Er was eens een tijd dat ik als adressenboek een kaartenbak had. Daar zaten papieren systeemkaartjes van 8 bij 13 centimeter in. In het pre-automatiseringstijdperk werden die ook in bibliotheken gebruikt. Ik zeg dat er maar even bij voor de jongere lezers. Ik veronderstel dat die zich nauwelijks kunnen voorstellen dat er een tijd was dat het geven van een zoekopdracht in een database of een zoekmachine gewoon niet bestond. We moesten ons voor het schrijven van een scriptie (sorry, thesis) urenlang door kaartenbakken vol beduimelde kaartjes werken, nummers op een briefje schrijven en dat vervolgens aan een balie afgeven en wachten op het verlossende moment dat door de luidspreker jouw naam werd afgeroepen om het boek of ander geschrift in ontvangst te nemen dat in het beste geval weer een voetnoot en misschien zelfs een citaat (sorry, quote) in je scriptie opleverde. De beelden op mijn inwendig filmdoek gaan bij deze gedachten automatisch op zwart-wit. Zó lang lijkt dat wel geleden.
Bij het overgaan op een geïnformatiseerde database voor mijn adressenbestanden geraakte mijn kaartenbak in onbruik. De systeemkaartjes draaide ik om zodat ik de achterkant als kladpapier kon gebruiken. Ik schiet al lekker op want ik ben nu met de A bezig (nee, dat is geen ironie, want als je de hele bak omdraait, begin je dus bij de Z). En daar zaten ook een paar ambassades bij. Ik deed namelijk in die tijd werk waarbij ik die nog al eens nodig had. En zo kwam ik het kaartje “Ambassade ZA” tegen. De oplettende lezer zal nu denken: ‘ZA, dat staat natuurlijk voor Zuid-Afrika. Maar wat moest die Nijzink pakweg dertig jaar geleden (want we hebben het over het pre-automatiseringstijdperk) in Zuid-Afrika? Een beetje links angehauchte liet dat land in die tijd toch volledig rechts liggen? Precies, en daar zit hem nou juist het probleem. Ik was inderdaad tamelijk links angehaucht en ik moest naar Zuid-Afrika. Ik was net gaan werken bij een ontwikkelingsorganisatie als hoofd Afrika met als speciale verantwoordelijkheid Zuid-Afrika. De oplettende lezer denkt nu: ‘wat moest een zichzelf respecterende ontwikkelingsorganisatie dertig jaar geleden in Zuid-Afrika?’ Mandela zat nog op Robbeneiland. Het ANC was nog een illegale organisatie. De scherpste kantjes van de Apartheid waren er dan wel af, maar het bleef een totaal verwerpelijk regiem. Precies, en daarom had de Europese Commissie bedacht dat het wel een goed idee was om een speciale ‘budget-line’ te openen voor de ‘victims of Apartheid’. Dat geld kon natuurlijk niet rechtstreeks naar het ANC of naar COSATU (de aan het ANC gelieerde vakcentrale) gaan, maar het werd wel naar instellingen gesluisd die de goedkeuring van die twee hadden. En het Apartheidsregiem stond dat toe. Dat was het schizofrene van de hele situatie. Je laat vanuit het buitenland organisaties steunen die het op jouw ondergang gemunt hebben. Het is alsof Poetin toestemming aan Brussel geeft om de oppositie financieel te steunen. Ik weet niet of er ooit een deugdelijke evaluatie van het programma heeft plaatsgevonden. Vermoedelijk is dat in de euforie van het einde van het Apartheidsregiem vergeten.
En waarom moest ik naar Zuid-Afrika? Om de mensen te ontmoeten die die Europese geldstroom in goede banen leidden. Tenslotte werkte ik bij een organisatie die haar werk serieus nam en die het niet alleen maar te doen was om de 7% apparaatskosten waarvan mede mijn salaris betaald kon worden. Ik moest de verantwoordelijken ter plaatse spreken om vast te kunnen stellen dat het geld in goede handen terecht kwam.
De mensen binnen mijn organisatie die het weten konden, hadden me verzekerd dat ik die reis naar Zuid-Afrika zo snel mogelijk na mijn indiensttreding zou moeten maken. De Zuid-Afrikaanse regering beschikte immers over een van de meest effectieve inlichtingendiensten ter wereld en zo zouden ze al heel snel weten dat ik voor een organisatie werkte die zich zeer duidelijk tegen het Apartheidsregiem keerde (maar die wel als geldsluis van Brussel naar de slachtoffers van de Apartheid kon functioneren; waar klopt hier iets niet?) en zou ik derhalve geen visum krijgen.
En dan nog zou het niet zo simpel zijn om dat visum te krijgen. Daarvoor moest ik namelijk een verhaal hebben. Waarom moest ik zo nodig naar Zuid-Afrika? En er moest ook een Zuid-Afrikaan zijn die tijdens mijn verblijf in het land voor mij garant zou willen staan. Ik begon met het laatste. Een vriend had een tante in Kaapstad waarvan hij dacht dat ze wel mee zou willen werken aan dat nobele doel. Teleurstelling. De tante vond dat veel te griezelig. Een vriendin had een Zuid-Afrikaanse oud-studiegenoot die aan de Witwatersrand Universiteit doceerde. Ze zou hem wel even schrijven en dan zou het vast geen probleem zijn. En inderdaad: raak. Met zelfs nog een uitnodiging erbij om hem op te komen zoeken. Er zat één maar aan. Een progressieve intellectueel zou waarschijnlijk niet heel goed te boek staan bij de Zuid-Afrikaanse inlichtingendienst. Maar ik had weinig keus, dus heb ik hem op mijn visumaanvrage gezet. Maar nu het verhaal. Ik had geen vrienden of familie in Zuid-Afrika die ik nodig eens moest opzoeken. Professionele redenen waren in mijn geval taboe, dus moest het maar een toeristisch uitstapje worden. Maar waarom naar Zuid-Afrika? Waarom niet naar, noem eens wat, Kenia? Precies, waarom niet? Omdat ik het juist ging combineren met een reis naar Kenia. Dat was mijn vondst. Niet ijzersterk, maar toch. Ik had een reis naar Nairobi gepland. Daar zou ik familie gaan bezoeken (dat was verifieerbaar juist). En omdat ik dan op een paar uur vliegen van Johannesburg zou zijn, was dat een mooie gelegenheid om Zuid-Afrika te bezoeken. Bovendien, zowel van Oost- en West-Afrika had ik al veel gezien. Het werd nu wel eens tijd voor het zuiden. Ik herinner me dat ikzelf niet onder de indruk was mijn verhaal, maar helemaal onplausibel vond ik het niet. Totdat ik op de ambassade zat. Binnen tien minuten voelde ik me een dreumes met te grote schoenen aan en een afzakkende broek die een slechte smoes aan zijn ouders heeft verteld om het tekort in de huishoudportemonnee te verklaren. Maar ik ga nu een beetje snel. Nadat ik mijn visumaanvraag naar de ambassade had gestuurd kreeg ik een uitnodiging voor een gesprek. Ik vroeg me af of ze dat met iedere toerist deden en het antwoord moest natuurlijk wel ‘nee’ zijn, maar goed, het was nog geen afwijzing. Dus ging ik in het najaar van 1988 naar de Zuid-Afrikaanse ambassade in Den Haag. Die was maar op vijf minuten fietsen van mijn werk, maar ik herinner me dat ik uit voorzorg niet met de fiets ben gegaan, maar lopend. Ik kwam namelijk met de trein vanuit mijn woonplaats Utrecht. Ja toch? Ik weet niet meer of ze me dat gevraagd hebben, maar helemaal onwaarschijnlijk is dat niet.
Ik had een afspraak met drie personen. Dat staat allemaal netjes op mijn systeemkaartje. Ze hadden alle drie erg Nederlandse namen, maar dat kun je natuurlijk hebben met Zuid-Afrikanen. Alleen een van die namen was tegelijk ook wel erg Zuid-Afrikaans: Van Rensburg. Een van de drie was een vrouw, mevrouw Van Veen. Haar rol bestond er hoofdzakelijk uit mij te ontvangen.
Het gesprek vond plaats in een groot vertrek met houten lambrisering en daarbij passend eiken meubilair. Niet een plek waar je je meteen op je gemak voelt. Het decor viel bedompt en zwaar op me. Daarin paste meneer Van Rensburg uitstekend. Hij was een veertiger van de intens saaie soort. Geheel in het bruin gekleed, bruin achterover geplakt haar, een snor die twijfelde of hij er wel wou zijn en het soort huid dat je vooral bij kettingrokers ziet. Der dritte im bunde, ja dat was een heel ander verhaal. Mevrouw Van Veen voor de hoffelijkheden, meneer Van Rensburg voor de introductie, wat is de bedoeling van dit gesprek etc. En toen kwam meneer De Meijer in het spel. Ik denk dat ik voordien nog nooit een echte spion, geheim agent of hoe je het wilt noemen, heb gezien, maar ik wist vanaf het eerste moment: dit is er een. Mooie jongen, mooi goedzittend pak, vriendelijke oogopslag, prettige stem, zo iemand van wie je zonder na te denken een antieke kast of een tweedehands Jaguar zou kopen. Tot op de dag van vandaag nog weet ik niet wat er precies gebeurde, maar na tien minuten beleefde conversatie met meneer De Meijer wilde ik het liefst onzichtbaar worden en geruisloos het pand verlaten. Mijn verhaaltje was doodsimpel, maar minzaam vragenstellend met zo’n hevig geïnteresseerde blik liet hij mij de meest inconsistente antwoorden geven.
Ik heb nog vaak aan dat vernederende moment moeten terugdenken en vroeg me vervolgens af wat er van meneer De Meijer na het afschaffen van de Apartheid geworden zou zijn. Maar ik denk dat ik me daar geen zorgen over hoef te maken. Meneer De Meijer had waarschijnlijk een zwarte anti-apartheidsactivist van de verdiensten van de Apartheid kunnen overtuigen en een blanke boer van de voordelen van de majority rule. Voor zulke mensen is er overal in de wereld een plaats. En nee, mijn visum heb ik niet gekregen. Zuid-Afrika heeft zonder mij het juk van de Apartheid moeten afwerpen.
Categorie archief: Ton’s blog
Doos 86
Ik zal een jaar of elf geweest zijn toen mijn vader op Sinterklaas een boek cadeau kreeg dat De zeilsport heette. Het was een kloek werk in linnen band, geschreven door H.C.A. van Kampen. In de jaren daarna was dit mijn lijfwerk, de bron van alle wijsheid voor alles wat met varen te maken had. En varen deed ik graag, maar, bij gebrek aan een boot van mezelf of van mijn ouders, veel te weinig. En om dat tekort enigszins te compenseren had ik De zeilsport aangevuld met oude jaargangen van de Waterkampioen. Vele jaren later, misschien bij een van de vele opruimwoedes van mijn moeder of bij haar verhuizing naar een geriatrische instelling, bleek het boek onvindbaar. Dat wil zeggen dat ik ervan overtuigd was dat mijn broer het wel zou hebben en mijn broer dacht dat ik me erover ontfermd had. Toen wij erachter kwamen dat geen van tweeën het begeerde werk in zijn bezit had, ben ik, wanneer ik in Nederland was, bij De Slegtes in de tweedehands afdelingen gaan zoeken. En warempel, ik heb het een jaar of zes geleden gevonden. Het was wel niet dezelfde editie en het was ook niet meer meneer Van Kampen die ervoor verantwoordelijk was, maar deze “achtste en geheel herziene druk” van ir. J. Loeff was zeker zo mooi en compleet en veel van de oude bouwtekeningen bleken nog dezelfde. Getuige de stempel op het voorblad had het boek toebehoord aan een huisarts in Uden, een beroep dat toen en nu hoog op de prestigeladder staat en wat dus aanvullend bewijs is voor de stelling dat zeilers kakkers zijn. Wat niet wegneemt dat ik zelden zo blij ben geweest met de aanschaf van een boek. Het kreeg een ereplaats op het tafeltje naast mijn favoriete leesstoel.
En toen, op een dag, was het boek verdwenen (hetzelfde gebeurde in die tijd met een boek van Renate Dorrestein, maar dat heeft me minder aangegrepen). Ik heb werkelijk alle (dacht ik) mogelijke en onmogelijke plekken afgezocht, maar niks. Ik heb ook nog de befaamde Wet van Nijzink toegepast (voortkomend uit het zoeken naar ontbrekende lego-stukjes): “Wilt gij iets vinden, zoekt dan naar iets anders”. Maar niets hielp. Ir. Loeff was met de Noorderzon verdwenen. Nou had in die periode wel mijn broer een paar weken in ons huis vertoefd om samen met zijn vrouw voor onze hond en katten te zorgen. Dat was natuurlijk de oplossing: hij had het geleend en was dat vergeten te zeggen! Het antwoord was: “Heb jij De zeilsport? Als ik dat geweten had …”. Er was nog een mogelijkheid. Ook een schoonzus met een vriendin hadden toen een paar weken voor de beesten gezorgd. De schoonzus heeft niets met zeilen, dus die viel af, maar die vriendin? Had die niet verteld dat haar overleden man een verwoed zeiler was en dat zij ook graag meeging? Dat was het, zij moest de schuldige zijn. Wij wisten dat natuurlijk niet, maar zij was vast een kleptomane. Dat komt in de beste families voor. Maar wat nu? Moest ik nu mijn schoonzus bellen en vragen of zij haar vriendin zou willen vragen of zij per ongeluk mijn meest kostbare boek in haar tas had gedaan? Nee, dat doe je niet en trouwens die vriendin zou dat toch nooit toegeven. Ik moest me maar gaan verzoenen met het tweede verlies van het geliefde boek.
Twee jaar later gingen we verhuizen. Het voorlopig koopcontract was getekend en wij gingen inpakken. Dat was een langdurige geschiedenis want we moesten van 500 m² naar vermoedelijk iets van 120 m². Dus veel uitzoeken: wat kan weggegooid, wat naar de kringloop (de Emmaüs in ons geval), wat willen onze kopers overnemen, wat krijgen ze van ons en ten slotte, wat nemen we mee? Een ding was zeker: we hoefden geen tuingereedschap mee te nemen, want na vijfentwintig jaar ploeteren om de mooiste tuin van de hele Bourgogne te maken en die mooi te houden, wilden we zeker geen tuin meer. En mens kan zich lelijk vergissen want nu wonen we in een vrijstaande woning met een forse lap tuin eromheen. Het laatste vertrek waar opgeruimd, geselecteerd en ingepakt moest worden, was onze werkkamer. Daarin stonden onder meer twee grote antieke kasten. Bovenop een van die kasten stond het financiële archief en op de andere eigenlijk niets waar ik niet vanaf de vloer staande bij zou kunnen: een oude trombone (naar de Emmaüs), een bos kunstbloemen (weggegooid) en een groot zelfgemaakt vogelmasker van papier mâché (foto van gemaakt en toen toch maar op de brandstapel). Er was eigenlijk geen reden om een stoel te pakken om te kijken of er nog iets anders bovenop lag. Toch maar gedaan. Er lag nog wel iets: De zeilsport van ir. Loeff. Na een moment van ongeloof barstte ik los in een vreugdegehuil dat een kilometer in de omtrek te horen moet zijn geweest. Toen J. kwam informeren wat er aan de hand was en ik haar op de bovenkant van de kast wijzend het boek liet zien, zei ze simpelweg: “O ja, nu herinner ik het me weer. Ik heb het daar neergelegd omdat ik bang was dat je het anders kwijt zou raken.” Die logica heb ik nooit begrepen, maar het belangrijkste was dat ik het boek der boeken terughad.
Het duurde vervolgens een jaar totdat de dozen in ons nieuwe huis arriveerden. En nog eens een half jaar voordat we de meeste uitgepakt hadden. Toen dat eenmaal zover was, bleken twee dingen de eindstreep niet gehaald te hebben: een schilderij waaraan we zeer gehecht waren en doos 86. En wat zat er in doos 86 (ik had de inhoud van de dozen keurig genoteerd)? Zeilsport e.a. boeken, voetje monitor, spellen. Dat van die spellen was natuurlijk jammer maar geen ramp, een voetje voor mijn computerbeeldscherm heb ik zelf in elkaar geknutseld. Maar nu was ik voor de derde keer in mijn leven De zeilsport kwijt. Ik ben allergisch voor complottheorieën, maar ik begon nu toch serieus aan een samenzwering te denken. Het wie of wat en waarom waren me onduidelijk, maar dit kon geen toeval meer zijn.
Inmiddels zijn we weer bijna een half jaar verder en net terug van een maand verblijf bij onze zoon, schoondochter en inmiddels ook nog een kleinkind in Rio de Janeiro. Ik constateerde daar een schrijnend gebrek aan bordspellen zowel in het algemeen als in huis. Ik wist dat we er daar nog wel een paar van in een nog ongeopende verhuisdoos hadden zitten. En aangezien we over een paar maanden weer terug naar Rio gaan, ben ik na thuiskomst snel op zoek gegaan. In mijn schrijfblokje met verhuisdozen 1 tot en met 127 vond ik onder de ongeopende dozen nummer 89 met de aanduiding spellen. En inderdaad daar zaten spellen in. Bovenin een pokerspel en een mahjong spel, maar dat was niet wat ik zocht. Ik groef dieper en vond Le capital au XXIe siècle van Thomas Piketty. Hé, lag dat boek niet onder mijn Zeilsport? En daar is ook mijn monitorvoetje, maar dan moet … En ja hoor, daar was, nog mooier dan ik me herinner, De zeilsport in onberispelijk blauwlinnen band. Hoe vaak kun je blij zijn met het vinden van één boek?
N.B.: Doos 86 heeft nooit bestaan, een echte zogeheten fantoomdoos.
Thuis
Sinds ik bezig ben in Nederland te gaan wonen en nog meer sinds ik dat ook feitelijk doe, ben ik gebiologeerd geraakt door de verschillen tussen Nederland en mijn vorige thuisland, Frankrijk. En niet alleen dat. Ik ben er vooral door geschokt geraakt dat die Nederlanders accepteren wat ze allemaal aangedaan wordt. Het is mij altijd opgevallen dat de gemiddelde Nederlander een zelfbeeld heeft van open, eerlijk, kritisch, eigenwijs en vooral ook van deze tijd te zijn. En natuurlijk argwanend tegenover ieder gezag. De Nederlander accepteert niets alleen om het feit dat het van hogerop komt. Alles wordt op zijn merites bekeken en pas als we het na jarenlang gepolder over de beste oplossing eens zijn wordt er iets besloten. Ja toch? Nou nee dus. Als ik zie wat er in de drieëntwintig jaar van mijn afwezigheid allemaal veranderd is, dan vraag ik mij af waar de massale protesten waren en op welke manier die de kop ingedrukt zijn. Voor een zodanige omvorming van de maatschappij zou in Frankrijk een vermoedelijk bloedige revolutie nodig zijn. Mijn eerlijke en kritische Nederlander zal daarop waarschijnlijk reageren met de opmerking dat het dus ook geen wonder is dat Frankrijk in de onweerstaanbare en glorieuze opmars van de neoliberale hyperconcurrentiële laatkapitalistische gedigitaliseerde samenleving hopeloos achteraan hobbelt. De Fransen daarentegen zijn gek op de uitdrukking ‘la fuite en avant’, het vooruit vluchten, en zullen het in Nederland ontwikkelde samenlevingsmodel enigszins meewarig als zodanig beschouwen. Het conservatisme van de Fransen wordt regelmatig door Franse politici aangevoerd als oorzaak van eigen falen. Maar een beetje waar is het wel en ik vraag me steeds vaker af of dat wel zo erg is.
Ik heb de afgelopen tijd veel te maken gehad met zowel Franse als de Nederlandse gezondheidszorg. De financiering van die gezondheidszorg in beide landen is totaal verschillend. De kern van het Franse systeem is een volksverzekering die voor iedereen geldt, rijk en arm, jong en oud, werkend en werkloos, het maakt niet uit, iedereen heeft een basisdekking waarvoor de premie inkomensafhankelijk is. Een van de aardige dingen van het systeem is (in tegenstelling tot de National Health Service in het Verenigd Koninkrijk) dat de maatschappelijke steun ervoor totaal is. De “Sécu” ter discussie stellen zou voor een politicus politieke zelfmoord zijn. En volgens mij komt dat voor een belangrijk deel doordat het systeem de individuele verantwoordelijkheid van de patiënt intact laat. Op straffe van een lagere teruggaaf ben je verplicht een huisarts te kiezen, maar in die keuze ben je volstrekt vrij. Net zo goed als in de keuze van specialist, kliniek of ziekenhuis. Als ik in Frankrijk bloed laat prikken, een echo of een scan laat maken, wordt mij bij de receptie gevraagd of ik de resultaten op kom halen, per post wil ontvangen of op internet wil raadplegen. Hier wordt mij bij de receptie niets gevraagd. Ik krijg een barcode uit een machine, die ik op een andere plek langs een venstertje moet halen om opgeroepen te worden. Als ik de laborante vraag hoe ik aan de uitslag kom, hoor ik dat ik die bij de huisarts moet opvragen. En als ik dat niet doe? Dan krijgt u niets. En als er iets niet goed is? Dan mag u er op rekenen dat de huisarts u waarschuwt en nu moet u weg want de volgende staat al op me te wachten. En dat terwijl ik in Frankrijk altijd leuke gesprekjes met de priksters had. Nee, hier zul je merken dat iedere minuut geld kost en dat dat belangrijker is dan wat basaal menselijk contact. Maar wat ik erger vind, is dat ik, de patiënt, niet voor vol wordt aangezien. Er worden medische gegevens over mij verzameld waarvan ik mijzelf als eerste rechthebbende zie. Het Nederlandse gezondheidswezen denkt daar anders over. De resultaten gaan naar mijn huisarts en het is aan hem/haar te beoordelen of ik daar wel of niet over ingelicht moet worden. Nu kan ik inderdaad geen echo’s, scans of röntgenfoto’s interpreteren, maar ik kan aan allerlei bloedwaarden verdomd goed zien of ze te hoog of te laag zijn. En ik vind het ook erg prettig dat ik die onder ogen krijg voordat ik een gesprek met een arts heb. Ik krijg tenslotte ook graag de agenda van een vergadering vooraf te zien. Twee reacties uit de Nederlandse medische stand: ‘Meneer, u weet niet wat voor ellende dat geeft, die mensen die vooraf alles al op internet hebben uitgezocht.’ En ‘Ja, ù bent verstandig, ù weet hoe u daarmee om moet gaan, maar er zijn ook mensen die dat helemaal niet kunnen.’ Was het niet een van de eerste lessen uit de pedagogie dat mensen zich pas mondig kunnen gedragen als ze daar de gelegenheid toe krijgen?
Er wordt ons regelmatig gevraagd of wij Frankrijk niet missen. Aanvankelijk haalde ik mijn schouders daarover op. Waarom zou ik Frankrijk missen? Sinds wij ons acht maanden geleden in Nederland vestigden, zijn we drie keer naar Frankrijk teruggeweest voor een totale tijdsduur van ruim vier maanden. Van de resterende kleine vier maanden waren we een maand in Brazilië, dus wat valt er nu helemaal te missen? Daarbij komt dat ik dankzij de zegeningen van de internetradio regelmatig naar mijn favoriete Franse radiostations kan luisteren, ik dankzij TV5 om half negen het acht uur journaal van France 2 kan bekijken en dat ik dankzij een vreemd tariefsysteem voor een prik Le Monde kan blijven lezen. En toch. Een paar weken geleden waren we weer even in ons Franse land terug. De opluchting om weer overal om je heen Frans te horen praten, tussen de middag een menu du jour te kunnen nemen in die typische roezemoes-ambiance van een Frans restaurant waaruit klokslag twee iedereen weer verdwenen is, in de supermarkt precies de weg te weten, wat me hier in Nederland nog steeds niet gelukt is, dat en nog veel meer dingen maakt dat ik me in Frankrijk thuis voel en hier nog steeds iets onwennigs heb. Niet onplezierig, maar anders en zeker niet thuis. Tenzij je thuis definieert, zoals ik laatst op een affiche zag, als daar waar mijn boeken zijn. Want dan ben ik godzijdank weer helemaal thuis.
De listen van Frankrijk
Dat ik een kwart eeuw in Frankrijk wonen op deze manier zou afsluiten, had ik nooit kunnen bedenken. Ik kan het niet anders uitleggen dan dat Frankrijk me niet los wil laten en dat het zegt, nou ja als je dan echt weg moet dan zal je hier een stuk van je lichaam moeten achterlaten, voor minder doe ik het niet. Helemaal onverwacht kwam dat niet. We hadden een listige afleidingsmanoeuvre bedacht. Voordat we ons definitief opnieuw in Nederland zouden gaan vestigen, gingen we eerst naar ons vakantiehuisje in Zuid-Frankrijk en deden we net alsof dat ons nieuwe huis was. Intussen zaten we stiekem op Funda.nl naar een aardige woning in Nederland te zoeken en gingen we er zelfs soms een paar bekijken. In het vroege voorjaar van dit jaar vonden we het huis waarin we wilden gaan wonen. Alles deugde: het stadje, de omgeving en natuurlijk vooral het huis zelf. Op het laatste moment kwam er nog bijna een kink in de kabel in de vorm van een andere bieder. Achteraf begrepen we dat hier Frankrijk aan het werk was. Want ga maar na, kort na de acceptatie van ons bod kreeg ik een aantal lichamelijke klachten die spoedige behandeling wenselijk maakten. En aangezien wij op dat moment nog officieel in Frankrijk woonden en daar dus ook verzekerd waren, moest ik daar een heel traject met artsen, fysiotherapeuten en reumatologen doorlopen. Zonder al te veel resultaat overigens, maar dat terzijde. Dit was gewoon een typisch geval van obstructie door de tegenpartij. Toen ik klaar was met dit medische traject en het er naar uitzag dat we onze aandacht nu geheel op onze nieuwe woonplek konden gaan richten, retteketet boemboem, zwaar geschut van de tegenpartij. Nadat er als routine wat bloedonderzoek was gedaan, bleken er een aantal waarden niet helemaal te kloppen. Dus nader onderzoek. Ach, zei ik tegen mezelf en mijn omgeving, niets aan de hand, heb ik wel eens vaker gehad. Dat komt wel weer goed. We waren inmiddels weer in Nederland en dachten daar zeker de komende maanden te blijven. De dag voordat wij de sleutel van ons nieuwe huis in ontvangst konden nemen, belde ik de chirurg voor de resultaten van het onderzoek. Hij klonk niet meteen alarmerend, maar ja, er zijn kankercellen gevonden en het is het beste dat u zo snel mogelijk terugkomt en zeker binnen twee weken. Nog steeds doorzag ik het ragfijne spel van de tegenstander niet, en bovendien wat had dat uitgemaakt? Ik moest gewoon weer terug naar Frankrijk en door een molen van echo’s, scans, MRI’s, bloedonderzoek en voorbereidende gesprekken. Dat Frankrijk de strijd om de résidence principale had verloren was haar wel duidelijk, maar ze gaf zich niet zomaar gewonnen. Dus moest ik een stuk van mezelf afstaan. Dat offer is inmiddels volbracht en het ziet er naar uit dat ik nu mag vertrekken. Maar ik blijf op mijn hoede. Doordat we geheel tegen alle plannen en verwachtingen in het grootste deel van de afgelopen twaalf maanden hier in Zuid-Frankrijk hebben doorgebracht, zijn we zo van ons plekje gaan houden dat we ons mooie nieuwe huis bijna vergeten zijn. De listen van Frankrijk zijn talrijk en geraffineerd. Vive la France! Vive la république!
Een huilend meisje op de fiets
Terug in Nederland zit ik op de fiets in de regen op weg naar het lokale winkelcentrum. Een plek waar je stevig in je schoenen moet staan om niet acuut depressief te raken. Vlak voor mij komt uit een zijstraat in straf tempo een meisje rijden. Capuchon, witte fietstassen, rode tas op de bagagedrager. Veel meer zie ik niet van haar. Even denk ik dat ze hard lacht tegen een onzichtbare gesprekspartner die zich in haar telefoon schuilhoudt, maar nee, ze huilt, met lange uithalen. ‘Ik hou zo van hem!’, vang ik op. Ik wil haar inhalen, zeggen ‘hij is jouw liefde niet waard’ en ‘wees gerust, hij komt echt, die hemelbestormende, allesverzengende liefde’ en ‘jij kunt van iemand houden, dus dat komt wel goed.’ Maar ze rijdt te snel voor mij. Al huilend rijdt zij rechtdoor waar ik afsla voor mijn boodschappen in het treurige winkelcentrum.
Huis verkopen 6: Lang leve de inefficiënte bankemployees
Precies een week geleden tekenden wij de definitieve verkoopakte van onze molen. Dat was twee maanden nadat we verhuisd waren naar ons piepkleine huisje in de Languedoc voor een verblijf dat we toen op twee weken schatten. En vijf maanden na het tekenen van het voorlopig koopcontract. En na vele crises in de verstandhouding tussen ons en de kopers, tussen de makelaar en de kopers, tussen ons en de makelaar, tussen de bank en de kopers, de makelaar en de notaris. Want gelukkig was er een zwart schaap in deze geschiedenis: als het niet het bancaire systeem in het algemeen was, dan toch in ieder geval deze specifieke bank. En als het niet deze specifieke bank was, dan toch in ieder geval de bankemployee die dit specifieke dossier onder haar hoede had. Dat gaf wat lucht in de overige onderlinge relaties. Inmiddels zijn we weer allemaal de beste vrienden met elkaar geworden, behalve natuurlijk met die bankemployee. Normaal gesproken ben ik erg voor de rechten van werknemers, maar deze werknemer had wat mij betreft op staande voet ontslagen mogen worden, met als aanvullende bepaling dat zij nooit meer in een dienstverlenende functie werkzaam zou mogen zijn. Ooit is mij door een lerares Nederlands toegevoegd: “Jij? Jij hoort achter de ploeg thuis, al vind ik dat zielig voor de paarden.” Zoiets dus.
Ik ga natuurlijk niet vertellen wat die laatste maanden voor de officiële overdracht voor ons betekend hebben. De kopers woonden al in ons (!) huis. Dat kwam voor die twee weken voor de ondertekening iedereen beter uit, dachten wij. Onze inboedel stond inmiddels in Weesp (we konden de verhuizer niet voor de zoveelste keer afzeggen) en wij waren wel aan een paar weken vakantie toe. Ik ga natuurlijk niet vertellen in welke emotionele toestand die emails ons brachten die steeds opnieuw aankondigden dat er nog steeds niet ondertekend kon gaan worden omdat de notaris niet over de benodigde documenten beschikte. En ik ga al helemaal niet vertellen dat wij erover dachten om de hele verkoop maar af te blazen en de kopers te vertellen dat we eraan kwamen om ons rechtmatig eigendom weer te betrekken. Paniekgedrag. Daar lijden wij natuurlijk niet aan. Wij houden onder alle omstandigheden het hoofd koel, laten ons niet kennen, noch in de kaart kijken en houden het kruit droog. Gewoon nuchtere Hollanders.
Het goede nieuws is dat ik twee nieuwe deuren in ons hobbithuisje in Zuid-Frankrijk heb gezet, dat ik er een sokkel voor een waterreservoir heb gemetseld, dat ik een terras heb gebetonneerd, dat ik gebruind ben van mijn kruin tot mijn tenen en dat we nu een gat in de grond hebben van 130 meter diep van waaruit we water kunnen oppompen. Lang leve de inefficiënte bankemployees.
Huis verkopen 5: Zijn wij er ook nog?
We zijn weer twee rampen verder. Natuurlijk kregen onze kopers niet de voordeliger lening. Het verzoek werd afgewezen door de bank. Een lichte wind van paniek. Wat nu ? Als ze niet teruggaan naar de bank die hen al eerder een offerte had gedaan, moeten ze ons een boete van 10% van de koopprijs gaan betalen. Maar daarvoor moeten wij wel naar de rechter stappen. Een onverkwikkelijke situatie. Niet iets dat we ons hadden voorgesteld. Het huis verkopen aan aardige mensen en iedereen zou blij en gelukkig zijn. Een rechtbank past niet erg in dat plaatje. Maar goed, onze kopers lieten weten dat ze onmiddellijk weer naar de eerste bank terug zouden gaan. Ze meenden dat die bank zeker opnieuw een offerte onder dezelfde voorwaarden zou doen. En inderdaad kregen ze die offerte een paar dagen later. Maar niet onder dezelfde voorwaarden. Nee, gunstiger ! Een beloning voor slecht gedrag, noemde de makelaar het. Maar dat kon ons natuurlijk weinig schelen. Als dat vermaledijde leningscontract eindelijk maar eens getekend zou worden. Maar ook daar geen probleem : een paar dagen later zou dat voor elkaar zijn. Alleen, een paar uur voor het moment suprême botsten in een tunnel bij Genève twee vrachtwagens in volle vaart op elkaar. De ravage was groot en het verkeer in de tunnel zat urenlang vast. En wie zaten er in die tunnel ? Onze kopers op weg naar de bank. En wat zei de mevrouw van de bank toen ze haar meldden dat ze een forse vertraging hadden ? Dat het contract dan helaas die middag niet getekend kon worden. Onze kopers lieten ons per e-mail weten dat er een doem op hen rustte en dat ze ontgoocheld waren. “En wij dan?“, riepen wij tegen elkaar. “Zijn wij er misschien ook nog, of moeten wij die kopers van ons zielig vinden? Die moesten toch zo nodig van bank veranderen? En je weet toch, wie het onderste uit de kan wil …” En zo gingen wij nog even door in hartverscheurend zelfbeklag. Intussen is het alweer bijna zo ver. Over twee dagen gaan ze weer naar de bank. Ik ben benieuwd hoe ze mogelijke calamiteiten gaan vermijden.
Huis verkopen 4: Controle
Twijfels, bergen twijfels, zeeën met twijfels. Ik wist niet dat een mens over een zo grote voorraad aan twijfels kon beschikken. Ik reken mezelf niet tot de categorie geboren twijfelaars, dat wil zeggen als het om alledaagse dingen gaat. Wel op filosofisch of levensbeschouwelijk vlak. Ik geloof heilig in twijfel. Ik hou niet van onwrikbare zekerheden. Sterker nog, ik geloof niet dat die bestaan. Maar daar wilde ik het niet over hebben. Het gaat mij meer om twijfels in de trant van : zullen we de bus of de fiets nemen of zullen we naar film A of naar film B gaan. En dan heb je ook nog twijfels aan de intenties van anderen. Als persoon X zegt dat ze naar film A wil, meent ze dat dan ook echt, of is dat om mij een plezier te doen ? En als persoon Y zegt dat hij liever wil lopen, wil hij dat dan echt, of is dat om mijn voorstel van fietsen of met de bus gaan te dwarsbomen ? Daarin ben ik toch een stuk minder twijfelloos en vooral naarmate de keuze voor mij belangrijker is.
En maand geleden wisten wij niet beter of de kopers van ons pand beschikten over twee solide aanbiedingen van banken om de aankoop te financieren. Dus na het tekenen van het voorlopig koopcontract kon alles niet anders dan van een leien dakje gaan (en met een paar honderd vierkante meter leien dak boven ons hoofd weten wij heel goed wat dat betekent). Dat voorlopig koopcontract is nu alweer bijna twee maanden oud, wat betekent dat het over een paar dagen afloopt en nog steeds hebben onze kopers geen akkoord van de door hun gekozen bank voor de financiering. Tenminste, niet dat wij weten (hoort u de twijfel door deze woorden heen klinken?). De termijn waarbinnen de bank zou beslissen is inmiddels verstreken. Wat gebeurt er? De meest onwaarschijnlijke verklaringen zijn al de revue gepasseerd (ze willen niet meer en gebruiken de bank als excuus, ze hebben ruzie gekregen en willen de koop stoppen, haar moeder heeft haar financiële bijdrage ingetrokken, de bank heeft zijn criteria aangescherpt, …). Bij nadere beschouwing blijkt geen enkele van deze verklaringen stand te kunnen houden, maar wat is er dan wel aan de hand? De makelaar blijkt het ook niet te weten en de kopers zelf houden hun kaken stijf op elkaar. Een ideale situatie voor wilde speculaties, voor angstige voorgevoelens, voor akelige toekomstvisioenen. Want denk maar niet dat wij hier in een ligstoel in de tuin met een koele drank in de hand onze stralende toekomst aan het contempleren zijn. Nee! Zelfs al zouden wij de noodzakelijke toestand van innerlijke rust kunnen bereiken, dan is dat nog niet mogelijk. Dit is een groot huis met een grote tuin en tuinen hebben in de zomer de neiging om onderhouden te willen worden: alles groeit alle kanten op en dat moet in toom gehouden worden. Want: we willen de kopers niet opzadelen met het horticulturele resultaat van enige maanden van ledigheid. Bovendien willen wij onze laatste weken hier genieten van de tuin zoals we hem wilden en niet vertrekken met de treurige beelden van tuinmans nachtmerrie op ons netvlies. En dan is er natuurlijk ook nog het onwaarschijnlijke maar theoretisch mogelijke geval dat de verkoop niet doorgaat. Daar wil ik eigenlijk helemaal niet aan denken en zeker niet gecombineerd met een inhaalmanoeuvre van maandenlang achterstallig onderhoud. Werken dus. Handwerk. Dat leidt af. Ja, maar geeft ook ruimte om door onaangename gedachten besprongen te worden. Zoals: in hemelsnaam, niet nog een seizoen tuinieren. Mijn vriendjes, zoals iemand ze laatst noemde, helpen me daar van harte bij. Mijn vriendjes zijn de mollen. Die laten geen gelegenheid voorbij gaan om me eraan te herinneren dat een tuin een organisch geheel is onderhevig aan gewilde en ongewilde veranderingen. Tot die laatste behoren de molshopen. Ik heb nooit gestreefd naar een Engels gazon (en ik weet inmiddels dat je een verschrikkelijke masochist moet zijn om daar wél naar te streven), maar ik vind een grasveld in contrast met allerlei bomen en struiken wel aardig. Dat geeft ook de mogelijkheid om zichtlijnen te creëren zodat de tuin niet een verzameling ongedifferentieerde plantengroei wordt waar je je alleen met een kapmes doorheen kunt bewegen. Maar een grasveld dat eruit ziet als een slagveld uit de Eerste Wereldoorlog is zacht gezegd deprimerend. Dus moeten de mollen bestreden worden. En ook deze keer lijkt het erop dat ik de vijandelijke bewegingen onder controle heb gekregen (vijf jaar geleden schreef ik daar al eens een stukje over: http://tonnijzink.blog.lemonde.fr/2011/04/13/oorlog/). Nu nog het middel vinden waarmee ik de kopers onder controle krijg en ik ben helemaal tevreden.
Huis verkopen 3: Mandaat geannuleerd
(Dit verhaaltje dateert van een maand eerder dan de aangegeven datum. Door een misverstand had ik een tijdlang geen toegang tot mijn blog.)
Blij en gelukkig. In mijn eerste verhaaltje over de ophanden zijnde verkoop van onze watermolen schreef ik dat ik vond dat ik mij dat moest voelen, maar dat ik dat niet was. Een aantal weken verder is dat nog steeds niet gelukt. Daar zijn verschillende redenen voor. Een daarvan is dat het hele verkoopproces erop gericht lijkt te zijn dat ik me geen moment blij en gelukkig kan voelen. Iedere week brengt een nieuwe portie anxiogene gebeurtenissen met zich mee. Gisteren nog. Wij wisten dat de kopers met een bank aan het onderhandelen waren over de voorwaarden van hun hypotheek. Die bank wil dat de waarde van onze molen door een expert getaxeerd wordt. Logisch, want die bank sluit geen lening af op basis van uitsluitend het inkomen van de kopers (het Franse systeem) maar ook gebaseerd op de waarde van het pand (het systeem dat het thuisland van onze kopers hanteert). Daarvoor was een expert ingeschakeld en die zou ons een dezer dagen bezoeken. Dat was voor ons geen reden tot bezorgdheid. De verkoopprijs is alleszins schappelijk, het pand is dat bedrag dubbel en dwars waard. Gisteren liet J. ons mobieltje uit haar handen vallen. Terwijl ik bezig was de verschillende onderdelen van het telefoontje onder kasten en rekken bijeen te zoeken, merkte zij op dat er warempel wel iets belangrijkers was dan het bijeenzoeken van stukjes telefoon : het mandaat was namelijk geannuleerd. Mijn hart miste een paar slagen en ik verzocht stamelend om uitleg. ‘Ga maar lezen, het staat in de mail’, zei J. onverbiddelijk. In een mail van onze kopers stond inderdaad dat er een mandaat was geannuleerd, maar niet een dat ons direct aanging. Het was namelijk het mandaat dat de bank aan de expert had gegeven om ons pand te taxeren. De expert zou te duur zijn. ‘Dat maakt voor ons helemaal niets uit’, riep ik uit. ‘Dat weet ik’, luidde het antwoord, ‘maar ik wist geen betere manier om je onder die kast vandaan te krijgen, op zoek naar de resten van de telefoon.’ Eind goed, al goed. Het telefoontje werkt weer.
Met verbijstering ervoeren wij een paar weken geleden hoe snel een verhuizing kan plaatsvinden. Onze zoon belde dat hij en zijn vrouw naar Rio gingen (ze wonen in Brasilia). ‘Leuk’, zei ik, ‘hoe lang blijven jullie ?’
‘Hoe lang ? We gaan verhuizen !’
‘Wanneer ?’
‘Voor het eind van de week.’
De volgende dag kregen we al een foto van een lege kamer met een stapel dozen en de dag daarna van nog een lege kamer met alweer een stapel dozen en de dag daarna een foto met een gedemonteerde bank en na vier dagen een foto van een snelweg genomen door een voorruit met de tekst ‘We zijn onderweg naar Rio’.
Intussen verstuurden wij foto’s van een steeds voller rakende kamer met lege archiefdozen en stapels papier. We lazen elkaar voor uit veertig jaar oude correspondentie, lieten elkaar krantenknipsels zien van onze wapenfeiten uit een militant of anderszins mediageniek verleden en verwezen onbarmhartig pamfletten van groot historisch belang naar de oudpapierbak. In vier dagen onze spullen selecteren en inpakken zou ons toch nooit gelukt zijn, dan kunnen we er net zo goed vier weken voor nemen.
Huis verkopen 2: Een huisje voor mijn ziel
De eerste week nadat het duidelijk was geworden dat er een grote kans was dat we ons huis bezig waren te verkopen, sliep ik gemiddeld niet meer dan drie uur per nacht. Het was niet zozeer de vraag of de koop wel echt doorging die mij wakker hield. Het was meer de angst dat de koop echt door zou gaan die mij in een staat van permanente en diffuse paniek bracht. Een van de gevolgen daarvan was dat ik mijn mond niet dicht kon houden. Ik leuterde maar raak. Vermoedelijk een automatisch defensiemechanisme : zolang ik maar klets, kan er niets gebeuren. Mijn eigen antiraketsysteem. Ik verontschuldigde me bij voorbaat. ’Sorry, ik ben wat speedy door de recente ontwikkelingen. Ik zal proberen me in toom te houden.’ Wat vervolgens al binnen een paar minuten mislukte. Gelukkig werd er vriendelijk op gereageerd. ‘Goh, zo ken ik je niet. Grappig wel.’ Jacqueline dacht daar, na een paar dagen mijn onbelemmerde woordenvloed meegemaakt te hebben, heel anders over.
Een week na het bezoek van de potentiële kopers zou er een voorlopig koopcontract getekend gaan worden. Dat moest een week uitgesteld worden, want zij kon die week geen vrij krijgen. Dat kan gebeuren. Maar op dit moment begonnen de eerste twijfels te knagen. Willen ze wel echt ? Hoe hard is de toezegging van de bank ? Waarom zou het deze keer wél lukken ? Andere keren van bijna-koop passeerden de revue. De paniek maakte plaats voor zenuwen, een tamelijk extreme vorm van plankenkoorts maakte zich van mij meester. Zou ik de voorstelling wel halen of zou ik achter het toneel plotseling ineenzijgen ? De avond voor de nieuwe afspraak voor het tekenen van het koopcontract kwam er een mail binnen van de makelaar dat de afspraak helaas weer een week verzet moest worden, maar dat de kopers wel graag van de gelegenheid gebruik wilden maken om nogmaals het pand te bezoeken, ditmaal met de moeder van de vrouw van het stel erbij, die een redelijk deel van de koopsom moest ophoesten. Onze twijfels werden opeens monstrueuze zekerheden. De koop gaat niet door. Die moeder wil haar geld niet in zo’n project steken. En ze hebben natuurlijk net van de bank gehoord dat de voorwaarden voor de financiering aanzienlijk slechter uitpakken en nu kunnen ze het niet meer opbrengen. Kortom crisis.
De volgende dag verschenen onze kopers met de moeder, zich duizend keer verontschuldigend dat het ondertekenen niet door kon gaan, maar dat de redenen daarvoor niets met hun wens en mogelijkheden van aankoop van de molen te maken hadden. En wij vonden ze natuurlijk meteen weer schatten van mensen en die moeder was ook een schat van een vrouw. Dus natuurlijk zou het allemaal doorgaan.
Intussen waren wij ons gaandeweg steeds meer gaan afvragen wat te doen na de verkoop. Die vraag wisten we een paar jaar geleden haarfijn te beantwoorden, maar doordat de feitelijke situatie zich toch niet voordeed, waren we maar opgehouden ons verdere voorstellingen over onze toekomst te maken. Het liefst had ik het maar zo gehouden. Het denken aan een nieuwe woonplek is een soort verraad aan onze huidige plek waar we al gauw eenderde mensenleven hebben doorgebracht, waar we ieder vertrek – en dat zijn er een stuk of vijftien – zelf hebben bedacht en ingericht, waar we iedere boom en struik – en daarvan ben ik al lang geleden de tel kwijtgeraakt – zelf geplant en onderhouden hebben, waar we luiken voor hebben gemaakt, waar ik halsbrekende toeren heb uitgehaald om dakpannen, leien en televisieantennes te vervangen, kortom waarvan we iedere hoek en kier kennen als we ze al niet zelf gemaakt hebben. Verknocht is zacht uitgedrukt in zo’n geval. We zijn er ongeveer mee vergroeid geraakt. Dan kun je toch niet zomaar naar een nieuwe woonstede overstappen ? Ik moet daarbij denken aan wat mensen overkomt die na langdurig in Afrika te hebben gewoond weer in Europa terugkeren. Die hebben aanvankelijk het gevoel dat ze niet ècht terug zijn, dat er een deel is achtergebleven, een deel dat nog geen afscheid kan nemen, dat in een traag tempo achter ze aanhobbelt. Het lichaam is wel aangekomen maar de ziel nog niet, die wil nog een beetje blijven rondhangen, die voelt zich wel lekker daar. Het liefst zou ik mijn ziel alle tijd van de wereld gunnen om aan het idee van een nieuwe woonplek te wennen. Daarna zien we dan wel weer. Het is dan ook geen wonder dat Jacqueline en ik de afgelopen weken een perfecte taakverdeling hadden : zij keek naar huizen en ik naar caravans. Nooit van mijn leven heb ik enige belangstelling voor caravans gehad, maar nu leek me dat opeens het aangewezen middel voor mijn zielerust. Een caravan om op ons stukje land in Zuid-Frankrijk neer te zetten, zodat we daar comfortabel ons piepkleine huisje bewoonbaar kunnen maken. En het is gelukt : ik heb de ideale caravan gevonden. Hij staat nu vol ongeduld naast ons huis te wachten. Het nieuwe huis daarentegen is er nog niet. Mijn ziel vind dat wel prettig.