geraakt door de verschillen tussen Nederland en mijn vorige thuisland, Frankrijk. En niet alleen dat. Ik ben er vooral door geschokt geraakt dat die Nederlanders accepteren wat ze allemaal aangedaan wordt. Het is mij altijd opgevallen dat de gemiddelde Nederlander een zelfbeeld heeft van open, eerlijk, kritisch, eigenwijs en vooral ook van deze tijd te zijn. En natuurlijk argwanend tegenover ieder gezag. De Nederlander accepteert niets alleen om het feit dat het van hogerop komt. Alles wordt op zijn merites bekeken en pas als we het na jarenlang gepolder over de beste oplossing eens zijn wordt er iets besloten. Ja toch? Nou nee dus. Als ik zie wat er in de drieëntwintig jaar van mijn afwezigheid allemaal veranderd is, dan vraag ik mij af waar de massale protesten waren en op welke manier die de kop ingedrukt zijn. Voor een zodanige omvorming van de maatschappij zou in Frankrijk een vermoedelijk bloedige revolutie nodig zijn. Mijn eerlijke en kritische Nederlander zal daarop waarschijnlijk reageren met de opmerking dat het dus ook geen wonder is dat Frankrijk in de onweerstaanbare en glorieuze opmars van de neoliberale hyperconcurrentiële laatkapitalistische gedigitaliseerde samenleving hopeloos achteraan hobbelt. De Fransen daarentegen zijn gek op de uitdrukking ‘la fuite en avant’, het vooruit vluchten, en zullen het in Nederland ontwikkelde samenlevingsmodel enigszins meewarig als zodanig beschouwen. Het conservatisme van de Fransen wordt regelmatig door Franse politici aangevoerd als oorzaak van eigen falen. Maar een beetje waar is het wel en ik vraag me steeds vaker af of dat wel zo erg is.
Ik heb de afgelopen tijd veel te maken gehad met zowel Franse als de Nederlandse gezondheidszorg. De financiering van die gezondheidszorg in beide landen is totaal verschillend. De kern van het Franse systeem is een volksverzekering die voor iedereen geldt, rijk en arm, jong en oud, werkend en werkloos, het maakt niet uit, iedereen heeft een basisdekking waarvoor de premie inkomensafhankelijk is. Een van de aardige dingen van het systeem is (in tegenstelling tot de National Health Service in het Verenigd Koninkrijk) dat de maatschappelijke steun ervoor totaal is. De “Sécu” ter discussie stellen zou voor een politicus politieke zelfmoord zijn. En volgens mij komt dat voor een belangrijk deel doordat het systeem de individuele verantwoordelijkheid van de patiënt intact laat. Op straffe van een lagere teruggaaf ben je verplicht een huisarts te kiezen, maar in die keuze ben je volstrekt vrij. Net zo goed als in de keuze van specialist, kliniek of ziekenhuis. Als ik in Frankrijk bloed laat prikken, een echo of een scan laat maken, wordt mij bij de receptie gevraagd of ik de resultaten op kom halen, per post wil ontvangen of op internet wil raadplegen. Hier wordt mij bij de receptie niets gevraagd. Ik krijg een barcode uit een machine, die ik op een andere plek langs een venstertje moet halen om opgeroepen te worden. Als ik de laborante vraag hoe ik aan de uitslag kom, hoor ik dat ik die bij de huisarts moet opvragen. En als ik dat niet doe? Dan krijgt u niets. En als er iets niet goed is? Dan mag u er op rekenen dat de huisarts u waarschuwt en nu moet u weg want de volgende staat al op me te wachten. En dat terwijl ik in Frankrijk altijd leuke gesprekjes met de priksters had. Nee, hier zul je merken dat iedere minuut geld kost en dat dat belangrijker is dan wat basaal menselijk contact. Maar wat ik erger vind, is dat ik, de patiënt, niet voor vol wordt aangezien. Er worden medische gegevens over mij verzameld waarvan ik mijzelf als eerste rechthebbende zie. Het Nederlandse gezondheidswezen denkt daar anders over. De resultaten gaan naar mijn huisarts en het is aan hem/haar te beoordelen of ik daar wel of niet over ingelicht moet worden. Nu kan ik inderdaad geen echo’s, scans of röntgenfoto’s interpreteren, maar ik kan aan allerlei bloedwaarden verdomd goed zien of ze te hoog of te laag zijn. En ik vind het ook erg prettig dat ik die onder ogen krijg voordat ik een gesprek met een arts heb. Ik krijg tenslotte ook graag de agenda van een vergadering vooraf te zien. Twee reacties uit de Nederlandse medische stand: ‘Meneer, u weet niet wat voor ellende dat geeft, die mensen die vooraf alles al op internet hebben uitgezocht.’ En ‘Ja, ù bent verstandig, ù weet hoe u daarmee om moet gaan, maar er zijn ook mensen die dat helemaal niet kunnen.’ Was het niet een van de eerste lessen uit de pedagogie dat mensen zich pas mondig kunnen gedragen als ze daar de gelegenheid toe krijgen?
Er wordt ons regelmatig gevraagd of wij Frankrijk niet missen. Aanvankelijk haalde ik mijn schouders daarover op. Waarom zou ik Frankrijk missen? Sinds wij ons acht maanden geleden in Nederland vestigden, zijn we drie keer naar Frankrijk teruggeweest voor een totale tijdsduur van ruim vier maanden. Van de resterende kleine vier maanden waren we een maand in Brazilië, dus wat valt er nu helemaal te missen? Daarbij komt dat ik dankzij de zegeningen van de internetradio regelmatig naar mijn favoriete Franse radiostations kan luisteren, ik dankzij TV5 om half negen het acht uur journaal van France 2 kan bekijken en dat ik dankzij een vreemd tariefsysteem voor een prik Le Monde kan blijven lezen. En toch. Een paar weken geleden waren we weer even in ons Franse land terug. De opluchting om weer overal om je heen Frans te horen praten, tussen de middag een menu du jour te kunnen nemen in die typische roezemoes-ambiance van een Frans restaurant waaruit klokslag twee iedereen weer verdwenen is, in de supermarkt precies de weg te weten, wat me hier in Nederland nog steeds niet gelukt is, dat en nog veel meer dingen maakt dat ik me in Frankrijk thuis voel en hier nog steeds iets onwennigs heb. Niet onplezierig, maar anders en zeker niet thuis. Tenzij je thuis definieert, zoals ik laatst op een affiche zag, als daar waar mijn boeken zijn. Want dan ben ik godzijdank weer helemaal thuis.
De listen van Frankrijk
Dat ik een kwart eeuw in Frankrijk wonen op deze manier zou afsluiten, had ik nooit kunnen bedenken. Ik kan het niet anders uitleggen dan dat Frankrijk me niet los wil laten en dat het zegt, nou ja als je dan echt weg moet dan zal je hier een stuk van je lichaam moeten achterlaten, voor minder doe ik het niet. Helemaal onverwacht kwam dat niet. We hadden een listige afleidingsmanoeuvre bedacht. Voordat we ons definitief opnieuw in Nederland zouden gaan vestigen, gingen we eerst naar ons vakantiehuisje in Zuid-Frankrijk en deden we net alsof dat ons nieuwe huis was. Intussen zaten we stiekem op Funda.nl naar een aardige woning in Nederland te zoeken en gingen we er zelfs soms een paar bekijken. In het vroege voorjaar van dit jaar vonden we het huis waarin we wilden gaan wonen. Alles deugde: het stadje, de omgeving en natuurlijk vooral het huis zelf. Op het laatste moment kwam er nog bijna een kink in de kabel in de vorm van een andere bieder. Achteraf begrepen we dat hier Frankrijk aan het werk was. Want ga maar na, kort na de acceptatie van ons bod kreeg ik een aantal lichamelijke klachten die spoedige behandeling wenselijk maakten. En aangezien wij op dat moment nog officieel in Frankrijk woonden en daar dus ook verzekerd waren, moest ik daar een heel traject met artsen, fysiotherapeuten en reumatologen doorlopen. Zonder al te veel resultaat overigens, maar dat terzijde. Dit was gewoon een typisch geval van obstructie door de tegenpartij. Toen ik klaar was met dit medische traject en het er naar uitzag dat we onze aandacht nu geheel op onze nieuwe woonplek konden gaan richten, retteketet boemboem, zwaar geschut van de tegenpartij. Nadat er als routine wat bloedonderzoek was gedaan, bleken er een aantal waarden niet helemaal te kloppen. Dus nader onderzoek. Ach, zei ik tegen mezelf en mijn omgeving, niets aan de hand, heb ik wel eens vaker gehad. Dat komt wel weer goed. We waren inmiddels weer in Nederland en dachten daar zeker de komende maanden te blijven. De dag voordat wij de sleutel van ons nieuwe huis in ontvangst konden nemen, belde ik de chirurg voor de resultaten van het onderzoek. Hij klonk niet meteen alarmerend, maar ja, er zijn kankercellen gevonden en het is het beste dat u zo snel mogelijk terugkomt en zeker binnen twee weken. Nog steeds doorzag ik het ragfijne spel van de tegenstander niet, en bovendien wat had dat uitgemaakt? Ik moest gewoon weer terug naar Frankrijk en door een molen van echo’s, scans, MRI’s, bloedonderzoek en voorbereidende gesprekken. Dat Frankrijk de strijd om de résidence principale had verloren was haar wel duidelijk, maar ze gaf zich niet zomaar gewonnen. Dus moest ik een stuk van mezelf afstaan. Dat offer is inmiddels volbracht en het ziet er naar uit dat ik nu mag vertrekken. Maar ik blijf op mijn hoede. Doordat we geheel tegen alle plannen en verwachtingen in het grootste deel van de afgelopen twaalf maanden hier in Zuid-Frankrijk hebben doorgebracht, zijn we zo van ons plekje gaan houden dat we ons mooie nieuwe huis bijna vergeten zijn. De listen van Frankrijk zijn talrijk en geraffineerd. Vive la France! Vive la république!
Een huilend meisje op de fiets
Terug in Nederland zit ik op de fiets in de regen op weg naar het lokale winkelcentrum. Een plek waar je stevig in je schoenen moet staan om niet acuut depressief te raken. Vlak voor mij komt uit een zijstraat in straf tempo een meisje rijden. Capuchon, witte fietstassen, rode tas op de bagagedrager. Veel meer zie ik niet van haar. Even denk ik dat ze hard lacht tegen een onzichtbare gesprekspartner die zich in haar telefoon schuilhoudt, maar nee, ze huilt, met lange uithalen. ‘Ik hou zo van hem!’, vang ik op. Ik wil haar inhalen, zeggen ‘hij is jouw liefde niet waard’ en ‘wees gerust, hij komt echt, die hemelbestormende, allesverzengende liefde’ en ‘jij kunt van iemand houden, dus dat komt wel goed.’ Maar ze rijdt te snel voor mij. Al huilend rijdt zij rechtdoor waar ik afsla voor mijn boodschappen in het treurige winkelcentrum.