Schreef ik vorige week niet dat ik een enigszins getroebleerde relatie heb met Nederland en zijn bewoners? Ik ben zeker zo’n immigrant die nog Franser is dan … de president? Dat is niet zo erg moeilijk gezien de honderd procent niet-Franse afkomst van Nicolas Sarkozy. Maar ik zie ze wel eens, die neo-Fransen die met een grote béret basque op het hoofd vreselijk Frans lopen te zijn. Onze Rob is er zo een. Ik zeg ‘onze’ omdat hij aanvankelijk deel uitmaakte van onze vrienden- en kennissenkring. Hij is van oorsprong Australiër, getrouwd met een vrouw uit de Elzas (eigenlijk niet echt Frankrijk natuurlijk), werkt als toeristengids in een archeologisch centrum en weet in die hoedanigheid meer van de streek dan wie dan ook die hier geboren en getogen is. Maar dat is nog niet genoeg. Een tijd geleden, toen we elkaar nog wel eens spraken, vertrouwde hij mij toe dat hij in het Frans droomt. Op dat moment verwachtte hij van mij dat ik met open mond van verbazing een bewonderend ‘wow!’ zou laten horen (het Franse equivalent verwachtte hij van mij – inculte Hollander – natuurlijk niet). Ik liet het bij een mager tiens, tiens. Om vervolgens aan hem te vragen of hij in het vervolg ons huis niet zou willen passeren alsof hij in een Ferrari op het lange rechte eind zit. Sindsdien spreken wij elkaar niet meer. Dat wil zeggen, hij wil me niet meer zien. Dit was te veel voor zijn breekbare verfranste ziel. Ik zie sindsdien nog wel regelmatig zijn (Franse) autootje bij de garagehouder staan. Onveranderlijk met nieuwe forse deuken.
Nee, dan Dave. Misschien moet ik hem introduceren. Lang geleden was hij ook in Nederland een begrip. Dave is een Franse zanger, tenminste iemand die in Frankrijk in het Frans Franse liedjes zingt. Behoorlijk Frans dus. En wat meer is: iedereen in Frankrijk kent Dave. Dave is de grote publiekstrekker in feestzalen in middelgrote Franse provinciestadjes. Hij maakt ook wel cd’s en heeft ook wel eens een televisieoptreden, maar de grote verdienste van Dave is, dat hij met nog een heleboel andere Franse zangers en zangeressen de provincie van typisch Frans vertier voorziet. Met dit verschil dat Dave helemaal geen Fransman is, maar een heuse blonde Nederlander. Hij kwam in de jaren zestig met een gitaar en een rugzak in Parijs aan en heeft bij wijze van spreken sindsdien het land nooit meer verlaten. En wat hoorde ik Dave ooit in een interview vertellen? Dat hij er lang over had gedacht zich te laten naturaliseren tot Fransman, maar toen hij op het punt stond de stap te nemen bedacht dat het eigenlijk onzin was. Hij was gewoon een Nederlander, vond hij. Daar stoorde niemand zich aan en hijzelf wel het minst, dus waarom in hemelsnaam van nationaliteit veranderen? En zo komt het dus dat zowel Dave als ik nog steeds Nederlander zijn. En werkelijk, ik mag dan wel een beetje raar tegen Nederland en de Nederlanders aankijken, maar met Frankrijk en de Fransen is het wat mij betreft niet echt beter gesteld. Ik had mij voorgenomen het deze en volgende weken niet over voetballen te hebben, maar een land waar de afgang van het nationale team tot affaire d’état wordt uitgeroepen, neem me niet kwalijk. En of dat niet genoeg was werden de afgelopen week de twee meest kritische columnisten bij de Franse nationale omroep ontslagen. Van interventie vanuit de entourage van de president was natuurlijk geen sprake. Nog even en we zijn hier weer terug bij de staatsomroep en het Ministerie voor Informatie. Dat was onder De Gaulle al geel lolletje, maar onder Sarkozy? De koude rillingen lopen me over de rug. Gelukkig kunnen Dave en ik altijd nog terug naar Nederland. Die Rob zal moeten zuchten onder de Jacobijnse terreur.
Thuis voelen
Het zal de vaste lezers van mijn verhaaltjes wel opgevallen zijn dat ik een wat getroebleerde relatie met Nederland en zijn bewoners heb. Ik weet niet precies wanneer dat begonnen is, maar ik vermoed dat mijn eerste langere verblijf in het buitenland gaandeweg mijn blik veranderd heeft op alles wat voordien zo vanzelfsprekend was. Na mijn eerste drie jaar in Afrika wilde ik het liefst zo gauw mogelijk weer terug naar dat continent. In ieder geval was het mij duidelijk dat ik niet de rest van mijn leven in Nederland ging slijten. Ondanks vijftien jaar van kortere en langere verblijven in Afrika, werd dat gevoel niet minder. Het leidde er uiteindelijk toe dat wij zestien jaar geleden met have en goed naar Frankrijk vertrokken. De afgelopen twee jaar heb ik uitgebreid de gelegenheid gehad om te toetsen hoe het met dat gevoel zit. We verbleven twee winters grotendeels in Nederland en ik kon weer eens voelen hoe het is om Nederlander onder de Nederlanders te zijn. Dat resulteerde erin dat ik bij iedere voorkomende gelegenheid meldde dat ik niet meer zoveel met Nederland heb. Meestal een beetje grappend, soms wat plagend. Maar waarom doe ik dat eigenlijk? Wat wil ik daarmee duidelijk maken? De meest recente politieke ontwikkelingen met grote stemmenwinst voor populistisch racistisch rechts lijken me gelijk te geven. En toch. Heb ik echt zo weinig met Nederland? Waarom wind ik me dan zo op over wat er nu gebeurt? Blijkbaar omdat het me raakt. Ik maak me veel meer zorgen over wat er in Nederland gebeurt dan over soortgelijke ontwikkelingen in andere Europese landen. Objectief gezien is daar weinig reden voor: ik woon er niet en getalsmatig is Nederland toch maar gewoon een dreumes. Nee, ik kan toch vooral op Nederland afgeven omdat het een stukje van mezelf is. Om dezelfde reden dat joden jodenmoppen mogen maken en goj dat niet mogen, mag ik, ben ik het aan Nederland verplicht me te ergeren aan de stupiditeit van de Nederlanders en dat niet aan buitenlanders over te laten.
Als ik in Nederland ben, ervaar ik dat als erg eigen. Gek genoeg ben ik dat sterker gaan ervaren naarmate ik langer weg ben. Dat komt natuurlijk omdat het een groot deel van mijn verleden is, maar ook omdat ik vermoed dat ik tamelijk moeiteloos weer in de Nederlandse samenleving zou kunnen schuiven. Of ik dat nou leuk vind of niet, ik ken de codes van die samenleving, ik weet hoe ik me erin moet gedragen. Er mag in zestien jaar veel veranderd zijn, maar alle Fortuynen en Wildersen van deze wereld krijgen het niet voor elkaar om Nederland zodanig te veranderen dat ik er de weg niet meer weet.
Toen we een paar jaar geleden op een mooie zondagmiddag door Noord-Groningen reden en ik struise vrouwen op statige rijwielen met fietstassen langs de vaart zag rijden, wist ik: dit is mijn land. Dat riep ik dan ook uit. Daar waren mijn reisgenoten, bepaald niet gewend aan patriottische uitbarstingen van mijn kant, een tijdje beduusd van. Ton had een klap van een Groningse molen gekregen. Het zou wel weer overgaan. Niet helemaal. Het begon tot mij door te dringen dat ik nergens dan in Nederland het gevoel kan hebben ergens bij te horen. Dat is een prettig gevoel. En toch. Toch moet ik steeds weer die reserves uitdrukken. Waarom?
Nederlanders die hier in ‘mijn’ stukje Frankrijk wonen of hier een tweede huis hebben, bevestigen mij in het gevoel van afstand: daar hoor ik niet bij, blij dat ik niet meer in dat land woon. Maar misschien klopt dat niet. Ik zou me aan dezelfde mensen in Nederland vast niet ergeren. Alleen, hier hebben ze iets misplaatst. Ze vloeken met de omgeving. Je kunt die vrouwen in die degelijke rokken op die degelijke fietsen ook niet hier in Frankrijk neerzetten. Dat staat potsierlijk. Net zo potsierlijk als de veelkeurige Tibetaanse tempel tien kilometer verderop in het weelderige groen van de Morvan.
Dan is er de schaamte voor de eigen soort. Ik herinner me dat een vriendin in Harare me eens zei dat ze die blanke boeren zo vreselijk ordinair vond. Ik kon niet anders dan dat beamen. Maar zoiets zou ik nooit gezegd hebben van opzichtig en smakeloos geklede zwarten. Wij identificeerden ons met de blanken en ergerden ons er vervolgens aan dat ze zo anders waren dan wijzelf. Hier doe ik net zoiets: Ik weet dat ik door de Fransen altijd als Nederlander zal worden gezien, maar willen ze me alsjeblieft niet op een hoop gooien met die andere Nederlanders.
In mijn afzetten tegen Nederland zit ook een element van zelfrechtvaardiging. Ik ben tenslotte niet voor niets zestien jaar geleden uit Nederland vertrokken. De winst- en verliesrekening moet natuurlijk wel ruim ten gunste van ons verblijf in Frankrijk uitvallen. Maar daar knaagt het. Het is ons niet gelukt om ons hier voor 100% thuis te voelen. Moet dat dan? Eigenlijk is dat nooit de opzet geweest. Het was juist zo leuk om in een ander en vreemd land te wonen waar nog alles te ontdekken viel. Zou ik me daar volledig thuis voelen, dan zou de lol er weer een beetje af zijn. In Nederland zou ik me met enige moeite wel weer helemaal thuis kunnen voelen. Maar dat wil ik juist helemaal niet! Nederland voelde voor mij de afgelopen tijd als een dorpsplein dat doet of ‘t het middelpunt van de wereld is. Terwijl het in Frankrijk wonen voor mij voelt of al mijn poriën naar de buitenwereld openstaan, voelt het in Nederland of er een onzichtbaar hek om het landje staat waarbinnen een groot spektakel wordt opgevoerd waarin de acteurs zich allemaal heel belangrijk voelen en niet in de gaten hebben dat het maar spel is; dat zomaar op een willekeurig moment de theaterverlichting uit kan gaan en iedereen elkaar in het zaallicht wezenloos zit aan te kijken. Dus gek genoeg voel ik me op het Franse platteland een deeltje van een groot geheel, terwijl ik me in Nederland een deeltje van een piepklein geheel voel. Dat is niet helemaal te vertalen in prettig of onprettig. Het kan op zo’n dorpsplein best aangenaam toeven zijn. Maar niet de hele tijd. Aan de andere kant, voelen dat de wereld veel groter is dan dat dorpsplein is een beetje griezelig. Het voelt onbeschut, maar tegelijk of je on top of the world zit.
Sla de kat met Goudse kaas
Een paar dagen geleden dacht ik een reëel probleem te hebben. Naast mijn bed ligt de eerste Wallander van Henning Mankell. Zoals alle andere boeken van Mankell die ik gelezen heb, is het geen grootse literatuur maar het is prima lectuur voor lange winteravonden, luie zomerdagen en gewoon voor het slapengaan. Ter nadere precisering: ik ben nog niet halverwege en na vijf bladzijden vallen mijn ogen dicht, dus het kan nog even duren.
Een tijdje daarvoor las ik dat Mankell meevoer op de humanitaire vloot naar Gaza. Dat vond ik een te respecteren actie. Niet dat ik daardoor zijn boeken meer zou gaan waarderen, maar ik vind het goed dat beroemdheden hun naam gebruiken voor goede doelen. Zolang ze er maar geen geld voor vangen natuurlijk. En aangezien ik de totale blokkade van Gaza absurd vind (voor een partiële blokkade is natuurlijk alles te zeggen), vond ik het lovenswaardig dat Mankell aan die actie meedeed.
En toen las ik afgelopen vrijdag in Le Monde de volgende woorden overgenomen uit het dagboek van Mankell en gepubliceerd in de Libération: “Ik denk erover om ervoor te zorgen dat ik nooit meer in het Hebreeuws vertaald word.” Met de columnist van Le Monde ontsteek ik in woede. De eerste en enige die die storm over zich heen krijgt is J. “Nou, zo gek is dat toch niet?”, probeert zij mij te sussen. “Niet gek? Het is waanzinnig, het is dement”, raas ik. “Wie komt er nou op het krankzinnige idee om een taal te boycotten? Moesten wij ten tijde van de Vietnam-oorlog misschien het Amerikaans boycotten, geen Amerikaanse auteurs meer lezen? Dat is toch te dol om los te lopen?” Om kort te gaan, ik besloot tot een éénmans Mankell-boycot en zou ook zeker op deze plaats hebben opgeroepen om daar aan mee te doen. Dat zou een moedig besluit zijn want het zou van mij een heuse opoffering vragen: namelijk niet te weten komen wie dat oudere echtpaar heeft vermoord.
Maar gelukkig ben ik nog genoeg journalist om de reflex te hebben bronnen te checken, zelfs als het om een column in een zo’n respectabele krant als Le Monde gaat. Dus ik op zoek naar de Gaza Flotila Diary van Henning Mankell. Daarin staat inderdaad het gewraakte zinnetje. Maar er staat ook iets achter dat door de columnist van Le Monde zorgvuldig achterwege is gelaten: It is a thought that still has greater depths to plumb. Met andere woorden, Mankell is er op het moment dat hij dat in zijn Moleskine krabbelt nog niet uit of het wel echt zo’n goede gedachte is. Als hij terug in Zweden is herhaalt hij het idee tegen een journalist van Dages Nyheter, maar voegt er deze keer aan toe: “Ik wil daarmee niet de verkeerden treffen, dus ik moet er nog over nadenken.” Al met al niet echt voer om Mankell over de hekel te halen. Niet genoeg om een kat mee te slaan, zoals de Fransen dat zo aardig noemen. Met een opgelucht gemoed kan ik van mijn boycot afzien. Gisteravond heb ik weer vijf pagina’s gelezen. Alleen zie ik het volgende probleem al opdoemen. Wat te doen als straks Wilders in de regering zit? Ga ik Nederland boycotten? En hoe zou dat moeten? Ik ben erg gesteld op Goudse kaas. Als ik die nou laat liggen, is dat dan genoeg opoffering om aan de wereld kond te doen dat deze kaaskop geen Goudse meer eet?
Gelukzalige onnozelheid
Van de week was er zo’n dag dat het niet wilde zomeren. Niet gewoon slecht weer, maar van dat weer dat je vertelt dat het eigenlijk beter had moeten zijn. Meer dan mooie dagen, doen zulke dagen mij aan vroeger denken. Alsof het vroeger vaak niet wilde zomeren. En in zekere zin is dat ook zo. Ik herinner me van mijn middelbare schooltijd zo’n gevoel tegen iets aan te hangen dat niet wilde doorbreken. Wat dat ‘iets’ precies was? Het eerste dat nu, vele jaren later bij me opkomt: het gevoel serieus genomen te worden. Ik wilde geen kind meer zijn maar werd door de wereld van de volwassenen, de ouders in de eerste plaats, wel zo behandeld. Nu heb ik inmiddels zelf de ervaring gehad om langzamerhand verantwoordelijkheden aan mijn eigen kind over te dragen. Ik vond dat eigenlijk niet zo ingewikkeld. Hoe zou het dan komen dat het voor de generatie van mijn ouders dan wel zo lastig was? Omdat zij een oorlog meegemaakt hebben die hen het gevoel gaf ons zo lang mogelijk tegen het kwaad van de wereld te moeten beschermen? Zou kunnen. Maar wij van de geboortegolf kregen vooral de indruk dat zij het morele gelijk aan hun kant waanden omdat zij de oorlog hadden meegemaakt. Aan de ene kant werd ons verteld dat we ons gelukkig mochten prijzen dat we al die ellende niet hadden meegemaakt, maar daar moesten we tegelijk voor boeten, want ‘wat weet jij nou van het leven? Je hebt de oorlog niet meegemaakt.’ Zo werden wij tot een soort gelukzalige onnozelheid veroordeeld. Misschien was dat het wel waar we in de jaren zestig tegen in verzet kwamen. Als verklaring voor het studentenprotest van toen werd altijd gegeven dat wij de ‘generatie-Spock’ waren, die in de eerste levensjaren anders werd opgevoed dan alle voorgaande generaties (buiten de VS lijkt me die verklaring niet deugen) en dat we ons verzetten tegen het materialisme van onze ouders die na crisis en oorlog eindelijk welvaart zagen. Ik heb zo mijn twijfels over dat verhaal. Ik moest daarbij aan Kousbroek denken die de ongekende wreedheid van de Japanse bezetters in de oorlog vooral verklaart uit de behoefte eindelijk eens serieus genomen te worden en niet langer gezien te worden als rare gele krombenige mannetjes. Zoiets was het bij ons misschien ook. We waren woedend omdat we niet mee mochten doen. Pas meerderjarig en stemgerechtigd op je 21e, maar tot je 28e had je toestemming van je ouders nodig om te kunnen trouwen. Als je het ongeluk trof dat je ouders redelijk in de slappe was zaten, was je goed de sigaar want dan werden ze geacht je studie volledig te betalen en was je dus tot in lengte van dagen financieel van ze afhankelijk. Dat voelde als een vernedering. We vonden ook dat we zeggenschap moesten hebben over de inhoud van onze studie. Tenslotte was het ons leven, onze toekomst. Waarom zouden we dan niet mogen bepalen wat we studeerden?
Behalve het feit dat wij de eerste naoorlogse generatie waren, was er denk ik nog iets waarom wij het gebaande pad, het gespreide bedje niet zomaar accepteerden. Dat heeft te maken met de massaliteit van het verder leren. Dat was voorheen aan de elite voorbehouden geweest. Nu waren het de kinderen uit de middengroepen die de kans kregen om hogerop te komen, maar daarbij wel te horen kregen dat ze zich netjes moesten gedragen. Het waren onze ouders die ons dat inpeperden: we moesten dankbaar zijn voor de kansen die ons geboden werden en het paste niet om het gezag – dat ons die kansen gaf – te bekritiseren. Achteraf kan ik me daar iets bij voorstellen en vind ik het jammer dat de verschillende ideeën niet over de generatiekloof heen bespreekbaar waren. Maar met dat soort praatjes had je bij mij in mei ’69 toen ik het Maagdenhuis stond te bezetten niet aan moeten komen.
Dijon
Afgelopen week zijn we een dag naar de grote stad geweest. We hebben de keuze uit drie steden van behoorlijke omvang. In de eerste plaats Parijs. Dat ligt op 1 uur 20 minuten met de TGV en dan nog wat reistijd naar het station, dus in totaal op twee uur en een kwartier van ons huis vandaan. Dat doen we niet vaker dan een of twee keer per jaar. Lyon ligt op ongeveer gelijke reistijd, maar dan per auto. Daar gaan we ook niet vaker dan twee keer per jaar heen. En dan is er tenslotte Dijon. Een stuk dichterbij, een heel stuk kleiner – zelfs Utrecht wint het er nog van – maar voor ons plattelanders is het een echte stad. Ik schrijf dat zomaar ‘plattelander’, maar ik merk bij ieder bezoek aan de grote stad dat het nog waar is ook: ik ben echt een plattelander geworden, een neo-rural noemen ze zo’n gewezen stedeling hier. En dat is misschien ook wel de betere aanduiding, want in alles ademen wij iets stads uit en toch roepen we dat het zo prettig is om buiten in de natuur te wonen.
Wij waren een dagje naar Dijon. We hadden een niet erg vastomlijnd programma. Het was vrijdag, dus eerst even de markt bezoeken. Dan, al bijna uitgeput van het geslenter langs de marktkraampjes, eten op een terras met uitzicht op diezelfde markt. En dan? Een museum. We moeten absoluut een museum doen. Nee, niet het Musée des beaux-arts want dat is een aanfluiting voor de soort. Vanaf de impressionisten is de collectie ondergebracht op slecht verlichte zolders en in rare spaanplaten hokken. Je moet minimaal een zaklantaarn meebrengen om de doeken te kunnen bekijken. We komen uiteindelijk uit bij het Musée d’art sacré. De conclusie kan niet anders luiden dan dat er iets mis is met het kunstbudget van de gemeente Dijon. Ook hier spaanplaat en een zodanige opstelling dat dit een tijdelijke expositie tijdens de verbouwing lijkt.
Zittend op een terras op een leuk plein vragen we ons af wat er met ons mis is. Het lijkt wel of we opeens niet meer weten wat te doen in een stad. Alsof we zo vergroeid zijn geraakt met de groene heuvels om ons heen, dat we daar alleen maar zo snel mogelijk naar terug willen. Toch is dat het niet. Het valt ons op dat het zijn in een stad omdat je er woont of omdat je er iets te doen hebt, heel anders is dan het bezoeken van een stad. Als je een stad bezoekt, moet je opeens van alles. Ik herinner me dat ik om die reden vroeger tijdens vakanties grote steden meed als de pest. Toch lukte dat niet altijd. Tenslotte kun je niet door Portugal toeren zonder Lissabon aan te doen. Dat dacht ik, toen ik in 1974 op de motor door Portugal reisde. Bovendien was er een revolutie gaande en wilde ik daar iets van meepikken dan moest ik toch wel in de hoofdstad zijn. Dus welgemoed reed ik op een zaterdagochtend in september Lissabon binnen. Op een brede invalsweg dacht ik de drie rijen dik te passeren die voor het stoplicht stonden te wachten. Dat was even geen rekening houdend met de mogelijkheid dat iemand wel eens midden op die weg op de gedachte zou kunnen komen om uit te stappen. Ik maakte een prachtige pirouette op het midden van die brede boulevard. Ik had geen schram, maar mijn voetsteunen stonden opeens heel raar, mijn uitlaat was gescheurd en mijn clignoteurs hingen er een beetje zielig bij. En meteen vormde zich een oploopje midden op de weg van mensen die precies gezien hadden dat het toch zeker de schuld van die domme autopassagier was (wat niet zo was) en dat als het nodig was dat nog wel onder ede wilde verklaren ook. Onder deze druk kon mijn gehaaste, maar nu hopeloos vertraagde, medeweggebruiker niet anders doen dan de gegevens van zijn verzekering opgeven. Even later bevond ik mij in een weinig vertrouwen inboezemende reparatiewerkplaats. De monteur zou dat allemaal dik in orde maken, maar dan wel maandag want over tien minuten ging de deur op slot. Ik mocht van geluk spreken dat ik hem nog had getroffen. Ik wist nu zeker dat ik een onvergeeflijke fout had begaan om geheel tegen mijn principes in toch tijdens mijn vakantie een grote stad te bezoeken. Want daar stond ik op zaterdag in Lissabon, zonder vervoermiddel, zonder enig idee wat ik in die stad zou moeten doen. Om kort te gaan, terwijl ik die middag de wijk Alfama ontdekte en van de ene verbazing in de andere viel, voltrok zich tegelijkertijd de tweede fase van de Anjerrevolutie. Ik dacht dat de agitatie om mij heen wel iets te maken zou hebben met Benfica dat een wedstrijd had gewonnen. Van mijn buurman op de camping hoorde ik achteraf de ware toedracht. Stond ik eens midden in een revolutie, had ik het niet eens in de gaten. Maar dat vertelde ik natuurlijk niet toen ik terug in Nederland aan mijn revolutionaire vrienden verslag deed van mijn reis. In nog geen vierentwintig uur tijd was mijn kijk op het bezoeken van grote steden tijdens de vakantie natuurlijk wel 180 graden omgedraaid. Hoewel. Een paar jaar later was ik op reis in Italië. Ik logeerde aanvankelijk in Florence bij de Italiaanse vriend van een vriendin. Ook daar duurde mijn verblijf in de grote stad door een onverwachte omstandigheid langer dan mijn bedoeling was. Ik had namelijk onderweg in de trein een gruwelijke spitaanval gekregen. Ik bewoog me strompelend voort en dat was niet de ideale conditie om het hele land rond te reizen. Bovendien namen vriendinnen van die Italiaanse vriend van die vriendin mij liefdevol onder hun hoede, dus het leek mij van grote ondankbaarheid getuigen om zo snel mogelijk de benen te nemen. Maar toen ik eenmaal weer redelijk kwiek ter been was en dat getest had met het bestijgen van de trappen van de Dom, besloot ik meteen zo ver mogelijk weg te gaan: ik nam de trein naar Syracusa op Sicilië. Veel zuidelijker kon ik niet en ik vond Syracusa zo’n mooie naam. Maar heel erg interessant bleek het er niet te zijn, heel erg mooi ook niet. Na een tussenstop in Napels en Sorrento wasik een dag of tien later weer terug in Florence, dat mij leek te ontvangen alsof ik er sinds altijd thuishoorde. En zo ontdekte ik ook daar dat je eerst ergens moet zijn voordat je het kunt ontdekken. Wat mij dat leert voor het volgende bezoek aan Dijon? Dat ik een goed boek moet meenemen, zodat ik op willekeurig welke aangename plek gewoon kan zijn.
Straf
Ik word door groene, rode en gele schoonheid omringd terwijl ik achter in de tuin onder een ruisende den (ik ben geneigd ruischend te schrijven) achter mijn laptop zit. Maar om deze schoonheid genietbaar te maken, heb ik wel vijf dagen zitten en lopen maaien. Toen ik twintig jaar geleden begon om de wildernis achter ons huis te bedwingen, deed ik dat aanvankelijk met een motorzeis (ook wel bosmaaier genoemd, hoewel ze zelden in het bos gebruikt worden) en een maaimachine waar je achteraanloopt. Maar door de jaren heen nam het te maaien oppervlak toe zodat ik tot de aanschaf van een minitractor overging. Althans dat was de reden die ik mijzelf en anderen gaf : ik raakte licht uitgeput van het gesjouw achter de grasmaaier. Maar er was nog iets anders. Ik werd namelijk tijdens het maaien geplaagd door dwangmatige gedachtes. Ik kon nog geen vijf minuten achter de maaimachine lopen of ik werd door dezelfde hinderlijke denkbeelden overvallen. Het ging vooral over vriendschappen die verkeerd waren afgelopen zonder dat ik ooit begrepen had wat er nu mis was gegaan. Ik laat het aan de psychiaters en psychotherapeuten onder de lezers wat dat over mij zegt. Ik heb mij die vraag nooit gesteld. Ik wilde alleen maar van die gedachtes afkomen. Dat werd bijna een obsessie voor me. Met mijn minitractor dacht ik van het probleem verlost te zijn. Immers het maaien zou weliswaar nog steeds even stompzinnig werk zijn maar nu zou het veel sneller en gemakkelijker gaan, zodat mijn gedachten vanzelf in aangenamer regionen terecht zouden komen. Nou, vergeet het maar. Het ging een tijdje goed. Tot ik me bedacht dat ik inderdaad het gras al een paar weken had gemaaid zonder die dwangmatige gedachtes. En vanaf dat moment zijn ze voorgoed bij me. En ik schiet er nooit een steek mee op. En hoe wanhopiger ik probeer aan andere, leukere, interessantere dingen te denken, des te harder dringen ze zich aan mij op. En dat tijdens een bezigheid die iedere middelbare stadsbewoner van de mannelijke kunne doet likkebaarden. Want vraag me niet waarom, maar op de een of andere manier schijnen mannen die de veertig gepasseerd zijn te denken dat op een minitractortje over je gazon razen zo ongeveer het leukste is dat er in het leven bestaat. Ze denken echt dat ik dat voor mijn lol doe. Soms overwinnen ze hun schroom en vragen mij of ze ook even mogen. Ik heb dat in het begin een paar keer goedgevonden, maar daar ben ik al snel mee opgehouden omdat iedere keer dat er weer zo’n grote vent glunderend op mijn lachwekkend en buitenproportioneel kleine tractortje had rondgereden, daarvan een paar vitale onderdelen onherstelbaar beschadigd waren. Ze waren zo druk bezig met te laten zien ‘mama, kijk eens wat ik kan’ dat ze niet in de gaten hadden dat ze te dicht langs een boom of een paaltje reden. Zodoende blijf ik deze activiteit die mij het liefst gestolen zou kunnen worden tegen wil en dank voor mezelf opeisen. En als ik voor publiek rij, grijns ik daar gelukzalig bij alsof dit stupide baantjes trekken over de grasmat mijn innigste wens, mijn diepst gekoesterde verlangen, kortom zo ongeveer mijn reden van bestaan is. Intussen mijn hersens pijnigend met de vraag waarom x nooit meer van zich heeft laten horen, waarom y nooit op mijn brieven heeft gereageerd en z me schriftelijk meedeelde dat ze me nooit meer hoopte te zien. En zo wordt het rondjes rijden op mijn grasmaaier bijna een boetedoening voor het mij onbekende leed dat ik x, y en z heb aangedaan. Maar zou ik de maximale straf nog niet uitgezeten hebben?
P.S.: Wat mij later enigszins geholpen heeft, is het niet langer in rondjes te maaien, maar proberen een strak patroon van evenwijdige banen te trekken. In een tuin die in niets op een sportveld lijkt en allerlei grillige vormen heeft en obstakels als bomen en struiken, is dat een secuur werkje dat met grote aandacht dient te geschieden. Dat heeft veel tobberig gepieker voorkomen.
Klusjes
Afgelopen week zat ik op mijn boot in Sète. Dat doe ik graag. Ik heb hem in de eerste plaats om mee te zeilen, maar alleen al van het erop zitten raak ik tevreden. Ik neem aan dat de meeste andere zeilers direct begrijpen wat ik bedoel, maar aan niet-zeilers is het nauwelijks uit te leggen. In de eerste plaats zit ik in een ding dat schommelt in het water. Alleen dat al is een gevoel waar je van moet houden om het op een boot uit te houden. Ik ben er gek op. Je zou mogen verwachten dat het voor iedereen aangename sensaties oproept die te maken hebben met het rondklotsen in de baarmoeder, maar dat blijkt toch niet het geval te zijn. Er zijn mensen die alleen al van zo’n rustig schommelend bootje bijna zeeziek worden. Dan zijn er die speciale geuren die op een zeilboot thuishoren. Ik zou niet weten wat het precies is, maar je ruikt ze op iedere zeilboot. Vroeger associeerde ik dat met getaand touw, maar dat tref je nu alleen nog maar bij de liefhebbers van antieke jachten aan. Het heeft iets met water, althans vochtigheid, te maken en dan een vleugje brandstoflucht erdoor. En dan is er die sfeer van ambachtelijkheid die je op een boot omringt: touwen, kabels, zeilen, allerlei soorten sluitingen en katrollen (blokken heten die voor ons zeilers), ankers, zeilkleding en dan nog allerlei materiaal om ongeveer alles dat kapot gaat te repareren. In een kleine ruimte heb je alles bij de hand dat je in je zeilende bestaan nodig zou kunnen hebben. Weinig dingen zijn leuker dan om in de microkosmos van mijn kajuitje ’s avonds na gedane arbeid een boek te zitten lezen. Die gedane arbeid is dan meestal zeilen. Gek genoeg is een van de leukere dingen van zeilen dat het niet zomaar altijd kan. De weergoden moeten je goed gezind zijn (en liefst blijven), zo niet dan ben je veroordeeld je dag in de haven door te brengen met het doen van allerlei klusjes. Zo heb ik afgelopen week op zo’n dag (er stond geen wind) mijn kraanlijn door een langere vervangen, een haakje aan de grootzeilhoes genaaid en nog een paar van dat soort dingen die ik nu vergeten ben. In zijn verhaal Krabbels van het water geeft Joop Waasdorp een hilarische en nagenoeg uitputtende opsomming van dat soort klusjes. Als ik door mijn klusjes heen zou zijn, is er nog geen man overboord want Sète heeft een gevarieerd cultureel leven. Zo is er het Musée Paul Valéry voor moderne kunst, het Musée des Arts Modestes (absoluut enig in zijn soort, maar nog niet bezocht), de Espace Georges Brassens (een echte aanrader, als je van Georges Brassens houdt tenminste), het Centre régional d’art contemporain (mooie exposities), het Théâtre de la Mer (openluchttheater, vooral jazz- en popconcerten) en nog veel andere kleinere gelegenheden. Bovendien is het per trein een kwartier naar Montpellier en daar is zo ongeveer alles wat een mens zich cultureel kan wensen.
Maar meestal kan het wel, zeilen. Hoewel daar vaak een afwegingsproces aan vooraf gaat. Om met je boot de zee op te gaan is namelijk toch niet hetzelfde dan de Loosdrechtse Plassen op te varen. De dingen die mis kunnen gaan zijn niet zo verschillend, maar de gevolgen wel. Als je daar moederziel alleen zo’n mijl of tien buiten de kust vaart, is er niemand die je te hulp schiet als je roer afbreekt, je stag afknapt en je motor het niet meer doet. Dan kun je dus beter van tevoren even controleren of je marifoon wel opgeladen is, zodat je contact met de haven of het alarmkanaal kunt maken. Wat ook handig is, in zo’n geval is dat je GPS werkt zodat je je positie kunt opgeven. En wat vooral heel verstandig is, is het bestuderen van het lokale weerbericht. Want het kan wel mooi onbewolkt zijn met een zwak windje, maar als ’s middags om twee uur het weer opeens radicaal omslaat en je zit twintig mijl verwijderd van de dichtstbijzijnde haven, dan kun je een probleem hebben. Dat alles om te zeggen dat een van de aardige dingen van zeilen is dat je de gewenste activiteit vaak moet bevechten door een taai onderhandelingsproces met jezelf. Wat is wijs? Wat is verantwoord? Ben ik niet al te voorzichtig? En bovendien moet je ook nog strategieën bewandelen. Waar ga ik heen, zodat ik niet aan het eind van de middag met nog een heel stuk te varen de wind tegen heb? Afgelopen week ging het helemaal goed. De eerste dag in Sète was bestemd voor het schoonmaken van het onderwaterschip. Daar zaten na een jaar alweer zoveel algen en schelpdieren aan geplakt dat ik daar zeker een à twee mijl per uur zachter door zou lopen. Normaal zet ik hem daarna meteen ook in een nieuwe laag anti-fouling (speciale verf voor het onderwaterschip die de aangroei moet afremmen, hoewel ik aan de effectiviteit ervan zo mijn twijfels heb), maar daar had ik deze keer geen zin in: ik wilde vooral zeilen. De dag daarna had ik geluk: zon en wind. Toen een dag geen wind: dat was de klusjesdag. En toen weer een dag met weinig zon en des te meer wind. Dat begon met matig maar uiteindelijk liep ik toen met harde wind de haven binnen. Dat zijn van die momenten dat je enig respect oogst van je buren op de steiger, die met een voorspelde windkracht 6 à 7 maar lekker in de haven waren gebleven. Klusjes doen.
Entre nous
Ik denk dat ons verblijf in Frankrijk vanaf het begin zeer bepaald werd door het feit dat we een kind van schoolgaande leeftijd hadden. Onze zoon, Serge, heeft van zijn zesde tot zijn achttiende dat deel van het Franse onderwijssysteem doorlopen dat door 60% van de Franse jeugd doorlopen wordt. Dat maakte bijvoorbeeld dat allerlei situaties in films als Etre et avoir of Entre les murs, of in boeken als Pennac’s Chagrin d’école voor ons volstrekt herkenbaar waren.
Op de lagere school zijn we – na twee mooie jaren met die juf die een vriendin van ons werd – in een gigantisch conflict verzeild geraakt met een nieuwe leerkracht. Dat resulteerde in gesprekken met de inspecteur en in onderhandelingen of wij onder de verplichting van de carte scolaire uit konden komen (in Frankrijk hebben scholen een ‘verzorgingsgebied’ met de verplichting om je kind binnen dat gebied op de bijbehorende school in te schrijven). Dat soort dingen hebben mij veel over het Franse schoolsysteem geleerd en daarmee over de Franse samenleving. Dat heeft ons niet altijd blij en gelukkig gemaakt. Als je ziet dat je kind zwaar lijdt onder een ernstig verkalkt onderwijssysteem en onder een entre nous mentaliteit van de plattelandsbevolking, dan vraag je je meer dan eens af of je wel de juiste keuze hebt gemaakt. Een voorbeeld. Daags na 11/9 was het mijn beurt om twee leeftijdgenoten van Serge op te halen en samen met hem bij de schoolbus af te leveren. Toen ze in de auto zaten, vroeg Serge aan hen of ze het gisteren gezien hadden op de tv. Ja, ze hadden het gezien die uitzending over die nieuwe tractor in het regionale nieuws. Serge keek mij toen aan met een blik van: zie je het nu? En ik voelde: tot deze ploucs (boerenpummels) hebben mijn ouders mij veroordeeld.
Om kort te gaan wat onze zoon betreft: toen hij naar lycée ging, verkoos hij het om meteen maar een eind weg en op internaat te gaan in plaats van het dichtstbijzijnde lycée waar hij opnieuw tegen een aantal van die boerenpummels zou oplopen. Hij verhuisde door de week naar Chalon sur Saône. Daar heeft hij het gelukkig drie jaar lang goed naar zijn zin gehad. Chalon is trouwens ook een leuke stad. Ik ben er een jaar lang lid geweest van de plaatselijke zeilvereniging. Dat is eigenlijk de enige keer dat ik echt aan het Franse verenigingsleven heb deelgenomen en dat is me zeer goed bevallen. Het zat zo. Ik had al een paar jaar een boot in La Rochelle liggen. Dat was wel een beetje ver weg (5 à 6 uur rijden) en bovendien is het klimaat aan de Atlantische kust zodanig dat, als ik een paar dagen de tijd had om te gaan zeilen, het vaak ofwel regende, ofwel te hard woei, ofwel allebei. Dus besloot ik dat ik mijn bootje beter aan de Middellandse Zeekust kon leggen. Ik was serieus van plan om hem via Bordeaux en het Canal du midi daarheen te varen. Daar waren alleen twee obstakels: de bijzonder verraderlijke stroming en golfslag in de monding van de Gironde en de lengte van het Canal du midi (en met name het aantal sluizen daarin: een paar honderd, leuk als je retraité bent). Dus: te veel risico en te veel tijd. Daarom besloot ik het anders te doen. Eerst mijn boot over de weg naar Chalon laten transporteren, daar een tijdje blijven en hem dan via de Saône en de Rhône naar het zuiden varen. Ik ging op zoek naar een leuke haven in Chalon, vond die bij de plaatselijke zeilvereniging waarvan ik vervolgens lid werd en die mij in het jaar dat mijn boot daar lag een geheel nieuwe blik op het sociale leven in Frankrijk bood. Ik voelde mij daar vanaf de eerste avond die ik met mijn medezeilers doorbracht volledig geaccepteerd. Ik had mij van deze yacht-club iets tamelijk kakkineus voorgesteld, maar het tegendeel was het geval. Ik kwam er naast een enkele gepensioneerde fabrieksdirecteur of middelbare schooldocent vooral mensen in beroepen als automonteur en fabrieksarbeider tegen. En de sfeer was van een ongelooflijke convivialité om dat onvertaalbare woord (gezelligheid komt enigszins in de buurt) maar even te gebruiken. Het enige probleem was dat ik op de Saône tien kilometer tussen twee vaste bruggen heen en weer kon zeilen en dat had ik na een paar keer wel gezien. Dus na een jaar heb ik mijn boot naar het zuiden gevaren. Ik had een ligplaats in Sète georganiseerd en daar lig ik nu al jaren naar volle tevredenheid. Vanmiddag pak ik de trein op veertig minuten hier vandaan en drie uur later sta ik dan op het station van Sète in de Middellandse zeebries.
Naar Frankrijk
De behoefte om naar Frankrijk te verhuizen was er vooral een om niet in Nederland te blijven. Ik had al ergens in de jaren ’70 besloten om via de ontwikkelingshulp mijn heil in Afrika te zoeken. Dat lukte prima en ik werd tot mijn grote voldoening – niet die van mijn toenmalige geliefde en tegenwoordig mijn echtgenote – voor drie jaar uitgezonden naar Tanzania. Daar kan ik veel over vertellen, maar dat doe ik nu maar even niet. Het belangrijkste is dat ik een baan had waarin ik drie jaar lang onwaarschijnlijke afstanden in mijn Landrover aflegde, waarbij ik steeds weer diep onder de indruk was van de wijdsheid van de landschappen. Bovendien werd ik in dat land beroofd van veel van de vanzelfsprekendheden die het dagelijks leven tot dan regeerden en ik merkte dat ik dat, hoewel soms lastig, toch vooral ongelooflijk prettig vond. Misschien dat ik iets overdrijf als ik zeg dat daardoor iedere dag een spannend avontuur werd, maar niet heel veel. Terug in Nederland kreeg ik een baan waar mijn sociologenvrienden het water bij in de mond liep. Ik mocht vrijwel geheel op eigen houtje een onderzoek doen bij het Sociaal en Cultureel Planbureau op een terrein waarin ik daarvoor werkte: etnische minderheden. Ik heb toen een vreselijk jaar gehad. Ik merkte dat mijn hart in Afrika lag en niet de overstap wilde maken naar die kantoorflat in Rijswijk. Gelukkig kon ik aansluitend een freelance baan in de ontwikkelingshulp krijgen, maar dan wel in Den Haag. Mijn leven werd op slag een stuk aangenamer, vooral toen bleek dat ik, als ik dat wilde, binnen een, twee jaar wel weer uitgezonden zou kunnen worden. Uiteindelijk ben ik drie jaar later naar Burkina Faso vertrokken. Toen ik daarvan terugkeerde was ik voor Nederland voorgoed verloren. Ik werkte opnieuw drie jaar in Den Haag in de ontwikkelingshulp, maar het wilde niet echt meer vlotten. Pas vanaf het moment dat we in ’90 onze molen in de Morvan kochten, was de kommer en kwel voorbij. Ik nam even later ontslag, begon voor mezelf en opende daarmee de weg naar een woonplaats buiten de grenzen.
Toen wij twintig jaar geleden in de Morvan een beetje half zacht naar een – ik durf het bijna niet op te schrijven – vakantiehuisje liepen te zoeken, waren daar al jaren van het bekende soort gedroom aan vooraf gegaan. Of we nu op een Grieks eiland zaten, door Portugal fietsten of door de Pyreneeën wandelden, er was altijd wel een moment dat we elkaar bekenden: als we hier nou eens zouden kunnen wonen. Maar die keer in de Morvan was het serieuzer. Dat lag op een dag rijden van Nederland, dus daar zouden we regelmatig heen kunnen. En bovendien leek het ons fantastisch als ons zoontje van toen twee jaar deels in zo’n landelijke omgeving zou kunnen opgroeien. Wat er vervolgens gebeurde, zal waarschijnlijk in ieder boekje over ‘Hoe koop ik een huis in Frankrijk’ staan als voorbeeld van hoe het niet moet. We vielen doodgewoon voor het eerste het beste pand met een bordje à vendre erop. En toen bleek dat het ook nog betaalbaar was, hebben we nauwelijks een moment geaarzeld. Vervolgens hebben we er wel ruim drie jaar over gedaan om te besluiten om er te gaan wonen. We hadden toen – dachten we – een redelijk idee van de sociale omgeving waarin we terecht zouden komen. Het was voor ons vooral belangrijk te weten hoe het schooltje was. Onze zoon zou daar op zijn zesde jaar zijn lagere school beginnen. Dat leek ons een goed moment, maar hoe zat het met het onderwijs ter plaatse? We kregen alle medewerking om dat uit te zoeken. Ieder keer als we in Frankrijk waren mocht onze zoon meedraaien in het klasje waarin hij terecht zou komen. We waren verrukt. Het was een absoluut fantastische onderwijzeres, die later een goede vriendin van ons werd. Maar wij wisten toen nog niet dat zij al jaren haar best deed om uit dat vreselijke oord weg te komen. Toen we dat wél van haar hoorden, waren we al zo immuun geworden dat we dat als erg overdreven afdeden. Maar inmiddels weten we beter.
Om kort te gaan, eigenlijk gingen we naar Frankrijk omdat we de wijdsheid van Afrika misten, omdat het pand dat we gekocht hadden geweldige mogelijkheden had voor Jacqueline om haar vak uit te oefenen en omdat we dachten dat het voor onze zoon Serge veel leuker zou zijn om dicht bij de natuur op te groeien dan in een stad. Bovendien hadden we allebei werk dat we goed mee konden nemen naar Frankrijk. Jacqueline gaf theaterworkshops en ik was hoofdredacteur geworden van een kwartaalblad en deed zo af en toe een consultancy in Afrika. En zo vertrokken we op 30 juni 1994 met ons hele hebben en houwen, dezelfde dag dat we de overdracht van ons huis in Utrecht getekend hadden, naar Frankrijk. Zo ergens bij Arlon in de Belgische Ardennen waren we de schok te boven.
Zij
Afgelopen week waren wij een paar dagen op ons ‘landje’ in de Languedoc. Waarom zou een mens als hij al op een idyllische plek op het Franse platteland woont, ook nog een stukje ‘campagne’ op zes uur rijden willen bezitten?
Dat zit zo. Ik ben een zeiler en Jacqueline niet. Ik heb alles geprobeerd om haar ervan te overtuigen dat er niets leuker is dan om door de wind voortbewogen op het water te zitten, maar het heeft niet mogen baten. Het is me misschien gelukt om haar duidelijk te maken dat het voor iemand leuk kan zijn om naar zeilen, windvaantjes en kompassen te turen en intussen in meerdere of mindere mate door de golfslag door elkaar geschud te worden, maar dat heeft haar alleen maar gesterkt in de overtuiging dat zij die iemand niet is. Probleem. Want ik heb wél een zeilboot waarvan ik had gedacht dat we daarop vele genoeglijke uren zouden doorbrengen. En het is tamelijk zuur om je schaarse vrije tijd gescheiden van elkaar te moeten leven omdat je onverenigbare interesses hebt. Dus besloot ik twee jaar geleden naar een stukje land met een bescheiden optrekje in de buurt van de ligplaats van mijn boot te zoeken. Dat vond ik in een handomdraai. Een verlaten wijngaard vol met de soorten struikgewas die je in de Franse middellandse zeestrook aantreft en bovendien nog een stenen schuurtje met achttien vierkante meter vloeroppervlak. En zo kan dan Jacqueline de dag in de geuren van de thijm, de wilde venkel en wat er zoal meer groeit in de garrigue doorbrengen, terwijl ik een eindje verderop op de zee rondklots. Een simpele doch geniale oplossing van ons vrijetijdsprobleem.
Maar het zou evengoed kunnen dat wij ons een nieuw probleem op de hals hebben gehaald. Want als je een ding niet moet onderschatten dat is dat wel de bijzondere aard van de intermenselijke relaties op het Franse platteland. Daar hebben wij in onze eerste jaren in de Bourgogne het nodige van meegekregen, dus in die zin waren we wel op het een of ander voorbereid. Maar de menselijke creativiteit in het dwarszitten van de medemens is groot. Wat wij in twee dagen meemaakten was dit.
Toen wij de eerste avond in een naburig dorp wilden gaan eten, reden wij langs het schuurtje van buurman Philippe, een bebaarde vijftiger die in zijn vrije tijd bezig is zijn optrekje tot een heuse woning om te bouwen. Zonder vergunning natuurlijk. ‘Daar doen ze hier niet moeilijk over’, had hij mij gezegd. Wij dachten langs zijn schuurtje te rijden totdat ons opviel dat wij slechts de resten ervan zagen. Het schuurtje was volledig uitgebrand en van het dak restten nog de onderste rijen pannen. In ietwat bedrukte stemming reden we toch maar verder, intussen proberend te bedenken wat er gebeurd zou kunnen zijn. De volgende ochtend meld ik mij bij de buren aan de andere kant, ex-Parijzenaars die daar al meer dan vijfentwintig jaar wonen op een schitterende plek in een huis dat ze vanaf de fundamenten zelf helemaal opnieuw hebben opgebouwd. Ik heb ze al zes maanden niet meer gezien dus er is alle reden om even naar hun wel en wee te informeren. Alles helemaal goed, weet Jean-Pierre mij te vertellen (later hoor ik dat hij deze winter met acute hartklachten in het ziekenhuis is opgenomen en daar een maand heeft gelegen). En het huisje van Philippe? Ja, dat is inderdaad een jammerlijke gebeurtenis. Dat is een week geleden gebeurd. In brand gestoken. In brand gestoken? Ja, nadat eerst alles wat bruikbaar was eruit is gesleept. En wie doet nou zoiets? Zij. Zij doen dat. En ‘zij’ staat dan voor jagers, wijnboeren en jaloerse dorpelingen. Françoise heeft zich inmiddels ook in het gesprek gemengd. Ze vertelt dat ze er helemaal overstuur van is en dat ze niet weet hoe lang ze ‘dit’ nog kan verdragen. En ‘dit’ staat dan voor vijfentwintig jaar lang getreiter en intimidaties. Daar hebben ze mij bij eerdere gelegenheden al wat staaltjes van verteld.
Ik wandel terug naar ons schuurtje. Om mij heen zie ik natuur van een verbluffende schoonheid en denk dat dit de mens toch niet anders dan tot mooie gedachtes kan inspireren. Niet noodzakelijk blijkt.
Ik zie wat rook omhoog stijgen uit een naburig dal. Ongetwijfeld een wijnboer die zijn snoeihout aan het opbranden is. Wel vreemd om dat met zulk droog weer en zo’n stevige wind te doen. In de loop van de middag zien wij de rookwolken over een lengte van zo’n honderd meter opstijgen. Dat lijkt ons niet erg normaal. Even later signaleert Jacqueline vlammen. En dan zien we plotseling het vuur in hoog tempo langs een berghelling op een kilometer afstand het groen wegvreten. We horen zelfs het geknetter. Nog honderd meter en het vuur heeft het huisje van Hélène bereikt. En dan horen we de brandweersirenes.
De volgende ochtend vraag ik aan buurman Jean-Pierre of hij weet wat er precies gebeurd is. Hij kijkt me meewarig aan. Dat begrijp ik toch zeker wel? Hoezo? Ik dacht een onvoorzichtige wijnboer.
Ja ja, maar dan wel opzettelijk onvoorzichtig. Een week geleden gebeurde hetzelfde in een ander dal vlak bij het huisje van Nederlanders. Ook toen is het net goed afgelopen.
Ja maar, waarom doet iemand zoiets?
Jean-Pierre haalt zijn schouders op. Het antwoord doet er voor hem al lang niet meer toe.