In het zwart, wit of bloot: altijd op de foto

Een oudere man zit op zijn mondharmonica te spelen. Ne me quitte pas. De plek is een ontmoetingsplaats van straatjochies in Ineke Holtwijks Engelen van het asfalt. Maar de straatjochies zijn er niet. Vermoedelijk komen die pas ’s avonds, op een tijdstip waarop eerzame burgers deze plek maar beter kunnen mijden. En de harmonica spelende man is verre van een dakloze. Ik loop op zondagochtend door het stadspark van Flamengo. Een park aangelegd tussen de snelweg die langs Rio’s kusten loopt en de baai van Guanabara, die de Portugezen destijds op een eerste januari ten onrechte voor de monding van de Januaririvier hielden. Die rivier bleek niet te bestaan, maar de naam van de plek zou nooit meer veranderen. In het begin van mijn zondagse wandeling stuitte ik op honderden in zwarte toga’s geklede meisjes die in groepjes voor fotografen samenklonterden. Ze hebben hun diploma gehaald en dat moet op de foto vastgelegd worden. Meestal worden ze op voor de gelegenheid aangesleepte ereschavotjes neergezet en ieder apart moeten ze poseren in een grote zetel met kunstig houtsnijwerk. Natuurlijk met het bijbehorende platte hoofddeksel met kwastje. Waarom er geen jongens bijzitten? Die zullen toch ook wel eens een diploma halen? Mijn vermoeden is dat het alleen gaat om afgestudeerden van schoonheidsacademies en secretaresse-opleidingen. Tussen al deze bedrijvigheid door zitten gezinnen op de grond te picknicken. Vlakbij is en deel van de snelweg afgezet voor een wielerwedstrijd. Het geluid van de knetterende luidsprekers lokte mij naar buiten.

Een groepje jonge vrouwen in witte jurkjes staat op het strand met de voeten in het water. Op commando moeten ze tegelijk opspringen om dat mooie plaatje met al die onderbenen in de lucht te krijgen. Dat moet vele malen herhaald worden. Maar voor carioca is dat geen probleem. Die zijn er dol op om gefotografeerd te worden en om selfie’s te maken. Een vrouwelijke carioca die een cameralens op zich gericht ziet, schiet meteen in een bevallige pose. Zelfs de ongeboren carioca moet het ontgelden. De mooiste parken – de botanische tuin en een paleistuin – zijn de meest geliefde plekken voor het fotograferen van de ongeborene. Ongegeneerd worden de blote zwangere buiken tentoongesteld om door de meegebrachte fotograaf vastgelegd te worden. Hoe groter en bloter de buik hoe beter. Daarbij moet regelmatig van decor en kostuum veranderd worden. Zo zie je ze met groepjes – zwangere vrouw, regisseur, kleedster, cameraman – door het park trekken op zoek naar de mooiste locatie. Datzelfde gebeurt ook met de aanstaande bruid. Die moet zich een paar dagen voor het huwelijk eindeloos in haar bruidsjapon laten fotograferen, al of niet met bruidegom. Ne me quitte pas, speelt de man op de mondharmonica.

De echte carioca

Op reclamezuilen in Rio is onlangs een campagne gestart die ons wil vertellen wat een echte carioca doet, leuk of mooi vindt. Voor alle duidelijkheid: carioca betekent inwoner van Rio (mannelijke en vrouwelijke en in het meervoud) en was de benaming die de Tupi-indianen gaven aan de eerste blanken die zich op het grondgebied van het huidige Rio vestigden.
Wat doet nou een echte carioca als ik die campagne mag geloven? Hij/zij geeft twee kussen als hij/zij iemand begroet en hij/zij applaudisseert als hij/zij vanaf Arpoador (een landtong tussen Ipanema en Copacabana) de zon ziet ondergaan. Dit leert mij nog niet veel over de echte carioca. Twee kussen doen ze in het grootste gedeelte van Frankrijk ook. De enige uitzonderingen die ik daar ken zijn Sète (drie) en Parijs (soms vier). Wie bedacht heeft dat wij er in Nederland drie moeten geven, wil ik persoonlijk nog wel eens de waarheid vertellen. Die heeft er voor gezorgd dat ik in Frankrijk regelmatig een derde kus in de lucht geef en dat in Nederland de door mij gekuste met vragende blik op de derde staat te wachten. En voor de zonsondergang klappen? Akkoord, dat heeft wel wat. Dat heb ik elders nog niet meegemaakt. Maar zo’n mooie zonsondergang zal je ook niet gauw ergens anders zien. Daar moet een theatermaker van het kaliber Svoboda aan te pas zijn gekomen.
Wat weet ik verder van de echte carioca? Over hun hondjes heb ik het al eens eerder gehad. Minuscule gedrochtjes die iedere week naar de kapsalon gebracht worden, die met een strikje op hun minuscule kopjes lopen, die soms schoentjes en jurkjes aan hebben en die minuscule keuteltjes produceren die door de carioca meestal in een plastic zakje opgeraapt worden, behalve als de carioca het te druk heeft met het op zijn of haar mobieltje te kijken en dus niet ziet dat het mormeltje een drol heeft gedraaid.

Ik heb een boekje getiteld Rau tchu bi a carioca wat min of meer fonetisch geschreven is hoe een Braziliaan How to be a carioca zou uitspreken. Daar staan allemaal nuttige aanwijzingen in over hoe je moet praten, hoe je je moet kleden, wat je moet eten en drinken om een echte carioca te zijn. Veel draait om het strand. Een echte carioca gaat voor, na of in plaats van het  werk naar het strand. De mannelijke variant – ik kan dat uit eigen waarneming bevestigen – gaat gekleed in een felgekleurd shirt, idem bermuda en rubber teenslippers. Persoonlijk vind ik het wel tof als je dan een fiets hebt met speciale beugels waar je surfplank in hangt. Vrouwelijke carioca, weet ik eveneens uit eigen waarneming, gaan bij voorkeur gekleed in een topje met erg veel blote buik en een hyperstrakke glimmende sportbroek. Helaas is overgewicht ook in Rio een veelvoorkomend fenomeen en dan wordt die outfit al gauw een stuk minder smakelijk.
Na vijven gaan de carioca inderdaad, zoals het boekje vermeldt, in grote getale naar het strand. Daar ligt dan al het materiaal voor een uurtje lichamelijke oefening voor ze uitgestald door heuse sportleraren. En als je niet bezig bent je af te trainen voor een strakke buik, ben je aan het beachvolleyen of beachvoetballen. Het onderhouden en tonen van een goed getraind lichaam is voor de carioca van beiderlei kunne van het grootste belang.
Wat ik gelukkig nog niet persoonlijk heb meegemaakt maar wat volgens het boekje van wezensbelang is voor het goed begrijpen van de carioca is dat het niet de bedoeling is de hartelijke uitnodiging om toch gauw eens bij hem langs te komen serieus te nemen. Net zo min als de mededeling dat hij je spoedig zal bellen. Dat zal hij namelijk beslist niet doen. Al heel lang geleden had ik al eens van een vriendin begrepen dat de carioca een wezenlijk andere relatie tot taal hebben dan wij nuchtere noord-Europeanen (een cliché, maar in dit verband misschien niet helemaal onzin). Taal, zo vertelde zij mij, is voor de carioca in de eerste plaats en vooral een bezigheid, een doel op zich. Praten doe je om te praten en het is niet zozeer een middel om praktische informatie te geven, afspraken te maken, meningen ten beste te geven.
Carioca hebben ook een heel bijzondere verhouding tot hun  auto. Als ze er eenmaal als bestuurder in zitten worden het opeens heel andere mensen. Geen vrolijke levensgenieters meer maar verscheurende roofdieren, die in de kortst mogelijke tijd van het ene stoplicht naar het volgende willen sprinten en daarbij vooral niet gehinderd willen worden door overstekend wild. Als voetganger ben je zelfs nooit helemaal zeker of ze bij het stoplicht wel écht zullen gaan stoppen. De spanning moet er tot het laatste moment in gehouden worden. Stopt ‘ie wel of stopt ‘ie niet? Groen voetgangerslicht of niet, pas als de automobilist zijn voertuig met gillende banden tot stilstaan heeft gebracht, kun je veilig oversteken.
Wat als medeweggebruiker niet aan te raden is, is om hun rijgedrag te becommentariëren. Wij staken laatst met peuter in de buggy voor een kruispunt de weg over, toen er zonder knippertje opeens een auto de hoek om kwam zeilen. Met enige armgebaren probeerden wij de bestuurder duidelijk te maken dat hij zojuist drie mensenlevens in gevaar had gebracht door een verplichte handeling over het hoofd te zien. Sorry? Nee hoor. Boze kreten en geheven middelvinger. En naar verluidt, is dat symptomatisch.
Een paar weken geleden ontdekte ik een eigenaardigheid van de echte carioca die ik nog niet eerder had opgemerkt: op zondag ga je massaal naar de shopping. Shopping malls zijn mateloos populair in Brazilië, maar dat ze gebruikt worden als evenknie van het park, het aquarium of het strand was me nog niet eerder opgevallen. Winkelen is daarbij ondergeschikt, eten in een van de vele restaurants of – voor de smallere beurs – eetpleinen is daarentegen dé favoriete bezigheid.
Wat de carioca-campagne (#cariocadagema, voor diegenen die het even willen opzoeken) beoogt, weet ik nog niet. Hij is zo slim van opzet dat je je er alles en niets bij kunt voorstellen. Het resultaat is wel dat ik nu naarstig alle reclamezuilen bekijk om te zien of er al een nieuwe is. Zou dat de bedoeling kunnen zijn?

Gootsteenontstopper

In het appartement in Rio dat wij twee weken geleden betrokken hebben is alles prima voor elkaar. Radio, tv, wifi, magnetron, wat heeft de moderne mens nog meer nodig? Juist ja, de dingen die de ouderwetse mens al  nodig had, zoals warm en koud stromend water, een wc, een fornuis. Ook allemaal piekfijn voor elkaar, behalve dan dat het water wel stroomde, maar niet wegstroomde uit de wastafel. Ik heb nog een moedige poging ondernomen om de sifon uit elkaar te schroeven, maar dat bleek om redenen die ik hier niet ga uitleggen, onmogelijk. Dus zou ik mijn toevlucht moeten nemen tot een gootsteenontstopper (mooi woord voor scrabble zou mijn moeder gezegd hebben). Die bleek niet aanwezig in het appartement. Kopen dus. Er zijn hier in de buurt tal van winkels met materialen voor de klusser, dus dat zou moeten gaan lukken. Maar omdat ik er een hekel aan heb om in gebarentaal duidelijk te maken wat ik wil – het zou zeker in dit geval ook gemakkelijk verkeerd begrepen kunnen worden en red je daar maar eens uit – mijn woordenboek geen uitkomst bood – het is een Frans-Portugees woordenboek en ik weet niet hoe zo’n ding in het Frans heet – en Google voor minder gangbare woorden totaal onbetrouwbaar is, tekende ik het ding en vroeg wijzend op de gootsteen aan de empregada (huishoudster) van de buren hoe dat heet. Het blijkt een desentupidor de pia te zijn. En omdat ik er ook niet van hou om mijn boodschappen van een briefje in de winkel voor te lezen, heb ik de weg naar de winkel de-en-tu-pi-dor-de-pia in mijn hoofd repeterend afgelegd. En verdomd het klopte. Een paar tellen nadat ik het d-woord had uitgesproken had ik hem in mijn handen. En even later hadden wij een wastafel waaruit het water wegliep.

Is er nu niets belangwekkenders uit Brazilië in het algemeen en Rio in het bijzonder te melden? Jazeker wel, maar erg lollig is dat niet. En ik had me toch voorgenomen om het gezellig te houden? Nou vooruit dan, één belangwekkend iets dan. Raad eens hoeveel bedelaars, daklozen en straatverkopers ik tegenkom als ik die paar honderd meter naar dat materialenwinkeltje loop? Ik denk per vijftig meter toch al gauw een of twee. De een heeft een bedoeninkje met oude boeken, CD’s en schoenen. Die laatste meest in paren, maar laatst zag ik er een eenzame enkele hooggehakte damesschoen tussen staan. Een ander verkoopt wat snoep. Weer een ander wat groente en fruit. En dan heb ik het natuurlijk niet over de straatverkopers met karretjes met cocoswater, gebak of andere etenswaren. Dat is meer de aristocratie onder de straatverkopers. Die zijn misschien wel de vicieuze cirkel van de armoede ontstegen. En mijlen verheven boven de laagsten onder het straatvolk, die op een stuk karton in een portiek of voor een winkelruit liggen en wachten tot er een goede geest langskomt met wat eten en drinken. En dat laatste is … gezellig zal ik het niet noemen, maar wel hartverwarmend.

Zondag in Rio

Zondag in Rio. De snelweg die vanaf het stadscentrum naar het zuiden en langs de stranden van Copacabana en Ipanema voert is afgesloten voor autoverkeer en het domein geworden van fietsers, skaters en in mindere mate wandelaars (toch een beetje warm om over het door de zon geblakerde asfalt te lopen). Aan die weg ligt het stadspark langs de baai van Botafogo waar wij het voorrecht hebben vlakbij te wonen en waar het op zondag vol is met yogagroepjes en spirituele samenkomsten, barbebecues, massagestands, muziek. Het strand is gevuld met bakkende, sportende en etende lijven, de vrouwen doorgaans – ondanks de evangelistische golf die over Brazilië spoelt – nog steeds in die piepkleine bikinietjes met van onderen een string en van boven twee driehoekjes aan draadjes geregen, en venters met containers met gekoelde dranken en met hapjes tot volledige maaltijden. Alles bij elkaar het Rio dat wij Europeanen graag zien en eigenlijk nog leuker is dan dat van Copacabana en Ipanema omdat je daar met de rug naar zee alleen maar beton als achtergrond hebt.

Als ik de tegenovergestelde richting neem, dus nier naar het strand maar de woonwijk in, dan kom ik na een minuut of vijftien op een plein waar, alweer, muziek wordt gemaakt, waar kraampjes staan met lokale producten en zelfgemaakte kleding, sierraden en houten kinderspeelgoed. Er is een speeltuintje, wat winkels en een caféterras, kortom het idyllische dorpsleven. Kon zo uit een film zijn weggelopen.

Een paar dagen geleden stuurde ik naar een vriendin een foto van het uitzicht vanuit ons nieuwe appartement. Ik had dat mooi gekaderd. Niet het nylonnet dat voor het raam gespannen hangt om te voorkomen dat de poes of de kleuter van vijf hoog naar beneden valt. Tussen de twee flatgebouwen door gefotografeerd zodat je alleen de baai met een hoge berg daarachter (de Urca voor de kenners) ziet met een groepje bomen op de voorgrond. Vriendin reageert enthousiast: mooi uitzicht hebben jullie! Nou ja, schrijf ik terug, dat was wel een beetje geflatteerd. Zo is het in werkelijkheid. En ik stuurde een foto mee van een tien verdiepingen hoog flatgebouw aan de ene kant en een achttien verdiepingen tellend kantoorgebouw aan de andere kant, met daartussen dat doorkijkje naar de baai van Botafogo. Maar, vanaf de plek waar ik op dit moment achter mijn laptop zit is eenderde van het raam gevuld met dat doorkijkje en tweederde met de blinde muur van dat flatgebouw. De aandacht wordt onvermijdelijk getrokken naar dat leuke doorkijkje, die andere tweederde zie ik niet echt. Zo is het met Rio in zijn geheel ook. Je hebt hier fantastische plekken. Sommige horen tot de mooiste ter wereld, maar je moet om de illusie van schoonheid vast te houden de blik niet te veel laten afdwalen, want dan zie je dingen die dat beeld lelijk kunnen verstoren. Die ga ik nu dus niet noemen. Het is zondag, laat ik het gezellig houden

Bijtekenen

In vijf jaar tijd ben ik nu voor de tiende keer in Brazilië. En niet zomaar voor een weekje strand in Copacabana, nee, iedere keer ben ik/zijn we hier voor minstens een maand. En deze keer maken we het helemaal bont: we zouden hier deze keer maar liefst zes weken blijven, maar twee weken voor vertrek besloten we om drie maanden bij te tekenen. Het begrip bijtekenen heeft voor mij een heel specifieke betekenis. In mijn jaren in de ontwikkelingshulp werd er ook regelmatig bijgetekend. Ontwikkelingswerkers hadden contracten van twee of drie jaar. Als je vond dat je na die periode onmisbaar was dan kon je een contractverlenging aanvragen. Liever gezegd de organisatie waar je bij werkte, kon die verlenging aanvragen omdat je jezelf nog niet overbodig had gemaakt. Want dat was het ultieme doel van de ontwikkelingswerker: zichzelf overbodig maken. Welnu, onze gastorganisatie heeft onze contractverlenging aangevraagd zodat zij ons in die drie extra maanden overbodig kan maken. Om het een beetje simpel te vertalen: zodat zij in die drie extra maanden een alternatief voor ons als oppas-oma en –opa hebben kunnen vinden. In de ontwikkelingshulp heette dat een counterpart inwerken. Maar goed, wij zitten nu dus niet voor zes weken in Brazilië maar voor vier-en-een-halve maand. Dat verandert opeens wel je perspectief. Ik begin me nu pas echt te schamen voor het feit dat ik na het kleine jaar dat ik alles bij elkaar al in dit land heb doorgebracht nog steeds niet in staat ben om meer dan zelf maar twee zinnetjes fatsoenlijk Portugees te spreken. Ja natuurlijk, de begroetingen heb ik inmiddels glad gepolijst met een behoorlijk Carioca-accent. Bij de kassa van de supermarkt sta ik niet meer met mijn mond vol tanden als de caissière mij bijvoorbeeld vraagt of ik spaarzegeltjes voor serviesgoed wil, een plastic zakje of  een parkeerkaart. Ik antwoord uit volle borst: sim, não, não. En ik vertrek met een langgerekt tsjau. Dat laatste valt niet mee. Dat vraagt veel oefening. De gemiddelde caissière spreekt dat uit alsof ze vanuit bed haar vertrekkende minnaar dag zegt met een klank die vol belofte is voor de volgende nacht. Maar voor de rest willen de braaf geleerde woordjes maar mondjesmaat tevoorschijn komen en als ik erin geslaagd ben er een min of meer begrijpelijke zin van te maken, is de gelegenheid om ze uit te spreken meestal voorbij.

En nu we het er toch over hebben – over Brazilië dus – er is hier wel het een en ander aan de hand. Het is geloof ik ook in Europa niemand ontgaan dat half Amazonië in brand staat en dat we hier een gek van een president hebben die dat liever maar zo wil laten want dat levert veel grond op voor soja- en veeboeren die hij ook graag van wapens voorziet om iedereen die daar anders over denkt van het land te schieten. Een goede vriend die het Portugees wél goed beheerst – hij is namelijk Braziliaan – noemt deze president consequent Boçalnario. Boçal staat voor imbeciel, stompzinnig, kortom precies wat deze president is. Ik ga maar niet vertellen over deze gesjeesde legerkapitein voor wie woorden tekort schieten om zijn stupiditeit te beschrijven. If you like Trump, you will adore Bolsonaro!

Terug naar het dagelijks leven in Rio, want dat is ook deze keer weer de plek waar ik verblijf. Ik ben geneigd te denken dat Rio de meest Braziliaanse stad van Brazilië is, maar ik geef direct toe dat ik niet veel vergelijkingsmateriaal heb. Andere megapolen als São Paulo en Belo Horizonte, heb ik nog niet bezocht. De enige grote steden die ik naast Rio ken zijn Recife, Goiânia en Brasilia. De laatste stad is zo atypisch dat ik bijna aarzel om hem Braziliaans te noemen. De planmatigheid die aan deze zestig jaar geleden door president Kubitschek gestichte regeringsresidentie en hoofdstad ten grondslag ligt, lijkt in niets op de ogenschijnlijk chaotisch gegroeide andere steden. Een stad als Rio lijkt mij voor iedere stedenbouwkundige een nachtmerrie. Alleen in het oude centrum is een soort systeem te ontdekken. Daarbuiten lijkt alles min of meer lukraak neergegooid, afgebroken, opnieuw bebouwd enzovoort, met als constante factor dat de middenklassen beneden en de armen op de hellingen wonen. Nou ja, beneden … kenmerkend voor alle steden in Brazilië is dat er ontzettend hoog wordt gebouwd. En niet alleen voor kantoorgebouwen. In typische woonwijken als Flamengo en Botafogo schieten de flatgebouwen al gauw een verdiepinkje of vijftien de lucht in. En dat met vaak minder afstand tussen de huizen dan in de 19e eeuwse gordel in Amsterdam. Tien hoog met uitzicht op de achterburen. Dat wordt dan vaak goedgemaakt door de majestueuze entree. Alsof je werkelijk in een paleis woont. Met glanzend gepoetste koperen leuningen en ornamenten op de monumentale voordeuren, marmeren vloer en directeursbureau voor de conciërge.

In dat Rio hebben wij dus bijgetekend. Dus alle tijd om te kijken of er nog meer winkels gesloten worden, er nog meer gaten in het asfalt vallen, er nog meer steentjes uit de trottoirs verdwijnen, of er meer daklozen in onze wijk komen, of dat restaurantje dat ze nu al een jaar aan het verbouwen zijn toch nog afkomt. Als het café met de Hollandse kroketten het maar uithoudt en de Maaslander regelmatig in de aanbieding is, dan halen wij het einde van de Braziliaanse winter wel. Maar stilletjes hoop ik dat we hier ook het begin van de afzettingsprocedure van de president mogen meemaken.

Over Black Archives, Gliphoeve en een drama op de Nieuwezijds

Ik werd een paar dagen geleden bezocht door een stukje van mijn verleden dat ik nog niet helemaal vergeten was, maar dat wel diep was weggezakt in mijn historisch bewustzijn. Mijn neef stuurde mij een berichtje waarin hij mij meldde dat hij mijn naam was tegengekomen in de Black Archives. Hij was daar op bezoek met een Zuid-Afrikaanse gast voor wie een aantal publicaties waren uitgestald over de geschiedenis van zwart in Nederland. Tot zover zou er bij mij nog geen lampje zijn gaan branden. Ik heb al eens in een eerdere column verteld over mijn onfortuinlijke visumaanvraag bij de Zuid-Afrikaanse ambassade, maar dat levert nog geen plek in de Black Archives op, zo leek mij. Nee, het ging om een artikel in De Groene zo’n veertig jaar geleden. Het artikel heette ‘Het Gliphoeve-trauma van de sociale huisbazen’, en wie zich de Bijlmer van midden jaren zeventig nog herinnert, weet dat de naam Gliphoeve gelijkstond met Surinamers en massale kraakacties. Voor de woningbouwverenigingen in Amsterdam was daardoor de concentratie van etnische minderheden in één buurt een zodanig trauma geworden dat ze limieten voor die minderheden zijn gaan stellen zodat bepaalde buurten feitelijk gesloten waren voor verdere instroom van bijvoorbeeld Turken en Marokkanen.
Ik werkte in die tijd bij de Stichting Welzijn Buitenlandse Werknemers in Amsterdam, een van de ik meen tien van zulke regionale stichtingen. Met mijn collega’s voor onderwijs en huisvesting vormden wij een soort bende van drie binnen die stichting. De rest had het druk ofwel met geld uitdelen voor folkloristische en anderszins gezellige activiteiten (wij subsidieerden per nationaliteit georganiseerde sociëteiten), of met het zich inleven in andere culturen. Vooral de collega’s met een sociale academie opleiding waren daar erg sterk in. Wij daarentegen vonden dat er gewerkt moest worden aan betere kansen voor met name de Marokkaanse en Turkse medemens in vooral onderwijs (dus vooral géén onderwijs in eigen taal en cultuur), en op de arbeids- en woningmarkt. Doordat de Nederlandse regering absoluut geen beleid had ten aanzien van de minderheden, werd dat nog een heel conflict waar bij de ‘eigen culturele identiteit’ het won van onze structurele aanpak.
In het kader van die structurele verbetering van de positie van de gastarbeider (zoals hij toen nog werd genoemd) schreef ik destijds een verhaal in De Groene. Mijn huisvestingscollega was een goede bekende van Geert Mak, toen nog Groene-redacteur, en Geert vond het prima om zo’n verhaal in De Groene te plaatsen. In die tijd schreef ik mijn artikelen nog geheel met de hand voordat ik ze op de schrijfmachine met carbondoorslag uittikte. Met dit handgeschreven verhaal was ik daags voor de deadline bij mijn huisvestingscollega langs geweest om er eventuele feitelijke onjuistheden uit te zuiveren. Daarna reden geliefde J. en ik in onze rode R4 naar de Nieuwezijds om daar bij de Marokkaan te gaan eten. Tas (met artikel) en jas van J. lieten we gewoon op de achterbank liggen. Die lagen er dus niet meer toen wij uit het restaurant kwamen. De Marokkaanse eigenaar van het restaurant te hulp geroepen. Die had wel een idee. Hij liep regelrecht naar een steeg aan de andere kant van de Nieuwezijds, deed daar een grote afvalcontainer open, en ja hoor daar lag de jas van J., maar geen tas. Hij klom nog op de container om op het lage dak daarachter te kijken, want hij wist dat daar ook regelmatig onbruikbare buit opgeflikkerd werd, maar helaas. ‘Dan ligt hij nu waarschijnlijk in de gracht’, verzuchtte hij. Hij kende zo ongeveer de route van de booswichten. Nog aangifte gedaan op bureau Warmoesstraat waar de dienstdoende agent, toen hij hoorde van de inhoud, mij meewarig aankeek. Zoiets van ‘moet je maar iets nuttigers met je leven doen’.
De deadline was de volgende ochtend om 12 uur. Ik begrijp niet hoe ik heb kunnen slapen die nacht. De volgende ochtend heb ik mij op mijn kamer in de stichting opgesloten en het verhaal uit het blote hoofd gereproduceerd. Ik denk dat er geen drie woorden anders in stonden dan in de oorspronkelijke versie. Waar het brein toe in staat is.
Na het verschijnen van het artikel was mijn naam op het gebied van huisvesting en minderheden gevestigd, dus toen ik een tijdje later met de twee collega’s ontslagen werd wegens dissidente ideeën (met volledige instemming van de vakbond), kon ik bij het Nederlands Centrum Buitenlanders terecht om een rapport te schrijven over discriminatie op de woningmarkt. Dat kreeg binnen beperkte kring enige bekendheid, waardoor ik op het bureau van Marjanne Sint terechtkwam (later PvdA-voorzitster, maar toen nog hoofdredacteur van Intermediair), die mij voorstelde om met haar samen een themanummer van Intermediair te maken over minderheden en ongelijkheid. Dat is ook nog als boekje (Tussen wal en schip) uitgegeven. Mijn naam kon niet meer stuk. Vervolgens verdween ik voor drie jaar naar Tanzania, maar al voor mijn terugkeer had ik een mooi contract op zak van het SCP waar ik een uitgebreide studie mocht doen naar de positie van minderheden op de woningmarkt. Om de een of andere voor mij onduidelijke reden is dat rapport nooit verschenen, hoewel ik niet uitsluit dat er stukken van in het Sociaal en cultureel rapport hebben gestaan. Dat heb ik nooit meer gecheckt. Mijn interesse lag inmiddels voorgoed bij de Derde Wereld.

O povo Brasileiro

Het is 7 juli en Brazilië is gisteren uitgeschakeld in de kwartfinale van het Wereldkampioenschap voetbal. Normaal gesproken niet een feit dat ik in een stukje zou vermelden, laat staan om mee te openen. Maar het feit wil dat ik al vijf weken in Brazilië vertoef en dat ik had gehoopt door het WK wat meer van de Braziliaanse volksaard te gaan begrijpen. Niets daarvan. Ik verwachtte dat na de noodlottige 2-1 nederlaag tegen de rode duivels het land in diepe rouw zou zijn gedompeld. Tenslotte is dit een voetbalnatie, goed voor vijf wereldtitels op haar naam. Hier in Rio overal Braziliaanse vlaggetjes, gele voetbalshirtjes. Zelfs mijn schoondochter en mijn kleindochter van zes maanden waren in het geel-groen gekleed. Het kon dus niet anders dan dat de voortijdige ondergang van het Braziliaanse team tot hartverscheurende taferelen zou leiden. Welnu, het barbecuefeestje van de bewoners van het naburige flatgebouw ging na het eindsignaal gewoon en op hetzelfde volume door. Toen ik even de straat op ging voor een boodschap, zag het er niet anders uit dan anders. Iets minder mensen buiten, maar dat kwam natuurlijk doordat iedereen al vroeger naar huis was gegaan om de wedstrijd te zien.

Voordat we naar Brazilië vertrokken was een buurman zo attent om ons een Braziliaanse roman cadeau te doen. Het boek is Van Joᾶo Ubaldo Ribeiro en heet Brazilië Brazilië, dat wil zeggen dat is de vertaler zijn versie van Viva o povo Brasileiro. Leve het Braziliaanse volk lijkt me toch iets anders dan tweemaal de naam van het land achter elkaar te zetten, dus naar de reden van deze Nederlandse titel kunnen we slechts gissen. Feit is wel dat de oorspronkelijke Portugese titel precies aangeeft wat Ubaldo Ribeiro met zijn roman wil: het Braziliaanse volk bejubelen. Wat begint als een onderhoudende familiekroniek eindigt in een geëxalteerde lofzang op het Braziliaanse volk. Maar of dat me wijzer maakt over de Braziliaanse volksaard? Persoonlijk ben ik weinig bevattelijk voor de gedachte dat het volk een metafysische entiteit is, dat het altijd streeft naar het Goede en dat het zal zegevieren. Nee, dan zal ik het toch moeten hebben van mijn eigen kleine observaties tijdens mijn wandelingen in Rio.

De Carioca’s – zo heten de inwoners van Rio en ik weet niet in hoeverre zij en heel speciaal soort Brazilianen zijn – houden erg van honden en vooral van hondjes. Hoewel dat laatste uit nood geboren kan zijn. Ik bedoel op een flatje dertien hoog met een Sint Bernhard, dat is misschien niet een optimale combinatie. Ik zie dus veel mensen op straat met kleine tot ultrakleine hondjes, type Idéfix zal ik maar zeggen. En dat ze heel erg van die hondjes houden kun je zien aan hoe ze uitgedost zijn. Strikje op de kop is bijna standaard, maar met een jurkje aan is geen bijzonderheid. Maar vooral hoe ze gekapt zijn valt op. Er lopen kunstwerkjes van coiffeurale vaardigheid tussen. En dus uiteraard veel heel hondenkapsalons. Ruwweg evenveel als mensenkappers en die zijn er echt niet weinig. En dan die winkeltjes waar je allerlei accessoires voor je hondje kunt kopen: strikjes, jurkjes, speeltjes. Ik heb ze ook echt met schoentjes aan gezien. Alleen de variant met zwarte laarsjes, zwart ondergoed en een zweepje ben ik nog niet tegengekomen. Maar wat bijna onvoorstelbaar is: deze perfect geknipte, geföhnde en geparfumeerde hondjes poepen. Echt waar! En denk nou niet: in Rio is het natuurlijk een rotzooitje dus glij je overal uit over de hondendrollen. Nee. Al de bazen en bazinnen van deze minihondjes lopen met een plastic zakje in de hand met meestal een paar schattige keuteltjes erin. En aangezien er in de straten van Rio niet om de 100 meter een vuilnisbak staat, nemen ze die zakjes helemaal mee naar huis. Bij de aanblik daarvan moet ik altijd de neiging onderdrukken om even te braken.

Wat we dus kunnen vaststellen is dat de Carioca’s aardig zijn voor kleine huisdieren en dat ze veel voor hen overhebben. Hetzelfde fenomeen heb ik in Brasilia waargenomen, dus misschien geldt deze karakteristiek wel in het algemeen voor de stedelijke Braziliaan. Vandaar naar o povo is maar een klein stapje, dus misschien hebben we hier wel een klein maar o zo belangrijk deel van de volksaard te pakken.

Wat verder erg bepalend is voor het straatbeeld hier, zijn de stalletjes. Natuurlijk de krantenkiosken, maar ook stalletjes met kokosnoten, met accessoires voor smartphones, met stekkeradapters, en vooral de sleutelmakers. Op iedere straathoek staat er wel een huisje met een sleutelmaker en meestal daartussen ook nog een. Wat kunnen we uit dat laatste opmaken? Dat Brazilianen vaak hun sleutels kwijt zijn? Of dat je in zo’n chaveiro-hokje meer prestige hebt dan als verkoper van telefoonhoesjes? Misschien zijn de chaveiros wel de aristocratie onder de straatverkopers. Er zal vast wel eens een sociologiestudent onderzoek naar hebben gedaan, maar hoe kom ik daar achter? En trouwens, met mijn Portugees kan ik net de krant een beetje lezen, maar zeker geen wetenschappelijke verhandeling begrijpen. Doodlopend spoor dus.

Ander bepalend element in het straatbeeld zijn de bedelaars en daklozen. In hoeverre het hier overlappende categorieën betreft kan ik niet vaststellen. Ik zie ze namelijk alleen overdag en het typische kenmerk van een dakloze is dat hij ook ’s nachts op straat leeft. Maar voor de vredelievende burger die ik ben is het niet aan te raden om ’s avonds en laat staan ’s nachts de straat op te gaan. Alleen, als ik ’s ochtends om kwart over zeven naar de bakker loop en hier en daar iemand zie slapen op een stuk karton, mag ik wel aannemen dat we dan met een authentieke dakloze te maken hebben. Al met al, of ze nu wel of niet dakloos zijn, bedelaars zijn er heel wat, zeker in de drukke winkelstraat waar ik mijn boodschappen doe. Maar de aanwezigheid van bedelaars zegt me niets over de volksaard, des te meer over maatschappelijke ongelijkheid, falend economisch beleid en nog zo wat. Maar wat wel wat zegt is de houding van de overige Carioca’s tegenover hun minder fortuinlijke collega’s. Zo zag ik vroeg in de avond twee dames van zekere leeftijd uit een boodschappenkarretje bekertjes koffie uitschenken en broodjes uitdelen aan de bedelaars in de straat. Zo zie ik de dakloze die zijn vaste plekje heeft op de hoek van de straat, ‘s ochtends het trottoir voor de bakkerij schoonvegen en zie ik hem even later zijn tanden zetten in een vers broodje kaas. Zo zagen we het jonge stel een eindje verderop vrolijk gebogen over twee plastic borden met een warme maaltijd. Wat me daarbij opvalt, is dat waar het verstrekken van maaltijden aan daklozen in bijvoorbeeld Frankrijk vooral gebeurt door organisaties (Restos du coeur, Secours catholique), het hier privé-initiatiefjes zijn. Dat maakt het wel een stuk menselijker. Ik bedoel maandelijks een tientje overmaken aan de voedselbank of ieder zondag een paar geadopteerde daklozen voorzien van een warme maaltijd, dat is wel een verschil.

Voor vandaag stop ik mijn zoektocht naar wat nu specifiek Braziliaans is. Ik voel me een beetje als Maxima op zoek naar de Nederlandse identiteit. Zij vond hem niet. Maar wat Brazilië betreft geef ik het nog niet op.

Knallen in de favela

Als ik dit schrijf, zit ik in Rio de Janeiro. Ik geloof voor de zesde keer in de afgelopen vier jaar en voor de derde keer in het afgelopen jaar. Met andere woorden, ik ben een gepokt en gemazeld Rio-ganger. Maar ik zit niet zomaar ergens in Rio, nee ik zit op de afstand van een straatbreedte en die van een tienbaans boulevard verwijderd van de zee. Ik kan hem net niet zien want dan zou ik om de hoek van een torenhoog kantoorgebouw moeten kijken. Dan zou ik tegelijkertijd een paviljoen zien dat onmiskenbaar de hand van de grote Braziliaanse architect Oscar Niemeyer verraadt. Aan de andere kant kijk ik uit op een groene helling met een zeer diverse bebouwing. Helemaal bovenop die helling zie ik de laatste huizen van een favela, een sloppenwijk. Dat weet ik, maar kan ik niet zien. De favela zelf is van hieruit onzichtbaar. Dus het beeld is pittoresk, de werkelijkheid iets grimmiger. Daarmee heb ik geloof ik wel meteen een karakteristiek van Rio gegeven.
Op dit moment zijn de wereldkampioenschappen voetbal aan de gang. Vanuit de omringende appartementen hoor ik het gejuich en geschreeuw en af en toe een toetertje, vanuit de favela klinken de knallen. Maar zelfs als armoede niet luidruchtig zou zijn, is die hier altijd dichtbij. In de middenklassewijken waar ik het meest van mijn tijd doorbreng, liggen overal daklozen op het trottoir, zitten of lopen overal straatverkopers die vanuit de favela’s afdalen. En de favela’s zelf zijn vaak goed zichtbaar omdat ze in dit deel van de stad op de berghellingen liggen, dus hoog. ’s Avonds is het wel sfeervol al die lichtjes op de bergen, maar overdag blijft er van dat sprookjesachtige weinig over.
Een van onze favoriete plekken in Rio is de Praia vermelha – het rode strand. Ik heb nog steeds niet ontdekt wat er zo rood aan is, hoewel … Twee weken geleden waren er twee drugsbendes in een belendende favela slaags geraakt. Er werden zeven lijken bij de praia opgevist. Zo kleurt het strand natuurlijk wel rood.
Een andere favoriete plek van ons is de Jardim botanico – de botanische tuin. Tijdens ons vorige verblijf in Rio was de hele wijk daaromheen twee dagen lang onbereikbaar ook alweer omdat er drugsbendes elkaar bestreden en al schietend vanuit de favela in vaak chique woonwijken waren terechtgekomen.
Ik probeer iets te begrijpen van deze stad, maar kom zelfs als regelmatige bezoeker niet veel verder dan wat clichés over schoonheid en gastvrijheid aan de ene kant en armoede en geweld aan de andere. Ik heb enige weet van het politieke klimaat dat totaal verziekt is, van de economie die mede als gevolg van corruptie maar ook gewoon door slecht regeringsbeleid dreigt in te storten, maar van de sociale verhoudingen weet ik nagenoeg niets. Zit het klassensysteem dichtgetimmerd of niet? In hoeverre rust het nog steeds op de koloniale basis van zwart en wit? Er komen geen witten uit de favela’s en ik zie weinig zwarten onder de ministers en directeuren van grote bedrijven, maar hoe zit het met de grote middenmoot? In ‘onze’ buurt zie ik witte vrouwen in rolstoelen geduwd door zwarte empregada’s (hulpen in de huishouding). Het omgekeerde zie ik niet. Ik zie witte vrouwen die met zwarte vrouwen boodschappen doen. De zwarte vrouwen duwen de winkelwagen en dragen de boodschappen naar huis. Dit zijn geen onomstotelijke bewijzen dat de sociale klassen volgens raciale lijnen gesloten zijn, maar toch.
Ik denk dat ik na een half jaar in Frankrijk, maar ook in Tanzania en in Burkina Faso een beter beeld had van wat er in het land speelde – of dat althans pretendeerde – dan na zeven maanden in Brazilië. Nu is dit wel een verschrikkelijk groot en verschrikkelijk gecompliceerd land en zelfs als ik me probeer tot Rio te beperken, deze stad is in het geheel niet los te denken van de nationale context. Al was het maar omdat hij tot 1960 de hoofdstad was. Maar met al mijn pogingen om door het lezen over de geschiedenis van het land iets te gaan begrijpen waarom het hier is zoals het is, ben ik nog niet veel wijzer geworden. Je zou kunnen zeggen dat er iets mis is met het Latijs-Amerikaanse ontwikkelingsmodel. Venezuela is natuurlijk een schrikbeeld van achterwaartse ontwikkeling, maar in Argentinië kunnen ze er ook wat van. En Brazilië? Mijn zoon pleegt te zeggen dat Brazilië lange tijd beschouwd werd als het land van de toekomst, maar dat het er hard op begint te lijken dat het ’t land van het verleden wordt. Maar dat maakt mijn begrip er niet groter op.

Ontheffing

Omdat ik een aantal weken elders ben waardoor ik niet kan zagen, timmeren, wandelen en fietsen, doe ik dingen waarvoor ik anders geen tijd heb. Zodoende vond ik een column van een paar jaar geleden die ik nooit op mijn blog had gezet. Blijkbaar vergeten.

‘En, zijn jullie helemaal geïntegreerd?’, werd mij gevraagd door iemand die een groot deel van zijn jeugd op het Franse platteland had gewoond. ‘O, helemaal’, riep ik uit. Hij begreep de ironie van mijn reactie. ‘Nou ja, geaccepteerd door de Fransen’, maakte hij er snel van. ‘Ja hoor, geaccepteerd als buitenlander’, antwoordde ik. Hij begreep wat ik bedoelde. ‘Je blijft altijd een buitenstaander, hè? Zelfs als Parijzenaar.’ De waarheid is dat je vooral als Parijzenaar een buitenstaander blijft, volgens het principe dat wat een beetje afwijkt heviger gewantrouwd moet worden dan wat heel anders is. Een principe dat vooral binnen beginselvaste stromingen gehanteerd wordt, of die nu religieus of politiek zijn. In die zin is het Franse platteland ook heel beginselvast: zoals het was, was het beter. En vroeger had je geen buitenlanders, dus dat is beter. Natuurlijk zijn er gradaties: wij zijn geen Roemenen. Maar toch horen we er eigenlijk niet thuis. We mogen best op het dorpsfeest komen, maar niemand zou ons missen als we weg bleven. Leuk hoor, dat die buitenlanders die oude huisjes opknappen, maar niemand zou het erg vinden als ze van ellende in elkaar stortten. Het duidelijkst merk je dat misschien op school. Ik moet het eerste buitenlandse kind nog tegenkomen dat een onbezorgde tijd op zijn Franse plattelandsschooltje heeft gehad. Als buitenlander word je daar per definitie gepest. Onze zoon koos er dan ook voor om na zijn negen jaren lagere school en collège (onderbouw middelbare school) naar een lycée (bovenbouw) te gaan dat in een stad lag. Niet het provinciestadje in de buurt, nee, een echte stad. Alleen, dat gaat in Frankrijk niet zomaar. Iedere openbare school heeft zijn eigen verzorgingsgebied. Is er in jouw dorp een dorpsschooltje, dan ben je gehouden je kind daarheen te sturen ook al vind je dat de onderwijzeres incompetent is. De enige uitweg is een particuliere – lees katholieke – school, maar die zijn er meestal niet in de dorpen, nog afgezien of je je kind daar wel heen wilt sturen. Of een dérogation (ontheffing). Het krijgen van dérogations is in Frankrijk voor ouders van schoolgaande kinderen een nationale sport. Die kun je bijvoorbeeld krijgen door je kind administratief bij zijn grootouders onder te brengen die misschien in een wijk wonen waar een betere school is. Voor ouders in het 16e arrondissement in Parijs doet zich dat probleem niet voor. Die kunnen hun kinderen gewoon naar het Lycée Henri IV sturen, één van de meest gerenommeerde lycées van het land. Je kunt er ook voor kiezen als ouders van een absoluut onmuzikaal kind en wonend in een mindere wijk je kind naar een school te sturen waar muziek een examenvak is en die toevallig niet in een achterstandswijk ligt. Zo zijn er nog een heleboel trucs om de vermaledijde carte scolaire te omzeilen. Wij waren van dat alles niet op de hoogte toen wij jaren geleden op goed geluk een afspraak maakten met de proviseur (rector) van een lycée in een middelgrote stad. Ze deden op die school veel aan beeldende kunst en dat trok ons wel. Tijdens het gesprek met de rector kwam de belangrijkste motivatie voor een school in de stad al gauw boven tafel. De rector bleek een en al begrip. ‘Ze pesten je omdat je buitenlander bent? Ik ken dat, ik ben dat ook ontvlucht. Ik kwam uit de Elzas en had een Duitsklinkende naam, dus ik was altijd de sale boche, de rotmof.’ Wij vertelden die ervaring aan Franse kennissen van wie de man een overduidelijk Duitse naam heeft. ‘Heb jij dat nooit gehad, dat ze je voor rotmof uitscholden?’ ‘Nee hoor’, luidde het opgewekte antwoord. ‘Ik was gewoon die klerejood.’
Maar onze zoon kreeg zijn dérogation en werd op zijn lycée niet gepest of uitgescholden.

Gifkunst

Afgelopen week bezochten wij het Kasteel Ruurlo waarin de Carel Willink-collectie van Hans Melchers gehuisvest is. Ik wist niets van Hans Melchers, maar genoeg van Carel Willink om niet naar dat bezoek uit te kijken. Alleen, we waren in Almelo, moesten terug naar Zutphen, het was een mooie dag, dus waarom zouden we onderweg niet van onze net verworven museumjaarkaart profiteren om het kasteel te bezoeken. Daar heb ik nu erg spijt van. Niet vanwege het kasteel. Dat is mooi gerestaureerd en de kasteeltuin ligt er prachtig bij. Ook niet vanwege de werken van Carel Willink. Die waren wat ik ervan verwachtte. Ik word er niet warm of koud van. Maar dat verwacht ook niemand van me, dus tot zover niets aan de hand. Dat ik mij ten slotte van de sulfureuze reputatie van Melchers niets herinnerde, is me te vergeven. Maar desondanks had ik me beter kunnen voorbereiden. Toen onlangs in een gesprek de Achterhoekse mecenas ter sprake kwam, vertelde iemand dat hij zijn geld in de chemie had verdiend. ‘Aha, gifgas’ grapte ik misplaatst. Toen ik na het bezoek aan het Willink-museum toch nog maar even nazocht hoe het nu zit met die Melchers, zag ik dat de man inderdaad fortuin heeft gemaakt met zijn Melchemie, maar zag tot mijn ontzetting ook dat het bedrijf veroordeeld is wegens levering van verboden chemicaliën – gifgascomponenten dus – aan het Irak van Sadam Hoesein. Het bedrijf heeft daar destijds een geldboete voor gekregen waarvoor je nauwelijks een Willink kunt laten inlijsten. Binnenkort zal er weer een proces zijn waarin nabestaanden van de duizenden gedode of levenslang invalide Koerden hun recht proberen te krijgen tegenover de leveranciers van grondstoffen voor chemische wapens. Melchers heeft altijd gezegd niets afgeweten te hebben van de omstreden levering die bovendien nog een vergissing zou zijn geweest. Ook in het onwaarschijnlijke geval dat Melchers inderdaad zijn handen in onschuld kan wassen, had hij er beter aan gedaan de slachtoffers van de gifgasaanval te ondersteunen dan zijn geld te steken in het aankopen van kastelen en kunst. Wat mij betreft zijn het museum MORE in Gorssel en het Kasteel Ruurlo besmette plekken. Ik zal daar niet meer komen.