Het Frankrijk van Sarkozy

Over vijf dagen verlaten wij Nederland.

‘Ziek van Sarkozy heeft Marie Ndiaye haar geboorteland Frankrijk de rug toe gekeerd’ kopte De Volkskrant van 18 december boven een paginagroot interview met de Franse schrijfster. Op de vraag ‘Voelt u zich prettig in het Frankrijk van Sarkozy’ had ze een jaar geleden een journalist geantwoord: ‘Het klimaat van bespieden, van vulgariteit vind ik verwerpelijk … Besson, Hortefeux (de ministers verantwoordelijk voor het immigratiebeleid, TN), ik vind die mensen monsterlijk. Dat Frankrijk vind ik monsterlijk.’ Haar beslissing om in Berlijn te gaan wonen, was deels het gevolg van het feit dat Sarkozy president was geworden, vertelde ze.

Oehoe, daar bij De Volkskrant, hebben jullie het gehoord? Ik verlaat over vijf dagen het land – op Kerstmis, het feest van de vrede, geen toeval natuurlijk – omdat ik die Wilderskliek met zijn liberale en christendemocratische epigonen spuugzat ben. Ik heb dan wel geen Prix Goncourt gewonnen zoals Marie Ndiaye, maar een nominatie voor de AKO-literatuurprijs zit er rond 2020 best in. Dus willen jullie dit even prominent op pagina 3 van de boekenbijlage zetten?
Trouwens, het klopte niet echt wat De Volkskrant schreef. Een dag na het geruchtmakende interview met ‘Les inrocks’ corrigeerde Marie Ndiaye zichzelf op de radio. Ze wilde helemaal niet de indruk wekken de een of andere ondraaglijke tirannie te ontvluchten. ‘Het is eenvoudig zo dat ik sinds enige tijd de atmosfeer in Frankrijk nogal deprimerend en druilerig vind, in Berlijn lijkt het me op het ogenblik stimulerender.’  Haar vriend maakte er haakjes sluiten van door te melden dat ze waarschijnlijk ook naar Berlijn waren vertrokken als Ségolène Royale de verkiezingen had gewonnen. Maar omdat daar geen soep van te trekken valt, moeten we zonodig een Marie Ndiaye gepresenteerd krijgen die groen en geel van ellende in Straatsburg de Rijn nadert om vervolgens jenseits opgelucht adem te kunnen halen.
Nee, dan mijn verhaal. Ik ga over een paar dagen een 50-kilometerdeken trotseren om bij Eijsden het land te kunnen verlaten. Dan moet ik vervolgens een niet-bestuurd land door (wat godzijdank iets anders is dan niet-bestuurd een land door) om uiteindelijk toevluchtsoord Frankrijk te kunnen bereiken. Wat zegt u? Het Frankrijk van Sarkozy? Kom nou, dat duurt nog maar anderhalf jaar. Dat kunnen jullie hier in Nederland niet van Wilders zeggen.
  

Gebraden kalkoen

Het schijnt vrijdag al op de radio geweest te zijn, maar ik las het gisteren zwart-op-wit in de krant : twee directeuren – Dirk Elsen en Annemiek Jenniskens – van SNV moeten een deel van hun salaris inleveren. Dat begon zo:
 

Ton Nijzink: De SNV-directie is binnen de OS-organisaties de best betaalde.
Dirk Elsen: Dan heb je niet goed gekeken.
TN: Ik heb verdomd goed gekeken. Jullie zitten stukken boven de middenmoot.
DE: Meerdere mensen zitten boven ons.
TN: In de OS-sector?
DE: Ja. Ik ga je niet zeggen wie dat zijn.
TN: Dat neemt niet weg dat jullie in de top zitten, bovenin de schaal volgens de code Wijffels. De mfo’s zitten daar beduidend onder.
DE: Dat is de afspraak die met de Raad van Toezicht is gemaakt.
Annemiek Jenniskens: Die afspraken zijn ook bij de verzelfstandiging met het Ministerie gemaakt: dat we op een redelijk directieniveau zouden zitten.

Dit gesprek had ik ruim een jaar geleden op het hoofdkantoor van SNV. Ik was bezig aan een artikel over SNV voor Vice Versa, het blad waarvan ik vroeger hoofdredacteur was. Maar, hoewel ik een spijkerharde afspraak had met zijn voorgangster Evelijne Bruning, besloot de kersverse nieuwe hoofdredacteur Marc Broere om het artikel niet te plaatsen. Het zou te partijdig zijn. Dat haalt je de koekoek. Natuurlijk kies ik partij tegen ordinaire zakkenvullers. Vervolgens stapte ik naar Vrij Nederland dat het verhaal wel wilde plaatsen. Weliswaar in sterk afgeslankte vorm en met name zonder veel van de inhoudelijke kritiek op de organisatie, maar toch, beter dan helemaal niet. Het vervolg is bekend. De SP pakte de salariskwestie op, Maxime Verhagen kwam in het geweer en uiteindelijk dwong de Tweede Kamer – op straffe van stopzetting van de subsidie – SNV en nog een paar organisaties de directiesalarissen te verlagen. Intussen is mijn naam al lang niet meer aan het verhaal verbonden. Nou ja, niet voor iedereen. Ik weet zeker dat Jenniskens en Elsen mij graag als gebraden kalkoen op de kerstdis zouden zien.  

Winterweer

Al voor dat ik echt begrepen had dat het winter was, was hij alweer voorbij. Dat zou ik willen, want winter is geen jaargetijde dat vrolijke gedachtes bij mij losmaakt. Het begint al bij de herinnering dat ik acht jaar oud huilend op de fiets naar huis reed. Ik had ’s middags geschaatst op de tot ijsbaan omgetoverde tennisbaan. Nou ja, geschaatst. Ik was vooral bezig geweest om de banden van mijn Friese doorlopers strakker te trekken omdat die schaatsen de hinderlijke neiging hadden steeds onder mijn schoenen vandaan te schuiven. Dat was een aanslag zowel op mijn vingers die steeds verkleumder raakten als op de bloedsomloop in mijn voeten. Verlekkerd had ik naar meisjes op kunstrijschaatsen gekeken die zulke problemen niet hadden. Vervolgens was ik tijdens een van deze manoeuvres mijn wanten kwijtgeraakt zodat ik in de kou van de vallende avond met blote handen naar huis moest fietsen. Het heeft me voor lange tijd genezen van het idee dat schaatsen leuk was. Op latere leeftijd kwam daar nog bij dat de ijsbaan een mooie gelegenheid was om meisjes te versieren en dat ging mij strompelend op mijn Friese doorlopers niet goed af.
De winter was ook de tijd van de schoolfeestjes. God bewaar me! Ik kan nog zo in bitter geschrei uitbarsten als ik me herinner hoezeer ik bij die gelegenheden geleden heb.
Schön ist die Jugendzeit, sie kommt nicht mehr.
De hemel zij dank. Die verschrikkelijke feesten waar ik met de moed der wanhoop naar toe ging. Vroeger of later eindigden ze altijd in een hengstenbal. Dan zaten we kettingrokend dapper de avond uit om vooral niet te laten merken dat er weer een diepe kerf in onze zielen was aangebracht. Het zal bij de meeste meisjes niet veel anders geweest zijn, maar onze werelden werden door een diepe kloof  gescheiden.
Op de een of andere manier associeer ik deze ellende met drabbige sneeuw op de weg. Helaas werkt de associatie ook andersom. Zodra het maagdelijk sneeuwdek verworden is tot een grauwe massa, word ik onmiddellijk door melancholie overvallen. Zo kwamen er onlangs, fietsend op een plek in Nederland waar voor mij geen enkele jeugdherinnering ligt, twee liedjes mijn hoofd binnen die weigerden daar weer uit te vertrekken.
Het eerste was “I Saw Her Again Last Night” van The Mama’s & the Papa’s en het tweede “I’ll Feel a Whole Lot Better When You’re Gone” van The Byrds.
Ik was ze al jaren kwijt, maar daar waren ze opeens om mij te herinneren aan een winter eind jaren zestig dat ik samenwoonde met vriendin A, terwijl ik hevig verliefd was op vriendin B. Ik heb me zelden zo ellendig gevoeld en voor mijn gevoel was Amsterdam die winter gehuld in een grauwe laag smeltende drab. Ik heb het overleefd. Ik ben trouw gebleven aan vriendin A (wat heel dom van me was) en ik ben vriendin B kwijtgeraakt (waar ik vele jaren spijt van heb gehad). En die twee liedjes waren er toen om mij zout in de wonde te strooien. En natuurlijk ook om te zwelgen in mijn ongeluk. Gelukkig is het allemaal nog goed met me gekomen. Maar het kwaad was definitief geschied: winterweer betekent relationele ellende.
Dus toen in mijn naaste omgeving de onheilstijding ‘het is uit’ werd gebracht op het moment dat ik mij behoedzaam door lagen tot pap gereden sneeuw bewoog, was mijn cirkel rond. Misschien moet ik toch serieus overwegen te verhuizen naar een streek waar nog nooit een vlok sneeuw gevallen is, al was het maar om mijn naaste omgeving te behoeden voor stuklopende relaties.

Zul je mij niet horen zeggen

“O nee hè? Je gaat toch niet weer zo’n verhaal schrijven over hoe het is om als émigré terug in Nederland te zijn? Dat vindt niemand interessant.” Ik keek de spreekster, mijn vrouw Jacqueline,  verbouwereerd aan. Wat krijgen we nu? De ontheemding is mijn fond de commerce, mijn specialiteit, mijn hobby en gedeeltelijk mijn broodwinning. En nu zou dat niet interessant zijn? “Nee, want jij vertelt altijd dat Nederland vergeleken met Frankrijk zo’n verschrikkelijk land is en dat wil niemand horen.” Vind ik dat echt? Een beetje gelijk heeft ze wel. Ik loop altijd hoog op te geven over de Franse wellevendheid, over de manier waarop Fransen eten en drinken tot een bijzonder tijdverdrijf maken, over de voortreffelijke Franse gezondheidszorg. Over het landschappelijk schoon hoef ik niets te zeggen, tenslotte is Frankrijk nog steeds veruit de meest populaire vakantiebestemming onder Nederlanders.
Er waren niettemin nog steeds een aantal zaken waarop ik Nederland hoger waardeerde dan mijn huidige thuisland. Onderwijs bijvoorbeeld. Frankrijk heeft de middenschool die er in Nederland nooit gekomen is: voor 11- tot 16-jarigen één schooltype. Of je nu een gedoodverfde professor, boerenknecht of bakker bent, maakt niet uit. Allemaal hetzelfde onderwijs. Over het fiasco daarvan wordt al decennia gepraat, maar aan een wezenlijke hervorming ervan wil niemand zijn vingers branden. Het hoger onderwijs is een iets gedifferentieerder rampverhaal. De universiteiten kampen met te grote aantallen studenten en te weinig middelen en lijken in veel opzichten meer op ons hbo dan op onze universiteiten. Frankrijks echte elite wordt opgeleid op de zogeheten Grandes Ecoles die variëren van ingenieursopleidingen, via SciencePo (politieke wetenschappen) tot de ENS waar de briljante wetenschappers worden gevormd. De afvalrace om op een van die scholen toegelaten te worden is moordend tenzij je een authentiek genie bent. De cijfers over de herkomst van de studenten is sprekend: de selectie blijkt een perfect instrument te zijn om de zittende elite te recycleren. Dat we in Nederland met de plannen van het kabinet Wilders dezelfde kant opgaan, zul je mij natuurlijk niet horen zeggen.
Ontwikkelingshulp dan. Een onderwerp dat me al zo’n jaar of veertig na aan het hart ligt. De Franse hulp kwam als percentage van het bnp altijd al stukken lager uit dan de Nederlandse. Bovendien stond die hulp ook nog ten dienste van het welbegrepen eigenbelang. Dus gericht op ex-koloniën om die binnen de politieke invloedssfeer van Frankrijk te houden. Dus vaak ter ondersteuning van de Franse economische belangen in die landen. Nee, dat deden wij in Nederland met onze spreekwoordelijke generositeit wel anders. Ontbinding van de hulp werd ooit een sleutelwoord: de ontvangende landen mochten zelf bepalen waar ze hun bestellingen plaatsten, daarvoor hoefden ze niet bij Nederlandse bedrijven aan te kloppen. Dat we in Nederland met het ontwikkelingsbeleid van het kabinet Wilders proberen Frankrijk te overtreffen in het vooropstellen van het eigenbelang, zul je mij natuurlijk niet horen zeggen.
Wat Nederland door de eeuwen heen misschien een beetje boven zichzelf heeft doen uitstijgen is de naar buiten gerichte blik, het gemak waarmee we ons over de ganse aardkloot verspreiden, het belang dat we hechten aan het spreken van vreemde talen. Frankrijk is nog steeds een erg naar binnen gekeerd land. Door vreemdelingen worden de Fransen vaak als arrogant gezien.Toch klagen ze steeds minder over die buitenlanders die geen Frans spreken. In plaats daarvan beklagen ze nu zichzelf omdat ze geen vreemde talen spreken. En je zult het nog meemaken dat ze straks wél behoorlijk Engels op school leren en onbekommerd de wijde wereld intrekken. En je zult mij natuurlijk niet horen zeggen dat de Nederlanders dankzij het kabinet Wilders bezig zijn een volk van egocentrische navelstaarders te worden. Zo hoog schat ik de invloed van verkeerde politici niet in.
 

Doe Ton een lol

Terug in Nederland. Schrik niet beste lezer, het is maar voor even. Nou ja, even: het is wel een hele maand. Een beetje tot mijn verbazing leek hier alles bij het oude. Na een vreselijk verkeerde verkiezingsuitslag en een nog verkeerdere kabinetsformatie denk je op afstand onwillekeurig dat zoiets zijn sporen wel zal nalaten. Nou zal dat ook wel, maar het is niet meteen zichtbaar. Hou zou zoiets ook zichtbaar moeten zijn? Direct bij de grens al een bord dat 130 km/u is toegestaan?* Opeens geen hoofddoekje meer op straat te zien? Gesubsidieerde blondeerbehandelingen bij de kapper? PVV-milities die de straten blank houden? Nee dus. Gelukkig wel twee dagen na onze aankomst demonstraties tegen de btw-verhoging en bezuinigingen op cultuur. Nederland is blijkbaar nog niet helemaal murw. Maar wie zie ik als een van de kopstukken tegen de culturele kaalslag optreden? De verschrikkelijke Bolkestein. Die wel weet waar cultuur uit betaald kan worden: vermindering van de ontwikkelingshulp. Guttogut wat ben je weer dapper Frits. Ik zal de laatste zijn om te beweren dat iedere Nederlandse Euro besteed aan ontwikkelingshulp ook effectief bijdraagt aan armoedebestrijding, maar als je iets niet goed doet, zou je je best moeten doen om het beter te doen, niet besluiten om er maar mee op te houden.
Is er dan niets zichtbaar veranderd tijdens mijn acht maanden afwezigheid? Tijdens mijn wandelingetjes met de hond zie ik minder bordjes Te Koop in tuinen staan. Wordt er in Nederland dan weer gewoon verkocht? Niet met zekerheid te zeggen, want het kan net zo goed betekenen dat eigenaren moedeloos hun huizen weer uit de verkoop hebben genomen. De Roemeense accordeonist (dezelfde!) zit nog steeds voor de supermarkt. Je kunt blijkbaar gemakkelijker op korte termijn de btw verhogen dan buitenlanders het land uitmikken. Volhouden mensen! Misschien overleeft dit kabinet de jaarwisseling niet.
Mijn stellige overtuiging dat de PVV hoofdzakelijk bevolkt wordt door boeven, slechteriken en domoren, werd de afgelopen dagen ruimschoots bevestigd. Of me dat nu echt deugd doet, is moeilijk te zeggen, maar zolang het Nederlandse volk nog een paar greintjes fatsoen heeft, maakt dat de levensverwachting van deze abjecte politieke beweging een stuk korter en daarmee natuurlijk ook de slagingskansen van deze regering. En dat doet me natuurlijk wél goed.
Intussen geldt voor Nederland hetzelfde als voor Frankrijk: je kunt je wel alvast vrolijk zitten maken om de onvermijdelijke politieke afgang van rechts, maar als je daar tegenover geen coherente visie hebt waarachter zich een meerderheid kan verenigen, dan is er nog weinig gewonnen. Van een stuurloos ronddobberende sociaal-democratie moeten we het in beide landen niet hebben. Maar van wat dan wel? In Duitsland lijken de groenen het initiatief ter linkerzijde naar zich toe te kunnen trekken. In Frankrijk zijn er de eerste tekenen dat het daar ook wel eens die kant op zou kunnen gaan. Maar hier? Een alliantie tussen SP en GroenLinks zou zo’n aardverschuiving ter linkerzijde teweeg kunnen brengen. Dat zou nou toch leuk zijn voor de volgende keer dat ik in Nederland terug ben. Kom op mensen, doe Ton nou eens een lol!

* Dat bord staat er inmiddels wél.

Patrick en Pascale

Wat is er zo leuk om in Frankrijk te wonen? Door de Nederlanders die ik hier ken, wordt die vraag doorgaans beantwoord met een aantal loftuitingen op het Franse landschap (mooi, afwisselend, wijds) en de Franse stadjes (mooi, gezellig, pittoresk), kortom evenzovele redenen voor Frankrijk als toeristische bestemming, maar nog niet om er te wonen. Want wie zou er nou in hemelsnaam in Luxor of op de Kilimanjaro willen wonen? Daarom ga ik nu een heel onverwacht argument voor het wonen in Frankrijk in de strijd werpen, namelijk de Fransen. Jazeker wel. De Fransen zijn leuk. Dat is natuurlijk net zo’n stompzinnige bewering als over Friezen die stug zijn (of waren het de Groningers?) en Schotten die zuinig zijn, maar toch. Ik beleef veel plezier aan de Fransen. Een van de cliché’s over de Fransen is dat ze iets met de liefde hebben. Je weet wel “l’amour, oh la la”. Dat is niet zomaar een cliché, dat is een al minstens vijftig jaar versleten cliché. En toch, en toch. Horen wij in Nederland wel eens iemand in  het openbaar zeggen dat hij van iets of iemand een stijve krijgt? Ik moet het nog meemaken. In Frankrijk is dat een geaccepteerde uitdrukking (“je bande”). En in welk land vind je een president die in het eerste jaar van zijn ambtstermijn zowel scheidt als hertrouwt? En dat laatste nog wel met een zangeres en ex-topmodel. En als we het dan toch over presidenten hebben, wat de Fransen François Mitterrand het zwaarst hebben aangerekend, is dat hij zo lang gezwegen heeft over zijn buitenechtelijke relatie en de daaruit geboren dochter. Ze snapten niet dat hij daar zo’n  probleem van maakte.
Sinds vanaf september de nieuwe programmering op Frankrijks meest beluisterde radiozender France Inter van kracht is, wisselen daar om negen uur ’s ochtends Patrick Cohen en Pascale Clark elkaar af. Nu is het op de Franse radio de gewoonte dat presentatoren de microfoon aan elkaar overdragen. Dat gebeurt doorgaans heel hoffelijk (“sorry dat ik over mijn tijd heen gegaan ben” “logisch jij bent ook veel belangrijker dan ik” “nee, nee, hoe kom je daarbij”) en is soms aanleiding voor grappige intermezzo’s. Maar met de wisseling tussen Patrick en Pascale zijn wij luisteraars getuige van een heuse liefdesaffaire. Pascale, met een stem die rechtstreeks van tussen de lakens vandaan lijkt te komen, brengt Patrick in verlegenheid met schalkse opmerkingen. Patrick zegt met een extra warm timbre in zijn stem dat hij het zo jammer vindt dat hij niet met haar mee kan naar New-York. Pascale decodeert berichten die Patrick voor haar in zijn programma zou stoppen. “O ja , heb ik dat gezegd?”, vraagt Patrick. “O, ik ben helemaal dol op die onderbewuste boodschappen van je”, zegt Pascale. Zo gaat dat nu al maandenlang en ik wacht met spanning op het moment dat een van de twee bezwijkt en zijn liefde voor de ander bekent. Ik hou niet zo van feuilletons, maar van deze amoureuze bewegingen op de vroege ochtend smul ik.  Dat is ook Frankrijk, echt waar.

Mijn geheim

Afgelopen week liepen wij mee in een demonstratie tegen Sarkozy. Officieel ging het om de nieuwe pensioenwet die net is aangenomen door het Franse parlement en tegen de wens van het overgrote deel van de Franse bevolking in. Maar in feite gingen vele honderdduizenden de straat op om te laten weten dat ze president Sarkozy beu zijn. Wij demonstreerden in Chalon sur Saône, een stad van 110 000 inwoners, qua grootte te vergelijken met Leiden of Zwolle. Volgens opgave van de politie liepen wij daar met z’n 5 464-en. Daar mag je gerust een paar duizend bij optellen. De vakbonden komen doorgaans op het drievoudige uit van de aantallen die het ministerie van Binnenlandse Zaken naar buiten brengt, maar het dubbele lijkt niet ver van de waarheid. Zie je het voor je, tienduizend mensen die in Zwolle tegen het regeringsbeleid demonstreren? En dan was het die dag nog een matige opkomst vanwege de herfstvakantie, de benzineschaarste en de demonstratiemoeheid. Als er met zoveel beperkingen toch zoveel mensen op de been komen heeft volgens mij de Franse regering en vooral Sarkozy alle reden om aan de duurzaamheid van het eigen politieke bestaan te twijfelen. Maar daar wilde ik het eigenlijk niet over hebben. Ik wil vooral vertellen over het merkwaardige gevoel dat ik had toen ik in die demonstratie meeliep: het gevoel ergens bij te horen, in dit geval bij die grote groep Fransen die de Sarkozy-kliek zat is. Daar kwam nog bij dat we in Chalon liepen en dat is de stad waarheen we drie jaar lang iedere vrijdag en maandag heen en weer reden om onze zoon te halen en te brengen. Hij zat in Chalon op het Lycée en daar bleef hij door de week op het internaat. Soms gingen wij hem daar door de week opzoeken om bijvoorbeeld een nieuwe winterjas voor hem te kopen, maar meestal gewoon om even een uurtje samen in een café te zitten kletsen. Zulke dingen maken dat je een andere relatie met een stad krijgt. Bovendien ben ik in Chalon in die periode een jaar lang lid geweest van de zeilvereniging en dat was een van mijn beste ervaringen in het Franse sociale leven. Ik heb mij zelden in Frankrijk zo volledig geaccepteerd gevoeld. Wij waren zeilers onder elkaar en het feit dat ik toevallig van Nederlandse oorsprong was, was van geen belang, speelde op geen enkele manier mee in de contacten met de andere verenigingleden. Alleen omdat ik het zeilen op tien kilometer rivier tussen twee vaste bruggen nogal saai vond, ben ik vertrokken naar de Middellandse Zee, maar aan het verenigingsleven lag het niet. Soms heb ik er stiekem nog een beetje spijt van dat ik mijn bootje daar niet heb laten liggen. Dan maar een beetje minder spectaculair varen.
Het gevoel erbij te horen. Of dat nu in de zeilclub is of in een politieke demonstratie, het is een bijzonder prettig gevoel. Bijna of misschien wel helemaal een eerste levensbehoefte. In mijn tweede studiejaar in Amsterdam ging ik niet meer ieder weekeind naar huis – om redenen die ik hier maar even niet uit de doeken doe, ging ik trouwens in die tijd helemaal niet meer naar huis – maar ging ik eens in de twee weken met mijn geliefde naar haar ouders. Dat andere weekeind bleef ik dus in Amsterdam. Zodat ik mee kon doen aan de demonstraties tegen de oorlog in Vietnam van PSP’er Otto Boetes die, ik geloof een keer per maand, op een zondag werden gelopen. En op het Rokin naar de intocht van Sinterklaas kon kijken. Ik kreeg daardoor het gevoel langzamerhand Amsterdammer te worden. Ik hoorde er een beetje bij. Toen in Amsterdam, nu in Frankrijk. Voor de gemiddelde Amsterdammer toen en voor de gemiddelde Fransman nu zal het weinig uitmaken of Ton Nijzink zich in zijn stad of land een beetje thuis voelt. Maar voor mij is het iedere keer weer een wereld van verschil. Daar moest ik vanochtend aan denken toen ik aan Jacqueline vroeg: weet jij wat het is ‘Het geheim van een opgewekt humeur’?
‘Bedoel je dat boek?’
‘Nee, het geheim.’
Mijn geheim heb ik hier onthuld, maar vertel het niet verder, anders wordt het zo druk.

Ik schaam mij

Wat is Nederland een lullig land geworden. Zo, dit moest mij even van het hart. Wekenlang heb ik ondanks maagkrampen en toenemende misselijkheid de kabinetsformatie proberen te volgen. Ik heb de Koningin toegeroepen dat ze die smakeloze labbekakkerige informateurs de oren moest wassen. Eindelijk zag ik toch nog een rol voor de monarchie. Gelukkig heeft Beatrix nog even op haar strepen gestaan toen dat stelletje staatsrechtelijke minkukels dacht alles wel even onderling in een zijkamertje van de herensociëteit te kunnen regelen. Maar verder is het helaas niet gekomen. En nu wordt Nederland dus geregeerd door een zooitje Quislings, een stel collaborateurs het Vichy-regime van Pétain waardig, marionetten in dienst van buikspreker Wilders. Is dit mijn land? Ik begrijp er niets meer van. Hoewel. Een tipje van de sluier werd voor mij opgelicht toen ik laatst onze zoon aan de telefoon had. Serge vertelde mij dat hij er niet in slaagde om zijn Nederlandse medestudenten uit te leggen wat er op dit moment in Frankrijk aan de hand is. Demonstreren, staken, bezetten? Waarom zou je dat doen? Je kunt toch overleggen? Mijn god, ja je kunt overleggen tot je je laatste principes weggemarchandeerd hebt en dan trots zijn dat je zo’n geweldig onderhandelingsresultaat hebt bereikt. Hoezo resultaat? Het resultaat is dat Wilders inmiddels als grootste politieke “partij” in de opiniepeilingen staat. En dat gaat voorlopig niet minder worden. Verhagen, Rutten, Opstelten en Wilders hebben de absolute succesformule bedacht om de laatste tot eenzame hoogte op te stoten: Wilders beslist, de ministers zijn verantwoordelijk. Wilders heeft de positie van de monarch ingenomen. Het koningshuis kan afgeschaft worden. En wat hoor ik voor geluiden uit doorgaans weldenkende kringen in Nederland? Niets, absolute stilte. Ik heb mij vaak afgevraagd hoe het mogelijk was dat zo’n groot deel van de Nederlandse bevolking vanaf 1940 zonder blikken of blozen met de Duitse bezetter ging collaboreren. Dat strookte helemaal niet met het idee dat ik van mijn landgenoten had. Die zouden voor het overgrote deel toch niet zo’n abject gedachtegoed als dat van het nationaal-socialisme kunnen accepteren? Helaas wezen de feiten anders uit. Niettemin heb ik lange tijd het idee gehad dat er wel degelijk sinds de jaren veertig wat veranderd was aan de mentaliteit van de Nederlanders. Te vrijgevochten om zich de wet te laten voorschrijven door demagogen, populisten en andere potentaten. De razendsnelle opkomst van Pim Fortuyn gaf weliswaar een gevoelige knauw aan deze overtuiging, maar het leek er even op dat de redelijkheid na diens dood weer terugkeerde. Nee dus. Blijkbaar is er met de moord op Theo van Gogh een schokgolf door het Nederlandse volk gegaan waarvan het zich niet meer heeft hersteld en waardoor het terugvalt op oude reflexen en ranzige ideeën. Maar waar is nu het denkend deel der natie? Frankrijk gaat al wekenlang massaal de straat op om zijn ongenoegen over het regeringsbeleid van potentaat Sarkozy te uiten (nee, het gaat echt niet alleen maar over pensioenen), een maand geleden werd er nog (iets minder, maar toch) massaal gedemonstreerd tegen de uitzettingen van Roma’s. Maar wat gebeurt er in Nederland? Ik heb nog niets waargenomen. Hoe moet ik dit aan mijn Franse vrienden uitleggen? Ik schaam mij.

Mapenzi

Ik was alweer een week weg. Geen boot gezien deze keer. Zelfs de zee niet. Aan het oplichten aan de horizon kon ik vermoeden dat de zee daar nog steeds was, maar het weer was te heiig om dat kleine strookje blauw in de verte te ontwaren. Ik zat dus weer op dat stukje grond ergens in de Languedoc. Met Jacqueline deze keer. Maar nog steeds zonder elektriciteit en internet. Vandaar dat er vorige week geen column op mijn blog kwam.
Een jaar geleden hebben Jacqueline en ik daar voor het eerst langere tijd doorgebracht. Eerste helft oktober, prachtig weer, dat gaan we opnieuw doen. Maar dan nu met een wat grotere tent om ons comfort nog wat te vergroten. Voor nog geen honderd Euro kochten we een solide uitziende tunneltent met een grote voortent. Als het dan niet zulk uitzonderlijk mooi weer was, zouden we daar dan heerlijk beschut kunnen zitten.
De eerste dag hadden we prachtig weer. Buiten ontbijten, ’s avonds buiten eten en daartussendoor ook alles buiten. In korte broek en sandalen natuurlijk. De tweede dag was wat minder, dus in de loop van de dag verdween het meubilair naar de voortent en zaten we vandaar toch nog heel tevreden van de zonsondergang te genieten. De derde dag was het regen en wind. Toen viel ons op dat onze ideale nieuwe tent misschien toch niet helemaal volmaakt was. Hij bleek namelijk niet voorzien te zijn van een stormrand, waardoor de wind onder de buitentent doorsloeg en onze mooie gerieflijke voortent toch een beetje minder comfortabel was dan we hadden gedacht. Wat langer onder de wol blijven liggen bleek ook geen optie want onze brave hond Mapenzi kon niet tegen het geknal van de jagers om ons heen, zocht onze geruststellende aanwezigheid op en probeerde zich een holletje te creëren tussen de binnen- en de buitentent. Omdat dat een serieuze aanslag op de levensduur van onze tent betekende, ging ik er maar uit om onze hond naar zijn mand te brengen die in het huisje staat. Want behalve dat stukje land, beschikken wij ook over een huisje daarop. Daar kunnen we nog niet in wonen omdat er nog ongeveer alles aan opgeknapt moet worden om het bewoonbaar te maken. Het dient vooral als opslag voor gereedschap, bouwmaterialen en als slaapplaats voor Mapenzi. En nu het regende moest ik daar ook het keteltje water warm maken voor de thee. Zolang ik daar wat in dat huisje rondscharrelde, bleef Mapenzi braaf maar ongelukkig in zijn mand liggen. Zodra ik echter met thee naar de tent ging, volgde Mapenzi mij in mijn voetsporen en daarbinnen begon dan opnieuw de vruchteloze discussie met de hond die zich het liefst onder het grondzeil had verstopt.
Toen het de volgende ochtend weer pijpenstelen goot (bij ons thuis in de Bourgogne was het natuurlijk prachtig weer) en de waarschuwingen voor noodweer bleven aanhouden, zijn we met Mapenzi in de achterbak naar de grote stad vertrokken om niet nog langer het schouwspel van doodsbange natte hond die zich achter de tassen probeert te verstoppen te moeten aanzien. Want ondanks onze verwachtingen van het tegendeel bleken de jagers zich door de stromende regen geheel niet uit het veld te laten slaan.
Het is allemaal toch nog goed gekomen. Het werd opnieuw mooi weer, zodat ik de volgende dagen welgemoed na het eerste schot van de ochtend Mapenzi gezelschap ging houden en wij samen Jacqueline haar ochtendthee kwamen brengen. Alleen, gisteren stak de ‘tramontane’ op. Dat is de regionale variant van de mistral. Dan komt er een snoeiharde, koude wind uit de bergen blazen. Dezelfde die mij een paar weken eerder op mijn bootje het leven zuur kwam maken. Hoe strak ik de tent ook spande, het hele zaakje stond oorverdovend te klapperen. De keuze was tussen een nacht geen oog dichtdoen door het natuurgeweld of een nacht doorrijden naar huis. Wij verbeeldden ons dat Mapenzi ons vannacht dankbaar aankeek toen hij weer in zijn mand bij de keukendeur kon gaan liggen.
 

“een natte boel”

‘Heb je thuis in ieder geval een verhaal te vertellen’, zei de havenmeester. Ik vond het maar een zuinige reactie op het relaas van mijn halsbrekende zeiltocht. Bij de secretaresse van het havenkantoor en een collega-zeiler vond ik gelukkig wat meer medeleven. Iedereen had het wel gemerkt dat het die middag erg hard was gaan waaien, maar ik was de enige die op dat moment op zee zat.
Zoals altijd als ik overweeg te gaan varen had ik die ochtend uitgebreid het weerbericht bestudeerd. Dat zag er goed uit. Aanvankelijk nog wel een krachtige wind, maar die zou al snel gaan afnemen tot matig. Ik gokte het erop en legde geen rif in mijn grootzeil (voor de niet-zeilers onder de lezers: reven of een rif leggen betekent het zeiloppervlak verkleinen). Ik meende dat ik het met een maar ten dele uitgerolde fok wel zou redden. Dat leek ook inderdaad het geval. Met halve wind liep ik voor mijn doen met een bloedgang (6 knopen) weg van de haven van Sète. Zo af en toe was het in vlagen een beetje heftig, maar met wind die binnen een paar uur zou gaan afnemen, leek het een plezierig dagje zeilen te gaan worden. En na het middaguur werd het inderdaad iets rustiger, maar niet veel en die matige wind kwam maar niet. Tot om vier uur ’s middags plotseling de wind dertig graden in noordelijke richting draaide. Ik had mij net voorgenomen richting Sète terug te koersen, want als de wind echt minder zou worden, zou het nog minstens twee uur terugvaren worden. Nu zul je het hebben, dacht ik. Nu gaat de wind afnemen. Dat deed hij drie minuten om daarna met verdubbelde kracht terug te komen. In plaats van de verwachte windkracht 3 à 4 was het nu windkracht 6 à 7 geworden met vlagen van windkracht 8 (stormachtig). Wat dat precies betekent zal ik citeren uit wat ooit de bijbel van de Nederlandse zeilers was, De zeilsport van ir. J. Loeff: “Met windkracht 4 kan bij de wind zeilende door elk welgemanierd jacht, ook zelfs de kleinere, nog van top (d.w.z. met vol tuig; TN) gezeild worden. Bij windkracht 5 zullen verreweg de meeste jachten reven, terwijl het bij windkracht 6 voor het merendeel der vaartuigen van onze Nederlandse jachtvloot al slecht weer begint te worden of is. Men kan nog wel zeilen, moet echter de zeilen goed vol houden om vaart te lopen, daar men anders te veel op en in de zee hakt … Aan boord van vele jachten wordt het dan een natte boel.” En daar zat ik dan in de kuip van mijn 6.20 meter lange jachtje een kolkende zee te trotseren. Mijn anders zo keurig opgeruimde kajuit zag eruit of er net een bominslag had plaatsgevonden. Alles lag in volstrekte wanorde over en onder elkaar. Mijn zeilpak lag in het vooronder, maar ik durfde de kuip geen moment te verlaten uit angst dat de boot onbestuurbaar op de golven terecht zou komen, dus zat ik daar in mijn zomerse tenue de ene hap zout water na de andere over me heen te krijgen. Ik overzag de situatie. Kwart over vier ’s middags. Onder gewone omstandigheden zou ik vanaf het punt waar ik nu lag twee à drie uur nodig hebben om de haven van Sète te bereiken. Maar de omstandigheden waren niet gewoon. En bovendien lag Sète recht in de wind. Terwijl ik, zoals ir. Loeff ook al wist, moest zorgen de zeilen goed vol te houden en dat betekent dus niet scherp aan de wind zeilen, want dan zou ik alleen nog maar op de golven liggen te stampen en niet meer vooruit komen. Dus koos ik een wat ruimere koers met als gevolg dat ik het idee had dat ik zes mijl uit de kust alleen maar aan het heen en weer varen was. Dat verdomde Sète leek geen meter dichterbij te komen. En mijn comfortabele 6 knopen per uur waren ineengeschrompeld tot 2, hooguit soms 2,5 knoop. Het klinkt misschien paradoxaal voor de niet-zeiler maar harde wind betekent niet dat je ook hard vaart. Niet alleen de golven werken tegen, maar ook je boot die door schuin te hangen een ernstig verslechterde stroomlijn heeft gekregen. En de tijd begon te dringen. Om acht uur zou het donker zijn, maar eigenlijk was half acht toch wel het uiterste tijdstip om binnen te varen. Mijn oncomfortabele situatie werd nog vergroot doordat het installatietje waarmee ik mijn roer kan vastzetten, afbrak. Dus moest ik ook nog de hele tijd aan de helmstok hangen. Ik kon me niet herinneren het in mijn zeilend bestaan ooit zo bar te hebben meegemaakt. Behalve dan die ene keer op het Sneekermeer. Okay, het Sneekermeer is niet de Middellandse Zee, maar als je zes jaar bent, is dat toch wel een hele grote plas water. Het was vrijdagmiddag en wij bevonden ons met onze huurboot aan de ene kant van het Sneekermeer, terwijl die boot diezelfde avond aan de andere kant van het meer afgeleverd moest worden. Mijn vader vond het te hard waaien om het meer over te zeilen, dus besloot hij dat we op de motor zouden gaan. Er hing een Seagull-buitenboordmoter aan het scheepje en blijkbaar had mijn vader een groot vertrouwen in de techniek want ik zou met zo’n ding met harde wind nooit het Sneekermeer hebben durven oversteken. Maar alles leek goed te gaan totdat prut-prut-prut, benzine op. Daar wist mijn vader wel raad op: al stampend op de golven vulde hij balancerend op het achterdek het benzinetankje bij dat zich zoals bij een Solex op de motor zelf bevond. Een tamelijk acrobatische bezigheid dus. Ik denk dat ik op dat moment samen met mijn hond de kajuit in ben gedoken om samen bibberend van angst in innige omstrengeling in het vooronder het noodlot te ondergaan. Dat bleef niet uit. De motor wilde niet meer starten. Oorzaak: hij had in de haast de verkeerde jerrycan gepakt en het tankje gevuld met water. In plaats van roemloos aan lager wal terecht te komen, nam hij het heldhaftige besluit om het zeil te hijsen. Daar zat dus geen rif in, want we zouden toch met de motor oversteken? Dus stoven wij met harde wind met vol tuig als enigen over het Sneekermeer. Maar met een belangrijk voordeel boven mijn benarde positie op zee: er hoefde niet aan de wind gezeild te worden. Ik herinner mij nog goed het verlossende moment dat wij eenmaal weg uit de golfslag van het Sneekermeer met halve wind over het gladde water van de Houkesloot scheerden. Pas toen durfde ik mijn hoofd weer boven het dek uit te steken. 
De enige moed die ik uit die ervaring kon putten was, dat het toen goed was afgelopen. Maar intussen zat ik mij eerder te bedenken wat er nu allemaal fout kon gaan. Er kon een stag breken. Dat zou betekenen dat mijn mast overboord zou gaan en ik stuurloos op de golven zou liggen rollen. Ik hoefde er niet aan te denken dat ik met mijn buitenboordmotor de haven zou kunnen bereiken want met deze golven zou de schroef van de motor meer boven dan in het water slaan. Een van mijn zeilen zou aan flarden kunnen scheuren. Minder dramatisch dan mijn mast te verspelen, maar ook dan zou ik gezien mijn geografische positie Sète niet op eigen kracht kunnen bereiken. Ik zou dan wel kunnen uitwijken naar een haven die ik met een iets ruimere wind zou kunnen bereiken. Maar dan zou ik in het donker moeten varen. Terwijl de doemscenario’s langsflitsten, leek Sète toch iets dichterbij te komen. En als ik nou zou kiezen voor de oostelijke haveningang, zou ik iets eerder in rustig water terecht komen. Op dat moment zag ik uit die oostelijke haveningang een grote cargo recht op me afkomen. Dan maar een extra slag maken om hem te ontwijken. Overstag gaan met dit weer is echter geen lolletje omdat je daar vaart voor nodig hebt en de golven er alles aan doen om die vaart eruit te halen. Maar goed het lukte. Ik keek achterom. Gelukkig, daar was ik van af. Ik keek een minuut later weer achterom. Verdomme, hij kwam opnieuw recht op me af varen en wat ging dat klere ding hard. Ik dacht aan al die akelige ongelukken waarover ik gelezen had van zeilschepen die door van die grote vrachtboten overvaren waren. Ik gokte erop dat ik door overstag te gaan en mijn oude koers te hervatten uit zijn vaarwater zou raken en verdomd dat lukte. Met de thuiskomende vissersboten ging het een stuk gemakkelijker: die voeren uit consideratie met mijn hachelijke situatie met een grote boog om mij heen.
Toen ik uiteindelijk voor de oostelijke haveningang raakte zag ik opnieuw een vrachtschip aankomen. Die zou mij bereiken als ik net bezig zou zijn om het zeil te strijken en het dus te druk zou hebben om hem goed te ontwijken. Ik moet daarbij vertellen dat ik die oostelijke haveningang nooit gebruik omdat hij gebruikt wordt door de grote beroepsvaart zoals cargoschepen, ferry’s en cruiseschepen. Je kunt er daardoor niet zeilen en bent verplicht om een kilometer op de motor te tuffen. Ik maakte een langere slag en voer vervolgens met een extra slag – inmiddels met de motor erbij – de ingang binnen. Het zeil strijken ging bijna vlekkeloos voorzover dat bij zo’n wind mogelijk is en eindelijk opgelucht pruttelde ik op de motor naar de haven toe. Er kon mij nog maar een ding gebeuren, dacht ik, en dat was dat de motor ermee op zou houden. Aan benzinegebrek zou het niet kunnen liggen want ik had de tank die ochtend nog bijgevuld. Maar ik voelde me toch wel akelig afhankelijk van dit stukje techniek dat me weliswaar nog nooit in de steek had gelaten, maar dat was geen garantie dat hij dat deze keer zou blijven doen. En in dat geval zou ik door de wind op de dijk geblazen worden en het zou me veel moeite gaan kosten om mijn bootje daarbij schadevrij te houden. Maar mijn motortje bleef lustig doorpruttelen, zelfs toen ik …
Een nieuwe complicatie die ik niet voorzien had, was dat net om dat uur het blijkbaar tijd was voor de grote ferry naar Tanger om uit te varen. Opeens zie ik zo’n immens gevaarte de hoek om komen. Die kon maar één kant op en dat was recht naar mij toe. We bevonden ons aan de uiteinden van een kanaal waarvan de ene oever gevormd wordt door een dijk die de haven afschermt van de zee en de andere oever door haveninstallaties. Heel breed is dat kanaal niet en ik kon van die afstand niet goed inschatten hoeveel ruimte er voor mij naast die ferry overbleef. Dus ging ik zo dicht mogelijk tegen de dijk aan varen, laten we zeggen op zo’n tien meter van de kant. De ferry en ik naderden elkaar en ik zag tot mijn opluchting dat hij waarschijnlijk op veilige afstand van me zou blijven. En dan opeens een doffe dreun. Het motortje pruttelde nog prima, maar ik kwam geen centimeter meer vooruit. Ik zette hem gauw op vol gas achteruit, maar helaas ik zat muurvast en die boot kwam maar dichterbij. Godzijdank heb ik een lange peddel aan boord. Tot voor kort was het in Frankrijk verplicht om zo’n ding op je boot te hebben als hulproer voor het geval je je roer zou verspelen. Maar nu kwam het ding me fantastisch van pas als vaarboom. Met het loeiende motortje en mijn spierkracht kwam ik weer los. Ik maakte een draai van 90 graden en stoof zo hard ik kon voor de boeg van de ferry langs naar de andere kant van het kanaal. Dat kwam me op een waarschuwende vinger vanuit het loodsbootje te staan, maar dat kon me niets meer schelen. Ik was veilig en wel in diepe wateren beland. Een kwartiertje later was ik bij mijn ligplaats aangekomen. Ik geloof niet dat ik de boot ooit zo netjes en beheerst op zijn plaats heb gelegd. Alsof ik terugkwam van een paar uur dobberen bij windkracht 1. Als stille getuige van mijn benarde uren bleef het grootzeil die nacht in wanordelijke toestand om de giek geknoopt.