Ergernissen

Eind jaren tachtig. Ik woon in Brussel een vergadering bij van een Europese NGO. Voertaal Engels. De deelnemers worden toegesproken door de Nederlandse directeur van die NGO. Hij vertelt over een bijeenkomst die hij heeft bezocht en over de informatie die hij daar heeft opgedaan. En dan: “I want to share this information with you”. Tja, denk ik dan, hoe doe je dat, informatie delen. In stukjes hakken en iedereen een of twee woorden geven? Ik kon toen nog niet bevroeden dat dit gruwelijke amerikanisme jaren later gemeengoed zou worden in onze al te receptieve taal.¹ Volgens de Van Dale betekent delen: 1. in delen splitsen 2. verdelen, elk zijn zijn aandeel geven 3. erven (maar dat komt niet in heel Nederland in die betekenis voor) 4. uit een getal en een gegeven factor de andere factor vinden (zes gedeeld door drie is twee) 5. instemmen met (een gevoelen, een mening delen). Die laatste betekenis komt een beetje in de richting van het delen van informatie, maar gedeelde smart is halve smart is toch wel heel iets anders dan met iemand een paper delen (nietje eruit en hier heb jij de andere helft?) en een mening met iemand delen, betekent helemaal niet dat je die iemand jouw mening geeft, maar dat je dezelfde mening bent toegedaan. Soms benijd ik de Fransen, die een instituut hebben dat over de zuiverheid van de taal waakt (de Académie Française) maar meestal kan die de agressieve Amerikaanse import toch niet tegenhouden. Langzamerhand wordt numérique ingehaald door digital, is de courriel vrijwel volledig vervangen door mail of mèl, maar de octet houdt stand tegen de byte. Dat laatste komt waarschijnlijk doordat, wanneer je byte op zijn Frans uitspreekt, dat zoveel wil zeggen als lul.

Toen ik voor het eerst iemand hoorde zeggen dat iets dierbaar was, dacht ik dat het een verspreking was. Iets is me/je/hem dierbaar, toch? Dierbaar is toch geen eigenschap? Dit is een dierbare auto, wauw! Dat kan toch niet? Een auto kan je dierbaar zijn, maar dat is omdat jij er een bepaalde waarde aan hecht, niet omdat het een objectieve kwaliteit van die auto is. Als het woord dierbaar in die mijns inziens verkeerde betekenis wordt gebruikt is dat vaak samen met woordje zo: Zó dierbaar. Ook vanuit het angelsaksische spraakgebruik binnengeslopen. Soort van hinderlijk.

En zo kan ik nog wel even doorgaan met wat in modern Nederlands jeukwoorden heet. Het probleem met neologismen als jeukwoord is dat, als je ze maar vaak genoeg hoort, ze zelf ook weer jeukwoorden worden. Het Drosteblikeffect. Trouwens ook vaak genoeg misbruikt om als jeukwoord aangeduid te kunnen worden.

Als ik anderen deelgenoot maak² van dit soort ergernissen, krijg ik doorgaans te horen
a) dat ik niet zo moet zeuren,
b) dat een taal een levend iets is, dat in de loop van de geschiedenis ingrijpend is veranderd en dat ook altijd zal blijven doen.
Dat laatste argument trek ik me wel aan. Ik voel weinig voor herinvoering van het Latijn als lingua franca. Dat lijkt me meer iets voor het partijprogramma van Thierry Baudet. Het Engels staat stijf van de Franse leenwoorden, het Nederlands heeft er ook niet weinig. Alleen al in dit stukje staan er vermoedelijk enige tientallen. Ik vind ook helemaal niet dat de Nederlandse Taalunie allemaal woorden had moeten uitvinden voor nieuwe verschijnselen of zaken. Computer, digitaal? Mij best. Zelfs met de laptop en de smartphone kan ik uit de voeten. Daar nieuwe termen voor bedenken heeft al gauw iets potsierlijks. Maar als het overnemen van woorden en uitdrukkingen het gevolg is van luiheid om te bedenken wat het Nederlandse equivalent is of van duurdoenerij (sale, impact, audit, stakeholder, adresseren van issues), dan gaan mijn haren overeind staan. Met zulke woorden in de mond zou ik nog niet dood gezien willen worden. Dat is dan wel een behoorlijk anglicisme, maar het blijft een leuke uitdrukking.

P.S.: Ik heb dit verhaaltje gedeeld met mijn echtgenote. Haar reactie was: Zit niet zo te zeuren.

¹ In de NRC van vandaag 16/07/2020 lees ik: “COA en politie delen privacygevoelige data van asielzoekers” en dat wil zeggen dat de COA persoonlijke gegevens aan de politie doorgeeft.
² Bruikbaar alternatief voor het verkeerde gebruik van het werkwoord delen.

Ben ik wel een goede lezer?

Er zijn van die adviezen aan beginnende auteurs die je – althans mij – bijna de lust ontnemen om nog een letter op papier te zetten. De eerste is ‘Kill your darlings’. Hij schijnt van William Faulkner te zijn. Ik heb altijd begrepen dat daarmee bedoeld wordt dat je alles uit je manuscript moet schrappen wat je verhaallijn vertroebelt, terwijl je het zelf nou juist zo’n leuke vondst vindt. Ik denk dan altijd: als je met die instelling en een rode pen Homerus of Dostojevsky te lijf gaat, dan zal het ongetwijfeld een stuk bondiger worden, maar is het dan nog net zo leuk om te lezen?
Een andere is meer een waarschuwing voor de aanstormende auteur: ‘Easy reading is damned hard writing’. Sebes en Bisseling noemen het in Alweer een bestseller (Querido, 2016) “ … de quote die aan vele schrijvers wordt toegeschreven, maar het vaakst aan Ernest Hemingway.” Nu wordt dit citaat zo ongeveer aan de helft van de Angelsaksische auteurs toegeschreven – Byron, Sheridan, Thackeray, Hawthorne – maar het is zeker niet van Hemingway afkomstig. Maar goed, als zoveel literaire meesters iets over hun vak vinden, zal het wel waar zijn, toch? Om het je lezers gemakkelijk te maken, moet je vreselijk je best doen. Als een musicus heel goed speelt, lijkt het toch ook kinderspel? Dat komt voor, ja. Maar andersom? Iets lijkt met het grootste gemak gespeeld te worden of geschreven te zijn, ligt daar dan een gigantische artistieke inspanning aan ten grondslag? Niet altijd. Neem nou de meest gevierde Nederlandse violist, André Rieu. Easy listening? Zeker. Gegarandeerd zonder enige muzikale verrassing. Alles vijftig keer doorgekauwd en tot pap vermalen, glijdt moeiteloos naar binnen. En zijn page turners – easy reading bij uitstek – boeken waar de auteur vreselijk op gezwoegd heeft, ieder woord heeft afgewogen met als resultaat een boek dat voor eeuwig in je geheugen gegrift is? Ik dacht van niet. Erger, een aantal van de grootste meesterwerken van de moderne literatuur zijn in hoge mate ontoegankelijk. Daar kan ik van meepraten. Ik ben zowel in Ulysses van James Joyce en A la recherche du temps perdu van Marcel Proust blijven steken op respectievelijk pagina 210 en 517. Indachtig een stelregel van Rudy Kousbroek – probeer niet het origineel te lezen als er een goede vertaling is – heb ik het bij allebei met een Nederlandse versie geprobeerd, maar dat maakte de onderneming alleen maar hopelozer: ik ging me zitten ergeren aan de vertaling.
Ik vertel dit allemaal omdat ik onlangs opnieuw tegen het fenomeen Joël Dicker aanliep. In 2012 werd van deze toen nog heel jonge Zwitserse auteur De waarheid over de zaak Harry Quebert uitgebracht. Ik had kort nadat het boek verschenen was een radio-interview met hem gehoord. Het leek me wel een sympathieke jongen dus ik dat boek lezen. Niet uitgelezen. Maar deze keer niet om het soort redenen waarom ik met Proust en Joyce worstel. Echt geen zinnen van een kilometer. Allemaal heel toegankelijk. Een echte – ja hoor – page turner. Waarvoor hij ook nog de Grand Prix du Roman van de Académie Française en de Prix Goncourt des Lycéens kreeg. We moeten hier dus wel te maken hebben met een echte – gruwel, gruwel – literaire thriller. De Académie Française klinkt natuurlijk bijzonder prestigieus, want in dat instituut zijn de erkende grootheden van de Franse literatuur verenigd. Deze eerbiedwaardige instelling houdt zich onder meer bezig met het samenstellen van hét woordenboek van de Franse taal. Het eerste deel van de huidige editie verscheen in 1992. Nu, achtentwintig jaar en twee delen verder, is men met de S bezig. Op 7 mei van dit jaar kwam de Académie met de onthutsende mededeling dat in het algemene taalgebruik Covid-19 een verkeerd geslacht had gekregen. Covid is immers een afkorting van corona virus disease. En aangezien disease in het Frans maladie betekent, moet het la covid zijn en niet le covid want maladie is vrouwelijk. Van de Académie kunnen we dan ook niet anders verwachten dan dat hun beoordelingsvermogen op het gebied van de Franse schone letteren boven iedere twijfel verheven is. De prijs werd in het verleden toegekend aan auteurs als François Mauriac, Joseph Kessel, Antoine de Saint-Exupéry en meer recentelijk aan o.a. Patrick Modiano en Amélie Nothomb. De Goncourt des Lycéens is dan wel het kleine broertje van de grote Goncourt, maar in een adem genoemd te worden met Philippe Claudel, André Makeïne en Nancy Huston is toch niet voor iedereen weggelegd. Ondanks dat alles heb ik het boek van Dicker nooit uitgelezen en wel omdat ik al vrij snel ontdekte dat de schrijver regelrecht plagiaat had gepleegd op de door mij zeer bewonderde Philip Roth. De plot van het verhaal is uit de Human Stain van Roth gehaald. Niet zo maar een beetje. De overeenkomsten liggen zo gênant aan de oppervlakte dat het mij niet meer lukte verder te lezen. Easy reading en easy reading zijn blijkbaar twee verschillende zaken. Wat voor de miljoenen lezers van Dicker naar binnen glijdt als een glas caipirinha bij een Braziliaan, is voor mij qua inhoud en stijl volstrekt onverteerbaar. En het moge misschien zo zijn dat easy reading hard writing is – en dat nog zeker niet altijd –, good writing is weer heel iets anders. Zou er trouwens zoiets als good reading bestaan?

Roepend in de Sahel

Voor Burkina Faso geldt code rood, alleen voor de hoofdstad Ouagadougou geldt code oranje. De stad verlaten kan alleen met gewapende escorte. Dat hoorde ik een paar dagen geleden op de Franse radio. Wat is er gebeurd met het land waar ik in de jaren tachtig met plezier twee jaar gewerkt heb en in de jaren negentig nog twee keer ben teruggekeerd voor reportagereizen? En dat terugkeren was als het weerzien van een goede vriend. Gek genoeg eigenlijk want mijn vertrek na twee jaar verblijf in Burkina viel samen met de staatsgreep waarmee op bloedige wijze een eind werd gemaakt aan het regiem van de toenmalige president Thomas Sankara, de belichaming van de hoop van een generatie jonge Afrikanen. Ik vertrok met de eerste vlucht nadat de luchthaven weer geopend werd met het akelige gevoel dat Burkina zojuist een kans had gemist. En toen ik, respectievelijk zes en negen jaar later, terugkwam in het land, trof ik een stationaire situatie aan. Behalve het verdwijnen van het revolutionaire elan leek er weinig wezenlijk veranderd. Alleen, zo’n soort stilstand kon het land – evenals de andere Sahellanden – zich niet permitteren.

Het kan geen kwaad je eigen werk nog eens na te lezen. Zo blijk ik drieëntwintig jaar geleden geschreven hebben:
De Sahel is een gestaag wegtikkende tijdbom die na verloop van tijd bij onge­wijzigd beleid explodeert. Met aanzienlijk dramatischer gevol­gen dan vijfentwintig jaar geleden.
Als hoofdschuldige wees ik de westerse ontwikkelingshulp aan die het precaire evenwicht tussen veehouders en akkerbouwers verstoord heeft ten gunste van de laatsten, maar uiteindelijk ten nadele van iedereen. Ja maar, hoor ik de oplettende lezer tegenwerpen, je hebt het nu over de jaren negentig. Er is nu toch iets heel anders aan de hand? Al Qaida, IS, djihadisme, daar zit toch het probleem? Dat is deels waar, maar door de westerse ontwikkelingsconcepten zijn de veehouders het kind van de rekening geworden. Door uitbreiding van het landbouwareaal en veranderde landbouwmethoden is hun het leven onmogelijk gemaakt. Daardoor namen de conflicten tussen veehouders en landbouwers toe en waar conflicten zijn is er een vruchtbare bodem voor revolutionaire bewegingen. Kortom, de djihadisten hebben handig gebruik gemaakt van het feit dat de nomadische veehouders steeds meer in het verdomhoekje kwamen. Ik citeerde in mijn verhaal van bijna een kwarteeuw geleden een Burkinabé-consultant, die onder meer het volgende zei: De veehouders raken … daardoor gemarginaliseerd, waardoor zowel de veeteelt als de sociale rust bedreigd worden. Dat leidt soms tot ernstige conflicten. Sommige situaties worden politiek uitgebuit, hetgeen de conflicten nog verergert. … Door interventies van (westerse; TN) Ngo’s, meestal ten behoeve van de akkerbouwers, zijn latente conflicten vaak aangewakkerd.

Er is al die jaren een heel legertje roependen in de woestijn geweest dat al deze ellende zag aankomen, dat waarschuwde dat bij ongewijzigd beleid alle crises in de Sahel tot nu toe nog maar kinderspel zouden zijn vergeleken bij de ramp die het gebied onvermijdelijk zal gaan treffen. Het is niet moeilijk in te zien dat de migratie vanuit Afrika naar Europa proporties zal gaan aannemen die de huidige aantallen zullen doen verbleken. En inderdaad, daar hebben we dan een belangrijke bijdrage aan geleverd. Het djihadisme in de Sahel had een voedingsbodem nodig. Dat heeft het gevonden in de marginalisering van de nomadische veehouders door gemakzuchtige ontwikkelingspolitiek.

Rue des Halles

De afgelopen week zat ik op mijn boot in Sète. Eigenlijk een bootje, maar hoewel klein, is hij groot genoeg om erin te kunnen overnachten. Ik heb er alles in om een kort verblijf aangenaam te maken. Zo ook een espressokannetje voor zes kopjes koffie. Zo’n aluminium geval van Bialetti. Deze heb ik al meer dan 35 jaar. Onverslijtbaar die dingen. Op één onderdeel na en dat is de rubber ring die tussen de boven- en de onderkant zit. Die verteren na verloop van tijd en dan komt de koffie er opzij uitspuiten in plaats van aan de bovenkant. Dat lot trof mij deze keer en aangezien ik mij een week op de boot zonder koffie slecht kon voorstellen, ging ik in de stad op zoek naar nieuwe rubber ringen. Mijn eerste zoekactie leverde niets op. Ik vond geen winkels voor huishoudelijke artikelen behalve de Monoprix en die heeft van alles wat maar voor het meer specialistische werk kun je daar niet terecht. Ik kwam wel allerlei winkels tegen waarvan ik dacht dat moet ik onthouden, dat komt me vast nog wel eens van pas. Inmiddels weer vergeten natuurlijk. Dus terug naar de boot en op de laptop  de winkels voor huishoudelijke artikelen in Sète opgezocht. Dat waren er twee, op ruime afstand van elkaar gesitueerd.  De ene lag vlakbij de terminal voor de ferry’s naar Marokko en zou dus wel een Marokkaanse bazaar zijn. Die probeerde ik het eerst. Het was inderdaad het soort winkel dat ik verwachtte maar helaas met een schrijnend gebrek aan onderdelen van welk soort dan ook. De winkelier blafte me in basaal Frans naar de serviceafdeling van een grote supermarkt. Dat leek me een slecht idee, dus ging ik naar mijn tweede en laatste adres :  La Coutellerie (zoiets als : alles wat met messen te maken heeft)  in de Rue des Halles. Dat moest noodzakelijkerwijs in de buurt van de lokale markthallen zijn, alleen ik kon geen Rue des Halles vinden en de Sètois aan wie ik het vroeg wisten het niet of wezen me de dichtstbijzijnde weg richting markthallen, maar dat bleek dan de Rue Gambetta of de Rue Jean-Jaurès te zijn. Iemand verwees me naar de stadsplattegrond op een van die grote affichageborden van JCDecaux en daar vond ik inderdaad de Rue des Halles vlak achter de hallen, maar daar aangekomen leek hij opgelost, vervluchtigd te zijn. Bij een laatste rondgang zag ik in de buurt van de markthallen een koffiewinkel. Daar zouden ze toch in ieder geval moeten weten waar ik zo’n ding kan kopen, hield ik mijzelf voor. Nee, zei de mevrouw, ik verkoop dat niet en ik weet ook niet waar ze dat wél zouden kunnen hebben. In een winkel voor huishoudelijke artikelen, opperde ik. Die is hier niet, meende de mevrouw. Ik heb er een in de Gele Gids gevonden in de Rue des Halles, zei ik. Nooit van gehoord, zei de mevrouw. Ik speelde mijn laatste kaart uit: hij heet La Coutellerie. Het gezicht van de mevrouw klaarde op. O die, die is hier vlak om de hoek. U loopt de straat uit, slaat rechtsaf en dan loopt u er zo tegenop. Ik keek de mevrouw onbegrijpend aan. U bedoelt hier om de hoek en dan … ? Ja, precies. Ik bedankte haar hartelijk en liep boordevol ongeloof de aangegeven richting op. Ik was daar wel tien keer langsgekomen, dat kon toch helemaal niet ? En warempel, wat zag  ik toen  ik de hoek omsloeg ? Met koeienletters La Coutellerie boven een etalageruit.  Maar een straat kon je het niet noemen, meer een achteromgang van de markthal. Tien minuten eerder was ik letterlijk over het  winkeltje  heen gelopen. Sète is namelijk tegen een berg op gebouwd en de straat die hogerop ligt, loopt op dit punt over de huizen van de eronder liggende straat heen. Ik kan mij nu prijzen met de gedachte dat ik een straat ken die naar schatting bij 95 % van de Sètois onbekend is. Helaas was het winkeltje gesloten. Maar de volgende dag trok de eigenaresse van La Coutellerie in de Rue des Halles zonder aarzeling de juiste rubber ringen tevoorschijn.

Nieuwe schoenen

Van alle nieuwe schoenen die ik in de loop van mijn leven heb gekocht kan ik me van heel weinig paren het moment van aanschaf herinneren. Ik weet nog wel dat we die in Amersfoort, waar ik tot mijn achttiende gewoond heb, altijd bij de Bata* kochten. Ik herinner mij wél die keer dat mijn broer twee paar mocht uitzoeken: een paar voor netjes en een paar voor gewoon. Dat leek me toen iets onbereikbaars en ik geloof ook niet dat ik tot pakweg mijn zestiende meer dan een paar schoenen had. Hoe dat dan moest als die bij de schoenmaker waren om verzoold te worden of omdat de hond een stuk uit de hiel had gebeten, kan ik me niet meer herinneren. Waarschijnlijk droeg ik dan sandalen of rubber laarzen.
Met een kunstgreep maakte ik van dat ene paar twee paar. Als ik naar een feestje of naar de wekelijkse dansles ging, poetste ik ze vooraf mooi op, om ze de volgende ochtend met een handvol aarde bij de voordeur in te smeren. Daar slaagde ik zó goed in dat ik op een foto met een paar klasgenoten tijdens een schoolreis overtuigend grijze schoenen draag, terwijl ik nooit grijze schoenen gehad heb.
De aankoop waar ik nog het meest trots op ben geweest, waren mijn eerste suède schoenen. Het waren lage veterschoenen – molières dus – van een onbestemde kleur. Grijsbruin met een puntje paars zou ik zeggen. Suède schoenen waren voor mij zoiets als het afscheid van het ouderlijk gezag: ik koop nu lekker wat ík mooi vind. Mijn moeder, die tot die tijd mijn aankopen van kleren en schoenen begeleidde, was altijd voor wat zij “klassiek” noemde en ik had mijn buik vol van klassiek, ik wilde een “bopper” zijn (hipsters hadden we in die tijd nog niet) en boppers droegen suède schoenen, broeken met nauwe pijpen en smalle stropdassen. Zoiets als George Chakiris in de West Side Story maar dan zonder die kuif, eerder een voor de ogen hangende lok die je met een verveeld gebaar opzij veegde. Ik denk dat het de eerste keer was dat ik het leuk vond om nieuwe schoenen te hebben. Voordien vond ik nieuwe schoenen een slecht surrogaat van hun voorgangers: die zaten lekker, het leer was mooi verfrommeld geraakt, die hadden geschiedenis, terwijl die glanzende nieuwe dingen het net niet waren en bovendien altijd wel ergens knelden.
Nog steeds kan ik oude schoenen maar moeilijk weggooien. Ik blijf ze laten verzolen totdat ze uit elkaar vallen. Dat maakt primo dat ik altijd een imposante verzameling schoenen heb, secundo dat de sportschoenenmode grotendeels aan mij voorbij gaat, want behalve dat ze lelijk zijn, kun je ze meestal niet laten verzolen. Het grote verschil met vroeger is dat ik nu graag nieuwe schoenen koop maar wel onder de voorwaarde dat ze er net zo uitzien als schoenen die ik al eerder heb gehad.

 

*Vreemd eigenlijk : iedereen zei de Bata, terwijl Bata toch echt een eigennaam is.

 

Mongolië

Voor het eerst in de nu bijna twintig jaar dat ik inmiddels in Frankrijk woon, krijg ik de laatste tijd het onaangename gevoel dat ik dit land niet zo goed meer begrijp. Met het land bedoel ik natuurlijk de mensen in het land en het soort atmosfeer dat ze met zijn allen genereren. In mijn beginjaren hier was ik vooral bezig mijn best te doen om erachter te komen hoe de dingen hier in elkaar steken. Ik had het gevoel dat het me redelijk lukte.  En het feit dat ik nooit gezien werd als een gelijkwaardige dorpsgenoot, maar eerder als een curieus soort indringer, tastte mijn geloof in mijn geleidelijke integratie in de Franse samenleving niet aan. Werd er niet net zo vreemd tegen Parijzenaars aangekeken? Nou dan.
Elf jaar geleden kwam de eerste barst in mijn overtuiging dat ik inmiddels het Franse volk aardig begon te begrijpen. Dat was op het moment dat de enig mogelijke toekomstige president van Frankrijk werd uitgeschakeld voor de tweede ronde van de presidentsverkiezingen. De socialist Jospin werd verslagen door de zittende president Chirac (bijgenaamd superleugenaar) en de extreem rechtse LePen.  Ik had die dag mijn eerste zeiltochtje met mijn nieuwe boot erop zitten en zat glimmend van trots op mijn navigatiekwaliteiten in de haven van La Rochelle na te genieten toen ik het bericht op de radio hoorde. Dat was zo’n moment dat je het gevoel hebt door een reuzenvuist tegen de grond geslagen te worden. Zo’n moment dat je helemaal groggy voor je uit zit te staren met het gevoel: dit kan niet, dit kan gewoonweg niet, er is ergens een verschrikkelijke fout gemaakt maar die zal straks rechtgezet worden. Nee dus. Veel linkse kiezers waren gaan pretstemmen op doorgaans trotskistische pretkandidaten met het resultaat dat iedereen van tevoren had kunnen uitrekenen maar niemand bedacht had.
Nu is er weer zo’n moment. We hebben inmiddels dan wel die socialistische president. Het is geen Lionel  Jospin, hij heeft er ook in de verste verten niets van weg, maar toch. En die socialistische president doet een aantal dingen die van een linkse president verwacht mogen worden, waaronder het mogelijk maken van het homohuwelijk. En opeens ontdekt een kleine helft van de Fransen dat ze katholiek zijn en, erger nog, dat ze vinden dat de leerstellingen van het Vaticaan geëerbiedigd moeten worden. De hypocrisie is zo enorm dat ik dit in het geheel niet zag aankomen. Vergeleken met de Fransen zijn de Nederlanders trouwe kerkgangers. Er zijn hier drie gelegenheden waarvoor mensen nog naar de kerk gaan en dat zijn geboorte, huwelijk en dood. Voor de rest zijn de huizen Gods leeg en zijn er zelfs niet eens autochtonen meer om er leiding aan te geven. Die worden geïmporteerd uit Afrika. Ik heb deze lippendienst aan het geloof altijd een beetje vreemd gevonden en het als folklore afgedaan. En als zodanig een onschuldig tijdverdrijf. Nou nee dus. Onlangs bracht ik een week in Parijs door om mij onder te dompelen in het grootsteedse culturele leven. Ik had mijn neus nog maar nauwelijks buiten de deur gestoken of ik liep een grote demonstratie van onderwijzend personeel in. Die stonden op de Boulevard du Montparnasse boos te zijn  op de minister die nou juist allemaal dingen doet waar ze al jarenlang om gevraagd hebben. Dus helemaal begrijpen doe ik ze niet die docenten en onderwijzers. Even later loop ik nietsvermoedend in de Rue Notre Dame des Champs tegen een processie op. Heel even dacht ik, niet op de hoogte van de kerkelijke kalender, dat er iets rondom de maagd gevierd werd. Maar nee, onder leiding van zwartrokken en witjurken werd er gedemonstreerd tegen het homohuwelijk. En niet zomaar gedemonstreerd: iedere vijf minuten zakte de demonstratie door de knieën en ging in gebed. Om dan de weg weer te vervolgen ‘heilige Maria vol van genade’ galmend. Het was een bizar en tamelijk angstaanjagend schouwspel. Als om te onderstrepen dat het hen niet alleen maar om het homohuwelijk maar wel degelijk om homofilie in het algemeen ging, liep een groot gedeelte met borden waarop ‘Non à la homofolie’(weg met de homogekte) te lezen stond. Een beetje ontdaan ben ik naar het nabijgelegen Zadkine-museum gelopen. Daar stond in de tuin een voorstudie van de Verwoeste Stad. Ik vond dat in dit verband wel een toepasselijk beeld.
De mate van hysterie die er hier rond het homohuwelijk is ontstaan, doet mij beseffen dat ik uiteindelijk na die twintig jaar bitter weinig van dit land begrijp. Maar van Nederland ook niet meer. Vreemd is dat: twee landen waarin ik me thuis voel, maar als het aankomt op dat fingerspitzengefühl, dat kunnen opsnuiven van wat er leeft, dan kun je me waarschijnlijk net zo goed in Mongolië neerzetten.

Het semitische geloof van Mélenchon

Met enige regelmaat steekt in Frankrijk het antisemitisme zijn kop op. Nog steeds. En dan bedoel ik niet het antisemitisme van djihadisten, salafisten of welke islamitische fanaten dan ook. Ik bedoel het antisemitisme van die Fransen die zich erop kunnen beroepen vele generaties geworteld te zijn in de Franse bodem. Vooral de woorden bodem en wortel worden in dit verband graag gebruikt. Voordat Dominique Strauss-Kahn zichzelf op niet te evenaren wijze uitschakelde als mogelijk presidentskandidaat, liep er tegen hem zo’n soort campagne. Die man was gewoon niet geworteld in de Franse bodem wisten respectabele rechtse politici te melden. En daarmee dus niet geschikt als president van het Franse volk. Op verwijten van antisemitisme werd gereageerd met de onwrikbare waarheid van dit betoog: die man woonde toch in Washington, wat wist hij nou van het leven in de Haute-Loire? Dat rechtse politici niet terugdeinzen voor dit soort ranzige mufstinkende argumentaties is dramatisch, maar dat zich bij dit gedrochtelijke koor zich nu ook de radicaal-linkse oppositieleider Jean-Luc Mélenchon heeft aangesloten – en dat zijn kompanen geen afstand van hem hebben genomen – is een regelrechte ramp. En het gaat natuurlijk niet meer over DSK, want die is alleen voor de roddelpers nog interessant, nee het gaat om iemand die ik persoonlijk een van de aardigste ministers van de huidige Franse regering vind: Pierre Moscovici. Moscovici is minister van Financiën en uit dien hoofde één van diegenen die verantwoordelijk zijn voor het Cyprus akkoord. Nou mag je hem om die reden een smeerlap noemen (en daarmee Jeroen Dijsselbloem de oppersmeerlap). Dat was namelijk de kwalificatie die Mélenchon van harte wilde onderschrijven. Ik vind dat je het publieke debat daar niet mee op hoog niveau brengt, maar als je radicale achterban dat graag wil horen, soit. Maar dan: “hij (Moscovici) heeft het gedrag van iemand die niet meer in het Frans denkt, maar die denkt in de taal van de internationale financiën.” Natuurlijk, joden hebben geen vaderland, die vormen een internationale samenzwering en door de macht over het geld zullen zij straks de hele wereld beheersen. Maar nee, dat bedoelde meneer Mélenchon helemaal niet, die zich vrijpleitte van iedere antisemitische smet, want “ik kende het geloof van Pierre Moscovici niet, en ik ben niet van plan daar in de toekomst rekening mee te houden, net zomin als ik dat in het verleden heb gedaan.” Aha, antisemitisme gaat dus over geloof. Denkt meneer Mélenchon, die met vrucht zijn universitaire studie heeft doorlopen, nu werkelijk dat er zoiets als een semitisch geloof is? Niet waarschijnlijk dus. En niet erg moedig om je op die manier te verdedigen. Geef ridderlijk toe dat je uitgegleden bent op de glibberige bodem van Frankrijks antisemitische verleden. Dat je in een reflex hebt teruggegrepen naar een abject cliché.
De reactie van de betrokkene was, maar dan op een heel andere manier, ook veelzeggend. “Ik ben erdoor geschokt omdat ik deel uitmaak van die mensen waarvan de ouders voor Frankrijk hebben gekozen (de familie Moscovici is in 1947 uit Roemenië gevlucht). Ik denk altijd Frans, ik denk altijd aan Frankrijk, niet uit nationalisme maar omdat het in al mijn vezels zit.” Om er keurig aan toe te voegen dat hij in de uitspraken van Mélenchon geen antisemitische connotaties zag.
Ik moest daarbij erg denken aan wat ik bij Amos Oz had gelezen: “… al die koortsachtige eurofielen, die een heel scala van Europese talen spraken, Europa’s dichters reciteerden, geloofden in zijn morele superioriteit, zijn ballet en opera bewonderden, zijn erfenis koesterden, droomden van zijn postnationale eenheid en zijn manieren, kleding en modes verheerlijkten, het al tientallen jaren onbeperkt en onvoorwaardelijk liefhadden, … alles hadden gedaan wat in hun menselijke vermogen lag om er een beetje bij in de smaak te vallen, hun bijdrage te leveren op elk gebied en op elke wijze, te integreren, zijn koele vijandigheid te doorbreken door het gepassioneerd het hof te maken, door zich bemind te maken, in de gunst te komen, geaccepteerd te worden, erbij te horen, geliefd te worden …”*
Natuurlijk hoeft Moskovici zich niet te verdedigen alsof toch door zijn afkomst de verdenking op hem rust dat hij wel eens geen loyaal vertegenwoordiger van zijn land zou kunnen zijn. Diegenen die zulke verdenkingen uitspreken moeten zich verantwoorden, niet degene tot wie ze gericht zijn.

* Amos Oz, Een verhaal van liefde en duisternis, De Bezige Bij, 2005, p. 142

Ontbijtkoek

Een week op een onbewoond eiland. Wat neem ik dan mee? Ik heb daar enige ervaring mee. Ik zit met enige regelmaat op mijn onbewoonde eiland, dat weliswaar niet echt een eiland is, maar wel behoorlijk onbewoond. Morgen ga ik er weer heen gewapend met troffels, voegspijkers en een cementbak. Voor een echt onbewoond eiland is dat natuurlijk niet interessant want daar kun je geen cement kopen. Daar heb je meer aan een bijl en een zaag, maar die heb ik daar al liggen. Wat neem je verder mee? Kleren – als het geen tropisch eiland is – boeken en muziek. De keuze van het boek/ de boeken is altijd delicaat. Normaal gesproken weet ik altijd precies wat ik nog allemaal moet lezen, maar op het kritische moment dat ik een of twee boeken moet uitkiezen weet ik opeens niet meer welke boeken dat ook alweer zijn en sta ik verdwaasd voor de boekenkast en zie alleen maar boeken die ik op dat moment echt niet hoef te lezen. Het lijkt me een geval van cognitieve dissonantie. Etenswaren zijn niet echt een probleem: ik haal gewoon de koelkast leeg en de rest koop ik er daar wel bij. Ik ben er dus helemaal klaar voor.
Heel anders is het als ik in Nederland ben en ik mij voorbereid op mijn terugkeer naar Frankrijk. Daarvoor heb ik een hele boodschappenlijst in mijn hoofd van artikelen die ik bij mij thuis niet kan krijgen. Zo hebben ze in Frankrijk bijvoorbeeld wel ontbijtkoek, maar die haalt het niet bij de Nederlandse. Vooral op de gembervariant ben ik dol en die is hier niet te krijgen. Sandwichspread, ook zoiets waarvan het water me in de mond loopt als ik het woord zie. Maar hier is in het allerbeste geval in het rayon met Engelse waren een klein potje van de zure variant (groene deksel) te vinden en dat is nog erger dan geen sandwichspread: dan krijg je eerst dat effect van het water in je mond en vervolgens blijkt het helemaal niet te smaken. Zoiets als een lekke voetbal die in een zandbak ploft. Heel  belangrijk is een bezoek aan de Indische toko, want ik moet vooral ook dingen als seroendeng, mango chutney en allerlei hete pickles scoren. Ik vrees dat weinigen mijn intense genotsgevoel kunnen begrijpen als ik – eenmaal thuisgekomen – al mijn exotische aanwinsten in de voorraadkast zet.
Veel selectiever moest ik zijn in de tijd dat ik in Afrika woonde. In de verhuiskist kon ik nog allerlei spullen laden waarvan ik dacht dat ik daar de komende jaren ernstige behoefte aan zou hebben en die daar vast niet te krijgen zouden zijn. Een paar dozen wijn was in de meeste gevallen wel een wijze keus. Maar wat verder? En bovendien raakte de voorraad onherroepelijk een keer uitgeput en wat dan? Zou het niet beter zijn me meteen maar aan de lokale markt aan te passen? In Tanzania in de jaren tachtig was dat een probleem. De lokale markt voor luxeartikelen bestond namelijk niet of nauwelijks. Behalve de zwarte markt, maar daar wilde ik niet aan mee doen. Er was wel lokale wijn maar daar kreeg je hoofdpijn van en de sterke drank was een soort gin die je alleen met een glas cola kon wegkrijgen. Tijdens mijn laatste verlof in Nederland – ik had nog een klein jaar te gaan – had ik bedacht om lekker veel jenever mee terug te nemen. Met een liter of vijf dacht ik er wel een tijdje tegen te kunnen. Ik vroeg dus vijf liter jonge Bols aan de slijter in het winkelcentrum van mijn Utrechtse wijk. Toen hij de flessen op de toonbank zette, haalde ik twee jerrycans van 2,5 liter te voorschijn en goot daar ter plekke de flessen in leeg. Ik heb zelden iemand zo dom zien kijken als die keer. Ik denk ook dat ik zelden zo’n diepe indruk bij iemand heb achter gelaten, want als ik nu na dertig jaar wel eens zijn winkel binnenstap, ontvangt hij me als een oude schoolvriend. Op die jerrycans plakte ik een paar stickers met ‘medical use only’ en zo kreeg ik ze zonder problemen door de douane.
Regelmatig vragen mensen me: moet ik nog wat voor jullie meenemen uit Nederland? En steevast volgt daar op: pindakaas, dropjes? Nee hoor, doe mij maar een paar ontbijtkoeken. Daarin kan een klein land groots zijn.

Stakeholders

Was dan de schok van de dood van de poes zo groot dat ik maandenlang geen letter meer op virtueel papier kon krijgen? Is er anderszins reden om zich zorgen te maken over mijn welzijn? Heeft het schrijven aan mijn boek mij zodanig in beslag genomen dat ik daardoor mijn weblog heb verwaarloosd? Of heb ik misschien een authentiek writer’s block? Voor dat laatste moet je minstens een schrijver zijn en zo zou ik mezelf niet durven noemen. Feit blijft dat ik de laatste maanden bijzonder weinig stukjes op mijn blog heb gezet. En dat dat niet ligt aan bovengenoemde redenen. Waaraan dan wel? Ik had het gewoon te druk met andere dingen. En vooral met één ding: het corrigeren van teksten van mijn zoon. Die produceert hij in het kader van zijn eerste baan na zijn afstuderen. Door zijn meertalige opvoeding – thuis Nederlands, op school Frans en aan de universiteit Engels – is het met zijn moedertaal nooit helemaal goed gekomen. En doordat hij nooit de idee heeft gehad dat zijn toekomst in Nederland zou liggen, heeft hij iedere hint dat het misschien wel handig zou zijn om zich in woord en geschrift perfect in het ABN te kunnen uitdrukken, met enig dédain naast zich neergelegd. En als gevolg daarvan zit ik nu met de gebakken peren. Ik verbeter d’s, t’s en dt’s, ik schuif met de’s en het’s, met die’s en dat’s, ik haal samentrekkingen uit elkaar, vervang voorzetsels door andere voorzetsels, om over verdergaande subtiliteiten van onze taal maar te zwijgen. Ik heb op slag een enorm respect gekregen voor al diegenen die erin geslaagd zijn het Nederlands als tweede taal onder de knie te krijgen. Dat vind ik een prestatie van Olympische proporties.
Maar er zit nog een andere kant aan mijn correctiewerkzaamheden: het onderwerp. Het gaat om een inventarisatie die door ‘de politiek’ is gevraagd over iets dat ik hier niet mag onthullen. Ik heb namelijk getekend voor strikte geheimhouding! Misschien voor u als lezer niet wereldschokkend, maar voor mij als journalist (ik weiger mezelf ex-journalist te noemen: eens journalist, altijd journalist) is het een regelrechte ramp. Ik zie allemaal prachtig materiaal onder mijn ogen langs glijden en ik mag er niets mee. Ik zie de fine fleur van onze natie dingen vertellen waarvan ik de koude rillingen krijg: als het al geen regelrechte leugens zijn, de waarheid is het in ieder geval niet. Het gaat namelijk om interviews met stakeholders. Ik weet het niet helemaal zeker, maar volgens mij heeft Eveline Herfkens dat woord in Nederland geïntroduceerd. Die had er een paar jaar bij de Wereldbank opzitten en daar had ze allemaal interessante woorden geleerd waarvoor overigens perfecte Nederlandse equivalenten bestaan, maar om de een of andere reden vond ze het nodig om haar Nederlands op te leuken met Engelse termen. Helaas is dat een veelvoorkomend verschijnsel geworden. Neem nu dit stukje: Dat is de rol voor professional services firms die non-financial audit doen. Dat moeten ze embedden in hun auditproces. Ze moeten niet alleen kijken naar social en environmental getallen. Of deze zin: Wij kijken naar de issues die wij effectief kunnen tackelen en adresseren binnen de scope van ons programma. Ik heb dit niet zelf bedacht. Dit heeft iemand – een stakeholder dus – zonder blikken of blozen uit de mond laten rollen. Het is bijna niet voor te stellen dat dit ergens over gaat, laat staan over een serieus onderwerp, maar ik zweer dat het zo is.
Lang geleden heb ik heel serieus gestudeerd op de relatie tussen taal en cognitie. Als ik mij goed herinner wat daarover door zeer geleerde mensen werd geschreven op grond van gedegen wetenschappelijk onderzoek, dan vrees ik dat het met de kennisverwerving van een deel van onze bestuurders en topadviseurs niet best gesteld is. En als deze stakeholders op enigerlei wijze representatief zijn voor onze heersende klasse, dan geef ik niet veel voor de perenniteit° (mag ik ook eens een mooi woord gebruiken? Ik woon tenslotte al bijna twintig jaar in Frankrijk) van de Nederlandse taal. Misschien dat dit isue ook eens effectief geadresseerd en getackeld kan worden? Of valt dat niet binnen de scope van ons programma?

° = duurzaamheid

Het gedroomde leven

Beste lezers van mijn blog,
Deze keer een heel bijzondere aflevering. Want als je op Een boze fee klikt, krijg je een hoofdstuk uit mijn nog niet voltooide tweede roman te zien. Dat boek gaat Het gedroomde leven heten. En het plaatje hierboven is het soort omslag dat ik voor het boek zou willen.
Dit hoofdstuk zit ongeveer halverwege het boek. Ik heb het uitgekozen om jullie te laten lezen omdat het een omslagpunt in het verhaal is. Ik moet daar bij zeggen dat het misschien een beetje lastig te lezen is. In tegenstelling tot de rest van het boek maak ik hier voortdurend gebruik van perspectiefwisselingen, wat enigszins verwarrend kan werken als je nog niet in het verhaal zit. Bovendien worden er veel gedachten in uitgeschreven en dan niet vanuit de verteller (Pauline schrikt, ze vindt hem bot), maar vanuit de twee hoofdpersonen (Wat is dat nou? Wat is dat voor bot antwoord). Misschien even wennen in het begin.
Ik heb de tekst in pdf-formaat opgeslagen zodat je het eventueel op je tablet kunt zetten. Er zitten een paar sterretjes in de tekst op momenten dat je iets meer moet weten van het voorafgaande. Als je erop klikt, geef ik daar uitleg over.
Ik ben aan de zoveelste revisie van het boek bezig. Daarom ben ik blij met alle commentaar. Als je er iets over zou willen zeggen: neem alsjeblieft geen blad voor je mond. Ik hoor het graag.
Misschien ten overvloede: Iedere overeenkomst met personen of situaties die de lezer bekend voorkomen, berust op louter toeval. Ik meen het.
Veel leesplezier!