Goede voornemens

Deze week sta ik met een artikel in Vrij Nederland. Een jaar of vijf geleden nam ik mij op 1 januari omstreeks 00.15 uur voor om in het komend jaar door te breken in de landelijke pers en ik noemde geloof ik met name De Groene en Vrij Nederland. Het lijkt er dus op dat ik vijf jaar later toch nog mijn goede voornemen voor 2005 inlos. Maar nee, dit was helemaal niet de bedoeling. Ik had het idee van mijn landelijke doorbraak al lang laten varen en ingeruild voor het schrijven van een boek. Dus waarom dat artikel in Vrij Nederland? Omdat ik een verhaal had geschreven voor mijn oude blad Vice Versa, waarvan ik in de jaren negentig ik meen zes jaar hoofdredacteur was, en dat verhaal door de tegenwoordige hoofdredacteur werd geweigerd. Een tamelijk banaal gegeven, ware het niet dat ik diezelfde meneer destijds in mijn redactie had en hem eruit heb gezet vanwege zijn onverbeterlijke onprofessionaliteit. Marc, zo heet hij, leek in een spannend jongensboek te leven waarin hij de hoofdpersoon was. Dat was een tijdje vermakelijk, langzamerhand werd het hinderlijk en op den duur werd het stomvervelend. Dus heb ik hem uit de redactie gezet. Dat moet een kleine vijftien jaar geleden geweest zijn.
Maar waarom schreef ik in godsnaam een verhaal voor Vice Versa, vakblad over ontwikkelingshulp, terwijl ik die branche de afgelopen tien jaar nauwelijks meer gevolgd heb? Omdat ik iets te doen wilde hebben als ik in de winter maandenlang in Nederland zou zijn. Nu begint het verhaal ingewikkeld te worden. Ik moet weer even een kleine sprong terug in de tijd maken. Twee jaar geleden bedachten Jacqueline en ik dat het misschien wel een goed idee zou zijn om na onze lange afwezigheid uit Nederland eens te onderzoeken hoe wij het in ons land van herkomst zouden vinden. Niet voor een weekje, want deden we soms al. Nee, voor langere tijd. Voor maanden. Zo gingen we in het najaar van 2008 vol goede moed, kloppend hart, hond in mand en vogeltje in kooi naar Nederland. Jacqueline had een paar dagen per week werk en ik ging vlijtig verder schrijven aan mijn tweede roman. Maar na een maand in de Kempen vloog ik tegen alle mogelijke en onmogelijke muren op. Ik bedacht me dat ik iets anders moest gaan doen dan hele dagen achter mijn toetsenbord te zitten met als enige verpozing wandelingen met de hond in een landschap dat de concurrentiestrijd met onze woonomgeving in Frankrijk al in de proloog verloor. Het antwoord was: mensen zien. En wat is een legitieme manier om veel mensen te zien? Ze te gaan interviewen met het oog op een artikel. Ik kreeg het schitterende idee om de Nederlandse ontwikkelingshulp na tien jaar afwezigheid opnieuw te gaan ontdekken. Dat heeft me de eerste maanden van 2009 stad en land doen afreizen, oude bekenden laten ontmoeten, interessante gespreken laten hebben, kortom ik leefde op en had een goede reden om mij in Nederland in het algemeen en de ontwikkelingshulp in het bijzonder te verdiepen. Pas toen het verhaal zo ongeveer klaar was, begon ik mij af te vragen waar ik het kwijt zou kunnen. Het was een artikel van zo’n zevenduizend woorden geworden dat alleen maar over ontwikkelingshulp ging. Het duurde niet heel lang voordat ik mij realiseerde dat er nauwelijks een andere publicatiemogelijkheid zou zijn dan mijn oude blad. En warempel hoofdredacteur Evelijne vond het een geweldig idee en een paar maanden later stond het artikel in Vice Versa. Daarmee had de geschiedenis afgelopen kunnen zijn, ware het niet dat er nog een los eindje was. Ik was in het schrijven van het verhaal onder andere uitgegaan van mijn eigen ervaringen bij de twee ontwikkelingsorganisaties waarbij ik langere tijd heb gewerkt, SNV en Hivos. Bij Hivos heb ik zowel mijn oude directeur Jaap als de nieuwe directeur (en destijds mijn directe chef) Manuela geïnterviewd. Maar bij SNV … niemand. Het lukte domweg niet om een simpele afspraak te maken. Ik liet mij op een gegeven moment ontvallen dat ik de indruk begon te krijgen dat ik naar het best bewaarde geheim van de Nederlandse ontwikkelingshulp op zoek was. Homerisch gelach aan de andere kant van de lijn, maar nog steeds geen afspraak. En mijn nieuwsgierigheid raakte steeds meer geprikkeld. Het was goddomme gemakkelijker om een afspraak met een minister in een willekeurig land te krijgen dan om met de baas of zelfs maar een sub-baas van SNV te kunnen spreken. Maar goed deadline is deadline, dan maar een artikel zonder SNV. Het was mij inmiddels uit alle verzamelde materiaal duidelijk geworden dat er nog een verhaal in zat. Evelijne en ik hebben toen uitgebreid overlegd hoe deze koe bij de hoorns te vatten en we besloten om dan maar een afzonderlijk artikel in een volgend nummer aan SNV te wijden. En vervolgens kreeg ik die afspraak en dan meteen maar liefst met de voltallige directie.
Dat artikel is er gekomen. Alleen, toen ik het zo’n beetje klaar had, deelde Evelijne mij mee dat ze zo ongeveer met ingang van direct opstapte als hoofdredacteur, maar dat zou voor mij verder geen probleem opleveren want de gedoodverfde nieuwe hoofdredacteur zou zonder twijfel mijn verhaal over SNV willen hebben. De gedoodverfde hoofdredacteur had echter blijkbaar niet de zegen van de uitgever en zo hoorde ik dat Marc de nieuwe hoofdredacteur zou worden. Maar, zo verzekerde mij Evelijne, maak je niet ongerust, ik heb bedongen dat jouw verhaal geplaatst wordt. En zo kwam het dan uiteindelijk bij Vrij Nederland terecht. Terecht natuurlijk, want welke zichzelf respecterende hoofdredacteur van een vakblad gaat een artikel plaatsen waarin een van de grotere organisaties in het werkveld aan de schandpaal wordt genageld? Hoezo ontwikkelingsmaffia?
En dan nog deze. Op mijn speurtocht naar mogelijke onrechtmatigheden kwam ik bij iemand terecht die mij niet te woord wilde staan omdat ze geen zin had om mee te werken aan alweer negatieve publiciteit over ontwikkelingshulp. Ik weet het, de Sowjet-Unie is aan zijn eigen interne dynamiek ten gronde gegaan, maar moesten we daar stilletjes op zitten wachten met als excuus dat kritiek het socialisme maar in diskrediet zou brengen?

De wastafel van Anne

Sinds vijf dagen zijn we weer thuis, terug in Frankrijk. De dag na onze thuiskomst moesten we boodschappen doen. We hebben dan wel kilo’s Goudse kaas, potten met sandwich spread en mango chutney, pakken roggebrood, doosjes seroendeng en zes ontbijtkoeken mee uit Nederland genomen, maar dat vormt tesamen ongetwijfeld een origineel maar toch niet echt een afgewogen dieet. We konden opnieuw constateren dat de cliëntèle in de supermarkt van het naburige provinciestadje een stuk ontspannener  winkelt dan het equivalent in provinciestad Apeldoorn. Bovendien glimlachen de caissières hier veel liever. Kortom, een tevreden zie-je-wel gevoel, we zijn toch niet echt gek geweest toen we verkozen in Frankrijk te gaan wonen. Om de inspanningen van het boodschappen doen te boven te komen, hadden we onszelf een etentje bij de Vietnamees beloofd. We zijn daar min of meer kind aan huis. Tchau en Hiep, zo heet het echtpaar, wisten dat we de afgelopen maanden in Nederland hadden doorgebracht. Ze begroetten ons als waren wij verloren gewaande familieleden. Hun dochter, geboren en getogen in Frankrijk met een MBA op zak, was even op bezoek en volgde geamuseerd het weerzien. Dat we net terug waren uit Nederland en dat we onze zoon, die in Amsterdam woont, hadden helpen verhuizen, vond ze heel interessant. Ze was namelijk ook in Amsterdam geweest, had langs de grachten gefietst en daarmee boos commentaar aan Amsterdammers ontlokt – onbegrijpelijk: hoe kun je nou boos worden op een mooi Vietnamees meisje – en had het Anne Frankhuis bezocht. Dat had ze erg indrukwekkend gevonden. Ik vertelde haar dat ik jarenlang naast het Anne Frankhuis had gewoond, dat ik voor de Anne Frankstichting had gewerkt en sterker nog: dat de wastafel waaraan Anne zich gewassen heeft uit ons vroegere huis in Utrecht afkomstig is. Echt waar? Ja, echt waar. Dat zit namelijk zo. Toen ik eind jaren zeventig voor de Anne Frankstichting werkte, had de wastafel in het achterhuis het begeven. Die moest dus razendsnel vervangen worden want je kon niet dagenlang hordes buitenlandse toeristen langs een kapotte wastafel jagen. Tijdens de koffie werd er gevraagd of niet een van de medewerkers nog een wastafel over had die in het achterhuis gehangen had kunnen hebben. Nu had ik net in onze Utrechtse jaren dertig woning een slaapkamer omgevormd tot werkkamer en daarbij de wastafel tot overbodig verklaard. Hij stond in de tuin nutteloos te wezen in afwachting van een mooie bestemming. Mooier dan dit had ik nooit kunnen bedenken, dus de volgende ochtend laadde ik de wastafel in het zijspan en tufte triomfantelijk naar Amsterdam. De dochter vroeg of ik destijds geen percentage van de toegangskaartjes bedongen had (je haalt blijkbaar niet zomaar een MBA). Tijdens de maaltijd berekende ik dat ik met een dubbeltje per entree nu het huis om die wastafel heen had kunnen kopen. Maar ik heb dan ook geen MBA.

Nummer 1

 

Ik begin nu aan mijn eerste column sinds heel lange tijd. Al maandenlang heb ik het ene na het andere onderwerp om over te schrijven, maar nu ik mij aan de arbeid zet weet ik plotseling even helemaal niets. Er schiet me niets te binnen. Ik voel me als de student – die ik ooit was – op mondeling tentamen tegenover de professor, niet begrijpend waar hij het over heeft, laat staan daar een zinnig antwoord op te weten. Wat doe ik hier eigenlijk bij die ernstig kijkende meneer die mij vragen stelt die bij mij geen enkel licht doen branden? Dat gevoel. Toen ik redactionelen voor ‘mijn’ blad Vice Versa schreef, overkwam me dat ook keer op keer. Gedurende de periode dat ik bezig was het blad te redigeren kwam er geen enkel leuk, aardig, belangwekend idee bij me op dat ik tot onderwerp van mijn commentaar kon maken. Meestal gebeurde het pas in de trein van Parijs naar Amsterdam, als ik me er al bijna bij neergelegd had dat ik deze keer echt niets te melden had en ik nog maar een of twee dagen de tijd had om mijn stukje in te leveren, dat ik het opeens wist. En dat idee was dan voor mijn gevoel zo vanzelfsprekend dat het welhaast een wonder mocht heten dat ik daar niet meteen op was gekomen.

 Dit wordt onze laatste week in Nederland. Voorlopig dan. De afgelopen twee jaar hebben Jacqueline – mijn vrouw – Mapenzi – onze hond – en ik in Nederland overwinterd. Een soort omgekeerde overwintering, net zoiets als de omgekeerde pelgrimage van Herman Vuijsje van Santiago de Compostella naar Amsterdam. Het heeft mijn kijk op Nederland ingrijpend gewijzigd. Dat ik niet meer zo goed in de peiling had wat er in dit land aan de hand was, merkte ik voor het eerst bij het Europese referendum. In het land waar ik al sinds zestien jaar woon, Frankrijk, had de Europese grondwet vanaf het begin al de wind tegen en mijn Franse omgeving wilde wel weten hoe dat nou in Nederland zat. ‘Nee’, vertelde ik met veel overtuiging, ‘bij ons zit dat heel anders. Nederlanders zijn echte Europeanen. Europa is zo vanzelfsprekend voor ze geworden dat niet meer dan een kleine minderheid tegen zal stemmen.’ Na de uitslag durfde ik een maand niet meer de deur uit te komen. Maar nu weet ik beter. Ik heb deze en vorige winter mijn ogen en oren goed open gehouden. Het resultaat is dat ik familie en vrienden eindeloos aan het hoofd heb gezeurd over hoe Nederland verschrikkelijk veranderd is. De reactie werd er na enige tijd een zoals ik me die herinner toen ik terugkeerde na een jarenlang verblijf in Afrika. Een paar spannende verhalen okay, maar om van mij te horen wat het leven in Afrika in feite voor jezelf betekent, nee daar zat niemand op te wachten. En als ik nu probeer te vertellen dat ik het politieke klimaat in Frankrijk verfrissend vind vergeleken bij wat er in Nederland gebeurt, zijn ongelovige blikken mijn deel.

 Maar denk niet dat ik hier tijdens mijn verblijf in Nederland zwaar geleden heb. Ondanks alle rariteiten, heb ik het hier – in de wetenschap dat ik een paar maanden later weer in Frankrijk zit – prima naar mijn zin. Er wonen hier nog steeds aardige en beschaafde mensen – hoewel je regelmatig de indruk krijgt dat je dat laatste maar niet te veel moet laten merken – en zelfs het woord ‘fatsoen’ mag weer. En voor Mapenzi – de hond dus – is het hier een waar lustoord. Je bent al gauw geneigd te denken: ‘Ach arme hond, met al die ruimte en vrijheid die zo’n beest op het Franse platteland gewend is, moet dat hier toch vreselijk zijn.’ Maar dat gaat voorbij aan het feit dat een hond een sociaal wezen is en dat in Nederland de hondjesdichtheid vele malen groter is dan in Frankrijk. Dat betekent dus een paar keer per dag allerlei leuke ontmoetingen en ongebreideld kunnen snuffelen aan iedere boom of lantaarnpaal. Dat is heel wat anders dan die valse herdershond op het naburige boerenerf. Nee, Mapenzi zal Nederland erg missen. Ik voorzie dat wij over een week met een zwaar depressieve hond in de achterbak terugrijden naar Frankrijk.