‘Kijk je even of er nog iets in zit dat je de moeite waard vindt ? Dan kan de rest bij het oud papier.’ Jacqueline ontdekte bij een opruimactie een doos met boeken. Veel soeps kon het niet zijn dacht ze. Maar ze wilde me toch nog een laatste kans geven voordat het onherroepelijke zou plaats vinden. Zij kent mijn gevoeligheid op dit punt. Ik had namelijk een moeder die mij bij haar dwangmatig schoon schip maken nooit raadpleegde. Zo heb ik ooit nog eens tien jaargangen Donald Duck net op tijd bij de vuilnisbak vandaan gehaald. Maar mijn kinderboeken waren toen allang het huis uit gebezemd. Nooit kan ik meer opzoeken wat vader Trom nu precies over zijn zoon Dik zei. En hoe heette die dorpskoddebeier nou ook alweer?
Nee, voordat ik definitief afscheid neem van zaken die ik al een leven lang met me mee sleep, moet ik wel heel erg van de bittere noodzaak daarvan overtuigd zijn. Zo zeeg ik dus vanmiddag neer naast die doos met boeken. Het liefst had ik hem weer ongeopend in een donker hoekje teruggeschoven, maar ik wist dat me dat niet zou lukken. Er moest geselecteerd worden en ik moest goede redenen hebben om wat dan ook uit de inhoud te bewaren. Daar valt ook veel voor te zeggen. Wij wonen namelijk in een groot huis. Een heel groot huis. En in zo’n heel groot huis kun je heel veel spullen om je heen verzamelen. Dat hebben we, en ikzelf zeker, dan ook gedaan. Het vervolg op dit hele grote huis – en er komt ooit onvermijdelijk een vervolg – zal al even onvermijdelijk een kleiner huis zijn, dus is het redelijk om niet alles nu vol te proppen om het over een paar jaar voor een groot deel weer weg te moeten doen. Ik zit dus naast die doos. Alleen die doos al. Het is onze laatste intacte verhuisdoos van zestien jaar geleden. Er staat nummer XXXIII op. Ik had toen een lijstje van alle verhuisdozen met hun inhoud. Heel praktisch dachten we, want we zouden ze niet allemaal meteen uit kunnen pakken omdat het huis eerst nog verbouwd moest worden. Maar we wisten dankzij ons lijstje feilloos waar we de dingen konden vinden die we de eerste tijd nodig zouden kunnen hebben. Dat ging een paar maanden goed. Sommige dozen raakten bijna leeg, andere bleven onaangeroerd. Totdat er een zo’n hevige hagelbui boven ons losbarste dat de goot naast de zolder waar onze verhuisboedel opgeslagen stond overliep en de vloer van die zolder blank zette. De bodems van de onderste laag verhuisdozen raakten doorweekt en het ergste dreigde voor de inhoud. Dus snel werd alles overgepakt in lege of halflege dozen die droog waren gebleven. Sinds die dag konden we niets meer terugvinden. En daar is doos XXXIII als laatste stille getuige van overgebleven. Geen idee wat er oorspronkelijk in zat, maar nu zitten er boeken in. Boeken die de concurrentieslag om een plaatsje in de boekenkast hebben verloren. Dat moet vreselijk zijn. Ik bedoel om daar als boek onder verre van optimale omstandigheden – kleine en grotere papiervretertjes blijken hun weg erheen gevonden te hebben – in totale onzekerheid over je lot, onzichtbaar voor mogelijke geïnteresseerde lezers je dagen in totale nutteloosheid te moeten doorbrengen, dat moet een hel zijn. En dan zit ik dus naast die doos met boeken, die ik er een voor een uithaal en die allemaal lijken uit te schreeuwen ‘red mij, red mij!’. Ik zie daar de volledige literatuurlijst van mijn doctoraalscriptie. Allemaal geheel of ten dele gelezen dus. Vier delen ‘Traité sur l’économie marxiste’ van Ernest Mandel (nooit gelezen en in goede staat, wie biedt?). Een keur aan literaire tijdschriften. Een stuk of tien Havank’s. En ga zo maar door. Mijn ontreddering wordt even groot als die van de wanhopige boeken die voor hun voortbestaan vechten. Kan ik zomaar een boek over onderwijs en taalachterstand waarop de auteur minstens een jaar heeft gezwoegd tot de papierversnipperaar veroordelen? Wie ben ik dat ik zo’n oordeel mag uitspreken. Als de muizen voor een deel het werk al hebben gedaan, okay, maar een gaaf boek waar iemand zijn ziel en zaligheid in heeft gelegd van deze wereld doen verdwijnen, dat is niet zomaar wreed, dat is onmenselijk. Dus zit ik maar naast die doos. Ik heb zo’n 7 procent als onleesbaar weggeselecteerd, maar verder kom ik niet. Ik bel mijn zoon met de mededeling dat ik nog een paar interessante economische werken heb gevonden. Hij hapt toe. Godzijdank, vijf boeken van de ondergang gered.
Ridders en jonkvrouwen
‘Vond je het leuk?’ vroeg Jacqueline op de terugweg. Ik keek nog even om me heen, maar de vraag bleek echt aan mij gesteld te zijn. Ja, natuurlijk vond ik het leuk. Ik vind het geweldig om dingen te doen waar ik een excuus voor nodig heb om ze te kunnen doen. Dingen die ik leuk vind om te doen, maar waarvan ik het tegelijk een beetje beschamend vind om toe te geven dat ik ze echt leuk vind. Nee, ik heb het niet over het bezoeken van zwoele nachtclubs (nooit gedaan trouwens) of het bekijken van pornofilms (ook niet). Ik heb het over dingen die ouders doorgaans met hun nog jonge kinderen doen: spelletjes en het bezoeken van kermissen en kastelen. Dat laatste hadden we net gedaan. Met zijn tweeën zouden we niet op de gedachte gekomen zijn, onze zoon is tweeëntwintig en droomt allang niet meer van ridders en schone jonkvrouwen, maar we hadden familie op bezoek en dan is zo’n toeristisch uitstapje opeens weer geoorloofd. Ik heb mij weer eens ouderwets in een kasteel kunnen vergapen aan kerkers, schietgaten, schouwen zo groot dat je erin kunt wonen, onderaardse gewelven, geen harnassen en middeleeuwse martelwerktuigen, maar met een beetje verbeelding kon ik die daar zo zien. Het enige wat ik miste waren die vragen van mijn zoon waar ik absoluut geen antwoord op had. ‘Waarom deden ze dat zus? Waarom is dat zo?’ Ik had er dan wel geen antwoord op, maar daar nam hij geen genoegen mee. Ik moest daar iets verstandigs over kunnen zeggen. Geen betere training in argumentatie dan een nieuwsgierig kind.
Hoe zou het komen dat ik allerlei dingen die ik vroeger met veel plezier samen met mijn zoon deed, zonder hem niet meer doe? Met Lego spelen is misschien een al te voor de hand liggend voorbeeld. Daarin is het duidelijk dat ik dat vooral deed vanwege het plezier dat hij eraan beleefde en dat nog verdubbeld leek als zijn vader daaraan meedeed. Maar bij speelgoedtreintjes komt het verhaal al anders te liggen. Ik legde spoorwegemplacementen met leuke stationnetjes en prachtige treintjes aan omdat ik dat leuk vond en hoopte dat hij het plezier dat ik eraan beleefde kon delen. Zoonlief werd een excuus om mij uit te leven in iets dat niet meteen zijn passie was. Overigens zijn er genoeg volwassen mannen die zich te buiten gaan aan modelspoorbanen zonder daarvoor hun kinderen als argument in te brengen. Ik had ooit een oom die zijn speelgoedtreintjes door de meest fantastische landschappen liet razen zonder dat zijn kinderen daar zelfs maar een vinger naar mochten uitsteken. Ingewikkelder ligt dat met bijvoorbeeld babykleertjes. Persoonlijk heb ik daar niet zoveel mee, maar Jacqueline moet ik wegslepen als zij rekken met snoezige kinderjasjes ziet. Al is er in de verste verte geen kleinkind in zicht, het liefst zou ze met allemaal miniatuurbroekjes, jurkjes en jasjes de winkel verlaten. Waarom zou iemand dat willen? Zo ben ik gek op mooi gemaakt houten speelgoed en zou daar graag dozen vol mee kopen. Maar aangezien ik niemand heb in mijn naaste omgeving die ik daar een plezier mee kan doen, hou ik me in. Het grote plezier is blijkbaar om zoiets wat je zelf heel mooi vind weg te geven aan een dreumes die nauwelijks begrijpt wat het precies is en dat je dat dan uit gaat leggen door voor te doen hoe het werkt onder het uitslaken van ‘tsjoek-tsjoek’, ‘broem-broem’, of ‘tuut-tuut’. En wat te denken van films? Dankzij mijn zoon heb ik allerlei prachtige Disney- en Spielberg-producties gezien, die anders aan mij voorbij waren gegaan. Zo heb ik ook nog The Lord of the Rings en de eerste twee delen van Harry Potter gezien. En ik heb daarvan genoten! Maar denk niet dat ik er zonder een kind als bondgenoot naartoe zou gaan.
En om nog even op die kastelen en andere bezienswaardigheden terug te komen: in de jaren dat ik met mijn zoon op vakantie ging, was geen kasteel, museum, geboortehuis of grot veilig voor ons. We bezochten alles dat min of meer toevallig op onze weg kwam en het was bijna altijd de moeite waard. Zelfs als het niets voorstelde. Zo herinner ik mij een bezoek aan het geboortehuis van Napoleon Bonaparte in Ajaccio. Het leek mij goed voor het historisch bewustzijn van mijn zoon om dat te bezichtigen. Ik weet niet wat er bij hem is blijven hangen, maar bij mij vooral de totale oninteressantheid van het geheel. Nooit zou mij zo duidelijk zijn geworden dat Napoleon dan weliswaar afkomstig was uit de Corsicaanse aristocratie, maar dan wel van zo’n bescheiden niveau dat ik bij de rondleiding bijna medelijden met hem kreeg. Veel kon de arme jongen van huis uit niet hebben meegekregen.
Maar sinds mijn zoon mij niet meer nodig heeft voor zijn culturele educatie, is mijn bezoek aan dit soort gelegenheden dramatisch gedaald. Nou kan ik mezelf wijsmaken dat ik daardoor meer tijd heb om mooie boeken te lezen. Misschien is dat zo, maar ik heb niet de indruk dat ik die tijdswinst ook echt op die manier benut. En zelfs als dat zo zou zijn, weegt dat dan op tegen het plezier dat je eraan beleeft om als pseudo-kind tegen de wereld aan te kijken? Ik denk erover om in plaats van een leesclub een clubje van volwassenen op te richten die elkaar kindercadeaus geven en elkaar meenemen op kinderuitstapjes naar ridderkastelen en kinderfilms.
Die Fransen toch
Gisteren werd in heel Frankrijk gedemonstreerd tegen het xenofobe beleid van de Franse regering onder leiding van Sarkozy. Dat werd vooral ingegeven door de recente massale uitzettingen van Roma. Overmorgen moet heel Frankrijk de straat op om tegen de pensioenplannen van diezelfde regering te demonstreren, dus een bijzonder grote opkomst viel niet te verwachten, maar toen wij tien minuten voor aanvang op de verzamelplaats twee groepjes van tien mensen gewaar werden, zonk ons de moed toch een beetje in de schoenen. ‘Als er verder niemand komt, kunnen we altijd nog een nieuwe jas voor je gaan kopen’, zei ik tegen Jacqueline om de stemming er een beetje in te houden. Maar zowaar, een half uur na de geplande aanvang van de demonstratie zette zich toch een stoet van zo’n 1500 mensen in beweging. Niet overweldigend, maar dit speelde zich af in Dijon, weliswaar een redelijk grote stad, maar nog geen Parijs of Marseille. Wij liepen bij toeval tussen de CFDT – een van de drie grote vakbonden – en Les Verts in. Dat voelde wel prettig. We hadden er alleen een beetje spijt van niet zelf een spandoek meegenomen te hebben met zoiets als ‘Het anti-Wilders Front. Voor een solidair Europa’. Geheid dat we daarmee het regiojournaal gehaald hadden.
Na een kilometer door de drukste winkelstraat gelopen te hebben, hielden we halt op een prachtig plein voor het hertogelijk paleis. Maar wij waren gekomen om te demonstreren en niet om het cultureel erfgoed van Dijon te bewonderen en werden zodoende na een minuut of tien van onverstaanbare toespraken wat ongeduldig. Dus zijn we maar op een terras wat gaan drinken, wachtend op de herstart van de demonstratie. Maar na de laatste spreekster volgde niets. De aanwezigen bleven gezellig in groepjes staan babbelen en langzamerhand druppelde het plein leeg. We waren diep geschokt. Gepokt en gemazeld als we zijn in het actiewezen van de jaren zestig en zeventig in Amsterdam, verwachtten wij wel wat anders dan een wandelingetje door de Leidsestraat en klaar is Kees. De kortste demonstratie die ik ooit gelopen heb was geloof ik van het Museumplein naar de Beurs van Berlage. Dat was nog eens andere koek. En bovendien werden wij dan bij aankomst onthaald op krachtige retoriek van bevlogen sprekers. Wij keken elkaar meewarig aan, constateerden: ‘Die Fransen toch’ en besloten gezellig te gaan winkelen.
Vanochtend had ik de bijna rituele jaarlijkse aanvaring met een visser die mij wat al te vrijpostig bezit had genomen van ons terrein. Die eindigde ermee dat hij – geheel voorspelbaar – opmerkte dat ik terug moest naar waar ik vandaan kwam. Ik antwoordde: ‘Zoals de Roma zeker’. En hij: ‘Precies, meneer’. Want we blijven beleefd in dit land, ook al zijn we xenofoob.
Aardig en beleefd
Ik krijg met enige regelmaat reacties van lezers op mijn boek De toren van Daniël. Vaak lovende, zelden echt kritische. Dat is te begrijpen want serieus kritiek op iemands werk leveren is nooit leuk om te doen, behalve als je een pesthekel aan diegene hebt. Dus hoor ik van mensen die het boek niet konden waarderen of helemaal niets, of iets vaags. Maar er is één reactie waar ik geen raad mee weet. Die komt van de lezers die willen weten in hoeverre het boek autobiografisch is. Met een variant daarop werd ik een paar dagen geleden geconfronteerd. ‘Ik heb je boek gelezen. Nou, het is wel erg autobiografisch hoor.’ Veel gedachten flitsen er op zo’n moment door me heen. Wat weet diegene van mij dat hij dat kan zeggen? Blijkbaar meer dan ik dacht. Wat maakt een verhaal eigenlijk tot autobiografisch? Is er een kritiek punt? Als meer dan 50, 60, 70 procent van de woorden is toe te schrijven aan eigen ervaringen, wordt een verhaal dan autobiografisch? Maar hoe zit het met gedachten? Als de auteur eigen ideeën, gedachten bij een van zijn personages onderbrengt, is dat dan ook autobiografisch? En waarnemingen, hoe zit het daarmee? Als je een verhaal situeert in je eigen geboortedorp, is het daarmee dan autobiografisch geworden? Tot op welke hoogte moet de schrijver zichzelf uitschakelen om niet autobiografisch te schrijven? Een tamelijk ridicule vraag natuurlijk, maar voor de lezers die willen weten of iets autobiografisch is, lijkt dat belangrijk te zijn. Voor hen staat autobiografisch tegenover fictie. Het eerste is simpel uit je eigen ervaringen putten en dat kan iedereen, het tweede is serieuze literatuur bedrijven en dat is alleen aan echte schrijvers voorbehouden. Jammer voor Proust, Joyce en Vestdijk. Lang leve Dan Brown en Tolkien. Voor de goede orde: ik vind mijn boek niet autobiografisch. Natuurlijk heb ik gebruik gemaakt van wat ik zelf beleefd heb. Maar tussen het beleefde en wat er uiteindelijk op papier is gekomen ligt een heel proces, en dat heet schrijven. Wat iets anders is dan dagboekaantekeningen of herinneringen opschrijven. Maar de grens is uitermate vaag, getuige het feit dat onlangs de memoires van een Frans schrijver (Claude Arnaud) als roman zijn uitgegeven. En uiteindelijk is het ook niet interessant of gebeurtenissen al of niet geheel of gedeeltelijk aan de fantasie van de schrijver zijn ontsproten. Het gaat erom of de schrijver een goed boek heeft geschreven.
Op de laatste pagina van The Ghost Writer van Philip Roth staat een interessante dialoog tussen Roth’s alter ego Nathan Zuckerman en diens leermeester Lonoff (achter wie Bernard Malamud schuilgaat). Zuckerman is zojuist getuige geweest van een echtelijke ruzie tussen de Lonoffs. Lonoff moedigt Zuckerman aan meteen alles op te schrijven wat hij gehoord en gezien heeft: “I’ll be curious how we all come out someday. It could be an interesting story. You’re not so nice and polite in your fiction,” he said. “You’re a different person.”
“Am I?”
“I should hope so.”
Een prachtige aanmoediging voor schrijvers om vooral niet ‘aardig en beleefd’ te zijn, maar juist ongegeneerd gebruik te maken van zelfs de meest intieme persoonlijke ervaringen.
Nooit meer
Er zijn van die gebeurtenissen in een mens zijn leven die met een absolute onvermijdelijkheid op je afkomen, waarvan plaats en tijdstip in hoge mate bekend zijn, waarop je helemaal voorbereid lijkt te zijn. En als vervolgens het moment daar is, begrijp je nauwelijks wat er gebeurt. Zoiets zei ik twee dagen geleden toen ik op de avond van de laatste dag van het bestaan van ons cursuscentrum afscheid nam van de aanwezige cursisten en docenten. We hadden al een jaar geleden besloten dat we er aan het eind van deze zomer mee op zouden houden en ik heb er sindsdien geen moment aan getwijfeld of dat een verstandige beslissing was. Maar op het moment dat ik voor de laatste keer allerlei handelingen aan het verrichten was die ik al zo vaak had gedaan en waarvan ik nooit het gevoel had dat ze zo bijzonder waren, pas op dat moment begon er iets tot me door te dringen van de onherroepelijkheid van wat ik meemaakte en nooit meer terug zou komen. Zo zal ik me nooit meer zaterdag uit de naad hoeven te werken om een nieuwe groep mensen in een strak gemaaide tuin te kunnen ontvangen. Ik hoef niet meer met lege kratten naar de slijter te rijden om de wijnvoorraad voor de week op peil te hebben. Ik zal me nooit meer om zeven uur ’s avonds realiseren dat we vergeten hebben de bakker te bellen voor de bestelling van vijfentwintig broden voor de volgende ochtend. Ik hoef nooit meer te vrezen dat er op een ochtend iemand naar me toe komt met de mededeling dat de wc’s in het campingsanitair niet meer doorlopen. Ik kan nooit meer met de gedachte spelen om, als ik net kersverse cursisten van het station gehaald heb en via een acht kilometer bij ons vandaan gelegen bedrijventerrein naar Saint Didier rij, het desolate erf van een van de kleine bedrijfjes op te rijden en te roepen ‘Zo, we zijn er!’ Ik zal nooit meer horen, als ik uit de honderd uitgestapte treinreizigers feilloos onze cursisten haal: ‘Goh, hoe bestaat het dat je ons er uitpikt.’ Eén keer heb ik verteld waar ik op let. Dat viel niet in goede aarde en dat heb ik dus nooit meer gedaan. Ik mompelde sindsdien zoiets als: ’intuïtie’ of ‘ach ja, vele jaren ervaring’.
Wat nu ook niet meer kan, is mijn leven beteren. Dat beloofde ik ieder jaar opnieuw. Het probleem was dat ik op de een of andere manier John Cleese in Fawlty Towers tot mijn rolmodel had gemaakt. Met als gevolg dat ik het al een hele prestatie vond als ik onze gasten niet toesnauwde, bruuskeerde of anderszins liet weten dat ze niet moesten zeuren. Bovendien heb ik ooit Nederlandse vrijwilligers in de tropen begeleid en daar gold voor ons stafleden het adagium: ‘afknijpen die jonkies, voordat ze een te grote mond krijgen.’ Kortom mijn geestesgesteldheid was niet de meest geschikte voor de ideale gastheer. Dus beloofde ik mezelf ieder jaar weer dat ik het volgend jaar beter, aardiger, vriendelijker zou doen. Ondanks die beloftes ieder jaar weer heb ik dat ideaal zelfs niet bij benadering bereikt, maar volgens mij ben ik wel een paar streepjes vooruit gegaan.
Ik zal me nu ook nooit meer kunnen ergeren aan het feit dat, net als ik vind dat ik wel eens in de tuin van een welverdiende rust mag genieten, mijn favoriete plekje is ingenomen door een groepje keuvelende gasten. Ik kan me niet eens voornemen me daar niet meer aan te ergeren. Die hele tuin is voor ons alleen! Ik hoef nooit meer iemand uit te leggen wat ons in vredesnaam heeft bezield om, met achterlating van familie, vrienden en kindvriendelijke scholen, ons op het Franse platteland te vestigen. Het tegenovergestelde hoef ik trouwens ook niet meer uit te leggen: dat ons dorp ondanks de ogenschijnlijke idylle toch misschien niet de meest ideale plek is om te wonen. Ik hoef nooit meer bang te zijn dat er op de zaterdagavond dat alle gasten na een hele dag reizen moe te bed liggen, opeens een hels kabaal uit de naburige feestzaal komt omdat een juist getrouwd stel het zo nodig vindt om daar op technoklanken tot vier uur ’s ochtends hun huwelijk in te zegenen.
Maar het ergste van alles is, dat ik niemand er meer de schuld van kan geven als er iets fout gaat. Als de afvoer verstopt raakt, heb ík dat op mijn geweten. Als de ramen tijdens een zware onweersbui open blijken te staan, heb ík vergeten ze te sluiten en niet zo’n onnadenkende gast. En wat ik bovendien zal missen, is dat egostrelende gevoel het altijd beter te weten, want per definitie weet de gastheer natuurlijk alles beter dan zijn gasten. Nee, wat tot voor kort op een logische, verstandige en onvermijdelijke beslissing leek, is inmiddels al ineengeschrompeld tot een mogelijk juiste, maar evenzogoed toch wel tamelijk arbitraire stap. Het zou ook goed denkbaar zijn geweest als we …, en wat ook een mogelijkheid zou zijn geweest is dat …, of hadden we misschien beter …? Altijd al geweten dat het moeilijk is je bij het onvermijdelijke neer te leggen, maar als je zelf die onvermijdelijkheid hebt gecreëerd is het misschien nog moeilijker. Dan ben je bezig met het Opperwezen te concurreren. Daarvoor moet je wel erg sterk in je schoenen staan.
Moe
Ik maak me er vandaag met een Jantje van Leyen vanaf. Dat zit zo: vandaag is de eerste dag van onze laatste cursusweek. Buiten onszelf als ondersteunende staf en twee docenten zijn er zevenentwintig mensen die verwachtingsvol zo’n week tegemoet zien. Ze weten bijna allemaal dat we ermee gaan stoppen. Een enkeling niet. Die dan uitroept: ‘Nu ben ik hier eindelijk en nou houden jullie ermee op. Kan ik hier dan nooit meer komen?’ Veel vragen met de strekking ‘Wat gaan jullie hierna doen?’ worden ons gesteld. En ik was al tamelijk moe. Gisteren hadden we namelijk een groot feest van onze Engels-Franse vrienden. Hij, de Engelsman en gepensioneerd architect, had een vernissage van zijn werk (dorpsgezichten van Saint Didier) in onze lokale feestzaal. Dat was dus twee uur lang met het glas in de hand kletsen. Curieuze toestand eigenlijk zo’n vernissage. Als er genoeg mensen komen – en dat was gisteren helemaal het geval – dan ben je met zoveel, dat niemand meer een schilderij van verder dan vijftig centimeter kan bekijken. Meestal zijn ze dan niet op z’n voordeligst. Na afloop van de vernissage was er een diner in een grote feesttent naast de expositieruimte. Dat werd dus nog eens vier uur zitten, praten, eten en drinken met het geroezemoes van een kleine honderd genodigden op de achtergrond. Vanaf een uur of tien zat ik op de meest verschrikkelijke manier door. Het liefst had ik me onder de tafel laten zakken om rustig te gaan slapen. De benen nemen met het trouwens geheel valide excuus dat wij anders dan de andere aanwezigen de volgende dag – vandaag, zondag dus – een zware werkdag voor de boeg hadden, zou niet gewaardeerd worden. Ik deed niet eens meer mijn best om mijn gesprekspartners te verstaan. Ik knikte, vriendelijk glimlachend en hoopte maar dat niemand zou vragen ‘En Ton, wat vind jij daarvan?’, want ik was al tijdenlang de draad van het gesprek kwijtgeraakt. We hebben het tot en met het dessert volgehouden, maar de koffie hebben we niet meer afgewacht.
Vandaag heb ik weer mijn wekelijkse rondjes over het gras gedraaid, mensen een parkeerplaats, een kampeerplek gewezen, wijn geschonken en soep rondgedeeld, en weet: het is mooi geweest, ik ga nu lekker mijn bed in.
De dansbaarheidstoets
Vroeger hield ik van de verkeerde muziek. Vanaf het moment dat we thuis een pick-up hadden – ik zal twaalf geweest zijn – besteedde ik al mijn schaarse zakgeld aan de aanschaf van grammofoonplaten. Meestal EP’tjes, want voor LP’s moest ik te lang sparen. Zo had ik tegen de tijd dat de schoolfeestjes begonnen al een respectabele discotheek die ik aanvankelijk trots, later met enige schroom en nog later helemaal niet meer meebracht naar onze schuifelavonden. Het probleem was namelijk dat wanneer de disc-jockey – het woord kenden we nog niet, laat staan de deejay – uiteindelijk bereid was een plaatje uit mijn collectie op te zetten, iedereen in koor begon te roepen om goede muziek. Van Miles Davis en Charlie Parker hadden mijn klasgenoten nog nooit gehoord en het aanhoren wilden ze al helemaal niet. Eén plaatje kon echter de dansbaarheidstoets doorstaan. Dat was er een van Sidney Bechet. Dat had ik gekocht in een bui waarin de behoefte om mij te conformeren aan de smaak van mijn omgeving even de overhand had genomen. Bechet was een overlevende van de authentieke New Orleans jazz, die hij vervolgens onder invloed van Parijse sferen een beetje naar zijn hand had gezet. Het resultaat was een aangename muziek waarmee ik mijn grootmoeder niet eens het huis uit kon jagen, maar met de door de ziel snijdende tonen van een Miles of een Bird had dat helemaal niets te maken. Toen over ‘mijn’ jazz de definitieve banvloek was uitgesproken – een van mijn vrienden probeerde mijn leed wat te verzachten met de mededeling dat ze er nog niet aan toe waren; ik vermoed dat hij het nog ver geschopt heeft in het leven – heb ik uit woede mijn plaatje van Sidney Bechet in de verkoop gedaan. Ik kreeg er nog een heel aardig bedrag voor waarmee ik, aangevuld met een week zakgeld, mijn collectie moderne jazz heb uitgebreid.
Vorige week zat ik met mijn boek De toren van Daniël op de Salon du livre van Saint Honoré-les-bains. Dat is de Frankfurter Buchmesse van de Morvan. Minstens even internationaal want aan een tafeltje voor mij zat een Nederlandse die het werk van de Franse filosoof Michel Onfray in het Nederlands vertaalt, naast mij zat een Française van Italiaanse komaf die Nederlanders Franse les geeft tijdens een etentje, en ik heb er nog een Italiaan gesignaleerd die misdaadromans schrijft, o pardon, literaire thrillers. Aan de andere kant naast mij zat Sidney-Daniel Bechet zijn boek over zijn vader te verkopen. Jazeker, ik zat daar op deze prestigieuze salon naast het enige kind van de grote musicus Sidney Bechet. Dat gaf wel de nodige dynamiek rond mijn tafeltje, maar dan helaas wel van mensen die een gesigneerd exemplaar van het boek van Sidney-Daniel wilde. Waarom zit de zoon van een Amerikaans-Parijse jazzmusicus een boek te verkopen in Saint Honoré-les-bains, kun je je afvragen. Omdat het plaatsje vroeger een belangrijk kuuroord was waar Sidney Bechet kwam kuren voor ademhalingsproblemen. En daar is Saint-Honoré hem nog steeds dankbaar voor, getuige het feit dat de dorpsfeestzaal waarin onze boekensalon plaatsvond, naar hem vernoemd is.
Minder blij waren de Honoriens met een andere illustere passant. Louis Malle – in de jaren zestig beroemd geworden met zijn Les Amants – kwam er niet om te kuren maar om er een film op te nemen. Hij draaide er in 1971 Le souffle au coeur. De benodigde figuranten waren met een gratis middagmaal gemakkelijk te rekruteren en waren bovendien apentrots dat ze in een film van de beroemde Louis Malle meespeelden. Totdat de film uitkwam en bleek dat hij ging over een incestueuze moeder – zoon relatie. Dat werd in het zeer provinciaalse Saint Honoré niet gewaardeerd.
Ik vrees dat mijn passage in Saint Honoré-les-bains minder besproken zal worden dan die van Sidney en Louis. Ik heb er twee exemplaren van De toren van Daniël verkocht: een aan genoemde vertaalster en een aan een echte bezoekster. Ik durf daarentegen te wedden dat Le souffle au coeur er nooit in de bioscoop gedraaid heeft. Dus kan ik me eigenlijk wel een beetje met Louis Malle meten.
Maxime Verhagen, De Telegraaf en ik
Vorig najaar ben ik begonnen aan een groot en gedegen artikel over ontwikkelingsorganisatie SNV. Dat is de club waar ik vroeger met veel plezier bij gewerkt heb en in de jaren tachtig de geschiedenis van geschreven heb. Tot tien jaar geleden was ik hoofdredacteur van het blad Vice Versa dat door SNV werd uitgegeven, een soort vakblad voor ontwikkelingswerkers. Dat blad bestaat nog steeds, maar is inmiddels door SNV afgedankt. Met de vorige hoofdredacteur van Vice Versa had ik de afspraak voor dat artikel gemaakt. Het artikel is er nooit gekomen, of liever gezegd: het is nooit gepubliceerd. De nieuwe hoofdredacteur van Vice Versa – die ik zelf destijds uit de redactie had gezet omdat ik hem oncapabel vond – wilde het verhaal niet hebben. Hij vond het te partijdig. Intussen had ik wél maandenlang uitpluizerij in dat verhaal zitten en had ik er talloze mensen – waaronder de SNV-directie – voor geïnterviewd. Dus een beetje zonde om het daar maar bij te laten. En wat belangrijker was: ik had een verhaal dat er niet om loog. Een organisatie die voor 90 miljoen Euro per jaar gesubsidieerd wordt op basis van een subsidieovereenkomst waar mee gesjoemeld wordt, die concurrentievervalsing pleegt op de markt voor adviesdiensten, die subsidiegeld gebruikt om zich om te bouwen tot een commerciële organisatie en die als klap op de vuurpijl zijn directie salarissen betaalt die ver boven de norm voor dit soort organisaties liggen. De conclusie was dat het ministerie onder leiding van Bert Koenders jarenlang heeft zitten slapen. Kortom, niet iets waarvan je zegt: nou ja dan maar niet. Ik was oprecht verontwaardigd over wat een stelletje opportunisten met ‘mijn’ SNV had gedaan, onder het toeziend oog van voorzitter Lodewijk de Waal die, toen hij nog FNV-voorzitter was, zich druk maakte over de graaicultuur. Dus stapte ik naar Vrij Nederland, dat binnen 24 uur toehapte. ‘Maar, Ton je begrijpt natuurlijk wel dat we het niet in deze vorm kunnen plaatsen.’ Dat begreep ik, want ik had het tenslotte voor een vakblad geschreven en niet voor een opinieweekblad. Ik ging ermee akkoord dat we ons eerst op de salariskwestie zouden concentreren en dat in een volgend artikel de meer inhoudelijke aspecten aan bod kwamen. Daar heb ik wel plezier van gehad. In eerste instantie gebeurde er niet veel. Tot we de SP konden motiveren om kamervragen over de kwestie te stellen. Toen pikte De Telegraaf de zaak op en deed Maxime Verhagen wat zijn collega Koenders al jaren eerder had moeten doen: zeggen dat zulke salarissen (we hebben het over 1,5 tot ruim 1,8 ton per jaar) voor een gesubsidieerde organisatie helemaal niet kunnen en voor een ontwikkelingsorganisatie in alle opzichten onethisch zijn. Opeens zag ik mij in het goede gezelschap van ’s lands grootste ochtendblad en de politiek leider van het CDA. Wie had dat ooit kunnen bedenken? Ik niet.
Wat ik ook nooit had kunnen bedenken, is dat het zo ver is gekomen. Dat een organisatie met een lovenswaardige doelstelling en met voor het grootste deel gemotiveerd personeel zo ontsporen kan. Waarom heeft niemand binnen de organisatie ooit zijn mond opengedaan over onfatsoenlijke salarissen? Waarom is er binnen de club geen oppositioneel front van weldenkenden opgericht? Waarom hebben zusterorganisaties als Hivos en Novib hun mond gehouden? Waarom moest het duren totdat Ton Nijzink weer eens een kijkje in Nederland kwam nemen voordat er iets gebeurde? Daar kan ik werkelijk nog steeds niet met de pet bij. Of is het zo dat, als je er met je neus bovenop staat, alles zo geleidelijk gebeurt dat je nauwelijks in de gaten hebt dat er een heilloze weg is ingeslagen? Onzin, je ziet het wel maar je denkt: ‘dit is eigenlijk te onbelangrijk om echt een punt van te maken, als het erger wordt, ga ik aan de bel trekken’. Of is het zo dat, als je in het begin je mond houdt omdat je niet de querulant wilt zijn, je later je mond houdt uit schaamte omdat je in het begin niets gezegd hebt? Om nog maar te zwijgen van het pure eigenbelang: de hoop een graantje mee te pikken of de angst eruit te vliegen. Veel van dit soort processen zijn beschreven in het kader van de Duitse bezetting. Ik geloof niet dat het demagogisch is om zo’n vergelijking te maken. Als in het klein je eerste reactie is om compromissen te sluiten ook daar waar principiële zaken in het geding zijn, dan vrees ik dat dat in grote zaken niet veel anders is.
P.S.: Dat inhoudelijke verhaal is nooit in VN gekomen. Dat was te verwachten. Met genuanceerde kritiek op ontwikkelingshulp maak je ook bij de serieuzere media geen grote kans. Met een sexschandaal, financiële malversaties en corruptie kom je al gauw een stuk verder. Dat maakt mede dat het grotere publiek nooit geleerd heeft mee te denken over de rol van ontwikkelingshulp, waardoor die hulp een sluitpost op de begroting kon worden.
Volgend jaar naar Afrika
‘Wanneer gaan jullie terug naar Nederland?’ Sinds we hebben laten weten dat deze zomer de laatste is van ons cursuscentrum in de Morvan, is dit de standaardvraag die ons gesteld wordt. Curieus eigenlijk. De veronderstelling is dat, als eenmaal het werk hier ophoudt, de aantrekkingskracht van Nederland zo groot zal zijn dat wij onvermijdelijk terugkeren naar ons vaderland. De enige uitzondering op deze regel is tot nu toe een Nederlandse vriend die al twintig jaar in Spanje woont. ‘Je gaat natuurlijk niet terug naar Nederland’, nam hij aan toen ik hem vertelde dat wij na de zomer de tijd gaan nemen om over onze toekomst na te denken.
Op de vraag wanneer wij teruggaan naar Nederland volgt vaak – zonder mijn antwoord af te wachten – de constatering dat het wel erg moeilijk zijn om afscheid te moeten nemen van onze huidige plek. Het is waar, we wonen prachtig, in een prachtig gebouw met een prachtige tuin, in een prachtige omgeving. Maar ik heb nog steeds de overtuiging dat je ook van schoonheid kunt genieten als je er niet de eigenaar van bent. Bovendien heb je dan niet de zorgen van het onderhoud van al dat prachtigs. Dus ja, als het zover is, zal ik met pijn in mijn hart afscheid nemen van onze mooie stek, maar ook met het prettige gevoel dat ik er opeens twee of meer dagen per week bij heb. Maar of ik die, met die andere vijf, in Nederland wil doorbrengen is nog maar helemaal de vraag. Wat is het aangename van Nederland? Dat ik er familie en vrienden heb wonen. Maar voorlopig zijn die nog reislustig en goed ter been en dat zijn wij zelf ook, dus dat kan geen goede reden zijn. Wel is het zo dat je in deze levensfase gauw geneigd bent de vergissing te maken om de rest van je leven als een homogene periode te zien. Alsof het leven in drie fases is in te delen: een vormende tot pakweg je vijfentwintigste, een werkzame tot je vijfenzestigste en dan nog het lange rechte eind naar de finish. Alsof de weg die je bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd inslaat, een definitieve onomkeerbare keuze voor die laatste fase is. Zoiets als de schoolkeuze op je twaalfde: wordt het vmbo (ik wilde schrijven lager beroepsonderwijs maar dat bestaat dus niet meer; wee de onverlaten die daar verantwoordelijk voor zijn) dan zal het zeker geen vwo worden. Of je studiekeuze op je achttiende: ga je sociologie studeren, dan is de kans buitengewoon klein dat je dat later nog verandert in wiskunde of dat je besluit loodgieter te worden. Volgens mij is het aangename van deze levensfase nou juist dat je bijna alle kanten op kunt en ongestraft van richting kunt veranderen. Gezondheid en financiële middelen perken misschien je keuzevrijheid wat in. Maar er blijft altijd genoeg te kiezen over. Een nieuwe academische studie? Waarom eigenlijk niet. Een nieuwe relatie? Het gebeurt dagelijks. Verhuizen naar Marrakesh? Ook met een bescheiden pensioen schijn je daar nog heel aardig te kunnen leven. Om over exotischer plaatsen op deze planeet maar te zwijgen. Maar wat ik eigenlijk zeggen wil, is dat het bereiken van die felbegeerde status van gepensioneerde je de mogelijkheid geeft om niet verder vooruit te hoeven denken dan zeg vijf jaar. Je hoeft geen huis meer te kopen met een hypotheek met een looptijd van dertig jaar. Je hoeft geen carrière meer te plannen. Je hoeft geen rekening meer te houden met kinderen die nog vijftien jaar afhankelijk van je zijn. Kortom, eindelijk kun je een beetje onverantwoordelijk aanrommelen zoals je het had moeten doen toen je twintig was. Sinds ik me dat realiseer, geef ik volstrekt onverantwoordelijke antwoorden op vragen over mijn toekomst: ik weet het niet, ik zie wel, lijkt me ook wel leuk, misschien ga ik wel… De beste is tot nu toe: ‘We denken erover om volgend jaar naar Afrika te vertrekken.’ ‘Met vakantie?’ ‘Nee, voor onbepaalde tijd.’ Succes verzekerd.
Moeder de gans
Twee weken op een plek zonder elektriciteit en internet. Sterker nog: zonder stromend water. Voor sommigen ongetwijfeld een horrorscenario, voor anderen misschien iets om te dromen over het ware leven in de ongerepte natuur. Maar ik ga er niets over vertellen. Ik ben al lang geleden opgehouden met het vertellen over mijn vakanties. Na mijn eerste reizen naar verre streken, meende ik dat ik iedereen moest vertellen van al het mooie en bijzondere dat ik onderweg had gezien. Het zal wel aan mijn gebrekkige verteltalenten hebben gelegen, maar dat resulteerde altijd in gegeeuw. En als ik probeerde er nog een schepje bovenop te doen met nog een paar superlatieven, het mocht niet baten. Verveling. Dus besloot ik na verloop van tijd alleen nog maar de rampverhalen te vertellen. Sappige verhalen over alles wat mis was gegaan. Dan zou ik mijn gehoor de gelegenheid geven te genieten van mijn ellende. En wat is er nou mooier dan andermans malheur? Dacht ik. Maar ook toen weer die blikken. ‘Heb je nou echt niets leuks meegemaakt?’, las ik in de ogen van mijn gehoor. Ze begrepen niet waarom ik überhaupt op reis ging, als dat iedere keer leidde tot kwelling en ergernis. Ik erkende de logica in die reactie en hield op met vertellen. Ik geef enkel nog wat summiere informatie op verzoek: ja het was er mooi, ja we hadden goed weer. Een enkele keer zondig ik, zoals toen ik het voor elkaar kreeg op de eerste dag van de vakantie schipbreuk te leiden. En met de kano op vakantie vertrekken en de pagaaien vergeten mee te nemen, is natuurlijk ook een goede. O ja en dan die keer dat we gingen kamperen in de Provence en ik de tentstokken thuis had laten liggen. En die fietsvakantie waarin we onze fietsen kwijtraakten. Nee, stoppen nu, onmiddellijk. Het is bijna sterker dan mijzelf, het mij koesteren aan de rampen en rampjes waaraan we toch maar mooi veilig en wel ontsnapt zijn. Ik vertel dus niets over mijn afgelopen vakantie. Dat hoeft ook niet, want hij stond voor een goed deel in het teken van het WK-voetbal (waar moeten we heen om vanavond Nederland – Uruguay te kunnen zien?) en dat was op zich al rampzalig genoeg. Nee, laat ik het eens over iets echt belangrijks hebben. Over de watervogelstand in het meer voor ons huis bijvoorbeeld. Daarop zwemmen waterhoentjes, eenden, futen, soms zwanen en sinds een paar jaar nog maar één gans. Waar de andere gans is gebleven, weten we niet. Of het een mannetje en een vrouwtje waren, weten we ook niet, want met kleintjes hebben we ze nooit gezien. Maar nu het vreemde. Tijdens een kanotochtje over het meer een paar maanden geleden zag ik onze gans met zeven kleintjes. Hoe dit nu? Geen man en wel kleintjes? Dat was sinds het jaar nul toch niet meer gebeurd? Een raadsel dus en misschien wel een authentiek mysterie. Omdat ik mezelf niet helemaal vertrouwde, vertelde ik mijn waarneming aan Jacqueline. Maar zij heeft hetzelfde fenomeen een paar dagen later ook gezien, dus was er wel degelijk sprake van een geverifieerd wonder. Toch?
We zijn nu een maand of twee verder en nog steeds zwemt moeder de gans omringd door zeven al iets grotere kleintjes over het meer. Maar er is wel iets vreemds met die kleintjes. Ze blijven erg klein en ze willen maar niet wit als moeder worden. De buurvrouw die vanaf haar uitkijkpost naast de voordeur het fenomeen ook al maanden heeft gevolgd, heeft de oplossing: in den beginne was er een eend met zeven kleintjes, die zo onverstandig was om te dicht bij het erf van overbuurman te blijven die, zoals bijna alle boeren hier, ook een verwoed jager is. Weliswaar mag er in deze periode helemaal niet gejaagd worden, maar wat doe je als jager als je zin hebt in eend en je hebt een groot geweer in de kast staan? Naar de poelier rijden? Misschien was het wel zondag. Zo mogen we dan misschien niet het mysterie van de onbevlekte ontvangenis voor de deur hebben, maar wel het wonder van een alleenstaande gans die zich over zeven kleine eendjes ontfermt. Een rampverhaal met happy ending, een vakantie waardig.