Ik voer oorlog. Ik durf daar met een gerust geweten voor uit te komen, want oorlog voeren is dezer dagen een respectabele bezigheid. Het land waarin ik woon is in verschillende oorlogen betrokken en is daar trots op. Dat was wel eens anders. Kort geleden nog was oorlog gewoon ‘not done’. Je deed het niet en als je er toch op een of andere manier in terechtgekomen was, dan schaamde je je er voor. Dat kwam natuurlijk door Irak. Maar tegenwoordig staat het voeren van oorlog weer hoog in de peilingen. Hele volken roepen om het ingrijpen van legers van vreemde mogendheden. En omdat die nou juist weer schoon gewassen willen worden van de Irakese ellende die aan hen kleeft, doen die niets liever dan her en der op deze aardkloot de burgerbevolking beschermen, de democratie veiligstellen en zelfs potentaten verjagen. Dus aan deze oorlogseuforie wilde ik ook mijn steentje bijdragen. Nu ik aan de winnende hand ben, durf ik dat wel te zeggen. Ik was namelijk al vijftien jaar verwikkeld in een nietsontziende strijd met een onzichtbare vijand. Er werd tegen mij een soort guerrillaoorlog gevoerd die ik niet anders dan met conventionele middelen wist te beantwoorden: mijnenvelden, chemische oorlogsvoering, bombardementen. Alles wat de wapenindustrie op de markt bracht heb ik in de strijd geworpen. Maar de vijand was mij steeds te slim af. Erger nog: hij leek zijn posities alleen maar te versterken. Mijn artillerievuur was nog slechts een ritueel nummer. Feitelijk had ik de hoop al opgegeven de strijd nog te kunnen winnen. Maar door een radicale wijziging in mijn oorlogsvoering heb ik de situatie in een paar weken tijd in mijn voordeel weten te veranderen. Ik heb de vijandelijke troepen gedecimeerd. Van enige activiteit van gene zijde is nauwelijks meer iets te merken. Misschien dat de leider met enige getrouwen in een onderaardse bunker psalmen zit te zingen, maar militair gezien heb ik ze uitgeschakeld.
Hoe dat zo is gekomen? Door het bestuderen van het werk van Clausewitz? Nee hoor. Door internet. Toen het water mij voor de zoveelste maal aan de lippen stond, ben ik gaan kijken of er ergens op deze wereld iemand een oplossing voor mijn probleem had. En ja hoor! ‘Heeft u ook al kapitalen aan ineffectief en vervuilend wapentuig uitgegeven? Dan is hier de succesformule.’ Of woorden van gelijke strekking. Volgde een beschrijving van de klassieke maar o zo doelmatige wijze van oorlogvoering tegen mijn vijand. Ik bestelde het wapentuig en een bijbehorend soort Handboek soldaat. Ik verdiepte mij in de tactiek van de vijand en installeerde mijn offensieve wapens midden in de vijandelijke linies. Het resultaat was verbluffend. In drie weken tijd bracht ik de tegenpartij meer verliezen toe dan in alle vijftien voorafgaande jaren bij elkaar.
Ik weet het, ik heb mij nu vele vijanden gemaakt. Maarten ’t Hart voorop. En het zal ook wel ontzettend truttig zijn om, als je net je gazon gemaaid hebt, je op te winden over weer vijf verse molshopen. Maar toch, na vijftien jaar frustratie was de maat vol. Ik heb het geprobeerd met gelatenheid, maar het is me uiteindelijk niet gelukt. Zelfs de buurman vond de molleninvasie de afgelopen jaren wel erg gortig worden. En dat zegt wat. Normaliter neemt hij iedere calamiteit ‘met filosofie’, zoals de Fransen zeggen. Maar nu vond hij het wel erg bar. Niet dat hij er iets tegen doet. Hij maait ze gewoon plat met zijn grasmaaier, dat wil zeggen de molshopen, niet de mollen.
Het heeft aan de andere kant wel iets treurigs, de strijd tegen de mollen te winnen. Want wie wil er nu eigenlijk kwaad doen aan zulke leuke, vertederende beestjes? Ooit al eens mol van dichtbij gezien? Je zou er zo een als huisdier willen hebben. Dat prachtige zwarte vachtje. Die vier poezelige babyhandjes. De overwinningsroes valt dus wat tegen. Het ware beter geweest als het een soort onderaardse trollen waren. Aan de andere kant, als ik ’s ochtends opsta, uit het raam kijk en zie dat er alweer geen molshoop in de tuin is, dan is mijn geluk compleet. En, ter geruststelling, denk niet dat ik iets tegen mollen heb: in de omringende velden en weides wens ik ze een lang en vruchtbaar leven toe.
Twee mannen
‘Ach, dit is helemáál niet mijn plek’, zegt een van de twee mannen bij het uitstappen.
‘Is dat niet wat snel?’, vraagt de vrouw die uit een andere auto is gestapt. ‘Heeft u het uitzicht over het meer al gezien?’ Ze maakt een wijds gebaar over het voor hen liggende water.
‘Het trilt niet goed hier’, mompelt de man.
De vrouw vertelt iets over het pand waar zij voor staan en stelt de twee mannen voor naar binnen te gaan.
‘Dit is helemaal niet wat ik verwachtte’, zegt dezelfde man misprijzend om zich heen kijkend. ‘Ik dacht dat het om een geheel gerenoveerd gebouw ging.’
‘Met behoud van het oorspronkelijke karakter’, zegt de vrouw alsof zij een zin uit een brochure opleest.
‘Ik durf hier niet eens te lopen. Ik zou wel zo door de vloer kunnen zakken.’
De andere man loop met de handen op de rug achter hem aan, volgt met zijn ogen de blik van de ander en knikt instemmend. De vrouw doet haar best de aandacht van de mannen te krijgen door alle bijzonderheden van het gebouw op te noemen, maar dat brengt geen enkel enthousiasme bij hen te weeg.
‘Al die trappen’, verzucht de man. ‘Komt daar nooit een eind aan? Ik zoek ongescheidenheid. Ruimte waarin de universele energie zich vrijelijk kan bewegen.’
De andere man probeert met een verlegen glimlach aan de vrouw duidelijk te maken dat ze maar niet zo op zijn woorden moet letten.
‘En dan is hier het kantoor’, zegt de vrouw een deur openzwaaiend. In het vertrek dat zich voor het drietal ontsluit, zit een vriendelijk soort vogelverschrikker achter een bureau te werken. Hij draait zich in zijn stoel om en legt uit dat dit de enige ruimte is waar niets aan opgeknapt is omdat hij altijd teveel bureauwerk had te doen om het een weeklang te ontruimen. ‘Anders zou u hier net zo’n mooi authentiek Frans plafond zien als hiernaast.’ De hoofdman kijkt naar boven met een belangstelling die verraadt dat dat wel ongeveer het laatste is dat hem op aarde interesseert. Zijn acoliet volgt zijn blik.
De vrouw heeft de hoop opgegeven dat zij de mannen nog tot enige geestdrift kan brengen. In de tuin aangekomen, wijst zij naar achteren en vertelt dat zich daar een soort stiltehofje bevindt. ‘Dat zal u vast wel interesseren. Ik wacht hier wel even op u.’
‘Wat een vreselijk mens’, sist de eerste man tegen de tweede.
‘Maar René, ik dacht dat wij geen oordelen hadden?’
‘Natuurlijk niet, maar de dualiteit druipt van die vrouw af. Van deze hele plek trouwens. Ik raak hier mijn bronenergie helemaal kwijt.’
‘Ik vind het wel mee vallen, maar we kunnen dit toch helemaal niet betalen.’
René kijkt alsof hij door een horzel gestoken wordt. ‘Hoezo kunnen wij dit niet betalen? Wij krijgen wat bij ons past, ongeacht de prijs, knoop dat in je oren. Het ligt in de is-heid der dingen besloten dat wij ons eigen unieke centrum krijgen, Johan. Maar dat is niet hier.’
‘Maar waar dan wel, René? En hoe? We zijn nu al vier jaar aan het zoeken.’
‘Wat is nou vier jaar? Jij moet leren de dingen …’
‘Groot te zien?’, probeert Johan.
‘Klein te zien. Je moet steeds weer terug naar die kern, naar die stralende bron. In het nu komt de oplossing. In het oneindige nu. Dat weet ik. Heb vertrouwen in onze gemeenschap.’
‘Ja maar we zijn met zijn vijven en niemand heeft geld.’
‘Geld, geld, alsof het daarom gaat.’
‘Deze mensen verkopen hun gebouw niet voor niets.’
‘Deze mensen niet, nee. Zag je die man? Met zijn haren in de war en zijn snor. Denkt zeker dat ‘ie Einstein is. Ook zo’n duale denker.’ René strijkt met zijn hand over zijn kaalgeschoren schedel en stoot een dorre kakelende lach uit. ‘Maar er komt een ontmoeting, daar ben ik zeker van. Met mensen die zich als in een bliksemflits bewust worden dat ze hun bezit aan ons moeten overdragen. Ze weten dat nu nog niet. Vragen een kapitaal voor hun pand. Maar dan plotseling, in een ontmoeting met ons zullen ze het goddelijk licht zien. Dat wordt het begin van de nieuwe tijd, Johan.’
‘Die vrouw staat op ons te wachten. Wat gaan we haar zeggen?’
‘Dat dit niet onze plek is. Dat had ik toch al gezegd? Mijn intuïtie bedriegt mij nooit.’
Bejaardentehuis
Vorige week heb ik mijn zoon naar een bejaardenoord verhuisd. Meestal is het andersom, maar nood breekt wet zoals we al sinds mensenheugenis weten. Eind november moest Serge de woning van zijn vriendin verlaten wegens einde relatie. Hij leidde drie maanden een zwervend bestaan, maar kon onlangs bij de woningbouwvereniging intekenen voor een tijdelijke woning in een binnenkort te slopen bejaardentehuis. Mooie oplossing: het tehuis blijft tot het moment van de sloop bewoond zodat de laatst overgebleven oudere bewoners niet in een spookpand wonen terwijl studenten, voor wie al sinds de oorlog te weinig woonruimte is gebouwd, daar tijdelijk huisvesting vinden. En, denk je dan, dat zal de woningbouwvereniging toch wel voor een beetje schappelijke prijs doen. Maar nee, nood breekt blijkbaar niet de economische wetten van vraag en aanbod. Voor een geheel gestripte bejaardenwoning mag de student (met z’n tweeën is niet toegestaan) de somma van 460 Euro per maand neertellen. En dat tussen het gebeuk van de heimachine aan de ene kant en het gegrom van de grondverzetmachines aan de andere. Is dat redelijk? Lijkt me niet. We hebben het hier over de grootste sociale huisbaas van Amsterdam. Ik herinner me in 1977 een artikel geschreven te hebben voor De Groene over hoe de Amsterdamse sociale huisbazen hun plicht tegenover de allochtone bewoners van de hoofdstad verzaakten. Nu weet ik ook wel dat de economische toekomstverwachting van de gemiddelde student aanzienlijk beter is dan die van de gemiddelde allochtoon, maar dat rechtvaardigt nog niet het misbruik maken van de eeuwigdurende kamernood van studenten, waarvoor nu juist die woningcorporaties de eerst aangewezenen zijn om daar een eind aan te maken.
Maar ondanks dat vind ik het wel mooi dat mijn zoon in een bejaardentehuis woont. In een wat andere context lijkt het op de verdunningsgedachte die we destijds voor psychiatrische patiënten aanhingen. Dennendal en zo. Misschien was dat niet helemaal goed doordacht, maar om studenten met bejaarden te mengen, daar lijkt me nu werkelijks helemaal niets op tegen en vooral veel voor. Vlak voor Serges deur staan twee grote biljarttafels waarop regelmatig door oudere heren gespeeld wordt. Wat zouden die niet mooi dit edele spel aan jongeren kunnen leren die hun kleinkinderen zouden kunnen zijn. Aan de andere kant zouden diezelfde jongeren hun oratorische talenten kunnen ontwikkelen door spreekbeurten te houden voor de oudere bewoners. En wat te denken van een schaakcafé, van leesclubs, van jazz- en filmclubs? En misschien zou met behulp van een paar conservatoriumstudenten de wekelijkse zangavond naar een iets hoger plan getild kunnen worden. Als ik het te zeggen had in de woningbouwvereniging zou ik het wel weten. Een intergenerationeel solidair woonmodel. Volgens mij gezien de demografische ontwikkelingen een absolute kraker. Misschien zou ik daar ter zijner tijd zelfs voor intekenen. Maar dan wel zonder hei- en graafmachines graag.
Regenpijp
‘I wish we didn’t have to go back at all.’ Zegt Hemingway tegen zijn vrouw in de eettent van zijn kampement ergens in het savannelandschap van het Kajiadodistrict in Kenia. ‘I wish we didn’t have any property nor any possessions nor any responsibilities.’ Ik kan de laatste tijd helemaal met hem meevoelen. Vooral sinds ons huis te koop staat en ik me meer dan ooit een eigenaar voel die verantwoordelijk is voor de staat waarin zijn eigendom verkeert. Waren wij onder gewone omstandigheden al bezig vanaf eind februari/ begin maart het gebouw en de tuin hun jaarlijkse onderhoudsbeurt te geven, deze keer lijkt de gekte uitgebroken. Alles wat in vorige jaren bewust of onbewust aan onze aandacht ontsnapt is, moet nu onverwijld aangepakt worden. Daardoor bevond ik mij een paar dagen geleden in een grote doe-het-zelf supermarkt om vijf meter regenpijp aan te schaffen om die aan te brengen op een plek waar er zich geen bevindt maar er wel een zou horen te zijn. De afwezigheid van die regenpijp leidde nooit tot grote problemen, dus het karwei werd jaarlijks uitgesteld. Maar dit jaar is er geen uitstel. Alles moet piekfijn in orde zijn. In de eerste winkel die ik bezocht, stond één pijp van de juiste diameter en kleur. Die was 2.50 meter lang, de helft van wat ik nodig had. In de volgende winkel waren er volop pijpen van de goede soort, alleen allemaal vier meter lang, een meter te weinig. Omdat de prijs niet zodanig was om daar erg moeilijk over te doen, besloot ik tot de aanschaf van twee pijpen van vier meter. Heb je wel eens met pijpen van vier meter door een supermarkt gelopen? Ik heb het er goed afgebracht en bereikte zonder noemenswaardige schade aan goederen of personen aan te richten de regio waarin zich de kassa’s bevonden. Het volgende probleem was hoe ze te vervoeren. Ik kan godsonmogelijk vier meter regenpijp in mijn auto proppen. Dus die moesten in tweeën gezaagd. Ik trof een alleraardigste jonge vrouw aan de kassa die dat allemaal even piekfijn voor me ging regelen, maar dan moest ik wel met mijn regenpijpen terug naar het andere eind van de winkel. Afijn, dat heb ik ook weer gered. Deze keer wel met wat boze blikken van andere klanten die ik hoorde denken ‘maakt die man er een gewoonte van om met zijn regenpijpen door de winkel heen en weer te lopen?’ Na een minuut of tien kwam er een behulpzame winkelbediende met een botte houtzaag aansnellen die niet door het polyester van mijn pijpen heen te krijgen was. De aardige caissière kwam inmiddels maar eens een kijkje nemen want vond blijkbaar dat ik wel erg lang wegbleef. Dat kwam goed uit, want nu kon ze helpen de pijpen vast te houden die de inmiddels teruggekeerde behulpzame winkelbediende met een ijzerzaag te lijf ging. Met mijn inmiddels vier regenpijpen sloot ik enige tijd later aan in de wachtrij voor de kassa. Andere caissière maar ook buitengewoon aardig en vooral zeer geduldig. Er ging namelijk iets niet goed bij het afrekenen bij klanten voor mij. Of liever gezegd, er ging helemaal niets goed. Een meneer kwam een lege voor een volle butagasfles inruilen, maar die kon ze niet in haar computer vinden. ‘Weet u wel zeker dat wij die verkopen?’ Ik weet niet of het allemaal nog goed is gekomen met hem, want toen ik een kwartier later van de parkeerplaats afreed stond hij nog steeds bij het rek met butagasflessen. Met andere klanten in mijn rij ging het ook ongeveer zo. Dus ik had alle tijd om de om- en bijstanders te bestuderen. Dat kwam goed uit, want voor mij – ik zal maar zeggen na die meneer van die gasfles, maar nog op enige afstand van mij – stonden een moeder en een dochter. Niet zomaar een moeder en een dochter. De moeder was van een onwaarschijnlijke lelijkheid. Alles aan haar gezicht leek scheef te zitten. De dochter, ja nu moet ik even diep ademhalen. Ik geloof niet dat ik ooit in levende lijve zo’n schoonheid heb gezien. En het vreemde is, dat je dat zo zou kunnen missen. Het was dat ik daar eindeloos lang voor die kassa stond en daardoor de tijd kon nemen om echt te kijken, anders had ik haar waarschijnlijk gemist. Misschien is dat altijd wel zo met echte schoonheid. Zij was van een schoonheid die zichzelf niet kent. Je kunt dat soms ook in de natuur hebben. Op een mooie zonsondergang valt niets af te dingen, daar niet van. Maar daar valt niet zoveel aan te ontdekken. En met een beetje geluk kun je er nog een aardige foto van maken waarvan anderen zeggen ‘zo, dat is een mooie zonsondergang’. Maar je kunt ook in een landschap rondlopen en opeens bevangen worden door een gevoel dat er iets bijzonders is, dat je iets ziet, voelt waarvan je niet zo gemakkelijk kunt zeggen wat er zo bijzonder aan is, maar waar je een beetje gelukkig van wordt. Zoiets was dat met die dochter. Blijkbaar was ik niet de enige die dat opmerkte. De aardige en geduldige caissière bleef haar na het afrekenen met haar blik volgen en zag dus net als ik dat ze iets liet vallen dat ze met een verlegen glimlach opraapte. Het was een bloem.
Het echte Frankrijk-gevoel
Ik leef in een land waarin het verleden nooit ver weg is. Iemand aanmerken als Jacobijn of Bonapartist is gemeengoed. Naar welke figuren of bewegingen of figuren rond 1800 grijpen wij Nederlanders nu terug? We hebben niet eens meer een Anti-Revolutionaire Partij! Dus nee, 1789 is voor ons prehistorie. Nu wil ik niet zeggen dat de Bastille hier nog dagelijks bestormd wordt, maar het Tahrir-plein werd hier al heel snel de Egyptische Bastille genoemd. Mooi is dat, een volk dat zijn eigen verleden kent. Rita Verdonk zouden er de tranen van in de ogen springen. Maar, aan de andere kant, zouden bij de jongeren in de Parijse randgemeenten dit soort vergelijkingen ook spontaan opborrelen? Ik denk van niet. En bovendien valt er op dat historisch bewustzijn ook wel wat af te dingen. Wat te denken van een Sarkozy die zich tijdens zijn verkiezingscampagne in 2007 op het gedachtengoed van de grote socialistische voorman Jean Jaurès beroept? Dat is zoiets als Marc Rutten die zich de ideologische nalatenschap van Pieter Jelles Troelstra toe-eigent. Maar weten we in Nederland überhaupt nog wel wie Troelstra was?
Aan de affaire Dreyfus worden we hier ook regelmatig herinnerd. Even ter opfrissing: in 1894 werd kapitein Dreyfus veroordeeld en verbannen naar Duivelseiland omdat hij geheime documenten aan de Duitsers zou hebben geleverd. Al gauw bleek dat de hele affaire door een collega legerofficier met vervalsingen in elkaar was geflanst en hoofdzakelijk dreef op de troebele wateren van antisemitisme. Emile Zola schreef in 1898 zijn vlammende pamflet J’accuse, dat de affaire een radicaal andere wending gaf en lange tijd Frankrijk verdeeld hield in Dreyfusards en anti-Dreyfusards. Je zou dan denken: daar zullen die Fransen wel wat van geleerd hebben. Maar nee, het lijkt wel of het antisemitisme in dit land is uitgevonden. In de jaren dertig kreeg het een bloed-en-bodem tintje, doordat in ranzige geschriften de liefde voor het land geplaatst werd tegenover het kosmopolitisme. Lees: de echte Fransen tegenover de onechte, dus Joden, zigeuners en andere profiteurs. Van dit abjecte gedachtengoed hebben Franse politici zich nooit weten te ontdoen. Er is het Frankrijk van de Fransen die modder aan hun laarzen hebben en er is het Frankrijk van die anderen, die niet geworteld zijn in de Franse bodem. De laatste ontsporing op dit gebied is afkomstig van de fractieleider van de de regeringspartij UMP, Christian Jacob. Over de mogelijke presidentskandidatuur van Dominique Strauss-Kahn wist hij te melden dat hij niet het beeld van het rurale Frankrijk belichaamt, het Frankrijk van de streken, het Frankrijk waarvan we houden. Lees: het Frankrijk waar mijn voorouders geboren zijn en niet die van Dominique Strauss-Kahn. Nee, nee, werd er vergoelijkend door zijn partijgenoten geroepen, hij bedoelt alleen maar dat Strauss-Kahn al zo’n tijd als directeur van het IMF in Washington zit dat hij niet meer weet wat de gewone Fransen beroert. Nou, beste mensen, ik zit hier tot mijn enkels in de Franse modder. Ik moet een paar keer per dag de kleibonken van mijn zolen afschrapen, maar ik pretendeer toch echt niet meer te weten over de gewone Fransen dan Strauss-Kahn. Want die gewone Fransen wonen helemaal niet op het platteland. Al die verheerlijking van het Frankrijk met alpinopet en baguette slaat helemaal nergens op. De boeren van Frankrijk vormen 2% van de beroepsbevolking en het platteland loopt nog steeds verder leeg. Tijdens een ongehoord klef door de tv uitgezonden samenzijn van twee-en-een-half uur van onze president en een aantal gewone burgers, zong Sarkozy zijn verplichte ode aan de Franse boerenstand, waar hij zei zo trots op te zijn. Er was een jonge boer in het gezelschap. Die keek hem ironisch aan en zei: ‘Maar meneer Sarkozy, er zijn bijna geen boeren meer.’
Vandaag wordt in Parijs de Salon de l’agriculture geopend, de grote jaarlijkse landbouwtentoonstelling. De gelegenheid voor politici om hun verbondenheid met de Franse bodem te tonen, terwijl ze op koeienkonten kloppen. Oud-president Chirac was er een meester in. Voor Sarkozy is het een verplicht nummer. Maar zolang er geen politici durven op te staan om te roepen dat we de kleren van de keizer staan te bejubelen, garandeer ik dat we hier nog vele jaren in de naweeën van de affaire Dreyfus moeten leven.
Maria Schneider
Een kleine veertig jaar geleden was ik een blauwe maandag filmrecensent bij het toenmalige weekblad De Nieuwe Linie. Eens in de vier weken mocht ik een recensie schrijven in plaats van de vaste recensent. Het idee was om een plek te geven aan jong aanstormend talent en tegelijk om de vaste recensent langzaamaan de deur uit te werken omdat zijn kritieken een beetje roestig aan het raken waren. Ik vond het allang best. Ik ging graag naar de film en nu kreeg ik opeens de kans om geheel gratis met in de pauze een glas sherry en een broodje massa’s films te zien voordat gewone stervelingen die zagen. Bovendien kreeg ik eens in de maand betaald voor een artikel van 1500 woorden. Niet veel, maar voor de armlastige student die ik toen was toch mooi meegenomen. Het plezier was van korte duur. De vaste recensent had het opzetje wel begrepen. Hij besliste welke films ik zou bespreken en stuurde me met uitzondering van de eerste keer naar verrotte films waar geen eer aan te behalen viel. Toen ik me voor de zoveelste keer had zitten vervelen bij een minder dan middelmatige film (overigens wel met een van mijn favoriete actrices: Stéphane Audran) zon ik op wraak. Vlak voordat ik mijn recensie moest inleveren ging op eigen zak naar Last Tango In Paris van Bernardo Bertolucci. Ik was verbijsterd. Het is een van die films die bij mij een blijvende indruk hebben achtergelaten. Niet zozeer door de gedurfdheid van het verhaal of door de schokkende beelden. Ik geloof niet dat ik het grenzenoverschrijdende karakter van de film in de gaten had. Ik was in mijn eigen leven bezig allerlei grenzen op te zoeken en wellicht te overschrijden. Misschien dat daardoor dat aspect niet meteen tot mij doordrong. Het was vooral het feit dat de film ging over dingen die ik voor mezelf bezig was uit te zoeken dat zo’n indruk maakte. Laat ik het hier maar aanduiden als de rol van seksualiteit in intermenselijke relaties. Dat je op zo’n expliciete manier over zulke dingen een film kon maken, was nog nooit bij me opgekomen. Ik besloot dus die keer een dubbelrecensie te schrijven. Halverwege mijn kritiek meldde ik dat ik ook nog een andere film had gezien met een Paul in de hoofdrol en dat dat wel volslagen andere koek was. De hoofdredacteur was not amused over deze pas de deux, ik werd aan de kant gezet en had mijn laatste tango bij De Nieuwe Linie gedanst.
Ik kom daarop omdat op 3 februari Maria Schneider is overleden. Zij was de tegenspeelster van Marlon Brando in Last Tango. Een jong meisje (ze was negentien) dat onder bizarre omstandigheden een relatie aangaat met een oudere kersverse weduwnaar. De schandalen die de film heeft teweeggebracht is ze eigenlijk nooit te boven gekomen. Ze raakte aan de drugs, speelde nog wel eens in een film – zelfs een keer onder regie van onze eigen Nouchka van Brakel – maar het bleef bijna allemaal onder de maat. Bertolucci erkent nu, negenendertig jaar later, dat Schneiders verwijt dat hij haar jeugd heeft afgenomen wel klopt: ‘ze was te jong om het onvoorziene en plotselinge succes van de film te kunnen incasseren.’ Hij had haar daarvoor nog om vergeving willen vragen. Te laat. Dat deed me denken aan een liedje van Louis Chedid dat luidt: ‘We zeggen te weinig tegen de mensen van wie we houden dat we van ze houden.’
Even in de mierenhoop
Vorige week was ik bouwvakker. Met een echte metselaar was ik bezig ons piepkleine huisje in de Languedoc op te knappen. Dat huisje is nog helemaal niet bewoonbaar, dus overnachtte ik op mijn piepkleine bootje dat op vijf kwartier rijden aan zee ligt. Opeens was ik weer forens. ‘s Ochtends vroeg in de drukte op pad en aan het begin van de avond weer terug. Het deed me denken aan al die jaren dat ik dagelijks van Utrecht naar Amsterdam, Den Haag of Rotterdam heen en weer reisde. Het verschil was vooral dat ik toen met de trein reisde en nu met de auto, en bovendien dat ik toen geacht werd hoofdarbeid te verrichten en dat ik nu met troffel en plekspaan in de weer was. De grote overeenkomst was dat ik onderweg urenlang naar de radio luisterde. Dat deed ik destijds in de trein met een minuscuul radiootje en een koptelefoon. Het laatste exemplaar heb ik nog steeds en gebruik ik soms om mijn omgeving niet te veel tot last te zijn. Ik ben namelijk gek op radio. Ik ben een soort radiojunk. Ik vind radio het mooiste medium dat er bestaat. Daar kan geen tv of internet tegenop. En gelukkig wordt er in Frankrijk nog echt radio gemaakt. Veel goede interviews. Goede interviewers dus. Van die mensen die niet alleen een prettige radiostem hebben, maar die ook de goede vragen kunnen stellen en soms de geïnterviewde kunnen corrigeren als die bezig is de waarheid geweld aan te doen. Kennis van zaken. En niet te beroerd om daarmee een minister of andere hotemetoot om de oren te slaan. Daar smul ik van zonder dat ik daarmee een gevaar op de weg word. Tenminste dat denk ik. Want dat is ook zo aangenaam van radio: je kunt er dingen bij doen die voor het tv-scherm of achter de computer godsonmogelijk zijn. De muis hanteren en tegelijk je boterhammen smeren gaat gewoon niet. En tv kijken terwijl je de vloer staat te schrobben, wordt ook niets.
Ik had dus een beetje heimwee naar mijn oude forensenbestaan. Dat had ik toen nooit kunnen bedenken. Ik vond het vreselijk om me om acht uur en half zes in die overvolle trein te storten (ze reden toen nog wel op tijd overigens) en met moeite een zitplaats te veroveren. Ik wil niet zeggen dat het een reden was om naar Frankrijk te verhuizen, maar het was toch wel mooi meegenomen dat ik hier wonen en werken op één plek kon combineren. Zestien jaar later vind ik het wel grappig om me met al die anderen op weg naar het werk te begeven. Voor even. Even weer dat gevoel te hebben deel uit maken van die mierenhoop. Een van die zovelen te zijn die zijn eigen hoogstparticuliere beslommeringen heeft, die natuurlijk niets te maken hebben met de beslommeringen van al die anderen. In de grote massa van individuen in de stad ervaar je meer je individualiteit dan in je eentje op het platteland. Hier, te midden van de velden, bossen en koeien hebben mensen weinig behoefte zich te onderscheiden van anderen. De allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie is hier beslist niet uitgevonden. De stedeling die ik ondanks alles toch ben, kan daar maar moeilijk aan wennen.
La Rochefoucault in een krulspeld
Papillotjes herinner ik mij van vroeger als ontsierende rolletjes waar brave huisvrouwen de hele dag mee in hun haar rondliepen om ’s avonds met een zwierige haardos bij de buren op bezoek te kunnen. Er scheen zelfs mee geslapen te worden. Dat moet je je helemaal niet voorstellen. Ga je met de personeelsvereniging een dagje uit en doe je de nacht ervoor geen oog dicht omdat je wel op je paasbest moet verschijnen voor het uitstapje naar de Efteling. Ik wilde het trouwens over de Kerst hebben en niet over Pasen. Want al weken voor de Kerstdagen verschijnen er in de Franse supermarkten rijen met zakken gevuld met papillotes en dat zijn dus geen krulspelden om er met de Kerst mooi uit te zien, maar chocolade bonbons verpakt in zilveren of gouden plastic met om de bonbon een papiertje met een aforisme of andere wijsheid van een bekend schrijver of denker. In een van mijn allerlaatste papillotes van dit jaar had ik zoiets als ‘schrijven is praten zonder tegengesproken te worden’. Ik heb er dagenlang mee op zak gelopen, want ik dacht: daar ga ik iets over schrijven, maar nu ben ik hem toch nog kwijt geraakt. Zodoende weet ik de letterlijke tekst niet meer, maar ook niet wie deze wijsheid gedebiteerd heeft. Ik hou het op La Rochefoucault, want die is samen met Oscar Wilde ieder jaar goed vertegenwoordigd in de papillotes. Bovendien zijn zijn Maximes in 1664 door Elzevier uitgegeven en zoiets schept toch een band. Hoe het ook zij, ik vond er wel wat inzitten, in dat praten zonder tegengesproken te worden. Het is al lastig genoeg om je eigen gedachtegang een beetje coherent te volgen, laat staan als daar een gesprekspartner de hele tijd intelligente opmerkingen over zit te maken. Dan ben ik na een paar minuten het spoor al bijster. Die uitspraak van La Rochefoucault – aangenomen dat hij het was natuurlijk – trof me ook omdat ik nog een andere manier ken om te praten zonder tegengesproken te worden. Als ik ziek ben, kan ik namelijk ontzettend kletsen. In mijn gewone doen ben ik niet zo’n kletskous, maar als ik ziek ben – nou ja, een beetje ziek, niet doodziek natuurlijk, ik zal maar zeggen 38.5° en alweer aan de beterende hand – dan kan ik ontzettend lullen, maar dan ook zo vreselijk dat überhaupt niemand er tussen kan komen, laat staan mij kan tegenspreken. En aangezien ik een week geleden ziek was – waardoor ik ook deze keer te laat ben met mijn column, maar dit terzijde – moest ik daar bij het lezen van die Maxime van La Rochefoucault (aangenomen natuurlijk dat het ook werkelijk om een van zijn Maximes gaat) erg aan denken. Wacht even, waar had ik het nou over? Ik weet zeker dat ik iets wou zeggen, maar dat ben ik nu even kwijt. Lastig is dat, dat praten zonder tegengesproken te worden.
PS: Ik heb het papiertje met die wijsheid van La Rochefoucault de volgende dag in het natte gras terug gevonden, met dien verstande dat die woorden niet van La Rochefoucault maar van Jules Renard bleken te zijn. Met hem blijf ik ook dicht bij huis, want hij heeft het grootste deel van zijn leven in de Nièvre, het aangrenzende departement, gewoond.
Coïtus interruptus
Ik weet niet goed wat het is, maar het overkomt me de laatste tijd steeds vaker dat ik aan een boek begin en het vervolgens niet uitlees. Gewoon omdat ik er geen zin meer in heb. Omdat ik het gevoel heb dat alles na de eerste tien pagina’s een steeds weerkerende herhaling van zetten is. Omdat ik in het geheel niet nieuwsgierig ben hoe het verhaal afloopt doordat ik niets met de personages heb die het boek bewonen. Omdat de schrijver alles zo uitspelt dat hij mijn eigen verbeelding uitschakelt. In zijn ijver om de lezer zo goed mogelijk in te wijden in schrijvers fictieve realiteit, verhindert hij me om die tot de mijne te maken. Ik blijf een buitenstaander. Of simpelweg omdat er teveel zinnen in voorkomen die zich kreunend voortbewegen als een acrobaat met artrose. Erkende meesterwerken zijn op die manier al voor de bijl gegaan (niet vanwege de laatste reden trouwens). De eerlijkheid gebied me te zeggen dat het eerste boek dat mijn aandacht niet kon vasthouden De avonden van onze grote volksschrijver was, maar dat kwam waarschijnlijk omdat de sfeer voor de achttienjarige die ik toen was en die op het punt stond zijn geluk in Amsterdam te gaan zoeken, een ietsje te deprimerend was. Daarna heb ik maar zelden een boek halfgelezen terzijde gelegd. Maar sinds een paar jaar heb ik een groeiende stapel van boeken waar op dat moment mijn hoofd even niet naar stond. Ik pak het boek, de boeken, later wel weer op, zo neem ik mij voor. Meestal gebeurt dat niet. Het is gewoon mijn eigen literaire sterfhuisconstructie.
Hoe zou het nou komen dat mijn ongeduld met boeken toeneemt? Word ik bij het stijgen der jaren kritischer? Of is het zo dat ik het belang van het boek afzet tegen de steeds kortere tijd die ik nog tot mijn beschikking heb om mooie, goede, interessante, spannende boeken te lezen? Het eerste klinkt mooi, maar ik gok toch op het laatste en vervloek de nonchalance waarmee ik in pakweg mijn eerste vijftig levensjaren met mijn leestijd ben omgesprongen. Ik moet daar wel bij vertellen dat ik een trage lezer ben. Met mijn vrouw vergeleken loop ik ongeveer een op drie. Daar staat tegenover dat ik het gelezene beter opsla in mijn geheugen. Zo kon ik haar laatst afhouden van de aanschaf van een dikke pil waarvan ze aandachtig de flaptekst stond te lezen. Ik vertelde haar dat ze het boek een jaar geleden al gelezen had. Ze keek nog een keer naar de flaptekst en schudde meewarig haar hoofd: ze kon zich er niets meer van herinneren. En dat heeft echt helemaal niets met Alzheimer te maken. Blijft het feit dat ik veel meer wil lezen dan waartoe ik in staat ben. Op zich is dat al frustrerend, maar ik word helemaal radeloos als naast mij iemand achteloos het ene na het andere boek doorwerkt terwijl ik nog steeds met mijn neus in hetzelfde zit. Het voortijdig stoppen met een boek is daar wel een mooie oplossing voor. Zo kan ik haar wel bijhouden. Maar het heeft iets van een coïtus interruptus en dat moet je volgens mij ook niet te vaak achter elkaar doen.
Toepasselijk
Ik zit er mooi mee in mijn maag. De door mijzelf opgelegde discipline schrijft mij voor dat ik drie dagen geleden een column af zou hebben. Nou reden wij in het kerstweekeind terug naar huis en dat vond ik wel een geldig excuus om mezelf een beetje respijt te gunnen. Maar nu zit ik nog maar twee dagen van 31 december verwijderd en moet ik toch wel met een pittige eindejaarsgedachte op de proppen komen. Maar eerst dit: als het eerste decennium van de 21e eeuw begon op 1 januari 2000, dan was dat decennium afgelopen op 31 december 2009. En dan hebben wij nu dus bijna het eerste jaar van het tweede decennium achter de rug. Dat lijkt een futiele constatering, maar voor mij is dat bloedige ernst. Ik hoef geen kernachtige karakteristiek van het afgelopen decennium te geven want dat ligt toch alweer een jaar achter ons. En ‘Who needs yesterday’s papers, who needs yesterday’s news?’ zoals de Stones dat al heel lang geleden zo mooi uitdrukten. Dus ik kan me tot het afgelopen jaar beperken, het eventueel zien als een opmaat voor wat ons dit komende decennium te wachten staat, maar meer ook niet. En aangezien bij dit soort terugblikken meestal het zwaarste weegt wat het laatst gebeurd is, kan ik eigenlijk net zo goed volstaan met de afgelopen dagen. Nou, die logen er niet om. Wij kwamen hier een paar dagen geleden aan met ijzige koude in een huis waarin zes weken niet gestookt was. Bovendien bleken de thermostaatknoppen van twee verwarmingsradiatoren kapot. Maar dat was weer niet zo vreselijk want gasgestookte centrale verwarming is toch niet te betalen en aangezien we overal houtkachels hebben staan, moest het mogelijk zijn om het huis snel warm te krijgen. Daarvoor moest ik dan wel stukken hout op de juiste lengte hebben. Ik herinnerde mij dat ik voor wij naar Nederland vertrokken de zaagbladen van de zaagmachine had weggebracht om geslepen te worden en dat die pas begin januari klaar zouden zijn. Dan maar de kettingzaag ter hand genomen. Afgezien van het feit dat het langer duurt en een vreselijke herrie en stank geeft, kon ik op die manier toch prima houtblokken van het juiste formaat zagen. Alleen, de kachel in de keuken – eigenlijk tegelijk onze woonkamer – wilde niet goed trekken en hij begon ook te stinken. Aha, schoorsteen verstopt, hij moest geveegd. Geen probleem, ik heb daarvoor alle materieel. Helaas moet dan altijd wel de hele keukenkast die onder de schoorsteen staat ontruimd worden, want anders kan ik hem niet verschuiven om bij de schoorsteen te kunnen. Dus begon ik vanochtend welgemoed alle serviesgoed, glaswerk, en nog zo wat, inclusief de voorraad sterke drank, uit de kast te halen. Na het feitelijke schoorsteenvegen moesten de gehele keuken en ikzelf grondig gereinigd worden, maar nu zitten we er aan het eind van dit jaar proper en warmpjes bij. Als dit geen toepasselijke eindejaarsgedachte is, weet ik het niet meer. Ik kan het iedereen aanraden. Volgens mij kunnen we dan allemaal 2011 met vertrouwen tegemoet zien.